Materiële beschaving en geestelijke cultuur
Uit GeschiedenisJapan
Inhoud |
De schone schaduw van de adel
Tijdens de Muromachi-periode beleeft Japan het wegdeemsteren van de aristocratie en haar cultuur. Cultuur is niet langer een monopolie van de hoge klasse en de kloosters, noch is zij beperkt tot Kyōto. Men mag gewag maken van een zekere democratisering en regionalisering van de cultuur, waarbij niet-aristocratische klassen de voornaamste voortbrengers van de cultuur worden.
De aristocratie is evenwel niet helemaal verstomd, maar zij trekt zich terug in het verleden en haar stilaan verstarde tradities. In het begin van de periode zijn er nog enkele werken die het vermelden waard zijn, in de eerste plaats Jinnō shōtōki 神皇正統記 (‘Vertoog over de regelmatige opvolging van de goddelijke soevereinen’), een werk dat geschreven werd tijdens de periode van de tweestrijd tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Dynastie, door Kitabatake Chikafusa 北畠親房, een medestander van de Zuidelijke Dynastie. De auteur betoogt dat Japan het land der goden is, dat ten eeuwigen dage door de nakomelingen van de Zonnegodin bestuurd wordt. Het bezit van de ‘Drie Goddelijke Kostbaarheden’ is het teken van hun legitimiteit, die in casu aan de Zuidelijke Dynastie toekomt. Kitabatake zet zich met name af tegen de mappō-gedachte en inspireert zich op het gedachtengoed van het Confucianisme, volgens hetwelke de deugd van de heerser en de menselijkheid van zijn bestuur zijn lot en zijn voortbestaan bepalen. Hij erkent ook dat het bestuur van de bushi gerechtvaardigd is in de mate dat het de goedkeuring van het volk meedraagt.
Een tweede belangrijk geschrift van aristocratische inslag is Tsurezuregusa 徒然草 van Yoshida Kenkō 吉田兼好 (ca.1283-1352), een shintoïstische priester uit Kyōto. Het werk wordt gekenmerkt door zijn elegische toon en zijn nostalgie naar de aristocratische verfijning van weleer, maar erkent tevens de realiteit van de eigentijdse maatschappij, waar winstbejag en geld niet weg te denken zijn. Opmerkelijk is wel dat de enige vermeldenswaardige aristocratische geschriften alle behoren tot de periode van de Zuidelijke Dynastie. Ook het epische Taiheiki 太平記 van de hand van de priester Kojima Hōshi 小島法師 handelt over de tijd en kiest de zijde van de Zuidelijke Dynastie. Voor het overige beet de aristocratie zich vast in haar angstvallig bewaarde hiden 秘伝 (de geheime overlevering van de waka-traditie) en de yūsoku 有職 (het gedetailleerde onderzoek naar de ceremoniële aspecten van het kuge-leven).
Synthese van kuge- en bushi-cultuur
De culturele vernieuwing is te vinden in andere kringen. Men heeft het vaak over de cultuur van de noordelijke heuvels (Kitayama-bunka 北山文化) en de cultuur van de oostelijke heuvels (Higashiyama-bunka 東山文化). Dit is een verwijzing naar de heuvels in de buurt van de toenmalige hoofdstad waar respectievelijk Yoshimitsu's Gouden Paviljoen en Yoshimasa's Zilveren Paviljoen ingeplant zijn. Deze twee tempels belichamen een nieuwe architectonische stijl, en bij uitbreiding de levensstijl en cultuur waarvoor zij als decor dienden. Beide culturen worden traditioneel beschreven als een synthese van kuge- en bushi-cultuur. De benedenverdieping en de middenste verdieping van het Gouden Paviljoen zijn in de aristocratische shinden-zukuri-stijl 寝殿造 gebouwd, terwijl de bovenverdieping in de stijl van de zentempels is, wat dan meer met de bushi-klasse geassocieerd wordt. Dit is duidelijk een voorbeeld van synthese, maar dergelijke voorbeelden zijn te schaars om representatief te zijn. Het meest typerende voor de Muromachi-periode is ongetwijfeld de inbreng van de regio's en de minder respectabele klassen, met name die van de kokujin en de stedelingen (egōshū,...).
Het nō-theater
Het nō-theater 能 is daar een typisch voorbeeld van. In oorsprong gaat het terug op volkse vormen van pantomime (sarugaku 猿楽), verweven met elementen gegroeid uit de dans en muziek die diende ter begeleiding van de rijstplanting (dengaku 田楽). In het midden van de 14de eeuw waren er diverse gezelschappen (za 座) die zich specialiseerden in dit soort sarugaku-voorstellingen, waarmee vooral religieuze feesten in shintō-heiligdommen werden opgeluisterd. Aan het heiligdom van Kasuga 春日 waren vier gezelschappen (Kanze 観世, Konparu 金春, Hōshō 宝生 en Kongō 金剛) verbonden die zich sterk lieten opmerken, en hun kunst tot ongekende hoogten ontwikkelden. Vooral het Kanze-gezelschap wist met name de aandacht van shōgun Yoshimitsu te trekken en onder diens bescherming gaven Kan’ami 観阿弥 en Zeami 世阿弥 nō nagenoeg zijn definitieve vorm. Daardoor onderging het in oorsprong volkse nō een ingrijpende verandering. Ook kyōgen 狂言, het grappige interludium tussen twee nō-stukken in, was een ent van sarugaku. Deze eerste vorm van gesproken toneel in Japan, kenmerkt zich door zijn satirische ingesteldheid: landheren en bushi worden er op de korrel genomen, en voorgesteld als pompeuze dwazen, die makkelijk in het ootje te nemen zijn door hun slimme dienaren.
De thee-ceremonie
De thee-ceremonie is gegroeid uit bijeenkomsten waarop thee werd geproefd. De boeren uit de Kinai-regio die thee verbouwden plachten de thee te proeven om hem te sorteren. Ook de bushi en kuge hielden van de drank en kwamen bijeen om met elkaar te wedijveren in het identificeren van theevariëteiten. Deze bijeenkomsten gebeurden volgens bepaalde gedrags- en bewegingscodes (sahō 作法) en het is hieruit dat Murata Jukō 村田珠光 (1423-1502) aan het hof van Yoshimasa de wabicha 侘茶 ontwikkelde, die wij gemakshalve de artistieke thee zullen noemen.

