Kofun-periode

Uit GeschiedenisJapan

Excursus - Studentenbijdrage

De periode tussen ongeveer 250 en 538 noemt men in de Japanse geschiedenis de Kofun-periode. De Kofun periode komt na de Yayoi-periode. Samen met de Asuka-periode, die na de Kofun-periode volgt, wordt er soms gesproken van de Yamato periode. Het woord kofun is Japans voor de typische grafheuvels die veelvuldig aangelegd werden tijdens deze periode.

In het algemeen is de Kofun-periode gescheiden van de Asuka-periode door de verschillen in cultuur. Deze periode wordt gekenmerkt door een animistische (geloof dat alles in de natuur een ziel heeft) cultuur die reeds bestond voor de intrede van het Boeddhisme in Japan. Op politiek vlak zijn het Yamato hof en de expansie van de Kyūshū-regio naar de Kantō-vlakte kenmerkende factoren. Ook de enorme invloed van Korea en China is tekenend.

De Kofun-periode is daarenboven de oudste periode beschreven in de Japanse geschiedenis. Van de vorige periodes vindt men weinig of geen historische bronnen terug. Hoewel dit voor de Kofun-periode dus wel het geval is moet men deze bronnen met een kritisch oog bekijken, vooral omdat de chronologische volgorde niet altijd even duidelijk is. Voor de studie van deze periode wordt er uitgebreid gebruik gemaakt van de archeologie. De archeologische bronnen en oude Chinese bronnen duiden erop dat de Japanse stammen pas begonnen samen te smelten vanaf het jaar 300 toen er op vele locaties in Japan grote graven werden aangelegd. Sommigen beschrijven deze eeuw als een woelige tijd gekenmerkt door vele oorlogen tussen de verschillende clans voor de heerschappij over gebieden in Kyūshū en Honshū.

Inhoud

Grafheuvels

Kofun (oude tombe) kan men definiëren als grafheuvels aangelegd voor de heersende klasse tijdens de 4de tot de 7de eeuw. De Kofun-periode ontleent zijn naam aan deze grafheuvels die erg toepasselijk waren voor de toen weelderige begrafenisrituelen. De grafheuvels hadden binnenin grote stenen grafkamers. De heuvels waren soms ook omringd door slotgraven.

Vorm en inhoud

Sleutelgatvorm
Voorwerpen uit kofun grafkamers

Kofun komen in vele vormen voor. Vierkante en ronde vormen behoren tot de eenvoudigste. De opvallendste vorm is echter de sleutelgatvorm (前方後円墳 zenpō kōen fun) waar de voorkant vierkant is en de achterkant rond. Vele kofun zijn natuurlijke heuvels die waarschijnlijk tot de vorm waarin we ze nu zien werden geschapen door de bouwers ervan. De grootste van zulke heuvels gaat van enkele meters tot meer dan 400 meter in de lengte. Naast de vorm worden kofun ook ingedeeld afhankelijk van de ingang van de stenen grafkamer (horizontaal 横穴 yoko-ana of verticaal 縦穴 tate-ana).

In de grafkamers zelf vindt men een houten kist waarin het lichaam werd geplaatst, zowel als een aantal voorwerpen (persoonlijke en niet-persoonlijke) zoals een bronzen spiegel, werktuigen, wapens (zwaard, schild, ...), persoonlijke ornamenten, zadels, enz... Tegen het einde van de kofun-periode werden er ook grafkamers gebouwd voor de gewone burger en dus niet alleen maar voor de heersende elite.

De sleutelgatvormige kofun verdwijnen in de 6de eeuw. Dit is waarschijnlijk te wijten aan de drastische reformatie die aan het Yamato hof plaatsvond. Nihonshoki plaatst ook de intrede van het Boeddhisme in Japan in deze periode. Omdat het boeddhisme de nadruk legt op de vluchtigheid van het leven worden de uitgebreide begrafenisrituelen niet meer in dezelfde mate uitgeoefend.


Daisen kofun van keizer Nintoku

Locaties

De oudste Japanse kofun is zo goed als zeker de Hokenoyama Kofun in Sakurai (Nara) aangelegd op het einde van de 3de eeuw. In het Makimuku district van Sakurai werden er rond het begin van de 4de eeuw sleutelgat kofun aangelegd. Hiertoe behoren bv. Hashihaka kofun en Shibuya Mukaiyama kofun. De sleutelgatstijl verspreidde zich eerst vanuit Yamato naar Kawachi (met extreem grote kofun zoals de Daisen kofun van keizer Nintoku) en daarna over het hele land (behalve Tohoku) tijdens de 5de eeuw.

De grootste kofun zijn de tombes van locale vorsten zoals keizer Ōjin en keizer Nintoku. De laatste twee grote kofun zijn de Imashirozuka kofun (lengte: 190m) in Osaka en de Iwatoyama kofun (lengte: 135m) in Fukuoka. De Imashirozuka kofun wordt toegeschreven aan keizer Keitai en de Iwatoyama kofun aan Iwai, de politieke aartsrivaal van Keitai.

