Macht en gezag worden gescheiden

Uit GeschiedenisJapan

De administratieve structuur van het Ritsuryō-systeem blijft overeind als zodanig, en vertegenwoordigt dus het gezag. Er gaat echter hoe langer hoe minder macht van uit. Keizer, hoofdstedelijke aristocratie en provinciale ambtenaren negeren bijgevolg de structuur en zoeken zelfs naar parallelle circuits om macht te verwerven.

Keizerlijke macht "geprivatiseerd"

In het vorige hoofdstuk hebben wij reeds meegemaakt hoe moeilijk de keizer het had om zich naar het beeld van de Chinese keizer als een absoluut vorst te affirmeren. De keizer was het symbool van het openbare gezag en was in hoge mate afhankelijk van publieke inkomsten (belastingen). De grote aristocratische clans zochten en vonden middelen om hun eigen rijkdom en bezit te vermeerderen buiten het ambtelijke (publieke) systeem om. Zij maakten gebruik van het feit dat de nationalisering van het land niet voltooid was, om uitgestrekte privé-landgoederen te verwerven. Als de belichaming van een onpartijdige en abstracte staat kon de keizer zich niet met de jacht op privé-belangen inlaten. Hij kon moeilijk staatsgrond voor zichzelf privatiseren.

De Ritsuryō-staat had vele van de traditionele functies van de uji overgenomen, maar de uji zelf als sociale eenheid was diep geworteld en zeker niet uitgeroeid. Hoewel hij structurele en functionele veranderingen onderging, bleef de uji een grote politieke en maatschappelijke rol spelen. Tijdens de Nara-periode kon de keizer zich nog behoorlijk handhaven, maar in de Heian-periode kon hij niet optornen tegen de groeiende macht en rijkdom van de aristocratische clans, in de eerste plaats de Fujiwara-clan. Privé-belangen en privé-invloed vraten de keizerlijke macht steeds verder aan. De openbare macht deemsterde weg en werd verkaveld onder enkele aristocratische clans ("return to familial authority", noemt J.W. Hall dat). Om beter met die clans in macht en rijkdom te kunnen wedijveren, moest de keizer zich ook een gelijkaardige familiale machtsbasis zien te verwerven. Hij moest dus ook gronden zien te verwerven, een eigen privé-administratie creëren en een netwerk van cliënten uitbouwen. Hij moest dus meedoen aan de uitholling van de Ritsuryō-orde, aan de privatisering en het nastreven van het particuliere belang.

Aangezien de keizer de belichaming van de staat is, hoort zijn macht "publiek" te zijn. Omdat echter tijdens de Heian-periode het hele publieke systeem (Ritsuryō) uitgehold wordt, is het niet langer geschikt als kanaal voor de werkelijke uitoefening van zijn macht. De hoogste politieke macht wordt uitgeoefend in drie "afwijkende vormen", die elkaar chronologisch opvolgen:

1) keizerlijk bestuur vanuit het privé-secretariaat van de keizer (kurōdo-dokoro seiji 蔵人所政治). 2) bestuur door de regent in naam van de keizer (sekkan seiji 摂関政治). 3) bestuur door de ex-keizer (insei 院政)

Punten 2) en 3) komen verder aan bod.

Het was keizer Saga 嵯峨 (regeerde 809-823) die een privé-secretariaat (kurōdo-dokoro) creëerde. Dit was een instelling die niet in de code van het Ritsuryō-systeem voorzien was. Later evolueerde het wel tot een officieel keizerlijk bureau. Het moest vertrouwelijke documenten opstellen zonder dat zij in handen vielen van een rivaliserende kliek en edicten van de keizer uitvaardigen. De ambtenaren die hier tewerk gesteld werden waren geen staatsbeambten, maar de persoonlijke bedienden van de keizer. Zij behoorden ook niet tot de toplaag van de aristocratie.

De gunji onder druk

Het Ritsuryō-systeem was een ambitieus plan. Het wilde de staat op een rationele en eenvormige manier organiseren, zonder daarbij evenwel het eigenbelang van de opstellers ervan uit het oog te verliezen. De geschiedschrijving heeft de neiging het Ritsuryō-systeem voor te stellen als een radicale breuk met het verleden en dat was het op papier inderdaad ook. Het is echter tot op zekere hoogte een wettelijke fictie gebleven. De architecten van het systeem dienden al vrij vlug met de politieke en sociale werkelijkheid een compromis te sluiten. De commanderie-beambten (gunji) werden door de centrale overheid benoemd, maar waren in de praktijk de erfgenamen van de kuni no miyatsuko, dus lokale machthebbers (gōzoku 豪族). In theorie oefende de regering haar benoemingsprerogatief uit, in de praktijk had het veel weg van de bevestiging van een bestaande toestand.

