Manyōshū
Uit GeschiedenisJapan
Een van de oudste en rijkste Japanse geschriften is de Manyōshū (万葉集), letterlijk "Verzameling van 10.000 bladeren" . Deze tittel moet echter geïnterpreteerd worden als "Verzameling voor 10.000 Tijdperken". Het werd neergepend tijdens de Nara Periode [1] en bevat meer dan 4500 gedichten. De Manyōshū is uniek in de zin dat het de enige Japanse bloemlezing is die poëzie bevat van mensen uit alle lagen van de Japanse bevolking.
Inhoud |
Algemene Kenmerken
In tegenstelling tot latere Japanse bloemlezingen is algemeen aanvaard dat deze tot stand kwam op privé-initiatief. Latere bloemlezingen kwamen er bijna uitsluitend op Keizerlijk bevel. Men vermoedt dat een aristocratische mecenas aan enkele dichters de opdracht gaf om de beste gedichten uit heden en verleden te verzamelen. Aangezien het jongste gedicht in het jaar 759 geschreven werd , is het hoogst waarschijnlijk dat de Manyōshū ook in dat jaar gecompileerd werd.
De bundel bestaat uit 20 boeken , waarin zo'n 4500 gedichten verwerkt zijn. Otomo no Yakamochi is de enige persoon van wie men zeker weet dat hij een van de compileerders was (wellicht de laatste). Historici zijn er echter onverdeeld over dat voor hem nog andere compileerders aan het werk waren [2].
Het is de enige Japanse bloemlezing die poëzie van zowel het gewone volk , als het hof bevat. Er zijn gedichten opgenomen geschreven door Keizerlijke familie , boeren , kooplui en zelfs bedelaars. Op Sociale status noch geslacht werd onderscheid gemaakt. Niettegenstaande zijn slechts zo'n 450 namen van auteurs bekend. Een groot deel van de auteurs bleef dus anoniem.
De gedichten zijn thematisch geordend en niet chronologisch, inhoudelijk of op naam van auteur zoals dat later gebeurde. We kunnen drie verschillende thema's onderscheiden ;
- Banka (挽歌): Elegie over de dood van een Keizer of een dierbare.
- Sōmonka (相聞歌) : Uitwisselingenen van liefde en verlangen.
- Zōka (雑歌) : allerhande gedichten met thema's als de natuur, jacht, reisverslagen etc.
De natuurverbondenheid is bijzonder belangrijk. Voortdurend gebruiken dichters vergelijkingen met de natuur , die veel meer is dan alleen maar een decor. Deze eerbied voor de schoonheid van de natuur wortelt in het shintō . Hoofdthema's zijn de liefde, ceremoniële gebeurteniss en nostalgie en melancholie bij droevige gebeurtenissen. De Manyōshū is ernstig-lyrisch. De blijdschap die soms wordt uitgedrukt is slechts zelden oppervlakkige vrolijkheid. De benadering is direct en realistisch. Er is niets kunstmatigs aan de spontane gemoedsuitstortingen. Dat maakt deze poëzie begrijpelijk en ontroerend ook voor lezers uit een heel andere tijd en heel andere cultuur.
Als we de chronologie bekijken , onderscheiden we 4 verschillende periodes waaruit de gedichten verzameld werden :
- de vroege periode (645-672)
- de middelste periode (673-701)
- de latere periode (702-729)
- de late periode (730-795)
In de vroegste periode vinden we gedichten terug vanaf het Prehistorische Japan onder Keizer Yūryaku [3].(雄略天皇) waar waarheid en legende dicht bij elkaar lagen , tot aan de Taika Hervorming [4](大化の改新) van 646. In de middelste periode (einde 7e eeuw) is er speciale aandacht voor de populaire dichter Kakinomoto no Hitomaro (柿本 人麻呂; c. 662 - 710). In de late periode eist de compileerder Ōtomo no Yakamochi (大伴家持, c. 718 – October 5, 785) dan weer de hoofdrol op.
In het Nederlands beschikken we slechts over enkele vertalingen. J. Van Tooren nam een aantal verzen op in haar "Tanka het Lied van Japan". Verder vertaalde ook Professor Karel Hellemans in zijn "tanka, haiku, senryū" (ISBN 90-232-1729) een reeks gedichten uit de Manyōshū.
Structuur van de Gedichten
In Japanse poëzie wordt geen rekening gehouden met rijmvorm. In de Japanse taal eindigen alle lettergrepen op een klinker waarbij er geen onderscheid bestaat tussen beklemtoonde/onbeklemtoond of lange/korte lettergrepen. Een metrisch schema op basis van rijmvorm is dus onmogelijk. In de plaats daarvan nam men in de Japanse poëzie een metrisch schema op basis van het aantal lettergrepen aan.
Tanka (短歌)
Meer dan 90% van de opgenomen gedichten zijn tanka . Een tanka is een rijmloos gedicht van 31 lettergrepen ingedeeld volgens een 5-7-5-7-7 verspatroon , waarbij de 5-7-5 de bovenste strofe is en 7-7 de onderste. Letterlijk betekend tanka overigens "kort Gedicht". Ook typisch aan de tanka is het verplichte seizoenswoord of kigo (季語) waarmee men sfeer tracht te scheppen. Tanka's waren de voorlopers van de haiku (俳句) . Ze kenden hun bloei tussen de 12e en 15e eeuw.
Sedōka (施頭歌)
De sedōka is een hoofdherhalend gedicht met een zesregelig lettergrepenschema : 5-7-5-7-7 . Het gedicht is inhoudelijk meestal verdeeld in twee. Zo worden in het gedicht 2 perspectieven gegeven over hetzelfde onderwerp. De verdeling gebeurt aan het einde van regels 3 en 5 , waarbij in regel 3 scherpe ommekeer is en in 5 een zachte. Hoewel dit genre vrij snel verdween vinden we er toch een zestigtal terug in de Manyōshū.
Chōka (長歌)
Hoewel ook dit genre vrij snel uitgestorven was , is het zeker literair niet onbelangrijk. De chōka of "naga-uta" (lang gedicht) kent structureel veel overeenkomsten met de hogergenoemde dichtvormen. De alternantie van 5-7 lettergrepen komt telkens weer. Het gedicht opent met een 5-7-5 patroon. Daarna volgt een onbepaald aantal 5-7 alternaties (de auteur bepaald zelf hoe lang hij het gedicht maakt). Men sluit af met een 7-7 patroon. Vermits hierdoor automatisch het patroon van een tanka ontstaat , werden de laatste regels als een soort lyrische slotstrofe gezien , een envoy. Soms werd er met meer dan 1 tanka afgesloten. De langste bewaarde chōka telt 151 versregels.
Bussokusekika
Bussokusekika , in het Engels "Buddha's Foot Stone Poem" , commemoreerden een stenen monument met de voetafdruk van de Bhoedda nabij de Yakushi-ji in Nara opgericht in 752. Deze gedichten bestaan uit een zesregelig 5-7-5-7-7-7 lettergrepen patroon. 21 voorbeelden zijn opgenomen in de Manyōshū.
Specifiek woordgebruik
Rijmvorm mag dan afwezig zijn , van alliterantie, parallellisme [5] en specifieke woorden werd wel gretig gebruik gemaakt. De belangrijkste voorbeelden van zo'n specifiek woordgebruik zijn
- Kate Kotoba (掛詞) : Dit is woordspel met homoniemen
- Makura kotoba (枕詞) : Letterlijk vertaald "hoofdkussen-woorden".
Dit zijn epitheta ornantia (meervoud van epitheton ornans) of versierende adjectieven. Ze hebben een vaste verbintenis aan een bepaald woord (vaak door klank , zintuigelijk gevoel , beeld etc.) . Een voorbeeld van dit complex concept : "Gras als Kussen" om het concept van "een reis ondernemen" te beschrijven. Vergelijk het ook met metaforen als "sneeuwwit" in onze Nederlandse taal.
- joshi of introductie versen.
Ze bestaan uit 5 of meer lettergrepen en modifiëren de inhoud van de daaropvolgende versregel. Bijvoorbeeld : Men begint de joshi met woorden als boog & pijl om vervolgens het concept van een strijd in het gedicht te verwerken.
Belangrijkste Dichters
Voor de volledigheid dienen we te vermelden dat in de bloemlezing zowat 450 gekende dichters aan het woord komen. Vele gedichten bleven echter anoniem. Onder de gekende dichters bevinden zich zo'n 70 vrouwen. Dit toont aan dat hofdamens een behoorlijke opvoeding kregen. Al mogen we niet vergeten dat vele mannen in het Chinees dichtten , een taal die zo goed als taboe was voor de vrouwen.
Ono no Komachi
De beste van deze vrouwelijke dichters was ongetwijfeld Ono no Komachi ( (小野 小町 , 825–900??). Er is zeer weinig bekend over haar. Veel van de informatie is trouwens legendarisch. Haar geliefkoosde themas waren de passionele liefde , eenzaamheid en angst. Uit de inhoud van haar gedichten ontsproten tal van legendes over haar liefdesleven. Deze dienen met een korrel zout genomen te worden. Ze is de enige vrouwelijke dichter die vermeld wordt in de kokin-wakashū [6] (古今和歌集). Later werden ook nog een drietal Nohspelen over haar gemaakt. Ook de bijnaam van de Akita Shinkansen , namelijk Komachi , is een verwijzing naar haar.