Haniwa

Haniwa zijn beeldjes gemaakt van klei om samen met de doden begraven te worden. Ze vervulden een rituele en praktische functie.

Tijdens de Kofun periode ontwikkelde zich een militaristische en hoogstaande aristocratische gemeenschap. De cavalerie droeg een ijzeren harnas, zwaard en andere wapens en gebruikte geavanceerde militaire tactieken. Veel van deze aspecten vindt men terug in de haniwa. De belangrijkste haniwa vond men in het zuiden van Honshū, vooral in de Kinai regio, zowel als in het noorden van Kyūshū. De offerbeelden variëren sterk van vorm en thema. Zo vindt men beelden van paarden, kippen, vogels, waaiers, vissen, huizen, wapens, schilden, kussens en ook mannen en vrouwen.

Haniwa dienden niet alleen als extra decoratie en als spirituele bescherming voor de overledene, maar ook als steun voor de muren, door erosie tegen te gaan. Deze haniwa waren meestal geen gedecoreerde figuren maar gewone cilindervormige steunbeelden. Het aantal haniwa in een kofun varieert sterk, van enkele haniwa tot enkele duizenden. De cilindervormige soort is wel altijd de meest voorkomende. Deze werden opgesteld in één, twee of drie rijen rond de flanken van de heuvel.


Politiek

De Yamato staat

De eerste vorm van politieke eenmaking werd in de hand gewerkt door de tumulibouwers. Onder leiding van het clanhoofd (uji no kami 氏の上) oefende de militaire elite grote macht en gezag uit tegenover de andere clanleden. Ook tussen de vele verschillende clans onderling groeide er een sterk gevoel van concurrentie en strijd. Hierdoor werd het nodig hun macht te bestendigen, waaruit een vorm van staatsstructuur tevoorschijn kwam.

Er ontstonden meer en meer confrontaties tussen de vele kleine rijkjes die de clans (of kleine confederaties van clans) gesticht hadden. Door een opeenvolging van veroveringen bleven er enkel nog een handvol grotere rijken over, waaronder het Yamato-rijk (Yamatai 邪馬台国). Dit rijk ontwikkelde zich tijdens de eerst helft van de 3de eeuw. Het bereik van de Yamato staat strekte zich uit van Kyūshū tot de Kinai-vlakte, maar Kantō, Tōhoku en Hokkaidō vielen oorspronkelijk hierbuiten. Onder hun concurrenten behoorden onder andere Kibi (huidige Okayama), Izumo (huidige Shimane), Koshi (huidige Fukui en Niigata), Kenu (noordelijk Kantō), Chikushi (noordelijk Kyūshū), en Hi (centraal Kyūshū). Maar ook deze lokale autoriteiten sloten zich later bij de Yamato staat aan.

Het rijk werd geregeerd door een mannelijke vorst, tot dat er, door een jarenlange strijd, een vrouw aan de macht kwam: Himiko. Zij oefende een soort diplomatieke rol uit, omwille van haar status als sjamaan. In feite was het haar broer die de macht uitoefende. Hieruit kan men echter besluiten dat er op dit moment nog geen mannelijk erfrecht bestond.

De Yamato staat was op bijzondere wijze gestructureerd. De leider van de stamlijn, die rechtstreeks van de zonnegodin afstamde, stond aan het hoofd. Rondom hem stonden een aantal families die nauw met elkaar verwant waren en samen de clan (uji) van de zonnegodin vormden. Deze clan werd door een grote groep van dienende clans gesteund. Samen vormden ze de bovenlaag van de maatschappij. Ze hingen af van gemeenschappen van gewone werkers die gegroepeerd waren volgens buurt of beroep. De derde sociale groep waren de slaven, gehecht aan de huishoudens van de uji.

Vijf koningen van Wa

Tijdens de Kofun periode zonden verschillende keizers van Japan afgezanten naar China om zo erkenning te verkrijgen van hun heerschappij. Dit ging steeds onder de vorm van een tribuutzending, omdat de Chinese keizers andere personen nooit op gelijke voet wilden beschouwen. In Japan zelf was dit een groot teken van macht en een extra middel om het recht op de heerschappij van de keizer te verantwoorden. Daarnaast gaf de keizer van China ook steeds geschenken mee met de afgezanten, wat op zich weer extra rijkdom met zich meebracht voor de Japanse keizers.

Men gaat er vanuit dat dit in deze periode minstens vijf keer gebeurde, omdat er in twee verschillende bronnen, de Nihonshoki en de Chinese geschiedschrijving, sprake is van de vijf koningen van Wa (Japan). Hoewel de twee bronnen de koningen verschillende namen geven, kan men door middel van archeologische en historische bronnen de volgende veronderstellingen maken:

Invloed in en van Korea

Omwille van de erkenning door de keizer van China, kreeg Japan ook een machtsbasis in Korea. Volgens de Songshi (officiële geschiedschrijving van de Chinese Song dynastie) gaf een keizer van China de gebieden Baekja, Goguryeo en Silla in Korea aan de koningen van Wa. Dit zorgde er onder andere voor dat er een stroom van Koreaanse immigranten in Japan terechtkwam. Het Japan uit de Kofun periode stond hier zeer open tegenover, omdat, net zoals de Chinese immigranten, de Koreanen veel culturele -en technologische vernieuwingen met zich meebrachten. Dit wordt bevestigd door de vele vondsten die men in Japan gedaan heeft en die duidelijk afkomstig zijn van het Koreaanse schiereiland (bronzen spiegels, ijzer en potten). De verkregen gebieden hadden echter ook Japan nodig, vooral op militair vlak. Dit blijkt uit bronnen zoals de Sagi Samguk Sagi (kronieken van de drie koninkrijken]. Hierin staat dat koning Asin van Baekje zijn zoon Jeonji in 397 en koning Silseong van Silla zijn zoon Misaheun in 402 als gijzelaars naar Japan zonden om zo verzekerd te zijn van hun militaire steun.

Samenleving

Woningen

Kofun woningen waren bijna uitsluitend vierkante putten, gaande van drie meter tot 8 of 10 meter per zijde. Ze zijn geëvolueerd uit de woningen uit de Yayoi-periode. De meeste putten waren rond de 50 centimeter diep. De grootste teruggevonden kofun-woning werd opgegraven op de Miyagayato site in Akiruno in west-Tokio, 11,6 meter bij 13,8 meter en werd vermoedelijk gebouwd in de tweede helft van de Kofun periode. Hoewel er nagenoeg geen gaten terug te vinden zijn waarin de pijlers van het huis stonden, wordt er verondersteld dat er minstens vier pijlers voor een woning van normale grootte en zes pijlers voor een grote woning voorzien waren. De ingang was meestal aan de zuidelijke kant van de woonst of recht tegenover de oven. Het dak was gemaakt van stro met een piek in het midden en twee ventilatiegaten voor de rook aan beide uiteinden. Oorspronkelijk waren de huizen voorzien van een haard in het midden van de woonst, in de grond. Maar, na de technologische vernieuwingen in de 5de eeuw werd deze vervangen door een oven vervaardigd uit klei. Zulke ovens kan men nu nog steeds terugvinden in oude boerderijwoningen in het hedendaagse Japan.

Haniwa van een paard

Paarden

In de Chinese geschiedschrijving worden er geen vermeldingen gemaakt van paarden in Japan tot aan het begin van het bewind van keizer Nintoku in de 5de eeuw. De paarden werden waarschijnlijk ingevoerd vanuit Korea en China, meegenomen door immigranten. Ze werden al snel een symbool van adel en rijkdom. Paarden werden uitgebeeld op haniwa, zadels werden samen met de doden begraven. Meer nog, het paard was een van de geschenken die, volgens de Nihonshoki, door de koning van Silla (Koreaans koninkrijk) aan Jingū (regentes in Japan) werd gegeven nadat de koning zich had overgegeven. Vanaf dat moment werden ze ook een belangrijk voordeel tijdens de oorlog.

Religie

Tijdens de Kofun-periode werd er in Japan de Shinto godsdienst uitgeoefend. Hoewel de exacte oorsprong van deze geloofsrichting nog niet is teruggevonden (sommigen plaatsen ze verder terug tot in de Jōmon-periode), is het wel zo goed als zeker dat het tijdens de Kofon-periode de dominante religie was.

Shinto kan men omschrijven als een geloof waarin men zegt dat alles in de wereld een ziel bevat. Men gelooft in een enorm aantal kleine (soms streekgebonden) goden (kami 神) die men aanbid. Er bestaat geen oppergod, maar sommige kami zijn bekender als andere. Zo is de zonnegodin Amaterasu erg bekend, onder andere omdat men in het verleden zei dat de keizerlijke familie hier rechtstreeks van afstamde. Maar ook de berg Fuji-san (富士山) was een kami. Het aanbidden gebeurde aan publieke schrijnen, maar ook thuis had men vaak een klein altaar staan dat gewijd was aan één of meerdere kami's.

Shinto handelt niet bepaald over het leven na de dood, maar legt meer de nadruk op het huidige leven. Deze gedachte staat in contrast met het Boeddhisme, waarin men de eeuwige cirkel van reïncarnatie beschrijft. En toch, wanneer men aan het einde van de Kofun-periode het Boeddhisme introduceert in Japan, ontstaat er niet echt een conflict. Het was perfect mogelijk deze twee religies tegelijkertijd te synchroniseren met elkaar, ten minste in de ogen van de Japanners. Het is ook pas in deze periode dat Shinto zijn naam krijgt. Hiervoor sprak men meer van kami-verering.

Bronnenvermelding

Cursussen

  • Willy, Vande Walle, Geschiedenis van Japan tot 1868, academiejaar 2006-2007, Leuven: Katholieke Universiteit Leuven, 2006.

Boeken

  • Farris, William Wayne. Sacred Texts and Buried Treasures: Issues on the Historical Archaeology of Ancient Japan. University of Hawaii Press, 7. ISBN 0-8248-2030-4.
  • Barnes, Gina L. Protohistoric Yamato: Archaeology of the First Japanese State. Ann Arbor: University of Michigan. ISBN 0-9157-0311-4

Internet