Kleder- en haardracht gedurende de Meiji-periode
Uit GeschiedenisJapan
Reeds van oudsher kent Japan een rijke variëteit aan kledingstijlen en stoffen. Zijde dateert uit de prehistorie. In de Asuka- en de Nara-periodes bereikte naast een continentale kledingstijl ook de keper Japan. In de Heian-periode daarentegen nam het kledingontwerp een duidelijk van de continentale stijl te onderscheiden vorm aan. In de Ashikaga- en de Muromachi-periodes volgde de import van Chinees satijn en damast. De komst van Portugezen en Spanjaarden leidde tot een eerste kennismaking met de Westerse kledingstijl die vooral door de dominante militaire klasse geadopteerd werd. Het was echter pas in de Meiji-periode, door de komst van Perry in 1853 en de openstelling van de havens in het daaropvolgende jaar, dat Japan geconfronteerd werd met een enorme verandering in de kledinggewoonten naar een meer Westerse stijl toe.
Inhoud |
Traditionele kleding
Vooral diegenen die een traditioneel beroep beoefenden, hielden vast aan de traditionele kledij. Ook binnenshuis bleek traditionele kleding vaak aangewezen. Westerse kleding was simpelweg niet voorzien op neerknielen, op de grond zitten,... . Dit in grote tegenstrijd tot de authentieke Japanse huizen die precies hiertoe ontworpen waren.
Bij het bespreken van de traditionele, Japanse kledij is het noodzakelijk een onderscheid te maken tussen de kleding van de verschillende sociale klassen. Leden van de eliteklasse, koopmannen en het merendeel van de stedelingen droegen een kimono (着物) [1] van de een of andere soort. Voorheen had het Tokugawa-shōgunaat (徳川: Tokugawa) van tijd tot tijd het dragen van luxueuze materialen verboden. Toch sloegen de meeste stedelingen, zelfs die van lagere standen, er toen in zichzelf te kleden in zijde. Maar de gedragen kimono's waren in de late Tokugawa-periode en de vroege Meiji-periode[2] (明治時代: Meiji jidai) geenszins zo kleurrijk als ze later werden. Rond 1900 had men immers de echte emancipatie tegenover de restricties uit de Tokugawa-periode. Rond deze tijd werden nieuwe soorten fijne zijde en heldere, opvallende kleuren een ware rage. Deze trend beperkte zich tot een relatief kleine, meer fortuinlijke klasse. Ook de gewone stedeling werd toegestaan fijne kledij te dragen, maar deze kon het zich veelal niet permitteren. Men kan dus stellen dat de vrijheid van de nieuwe periode de kloof tussen rijk en arm onderstreepte.
De boerenbevolking droeg op het land werkkleding bestaande uit een broek en een jasje, een outfit die bijna ontelbaar veel lokale varianten kende. Ze droegen zelden wat beschouwd wordt als traditionele, Japanse kleding. Uitzonderlijk droegen ze kimono's, zijden exemplaren op speciale gelegenheden en eenvoudigere, gelijkaardige stukken binnenshuis.
Westerse kleding
Mannenkledij
Militairen namen de Westerse uniformstijl over in de vroege Meiji-periode, meer bepaald in 1870. Ook regeringmedewerkers begonnen vrij vroeg kleding van Westerse stijl te dragen. In juni 1868 uitte de regering in opdracht van de keizer bepaalde voorstellen i.v.m. de klederdracht van hovelingen en regeringsmedewerkers. Datzelfde jaar nog werd de traditionele kledij van Chinese stijl ingeruild voor eenvoudigere Japanse kledij. Dit was slechts het begin, want in augustus 1871 werden de huizen Yamashina en Takakura, die steeds hadden ingestaan voor de keizerlijke garderobe, ontslagen uit de paleisdienst. Op 12 november 1872 werd het dragen van kleding van Westerse stijl op zowel gewone als speciale, ceremoniële gelegenheden verplicht voor hovelingen en regeringsleden. Ze werden op de voet gevolgd door provinciebeleidsmedewerkers, leerkrachten, fabrieksarbeiders, advocaten, artsen en beoefenaars van andere, dergelijke nieuwe beroepen.