Het Ritsuryō-systeem staat of valt met het goede functioneren van zijn laagste echelon, dat direct bij de onderdanen aansluit: de commanderie. Wat was de verhouding tussen de provincie en de commanderie in het Ritsuryō-systeem? Het feitelijke bestuur van het platteland lijkt vooral in handen van de commanderie geweest te zijn, terwijl de provinciale administratie vooral toezicht hield en voor de verbinding met de centrale bureaucratie zorgde:

- Het was de commanderie die de registers voor de respectieve belastingen bijhield, de belastingen inde en ze opsloeg in schuren.

- De status van gunji was sedert 811 weer erfelijk geworden. Het traditionele gezag van de gunji maakte hen de meest geschikte personen om recht te spreken binnen de commanderie.

- Volgens de Ritsuryō was privé-bezit van wapens verboden. Alle wapens moesten ingeleverd worden bij het provinciale gouvernement, maar in de praktijk werden ze bij de gunji opgeslagen.


- De productie van ambachtelijke producten bestemd voor het provinciale gouvernement en de centrale regering werd door de gunji gecontroleerd. Zij stonden ook in grote mate in voor het transport ervan naar de zetel van het provinciale gouvernement en naar de hoofdstad.

- Shintō-rituelen en boeddhistische tempels stonden onder de bescherming van de gunji.

In de tweede helft van de negende eeuw komt de gunji-klasse onder zware druk van de hoofdstedelijke aristocratie. Zij worden cliënten van de machtige aristocratische clans. Afgevaardigden van de aristocratie gaan ter plaatse belastingen (chōyōbutsu 調庸物) voorafnemen voor hun opdrachtgever, beredderen zelf processen en dergelijke. Kortom zij plaatsen zich tussen gunji en kokushi en bedienen eerst zichzelf voordat de staat zijn (rechtmatige) deel kan opeisen. De top van de bureaucratische hiërarchie pleegt dus obstructie van het systeem waarvan ze zelf de leiding heeft. Het provinciale gouvernement verzet zich tegen deze praktijken en appelleert aan de centrale regering om de zaak recht te trekken. Een spectaculaire toename van geschillen vanaf het einde van de negende eeuw is er het gevolg van. De centrale bureaucratie kan het werk niet aan en geeft de praktische afhandeling van de geschillen in handen van het provinciale gouvernement zelf.

In de provinciën neemt het particularisme toe

Daarnaast probeert het provinciale gouvernement ook door structurele wijzigingen aan de veranderende omstandigheden het hoofd te bieden. Het gaat meer en meer de hierboven beschreven functies van de gunji overnemen. Tijdens de negende en tiende eeuw verloor het provinciale gouvernement niet zozeer zijn macht, integendeel, het versterkte hem ten nadele van de gunji, maar het handelde autonomer dan voorheen, en week daardoor in wezen af van zijn door de Ritsuryō omschreven missie. Zo ging in de behandeling van geschillen meer en meer het gewoonterecht van de provincie primeren over de Ritsuryō.

In 820, 869 en 907 werden kyaku 格 uitgevaardigd. Dit zijn aanpassingen van de Ritsuryō. Rond diezelfde tijden werden ook shiki 式, een soort concrete uitvoeringsbesluiten uitgevaardigd. Dit wijst erop dat de wetboeken aangepast dienden te worden. Zowel het hof, de centrale aristocratie als de provinciale gouvernementen gingen steeds meer op grond van deze aanpassingen en plaatselijk gewoonterecht besturen. Dit wil niet zeggen dat de code van Yōrō (Yōrōryō) als zodanig afgeschaft werd, maar de overheid miste de macht of de wil om een nieuwe code op te stellen. De kebiishi baseerden zich op gewoonterecht, ook het provinciale gouvernement ging meer en meer op het plaatselijke gewoonterecht overschakelen. De kokushi gingen trouwens meer en meer eigenhandig beslissen.

Theoretisch diende om de zes jaar een nieuw landregister aangelegd te worden met het oog op de herverdeling van de kubunden. In 880 werd nog een landherverdeling doorgevoerd, maar dat werd de laatste. Vanaf het begin van de tiende eeuw worden geen nieuwe landregisters meer aangelegd. Men vult alleen nog de wijzigingen aan. De landherverdeling ging hand in hand met de bevolkingsregistratie (zōseki 造籍). Het verval van het ene had automatisch het verval van het andere als gevolg. Dit betekent kortom dat de kōmin gestadig afnamen. Ook hier blijkt dus het onvermogen om de Ritsuryō up-to-date te houden.

Reeds onder het Ritsuryō-systeem zelf beschikten de bestuurders van het provinciale gouvernement over uitgebreide bevoegdheden. Zij mochten akkers voor eigen rekening laten bebouwen en kregen daarvoor arbeiders (jiriki 事力) toegewezen. Bovendien maakten zij, wederrechtelijk weliswaar, gebruik van vroondienst. Zij sloten huwelijken met de plaatselijke gōzoku en versterkten ook op die wijze hun macht en invloed. Vanaf de negende eeuw begint de tendens zich af te tekenen dat provinciale ambtenaren zich in de plaatselijke maatschappij integreren en er zich permanent vestigen. De centrale regering poogde dit herhaalde malen te verbieden, maar vruchteloos.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo