Meervoudig privé-bezit
Uit GeschiedenisJapan
Meervoudig privé-bezit en cliëntelisme
Vanaf het einde van de negende eeuw, parallel met het ontstaan van de myōshu en de fiscale immuniteit die de centrale aristocratie voor haar landgoederen verwierf, ontstond het gebruik waarbij de plaatselijke landadel haar landgoederen in naam overdroeg aan een machtige aristocratische grootgrondbezitter om eveneens fiscale immuniteit te verwerven. De eigenaar fungeerde dan voortaan als een soort waarnemende beheerder van de shōen (shōkan 荘官) voor de afwezige grootgrondbezitter (ryōke 領家). Deze eigenaar kon desgevallend zijn bezittingen nog eens nominaal overdragen aan een nog machtiger beschermheer (honjo). Dit was dan iemand die een zeer hoge positie en rang had aan het hof (zoals de Fujiwara) en een soort ultieme garantie van wettelijkheid bood. In ruil voor het nominale eigendomsrecht verstrekte de machtige ryōke bescherming aan de voormalige landheer ten opzichte van de provinciale gouverneur. In ruil daarvoor kreeg de ryōke jaarlijkse belasting in rijst en het recht op vroondienst van de pachters van de shōen (myōshu). De bezitsstructuur van de shōen was dus meerledig en kan als volgt voorgesteld worden:
| Niveau: Hoofdstedelijke aristocratie | |
| Honjo (beschermheer) 本所 | |
| Ryōke (grootgrondbezitter) 領家 | |
| Niveau: Landgoed: shōen 荘園 | |
| Shōkan (beheerder, voormalige bezitter, ryōshu) 荘官、領主 | |
| Shōmin 荘民 | Myōshu (geregistreerde pachters) 名主
genin (slaven) 下人 |
Elke van de niveaus in deze hiërarchie had bepaalde rechten en bepaalde plichten, die vastgelegd waren in zgn. shiki 職. De ryōshu had ryōshiki 領職, dat de aard van het eigendomsrecht beschreef en de categorieën en quota van de rechten zoals het pachtrecht (nengu), het productierecht (kajishi 加地子) en het dienstrecht (kuji 公事) bepaalde. Ieder niveau van eigenaars had door de shiki recht op een gedeelte van de productie van het hele landgoed. Dit is een belangrijk onderscheid met de toestand in Europa tijdens de Middeleeuwen, waar de landheren de hele opbrengst kregen van welbepaalde landerijen of domeinen. De shiki omschreven ook de rechten van de boeren, zodat de term uiteindelijk synoniem werd van landeigendom onder één of andere vorm.
Particuliere verbintenissen.
De machtsverhouding tussen honjo, ryōke en shōkan aan de ene kant en myōshu aan de andere kant, kan gelijkgesteld worden met die van de landheer tot horige pachter, maar aan de andere kant waren er ook myōshu die zelf genin (slaven) onder zich hadden en deze myōshu werden vaak zelf shōen-beheerder (shōkan). Afgezien daarvan kan men als algemene regel stellen dat de machtsverhoudingen tussen de verschillende eigenaarsniveaus niet gedefinieerd waren onder de vorm van universele wetten, maar het resultaat waren van persoonlijke verbintenissen, en dat een bepaalde status in de hiërarchie niet bezoldigd werd met een officieel salaris, dat uit de belastingen werd gehaald, maar met rechten op het land. De boer in een shōen was dus niet langer onderworpen aan een onpersoonlijke bureaucratie die een waaier van uniforme aanslagvoeten hanteerde, maar hij stond in een bepaald persoonlijk verband ten opzichte van zijn overste, aan wie hij bepaalde rechten verschuldigd was in ruil voor bescherming. De politieke en maatschappelijke structuur keerde dus terug naar een vorm van patrimonialisme.