Uniformen, zoals die van militairen, maar ook van postmannen, politiemannen, spoorwegenmedewerkers,... , gaven rang en beroep aan. Kledij werd een teken van herkenning, en versoepelde hoogstwaarschijnlijk de menselijke relaties in deze tijd van toegenomen sociale communicatie. De traditionele zwaarden en haardracht van samurai echter, die hen als klasse onderscheidde in de Tokugawa-periode, werden afgeschaft in de vroege Meiji-periode. Zo kon men hun klasse niet langer op het zicht herkennen, men kon hen zelfs ongestraft negeren.
De boerenbevolking volgde geleidelijk aan. Hun tweedelige werkkleding had al veel overeenkomsten met Westerse werkkledij, en wanneer de boeren terugkeerden naar het platteland uit het leger of de marine, bleven ze vaak Westerse shirts of dergelijke artikelen dragen.
De Westerse invloed veroorzaakte in Japan allerminst een algemeen navolgen van de laatste Parijse mode. Men droeg lange tijd vreemde, vaak komische combinaties van Westerse en Japanse kledij. Kimono's met Westerse schoenen, geta (下駄)[3] met een Westers kostuum of Westerse kledij met een traditioneel zwaard waren frequent voorkomende kledingcombinaties. Rond 1880 volgde er een algemene reactie tegen de Westerse invloed, en dit werd ook gereflecteerd in de klederdracht. Er kwam een zekere purificatie van de klederdracht, zo greep men terug naar het dragen van kimono's met uitsluitend Japanse accessoires.
Vrouwenkledij
De ceremoniële jurk voor vrouwen werd gesimplificeerd in de vroege jaren 1870, maar pas rond 1884, 1885 werd ze vervangen door de Westerse jurk. In die tijd gaf men immers feestjes, volledig geïnspireerd op Westerse bals en feesten. Zo frequenteerde de elite liefdadigheidsbals, gemaskerde bals, dansfeestjes,... . Op 19 januari 1887 publiceerde de krant van Chōya een geschreven opinie van de keizerin over vrouwenkledij:
"De moderne Westerse outfit van vrouwen bestaat uit bovenlaag en onderkleding en stemt hierdoor overeen met de oude, Japanse kledingswijze. Verder is het geschikt voor ceremonieel gebruik en is het handig daar het vrijheid van beweging toelaat. Het is best hiertoe de Westerse methode van naaien te imiteren. We moeten er echter op toezien bij het verbeteren van onze kleding materialen uit het eigen land te gebruiken. Als we goed gebruik maken van Japanse producten, zullen we bijdragen tot de verbetering van de productie, helpen aan de vooruitgang van kunst en schoonheid, en toedragen tot de handelswinsten. De voordelen zullen zich dus met andere woorden niet enkel beperken tot het gebied van kleding. In deze overgang van oud op nieuw is de grote moeilijkheid het vermijden van onnodige kosten, en iedereen moet zijn steentje bijdragen in het bewaren van eenvoudigheid en het afhouden van kostelijke luxeproducten..."Zo droeg keizerin Haruko (美子)[4] in 1886 op het verjaardagsfeest van haar man in de Rokumeikan[5] (鹿鳴館) een Westerse jurk.
Vrouwen droegen geen uniformen in dezelfde mate als mannen, maar bijvoorbeeld verpleegsters en textielindustriearbeidsters werden wel verplicht tot het dragen van een uniform. Uniformen vergemakkelijkten de arbeid en weerhielden vrouwen ervan een onderlinge concurrentiestrijd over hun kleding aan te gaan. Op meisjesscholen daarentegen werd nog geen uniform van Westerse stijl gedragen. Men had de gewoonte de studentes hakama (袴)[6] van eenzelfde kleur, occasioneel afgewerkt met de kleuren van de school te laten dragen. De hakama bevrijdde de meisjes van de moeilijkheid van het dragen van een brede obi (帯)[7], en was beter geschikt tot beweging.