Yamanoe Okura
Ook over de herkomst van Yamanoe Okura (山上憶良) is weinig of niets bekend. Hij wordt wel vermeld in de Nihonshoki [7] (日本書紀). Hij was een man zonder hofrang die meeging op een gezantschap naar China in 701. Na zijn terugkeer naar Japan werd hij in edelstand opgenomen. In 721 werd hij leraar van de kroonprins. Verder schopte hij het nog tot goeverneur in Kyūshū. In 733 bezweek hij aan een ziekte. Tijdens zijn verblijf in China perfectioneerde hij zijn kennis van de taal en dichtkunst. Hij werd beïnvloed door het Taoïsme en Bhoeddisme en dit laat zich dan ook merken in zijn eigen werk. Een goed voorbeeld hiervan is de elegie die hij schreef na de dood van zijn vrouw (v/794).
Zijn lievelingsthema was liefde voor het gezin en kinderen. Zijn beroemdste gedicht is "Lied bij het verlaten van het Banket" . Het wordt als onbeleefd beschouwt als een man een banket moet verlaten of verstek moet geven voor familiale redenen. Hij gebruikte deze traditie als bron voor het lied. Andere geliefkoosde themas zijn vrees voor het ouder worden en armoede en ellende (v/853). Hij schreef ook over de harteloosheid van de belastingsinners.
Yamabe no Akahito
Zoals eerder vermeld zijn themas als liefde en dood heel belangrijk in de Manyōshū. Vaak werd een Metafoor gebruikt om het leed of geluk in een gedicht te benadrukken. Men gebruikte dan elementen van de natuur om deze metaforen kracht bij te zetten. Bij voorkeur ging het dan ook om indrukwekkende of alom gekende elementen uit de natuur omdat deze makkelijker waren om voor de geest te halen.
Yamabe no Akahito (山部赤人) is bekend om zijn natuur - en landschapsgedichten. Hij beperkte zich echter niet tot het gebruiken van de natuur als metafoor en had ook geen speciale aanleiding nodig om een dergelijk gedicht te schrijven. Bovendien beschreef hij veel meer de alledaagse en simpele natuur in plaats van bombastische of indrukwekkende natuursverschijnselen. Themas van zijn gedichten waren niet de reusachtige bergen of vulkanen , maar bv. de Kaguyama , een heuveltje van slechts 148 meter hoog. Hij wordt als specialist van de natuurgedichten beschouwd en was een van de eerste proffesionele dichters van Japan.
Kakinomoto no Hitomaro
In de tweede helft van de zevende eeuw ontstond er aan het hof een klasse van proffesionele dichters. Een van deze was Kakinomoto no Hitomaro (柿本 人麻呂; c. 662 - 710). Ook over zijn afkomst is vrijwel niks bekend. Hij heeft in de Manyōshū echter een aanzienlijk aantal gedichten geschreven.
Zo'n 450 gedichten, waaronder 20 Chōka, komen van zijn hand. Zijn gedichten kunnen in 2 categoriën verdeelt worden ; De eerste groep schreef hij als hofpoëet in opdracht van edellieden. Elegiën over de dood van leden van het Keizershuis zijn talrijk. Hitomaro zong zonder het geringste voorbehoud de lof van de Keizerlijke familie , omdat hij overtuigd was van de hoge keizerlijke waardigheid en probleemloos geloofde in de mythologie van shintō . Door zijn retorische verheerlijking van het keizerschap krijgen zijn verzen een rituele dimensie. Hij verweeft in sommige van zijn Chōka elegie, eulogie (lofzang) en liefdesgedichten op magistrale wijze met elkaar.
Hij houdt van brede natuurvergelijkingen en slaagt erin zijn verzen af en toe een epische dimensie te geven. Steeds worden we getroffen door de menselijke noot en de waarachtigheid. Deze komen vooral boven in de tweede categorie van gedichten die hij schreef , waarin hij gebeurtenissen uit zijn leven verwerkte. Bijvoorbeeld in de chōka die hij schreef na de dood van zijn vrouw. Zijn beroemdste chōka schreef hij na het overlijden van prins Takeshi.
Ōtomo no Yakamochi
Ōtomo no Yakamochi (大伴家持, c. 718 – October 5, 785?) was een Japanse politicus en dichter. Hij stamt af van de befaamde Ōtomo-clan , die krijgers en bureaucraten waren aan het Yamato-hof [8]. Hij bekleedde onder andere de functie van chūnagon [9] (中納言). In 756 raakte hij betrokken in een gefaald complot tegen de Fujiwara-clan (藤原氏), wat metteen het einde van zijn politieke carriere betekende. Hij vreesde verbanning van de hoofdstad en hield zich van toen af op de achtergrond. Hij verdronk in de provincie Mutsu (陸奥国) in 785.
