Kume Kunitake

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken
Kume Kunitake(久米 邦武)


Kune.jpg
Persoonlijke gegevens
Geboren: 11 juli 1839
Geboorteplaats: Hachimankōji
Overleden: 1931 (92 jaar)
occupatie: historiograaf

Kume Kunitake(久米 邦武)(1839-1931) was een historiograaf, die vooral faam verwierf door de Iwakura-missie neer te schrijven. Hierna werd hij bij de Keizerlijke Universiteit van Tokio te werk gesteld. In 1892 moest hij echter ontslag nemen wegens een controversieel artikel getiteld 'Shintō is een primitieve traditie van hemelaanbidding' (神道は祭天の古俗;Shintō wa Saiten no Kozoku). Hij was een intelligent, realistisch man en scherp in zijn observaties. Dit is iets wat duidelijk wordt in zijn bekendste werk: ‘Een waar relaas van de Iwakura-delegatie naar Amerika en Europa’ (特命全権大使米欧回覧実記; Tokumei Zenken Taishi Beiou Kairan Jikki).

Zijn leven en carrière

Kume Kunitake werd 11 juli geboren te Hachimankōji en groeide op in Saga, de toenmalige hoofdstad van de provincie Hizen. Zijn vader, een ex-samoerai spoorde zijn zoon aan te leren lezen en schrijven. Al op zijn 14de kende hij het Latijns alfabet. Kort hierna ging hij naar de Kōdōkan (弘道館)[1] waar andere groten uit de Meiji-tijd ook les volgden[2]. In 1863 ging hij naar Tokio om les te volgen aan de Shōheikō (昌平黌), de academie van de shōgun, waar hij zich verdiepte in de Neo-Confuciaanse geschriften. Reeds in 1864 keerde hij terug om in dienst te treden van de voormalige daimyō van Saga. Vier jaar later zou hij leraar worden aan de Kōdōkan, dezelfde school waar hij als kind naar toe ging. Op dit moment begon hij zich ook te verdiepen in geschriften over het Westen zodat hij een basiskennis had die van pas zou komen tijdens de Iwakura-missie.

Van 1871 tot 1873 zou hij meereizen met de Iwakura-delegatie als waarnemend secretaris. Zijn ervaringen en observaties schreef hij neer in een indrukwekkend werk getiteld ‘Een waar relaas van de Iwakura-delegatie naar Amerika en Europa’. Dankzij zijn eerdere studies vertrok hij met een grondige kennis van Neo-Confucianisme, een beperkte kennis van het Westen (dankzij Chinese en Nederlandse geschriften) en een redelijk goed begrip van de plaats die Japan had in deze nieuwe wereld. Aan de Jikki[3] werkte Kume twee en half jaar. Het werd gepubliceerd in 1878 en werd goed ontvangen. De keizer kende hem zelfs een geldprijs van 500¥[4] toe die hij investeerde in onroerend goed in Tokio. Hiermee kunnen we de 'Iwakura-fase' uit zijn leven afsluiten.

In 1879 werd hij te werk gesteld in het Huis van Historiografie[5]. Zijn taak was nu het compileren van de officiële Japanse geschiedenis. In 1891 schreef hij het artikel ‘Shintō wa Saiten no Kozoku’ en nam daaropvolgend in 1892 gedwongen ontslag. Dit incident staat bekend als de Kume-affaire en is zelfs bekender dan Kumes werk voor de Iwakura-missie. Het werk viel niet in goede aarde bij priesters en nationalisten, niet verwonderlijk in een tijd waar de weg geplaveid werd voor een nationalistisch en later militaristisch, Japan.

Hij nam een nieuwe post aan de Tokio Senmon Gakkou (東京専門学校)[6]. Hier ging hij door met artikels en boeken schrijven en gaf geregeld lezingen over historische onderwerpen. Hij ging met pensioen in 1922, na Okuma’s dood. In 1928 begon men aan Kumes memoires te werken, men nam de gesprekken met Kume op en hij reviseerde ze zelf. Het werk is echter nooit vervolledigd door de vroegtijdige dood van de hoofdredacteur en Kume zelf. Hij werd 91 jaar oud en stierf op 24 februari 1931.

De Iwakuramissie

Waarom werd Kunitake gekozen als beschrijvend secretaris?

Iwakura Tomomi, 岩倉具視

Iwakura Tomomi (岩倉具視) zocht vreemd genoeg niet iemand die engels of frans kon of zich bezighield met de Westerse studies. Hij wou iemand met een Confuciaanse scholing. Een confuciaanse geleerde met de juiste flexibiliteit en penvaardigheid zou de missie zo op papier kunnen zetten dat de publieke opinie positief zou kunnen evolueren wat hervormingen makkelijker zouden maken. Zijn oog viel eerst op Shigeno Yasutsugu (重野安繹). Die weigerde zodat Kume de baan aangeboden kreeg dankzij de aanbeveling van de daimyō van Saga. Kume, die slechts lokaal als leerkracht en politicus bekend was, nam de kans met beide handen aan.

Kume zelf voelde zich al snel niet op zijn plaats. In het begin van de reis gebeurde het veel dat hij en anderen niet in staat waren de juiste vragen te stellen of de antwoorden niet volledig begrepen. Hierdoor voelde Kume zich onbekwaam, maar dit was onterecht. Kume pikte snel dingen op en was zeer bekwaam in het schetsen van ongeveer alles wat ze tegenkwamen. Kume beschreef een groot aantal zaken, van machines en chemische procédés tot landschappen en gebouwen.

Tokumei Zenken Taishi Beiō Kairan Jikki

Kume schepte een machtig werk dat 5 volumes[7] telt en bijna 2500 pagina’s beslaat. Het is zijn magnum opus en tevens zijn eerste werk van betekenis. Dit werk gaat verder dan simpelweg de gebeurtenissen van de Iwakura-missie beschrijven. Kume voegde er eveneens essays en inzichtelijke opmerkingen aan toe.

Ondanks de stijve literaire stijl die Kume hanteerde was hij in staat gedetailleerde en levendige beschrijvingen te geven van de plaatsen, machines en begrippen die hij tegenkwam. De toon is helder en objectief. Toch merk je soms dat Kume danig onder de indruk of juist ontzet was. Gevoelens als verwondering, trots, schaamte en walging schemeren meer dan eens door. Een goed voorbeeld hiervan zijn de godsdiensten. Kume had respect voor de vroomheid en het oprechte geloof van de mensen maar kon de Kerk als instantie niet uitstaan. Het bouwen van de decadente kathedralen vond hij vulgair en een verspilling van geld. Bij momenten is er zelfs een poetische kant te bemerken. Als hij de zon ziet ondergaan op weg naar Sint-Petersburg, komen de zonnestralen over als ijspieken. Melancholisch merkt hij op dat die zon hem eraan herinnert hoe ver ze wel niet van huis zijn.

De onderwerpen die Kume bespreekt zijn enorm gevarieerd. In elk land bespreekt hij wel vaak dezelfde thema’s (onderwijs, staatsbestel, economie…) maar zijn essays zijn van zulke eclectische vorm dat er geen structuur in lijkt te zitten. Maar Kume had wel degelijk een doel voor ogen. Hij zag het Westen niet als een geheel maar als een lappendeken waar elk land zijn eigen karakteristieken had. Hij wou die lokale eigenschappen onderscheiden van de universele eigenschappen die ervoor zorgden dat de algemene graad van ontwikkeling in Europa hoger was dan in Oost-Azië.

Indrukken van België en Nederland

Vermits het irrelevant is de volledige missie te bespreken, aangezien het artikel De Iwakura Missie (岩倉使節団) dit al doet, zal ik Kumes indrukken van de Nederlanden beschrijven. Niet zozeer de objectieve observaties maar zijn persoonlijke indrukken.

België

De delegatie verbleef slechts 8 dagen in België, van 17 februari tot 24 februari 1873. In deze korte tijdsspanne zijn ze er toch in geslaagd om een goed beeld van België te krijgen. De industrie, economie en het staatsbestel krijgen de meeste aandacht. Kume begint altijd met een algemeen beeld te schetsen van het land waar hij verblijft.

Belgen zijn een dapper ras in zijn ogen.[8] Kume is het eens met de beschrijving van Belgen als ‘hardwerkend, opvliegend, zwak in geloof en snel in beloften maken’ [9] Kume bespreekt dan nog de democratische monarchie, geografie, infrastructuur en landbouw.

Het Belgisch leger imponeerde Kume, vooral de forten in Antwerpen dan waar er een groot aantal wapens en soldaten gestationeerd waren. Hij redeneerde dat België, zijnde een klein land, zich voortdurend moest bewijzen tegenover de grotere naties. De industrie was de hoofdactiviteit in die 8 dagen. Men bezocht verscheidene fabrieken, van de weeffabrieken in Gent tot de ijzerfabrieken in Luik. Hij looft het Belgisch vakmanschap maar kan het toch niet laten te verwijzen naar de Chinezen die het gebruik van ijzer al veel langer kenden. Spijtig genoeg wordt de Belgische kunst niet echt belicht, slechts een halve pagina wordt er aan toebedeeld. Een leuke anekdote is dat de delegatie een man zonder armen zag schilderen met zijn voeten. Danig onder de indruk pakten ze een van zijn kopieën mee als geschenk voor het Keizerlijk huis.

Nederland

Nederland was het volgende land op de lijst en hier verbleven ze toch wat langer, van 24 februari tot 7 maart 1873.

Kume beschrijft het Nederlandse volk als getalenteerd in de ambachten en nijverheden en vermeldt met een zekere mate van amusement de poetskoorts van de Hollanders. Ze hebben ook een minder robuuste bouw dan de Belgen, net zoals hun ijverigheid en opvliegendheid lager is. Een gevolg hiervan is dat het leger laag in zowel aantal als moraal is. Ze proberen ook de verplichte legerdienst te ontwijken als ze kunnen. Kume heeft echter nergens een misprijzende toon hierover. Ook onaangename ervaringen hoorden bij de studiereis, eentje hiervan vond plaats in een museum. Ze liepen door de Egyptische zaal waar ook mummies lagen, dit was voor Kume en zijn reisgezellen een niet zo prettige ervaring. Het was een vreemde manier van dodenverering voor hun. Ze haastten zich dan ook zo snel mogelijk de zaal uit.

De kunst valt ook niet altijd in goede aarde. De naaktschilderijen zijn in de ogen van de Japanners onzedelijk. Een schilderij dat een confucianistisch ideaal als filiale piëteit uitbeeldde was dan ook een oase in een zee van decadentie.

Kume staat heel open voor de zakelijke kanten van het Westen. De industrie, nijverheid en ambachten krijgen zijn onverdeelde aandacht maar als het kunsten aankomt, staat hij toch wat weigerachtig er tegenover. Deze dingen zijn vreemd voor hem en toont dat Japan ondanks de drang om te moderniseren op mentaal vlak nog niet helemaal mee was. Je kunt technieken kopiëren en zelf toepassen maar men kan niet verlichte denkbeelden zo maar overnemen.

Samenvatting

Kume sluit zijn persoonlijke gedachten en gevoelens af en toe bij in de voornamelijk zakelijke teksten. Hij reflecteert en projecteert ook, een goed voorbeeld hiervan is het ‘Franse plebs’ dat hij agressief en opvliegend noemt. Waarschijnlijk zag hij hierin de groeiende irritatie bij de lagere klassen in Japan.

Voor hem was de industriële revolutie geen breuk met de Oost-Aziatische cultuur. Een sluitend argument voor hem was dat ijzer gebruiken geen nieuwigheid was aangezien China het gebruik van ijzer ook al kende. Deze nieuwe kennis niet gebruiken zou een zonde zijn en een ontkenning van de voordelen die de Westerse beschaving had. Niettegenstaande dat hij ook weigerachtig stond tegenover veel Westerse denkbeelden en gebruiken, was Kume een man die het Westen omhelsde zonder zijn patriottisme te verliezen.

Zijn werk als historiograaf

Eerste Academische Loopbaan (1979-1891)

Na de Iwakuramissie-fase in zijn leven afgesloten te hebben, nam hij in 1879 een functie aan bij het Huis van Historiografie (修史館). Ondanks zijn grote kennis van het Westen, sloeg hij een aanbod om een wereldgeschiedenis te schrijven af. In 1880 vergezelfde Kume de keizer op een wereldreis en schreef erna het officiële verslag ervan. In de jaren ’80 begon hij met zijn collega’s [10] te werken aan de ‘Chronologische Geschiedenis van Japan’ (大日本編年史) waarvoor ze doorheen Japan historische documenten zochten.

Door een transfer van het project naar de Keizerlijke universiteit in Tokio in 1887 werd de afdeling omgedoopt tot het Departement van Historiografie en Topografie. Kume ontving een promotie en mocht zichzelf nu professor noemen. Het is ook hier dat hij, naar alle waarschijnlijkheid, onder invloed kwam te staan van de Duitste geleerde Ludwig Reiss. Kumes visie op de geschiedenis werd wat Westerser en dit resulteerde uiteindelijk in zijn befaamd artikel.

De Kume-Affaire (1891-1892)

In het kort was de Kume-affaire een politieke crisis die draaide rond staatsinmenging en de bedreiging die dit vormde voor de academische vrijheid. Kume werd een boegbeeld van de progressieve, westersgezinde historicus en was dit ook tot het einde van zijn leven.

De context

In 1890 werd er een decreet omtrent ethiek uitgevaardigd waar het Keizerlijk Huis de basis voor was. Voorafgaand aan de Kume-affaire waren er al incidenten geweest die draaiden om individuen versus de staat, maar aan de basis hiervan lag telkens een religieus verschil. Kume’s artikel zou de eerste zijn waar de academische vrijheid in het gedrang werd gebracht. Het was niet de eerste keer dat Kume of een van zijn collega’s een artikel publiceerde dat stof deed opwaaien. Vanaf 1889 schoof hij al een nieuw Westers, meer kritisch model naar voren als de manier om historisch onderzoek te verrichten. Zij vonden dat het geschiedkunde los moest staan van religieuze of politieke motieven. Dit leidde ook tot kritiek op het Confuciaans systeem. De timing van het artikel kon echter niet slechter gekozen geweest zijn. Om het nativisme aan te wakkeren, was het nodig dat Japan een rijk en glorieus verleden had. Kume’s afdeling deed net het tegenovergestelde, zij bekritiseerden oude werken of haalden helden van hun voetstuk. “Shinto is een primitief ritueel van hemelaanbidding” was dan ook de laatste druppel.

Shinto is een primitief ritueel van hemelaanbidding

Het werd voor de eerste keer gepubliceerd in de Shigaku Zasshi[11], het universitair tijdschrift van de geschiedkundige afdeling, in 1891. Kume die gezien kan worden als een van de stichters van de positivistische school[12] in de geschiedkunde, schreef met dit werk een redelijk atypisch werk dat indruiste tegen zijn eigen methodes. In plaats van zijn stellingen te staven met echte bewijzen, haalt hij vooral morele argumenten aan. Ook de manier waarop hij citeert (zonder de bron na te gaan), veralgemeent en zichzelf tegenspreekt waren redenen van kritiek. Dit is ook een van de voornaamste redenen geweest waarom zijn collega’s hem nooit gesteund hebben. Het artikel is echter geen aanklacht tegen het shintoïsme. Zijn falen als geschiedkundige valt te wijten aan het proberen te balanceren tussen feit en fictie en het Westers denkbeeld te gebruiken om het shintoïsme te legitimeren. In feite was de inhoud van het artikel zelf weinig vernieuwend, in de nog liberalere jaren ’70 waren er veel meer controversiële artikels gepubliceerd. De controverse lag hem in de plaats die Kume gaf aan het shintoïsme. Hij zag het als een stadium voor een echte religie ontstond. Waar een religie echte waarden en normen had, was shintoïsme slechts een vorm van hemelverering; niets meer, niets minder. Met andere woorden, shintoïsme was minderwaardig aan andere religies. In het begin waren er veel mensen die Kume prezen omwille van zijn stellingen en de vernieuwende toon van zijn artikel. In 1892 werd het opnieuw gepubliceerd in Shikai. De hoofdredacteur, Taguchi Ukichi, was een verchristelijkte progressieveling die met zijn tijdschrift een forum bood voor debatten. Taguchi goot nog meer olie op het vuur door een provocerende inleiding te schrijven waarin hij de shintoïsten praktisch uitdaagde. Hierna ontplofte de hele situatie pas echt. De shintoïsten schreeuwden moord en brand en gebruikten als voornaamste argument het gebrek aan respect voor de Keizer dat Kume zou hebben. De shintoïsten die de nationale leer vertegenwoordigden konden de Chinese geleerden natuurlijk niet uitstaan. Hun actie gekant tegen Kume, hield dan ook niet op toen Kume bepaalde beweringen introk. Ze wilden Kume helemaal uit de weg ruimen. Hier kwam de regering bij te pas. Het ministerie van onderwijs onthief Kume van zijn functie en na een maand ontsloeg men hem. In 1893 sloot het Huis van Historiografie. Dit wordt vaak in één adem genoemd met de Kume-affaire. De affaire was een excuus om het departement te sluiten omdat die nog geen significante resultaten had geboekt.

Tweede Academische Loopbaan (1892-1922)

Kume begon doorheen het land lezingen te geven. Van 1894 tot 1896 gaf hij les aan St-Pauls Universiteit (離京大学). In 1895 werd hij gevraagd door zijn vriend Okuma Shigenobu om les te geven aan de Tokio Senmon Gakkou (東京専門学校), Okuma’s privé-school. De meeste van zijn boeken en artikels komen uit deze periode en zijn kritische kant is nooit weggaan. Hij bleef artikels publiceren en bij momenten kritiek spuien op de orthodoxe, verouderde methodes van de geschiedkunde. Zijn memoires werden het laatste werk waar hij aan zou meewerken. Spijtig genoeg is die nooit afgeraakt door de dood van Kume en de hoofdredacteur.

Voetnoten

  1. http://en.wikipedia.org/wiki/K%C5%8Dd%C5%8Dkan_(Mito)
  2. Andere groten zoals Ōkuma Shigenobu en Etō Shimpei.
  3. Aangezien de volledige naam onpraktisch is om mee te werken, zullen we naar de Tokumei Zenken Taishi Beiou Kairan Jikki voortaan verwijzen als Jikki
  4. 500¥ was in die tijd een behoorlijke som geld.
  5. Dit huis was een instelling onder controle van de Dajōkan (De Keizerlijke Raad van State). Deze raad was een typisch product van de keizerlijke regering, het kende dan ook zijn oorsprong al in de Nara-periode en werd opnieuw ingevoerd in de Meiji-periode.
  6. Gesticht door Ōkuma Shigenobu. Vandaag staat deze instelling bekend als de Waseda-universiteit.
  7. Vol.1 is volledig gewijd aan Amerika, Vol.2 aan Engeland, Vol.3&4 aan Continentaal Europa en Vol.5 aan de expositie in Wenen in 1873.
  8. ”Dit staaft hij door Caesar aan te halen in De Bello Gallico.” Zo aangehaald uit de Jikki, Willy Vande Walle in ‘Belgium’. Hij verwijst ook naar de Belgische Revolutie in 1830 waar de Belgen zich ook dapper toonden.
  9. Zo gequoteerd uit de Jikki.
  10. Dit waren Shigeno Yasutsugu en Hoshino Tsune (星野恒).
  11. http://en.wikipedia.org/wiki/Shigaku_zasshi
  12. http://nl.wikipedia.org/wiki/Positivisme

Bibliografie

Boeken

  • Kume Kunitake. Healey, Graham and Tsuzuki Chushichi, eds. The Iwakura embassy, 1871-73 : a true account of the ambassador extraordinary & plenipotentiary's journey of observation through the United States of America and Europe,2002.
  • Nish, Ian H. The Iwakura Mission in America and Europe. Richmond Surrey, 1998.
  • Mayo, Marlene J. The Western Education of Kume Kunitake, Monumenta Nipponica 28 Vol 1, pp. 3-67, 1973.
  • Mehl, Margaret. Scholarship and Ideology in Conflict, Monumenta Nipponica 48 Vol 3, pp. 337-357, 1993.

Internet