Vrouwenkleding was doorheen de Meiji-periode een voortdurend wijzigend fenomeen, en ontelbare modificaties van de kimono doken op. Algemeen kan men stellen dat de kimono eenvoudiger werd en meer geschikt tot beweging en actie.
Westers ondergoed
Westers ondergoed werd vrij vroeg geadopteerd door mannen. Rond 1873, 1874 was het dragen van slip en onderhemd uit mousseline of flanel wijd verspreid in de steden. Op het platteland daarentegen bleven mannen een soort lendendoek dragen.
Vrouwen begonnen pas Westers ondergoed te dragen rond de jaren '80 van de Meiji-periode, de zogenaamde Rokumeikan-periode. Het dragen van dergelijke poffende, lange onderbroeken door vrouwen kwam pas frequent voor rond 1920.
Nieuwe naaimethodes en Westerse kleermakerij
In de Meiji-periode naaiden de meeste vrouwen hun eigen kimono’s. Tussen het zesde en het twaalfde levensjaar werd een meisje door haar moeder en oudere zussen de techniek van het naaien aangeleerd. Naaischolen doken voor het eerst op in de jaren ’20 of ’30 van de Meiji-periode. De eerste naaimachine werd door Manjirō, een tolk die een Japanse diplomaat vergezelde op een missie naar de Verenigde Staten, meegebracht. Slechts een tijd later kreeg men de gebruikswijze van de naaimachine onder de knie.
In 1868 verscheen in de krant van Chūgai het volgende artikel van de hand van ene Endo Shinsaburō: “Hoewel een zeer vernuftige Westerse machine een tijd geleden geïntroduceerd werd, was tot voor kort niemand in staat er gebruik van te maken. Ten gevolge heb ik op officieel bevel les gekregen van een buitenlander in Yokohama en ben ik zelf begonnen met het aanleren van de gebruikswijze van het machine. Ik hoop dat geïnteresseerden me thuis een bezoek zullen brengen. Terwijl ik les geef, maak ik eender welke soort kleding op bestelling voor een lage prijs…”
Toen in 1871 een naaimachine werd tentoongesteld in Asakusa te Tokyo lokte de vreemde machine dan ook logischerwijze veel kijklustigen. Ook in 1871 zocht het 'Hokkaidō Bureau van Ontwikkeling' kandidaten voor een opleiding in het gebruik van de naaimachine, diegenen die de opleiding voltooid hadden werden naar Hokkaidō (北海道)[8] gehaald waar men dankbaar van hun diensten gebruikmaakte. Naaimachines werden echter, ondanks hun introductie in de Meiji-periode, niet op grote schaal verspreid tot na de Tweede Wereldoorlog [9].
In de jaren ’20 van de Meiji-periode vond men Westerse kledingzaken en kleermakerijen in de meeste kleine steden. Deze verhandelden bijna uitsluitend mannenkleding. Kledingzaken gespecialiseerd in vrouwenkleding waren schaars voor de geschreven opinie van de keizerin in 1887 verscheen.
In het jaar 1886 echter verscheen in de 'Tokyo Nichinichi' van 7 november het volgende artikel: “Er zijn niet veel dagen verstreken sinds de opening van onze zaak, maar we zijn gezegend door de bijzondere devotie van grote en eerbiedwaardige mensen. Wij hebben voortdurend orders van de keizerlijke familie en prominente mannen ontvangen. Het is echter zo druk dat ondanks het dag en nacht toezicht houden en aanmoedigen van onze werknemers we ons moeten excuseren omdat we niet de mogelijkheid hebben alles aan te nemen dat we zouden willen. We vinden dit hoogst betreurenswaardig. We wensen nu mee te delen dat we mevrouw Vaughn Curtiss, die in Engeland bekend staat als een expert in het naaien van vrouwenkleedjes, en andere buitenlanders hebben aangenomen. En van nu af aan zullen we niet enkel orders voor feestjurken en danskleedjes aannemen, maar voor allerlei soorten vrouwenkledingstukken, die wij zullen maken zonder de geringste fout.” Uit dit artikel blijkt dus de uitzonderlijke aanwezigheid van een kledingzaak die ook vrouwenkleding maakte (voor 1887). Verder duidt het op de aanwerving van buitenlandse kleermakers. Zo wierf ook de ‘Mitsui kledingzaak’ een buitenlander aan. Het betrof een Franse couturier.