Wat betreft de Manyōshū geldt hij als de belangrijkste compileerder. Ook komen zo'n 500 gedichten in de bundel van zijn hand. De laatst gedateerde uit 759. Hij schreef niet alleen gedichten voor de Manyōshū , maar transcribeerde , herschreef en moderniseerde verschillende oudere gedichten en folklore verhalen zodat ze aangepast waren aan de tijd. Zijn sterkte lag niet in lyriek of originaliteit , maar eerder in de verdere perfectionering van het genre der natuurgedichten. Zijn gedichten oefenden invloed uit op latere bloemlezingen als de kokin-wakashū (古今和歌集).
Manyōgana (万葉仮名)
De taal waarin de Manyōshū geschreven is is ook zeer bijzonder. Manyōgana is een oude vorm van Japanse Kana ( vermoedelijk vanaf de zesde eeuw in gebruik genomen ) dat gebruikt maakt van Chinese karakters om Japanse geluiden uit te drukken. Het combineerd de semantische waarden van klankcombinaties. Kanji worden gebruikt voor hun fonetische waarden , eerder dan hun betekenis. Aangezien veel kanji dezelfde uitspraak hebben betekende dit dat verschillende kanji's konden gebruikt worden om eenzelfde klank uit te drukken. Bijvoorbeeld : 手(te) kon soms als de klank "te" gebruikt worden , maar ook als "hand" wat de betekenis van de kanji is. Dit liet toe auteurs om gepaste nuances toe te voegen. Ze konden naargelang de passende betekenis, andere kanji gebruiken om dezelfde klank uit te drukken. Uiteindelijk vervloeide het Manyōgana in katakana en hiragana , de geschriften die naast kanji vandaag nog steeds gebruikt worden in het Japans. Voor een gedailleerde beschrijving hiervan verwijs ik in de "links" sectie naar de Engelse wikipedia pagina over Manyōgana.
Naast de karakters heeft het Chinees , of tenminste de Chinese literatuur, nog enkele invloeden uitgeoefend op de Manyōshū.
De driedeling in Banka , Sōmonka en Zōka werd ook uit de Chinese literatuur overgenomen.
Voetnoten
- ↑ Periode uit de Japanse geschiedenis (710-784) toen de hoofdstad nabij de huidige stad Nara lag.
- ↑ Miner, Earl. An Introduction to Japanese Court Poetry.
- ↑ 21ste Keizer van Japan (c. 418-479)
- ↑ Set van Doctrines uitgevaardigd door keizer Kōtoku in 646, na de unificatie van Japan
- ↑ is een stijlfiguur waarbij twee (of meer) zinswendingen naar inhoud of naar vorm gelijk zijn. Bijvoorbeeld : "Spreken is zilver, zwijgen is goud".
- ↑ Keizerlijke anthologie uit de vroege Heian-Periode (794-1118) geschreven in opdracht van Keizer Daigo (897–930) circa 905.
- ↑ Kronieken van Japan in 720 op schrift gesteld.
- ↑ Heersten over Japan in de 6e en 7e eeuw na Christus.
- ↑ Vaak vertaald als "Kanselier". Het was een positie in de dajō-kan , de vroege Japanse feodale overheid. Deze positie werd in 702 in de Taihō-hervormingen vastgelegd.
Bronnen
Boeken
- バイリンガル日本史年表 Chronology of Japanese History. Bilingual Books. 英文日本大辞典。2005。
- Keene, D. (1969) "The Manyoshu : the Nippon Gakujutsu Shinkokai translation of one thousand poems" . New York (N.Y.): Columbia university press, - LXXXII, 362 p.
- De Bary, Wm. Theodore, ed. Introduction. The Manyoshu. New York: Columbia University Press, 1965.
- Miner, Earl. An Introduction to Japanese Court Poetry. Stanford: Stanford University Press, 1968. 36-37.
- Mostow, Joshua S. Pictures of the Heart. Honolulu: University of Hawai'i Press, 1996.
Syllabi
- Hellemans, Karel, "Inleiding tot de Japanse cultuur", cursus gedoceerd in het kader van het vak 'Inleiding tot de Japanse cultuur', Katholieke Universiteit Leuven, Leuven, 1995.
- Vande Walle, Willy, "Geschiedenis van Japan tot 1868", cursus gedoceerd in het kader van het vak 'Geschiedenis van Japan tot 1868', Katholieke Universiteit Leuven, Leuven, Cursusdienst Eoos Studentenvereniging Taal- & Regiostudies KULeuven, 2006.