Ook moderne breitechnieken bereikten Japan in de Meiji-periode. Sommige vormen van breien waren reeds van oudsher bekend in Japan en werden bij aanvang van de Meiji -periode nog in zekere mate beoefend. Het was een Amerikaanse vrouw uit de buitenlandse nederzetting van Yokohama die een school oprichtte voor jonge meisjes. Ze onderrichtte hen taal, breien en haken. De eerste bolletjes wol werden geproduceerd in 1879 door de weefmolen in Senjū, deze was eigendom van de regering. In 1880 begon ook de privéfirma ‘Goto- Wol’ met de productie van wolbalen. Rond 1879 bereikten breiwerk en moderne breitechnieken een aantal landelijke streken, en tegen 1886 kende het een groot succes in de steden. In 1886 richtte Sasaki Toshiko een breiclub voor vrouwen op in een christelijke kerk in Nihonbashi, en al snel ontstonden er veel gelijkaardige organisaties in andere steden.
Haardracht
Mannenkapsels
Voor de Meiji-periode was het meest frequent voorkomende mannenkapsel de Hondamage (meestal chonmage[10] genoemd). Dit kapsel verkreeg men door het haar bovenop het hoofd grotendeels af te scheren, het overige haar stevig achter het hoofd vast te maken. De staart werd over de geschoren kroon naar voren toe geplooid en verstijfd met pommade. Het maken van een dergelijk kapsel nam veel tijd in beslag, en dit op zich was voor velen al voldoende om het kapsel op te geven bij het aanbreken van de Meiji-periode.
Wanneer de regering zich echter uitte tegen het Hondamagekapsel en voor een kortharig Westers kapsel, wierpen enkele Hondamagefans zich op tegen de regering. Deze actie was echter eerder een politieke kwestie dan de verdediging van het Hondamagekapsel uit liefde ervoor. Maar toen bleek dat het pro-westerse beleid van de regering definitief was, kalmeerden de meeste mannen en lieten ze zich een kapsel in Westerse stijl aanmeten.
In 1868 verloren de troepen van Satsuma en Chōshu hun Hondamagekapsel, en ook leerkrachten, politiemannen en militairen waren er snel bij om zich een kort, Westers kapsel te laten aanmeten. Tegen 1871 lieten zelfs vrouwen zich een kort kapsel aanmeten. Dit laatste wekte echter zoveel kritiek op dat de regering het verbood. In 1871 nam de regering een officieel standpunt aan; mannen mochten hun haar laten kappen volgens hun individuele smaak. Hierop namen Westerse kapsels in de steden een grote vlucht. Maar er was echter een opvallende stijging in de verkoop van hoeden datzelfde jaar, hierdoor beweert men wel eens dat de mannen hun Westerse kapsel wouden verbergen. Tegen 1872 was Tokyo ongeveer 3000 kapsalons rijk, en ongeveer alle mannen in Kyoto, de Aichi-prefecturen, en het grotendeel van de mannen in de prefectuur Shiga hadden hun Hondamagekapsel laten afknippen.
In de daaropvolgende jaren verspreidden de Westerse kapsels zich steeds meer in Japan. Lokale beleidsmedewerkers promootten de Westerse kapsels op allerlei manieren. Zo beweerden ze in de prefectuur Nagasaki dat een dergelijk kapsel de hersenen beschermt. In de prefectuur Wakamatsu dan weer, moest iedere man die een traditioneel kapsel had een jaarlijkse boete van 50 sen [11] betalen. Aan de andere kant is er bijvoorbeeld ook weet van dorpsmoeders die zich schaamden tegenover hun buren als hun zonen terugkeerden van de steden zonder hun Chonmage. Er zijn zelfs verhalen van aanstaande bruidegommen die afgewezen werden omdat ze hun haar hadden laten knippen. Zelfs in Tokyo duurde het ongeveer 10 jaar voor de nieuwe kapsels volledig aanvaard werden.
Vrouwenkapsels
Het wijde gamma aan traditionele vrouwenkapsels uit de verschillende periodes voorgaand aan de Meiji-periode heeft één grote overeenkomst: ze waren allen erg zwaar en lastig. Het ging om lang haar dat stevig ingevet werd.
In de vroege Meiji-periode lieten een aantal vrouwen hun haar kort knippen, zoals hierboven reeds vermeld. De regering verbood hen dit echter. In de jaren 1880 daarentegen kwam er een beweging van vrouwen op tegen de last van de traditionele haarstijlen, het betreft de ‘Vereniging van Vrouwen voor Westerse Haarstijlen’. Deze vereniging publiceerde het volgende: “Het doel van de stichting van deze sociëteit is de bevordering van de gezondheid, rijkdom en het gemak van de Japanse vrouwelijkheid. De Shimada[12], Marumage, en andere traditionele haarstijlen houden het gebruik van talrijke spelden en versieringen in, en ze zijn ongezond daar ze vaak duizelingen of bloedstromen naar het hoofd veroorzaken. Deze vereniging wil komaf maken met die slechte haarstijlen uit het verleden. Vrouwen die deze beweging steunen dragen niet enkel bij tot de hernieuwing van een oud gebruik maar ook tot het economische en medische welzijn van de Japanse vrouw… . Op dit eigenste moment dragen veel vrouwen van grote mannen, dochters van rijke families, en de beroemde schoonheden van de geishadistricten (芸者: geisha) de nieuwe haarstijlen. Dit is tot hun eigen voordeel en strookt met de vooruitgang van verlichting en de toename van wijsheid in de moderne tijd. Toch zijn er nog steeds ouderwetse mensen die ons jongensachtig noemen of ons als sloeries bestempelen. Laat je niet door hen van de wijs brengen, want ze zijn simpelweg jaloers op onze nieuwe stijlen en manieren.” De vereniging verspreidde Westerse haarstijlen die overeen stemden met de Japanse gebruiken. Ze maanden vrouwen ertoe aan voor deze kapsels te kiezen daar ze het goede van Japanse en Westerse traditie combineerden. De nieuwe haarstijlen kenden al snel een grote aanhang bij onder andere jonge vrouwen, prostituees, vrouwelijke leerkrachten en serveersters. Toen na 1890 de algemene reactie tegen de Westerse invloed op gang kwam, maakten de moderne kapsels plaats voor de traditionele haarstijlen om zeven jaar later weer op te duiken. Toch behielden enkelen een traditionele haarstijl.
Het grote assortiment aan speldjes en kammetjes uit de Tokugawa-periode werd vervangen door linten en artificiële bloemen. Ook de materialen waaruit de ornamenten gemaakt waren, werden gemoderniseerd, waar de oude versieringen uit zware, dure materialen gemaakt werden, bestonden ze nu veelal uit celluloïde. Na 1900 was het lint het voornaamste haarornament, het lint werd vanaf toen ook bij traditionele kapsels gedragen.
Drie fenomenen binnen de klederdrachtevolutie van de Meiji-periode
De Meiji-periode omvatte talrijke kledingstijlen en er is dus absoluut geen sprake van een eenduidige stroming op modegebied. De kledingkeuze was afhankelijk van sociale status en locatie, maar ook individuele persoonlijkheid en smaak speelde wel degelijk een rol.
Men kan echter drie duidelijke fenomenen aanduiden die de kledingkeuze doorheen de Meiji-periode tekenden. De eerste vaststelling is dat westerse kleding vooral gedragen werd op werkplaatsen; door werknemers in de nieuwe fabrieken, studenten, militairen,... . Deze klederdracht was immers beter geschikt tot beweging. Het dragen van Westerse kleding was dus geen modetrend. De kleding van Japanse stijl werd dan weer vooral binnenshuis gedragen.
Een tweede fenomeen is de resistentie van de traditionele jurk voor vrouwen tegenover de Westerse invloed, hoewel deze op vele vlakken onhandiger was dan de variant voor mannen. De keizerin was een fervent aanhangster van Westerse kleding, zo ook de dames die de Rokumeikan frequenteerden, en de 'Vereniging van Vrouwen voor Buitenlandse Haarstijlen'. Maar deze populariteit van de Westerse klederdracht valt slechts te plaatsen in het tweede decennium van de Meiji-periode, toen hervorming de algemene toon zette, en is dus niet uitzonderlijk. Toen in de jaren '30 van de Meiji-periode de reactie op de hervorming onder Westerse invloed werd ingezet, werd de damesjurk ook heel snel herleid naar de Japanse stijl, desalniettemin bleef ze lichter en handiger dan voor de hervorming. De gewone Japanse vrouw bleef, aangezien zij instond voor het huishouden en binnenshuis bleef, doorheen de gehele Meiji-periode de traditionele klederdracht trouw. Op vrouwen die een carrière uitbouwden bleef men immers neerkijken, en hun kleding had dan ook weinig invloed op het algemene modebeeld.
Tenslotte valt te besluiten dat kleding doorheen de Meiji-periode duurder werd. Voordien voorzag men in grote mate de eigen kleding. In de Meiji-periode echter kocht men deze kleding of op zijn minst de basismaterialen. De kosten van kledij stegen ook door de instabiliteit van het modebeeld. Een grote veelheid aan nieuwe modestijlen werd geadopteerd door de rijke elite, maar ook de armere klassen namen de nieuwe stijlen vaak over, ook al waren ze veelal financieel incapabel daartoe. Algemeen gesteld kwam de kleding doorheen de Meiji-periode terecht in een transitieperiode, de strikte klederdracht van de Tokugawa-periode ruimde baan voor vrijere stijlen.
Voetnoten
- ↑ Het woord 'kimono' betekent letterlijk 'iets dat iemand draagt/aanheeft'. Oorspronkelijk duidde het op allerlei kledingstukken die men in Japan droeg. Later is de betekenis van de term verengd tot het lange kledingstuk dat ook wel 'nagagi' ('lange klederdracht') wordt genoemd. Men draagt het in Japan tot op de dag van vandaag nog steeds op speciale gelegenheden.
- ↑ http://en.wikipedia.org/wiki/Meiji_period
- ↑ 'Geta' zijn een soort van houten sandalen met een verhoogde zool.
- ↑ http://en.wikipedia.org/wiki/Empress_Sh%C5%8Dken
- ↑ http://en.wikipedia.org/wiki/Rokumeikan
- ↑ De 'hakama' is een eenvoudig aan te trekken Japans kledingstuk dat het onderste gedeelte van de kimono bedekt. Het wordt rond de taille bevestigd met een riem. Voor de meiji-periode werd het enkel door mannen gedragen, maar nadien ook door meisjesstudenten.
- ↑ De 'obi' is een soort sjerp die rond een Japans kledingstuk wordt gebonden, bijvoorbeeld rond een kimono. De obi voor vrouwen is tweemaal zo breed als de door mannen gedragen variant en kan door zijn breedte vrij hinderlijk zijn.
- ↑ http://en.wikipedia.org/wiki/Hokkaid%C5%8D
- ↑ http://en.wikipedia.org/wiki/World_War_II]
- ↑ Een chonmage (丁髷, ちょんまげ) is een traditioneel Japans kapsel voor mannen. Dit kapsel kwam voor bij de samurai in de edo periode en wordt nu gebruikt door sumo worstelaars.
- ↑ Sen is één honderdste van yen waard.
- ↑ http://en.wikipedia.org/wiki/Shimada_(hairstyle)
Bronnen
Literaire bronnen
Keizō Shibusawa, 'Life and culture in the Meiji era' (1958), Tokyo: Ōbunsha
Willy Vande Walle, 'Een geschiedenis van Japan: Van samurai tot soft power' (2007), Leuven: Acco
'Standaard Encyclopedie' (1971), Antwerpen: Standaard
Online bronnen
http://en.citizendium.org/wiki/Culture_of_Japan
http://en.wikipedia.org/wiki/Hakama
http://www.petitjapon.com/type/obi.html
http://en.wikipedia.org/wiki/Geta_%28footwear%29
http://en.citizendium.org/wiki/Geta

