Kitahara Hakushū (北原白秋) 1885-1942

Uit GeschiedenisJapan

(Doorverwezen vanaf Kitahara Hakushū)
bestand rechts

Kitahara Hakushū 北原白秋 (25 januari 1885 – 2 november 1942) is het pseudoniem van een man die wordt beschouwd als één van de meest belangrijke en populaire dichters in de moderne Japanse literatuur. Zijn echte naam was Kitahara Ryūkichi 北原隆吉. Hij schreef zowel tanka 短歌 als modern symbolistische en neoromantische poëzie in de Taishō en Shōwaperiode.


Inhoud

Jeugd

bestand links

Kitahara Hakushū werd geboren op 25 januari 1885 te Yanagawa 柳川市 in de prefectuur Fukuoka 福岡県 op het Japanse eiland Kyūshū 九州 in een familie van handelaars in vis, schaal- en schelpdieren en sakebrouwers. In 1887, toen zijn broer Tetsuo geboren werd, leed Kitahara aan cholera, en zou er altijd een zwakke gezondheid aan overhouden. Toen Kitahara zestien jaar oud was, vernietigde een brand zijn ouderlijk huis, maar het werd heropgebouwd. Men zegt dat zijn gevoelige aard hem heeft aangezet tot het schrijven van poëzie, reeds op de jonge leeftijd van 17. Hij hield van de natuur en van zijn geboortedorp, en deze onderwerpen komen vaak terug in zijn poëzie. In 1902 werden enkele gedichten van Kitahara reeds gepubliceerd in tijdschriften. Zijn vader wenste dat zijn zoon de sakebrouwerij zou overnemen, maar Kitahara weigerde dit. Hij werd in 1904 aangenomen op de Waseda universiteit[1], waar hij Engelse literatuur studeerde, maar voltooide zijn opleiding niet. Als student raakte hij geboeid door de poëzie van Shimazaki Tōson[2] 島崎藤村, en dan vooral door zijn lyrisch-romantische Wakana-shū 若菜集 (Verzameling van Jonge Kruiden, 1897).

Ik kan zo zachtjes

Mijn moeder en vader

Wakker

Horen fluisteren.

De ochtend na het vallen van de sneeuw.

(Kitahara Hakushū, 1903)

Literaire carrière

In 1904, wanneer hij naar Tōkyō verhuisde om zijn opleiding aan de Waseda universiteit te beginnen, werden zijn gedichten reeds gepubliceerd in diverse tijdschriften. Zijn bijdrages waren zowel tanka als langere gedichten. Met zijn lange gedicht ‘Zento Kakusei no Fu’ nam hij deel aan een wedstrijd georganiseerd door het Waseda Gakuhō 早稲田学報-tijdschrift, en het viel in de prijzen. Dit leidde tot meer publicaties van zijn gedichten.

In 1906 nodigde Yosano Tekkan[3] 与謝野鉄幹 hem uit om lid te worden van zijn poëziegenootschap Shinshi-sha 新詩社 (Genootschap van de Nieuwe Poëzie). Hij aanvaardde dit, en tezelfdertijd verwierf hij faam als opkomend jong talent door zijn publicaties in hun tijdschrift Myōjō 明星 (Morgenster). Samen met o.a. dichters Yosano Tekkan, Yosano Akiko, Takamura Kōtarō en Ishikawa Takuboku vormde hij de Myōjō-ha 明星派 (De Morgenster-school), die de waka[4] 和歌 wilde vernieuwen. Rond deze tijd raakte Kitahara geïnteresseerd in het symbolisme. Uiteindelijk verliet hij Shinshi-sha om zijn eigen gezelschap op te richten als reactie op het toenmalige naturalisme, samen met Yoshii Isamu 吉井勇: Pan no Kai パンの会 (Het Pan Genootschap). Dankzij zijn lidmaatschap van Shinshi-sha had hij verscheidene schrijvers en kunstenaars leren kennen, die zich bij zijn genootschap voegden. Ook dichters die hij had leren kennen op de Waseda universiteit sloten zich aan.

In 1909 werd hij één van de oprichters van het literaire magazine Subaru 昴 (De Plejaden), waarin zijn eerste dichtbundel verscheen: Jashūmon 邪宗門 (Ketters, 1909), een symbolistisch werk, dat de christelijke missionarissen portretteerde die in de 16de eeuw naar Japan reisden. Samen met Midaregami 乱れ髪 (Verwarde Haren, 1901) van Yosano Akiko 与謝野晶子 werd Kitahara’s Jashūmon beschouwd als een revolutie in de moderne Japanse poëzie. Dit succes werd gevolgd door de bundel Omoide 思い出(Herinneringen, 1912), waarin hij herinneringen van de wereld ophaalt, door de ogen van een kind.

In 1912 werd Kitahara beschuldigd van overspel met zijn buurvrouw Matsushita Toshiko, en kreeg een gevangenisstraf van 2 jaar. Men trok de klacht later in, maar dit was desalniettemin een traumatische ervaring voor hem. In 1913 schreef hij zijn eerste tanka-bundel, Kiri no hana 桐の花 (Paulownia Bloesems). Zijn traumatische ervaring van de aanklacht beschrijft hij hierin kort als de aanleiding tot een meer religieuze kijk op het leven. Dit werd nog duidelijker in zijn tweede bloemlezing, Shinju Sho 真珠抄 (Een Verzameling Parels, 1914) en zijn derde, Hakkin no koma 白金の独楽 (Platina Bergtop, 1915), waarin eenregelige gedichten verschenen in de vorm van boeddhistische gebeden. Hij had als doel wat hij zelf “oosterse eenvoud” noemde, een concept dat voortkwam uit wat hij verstond als Zen in zijn Suibokushu 水墨集 (Verzameling van Inkttekeningen, 1923) en Suzume no tamago 雀の卵 (Eieren van een Mus, 1921).

Mijn tranen vallen uit dankbaarheid. Ik smelt samen met Boeddha.

Een bergtop wentelt rond mijn vingertoppen.

Fonkelende vingertoppen die naar de hemel wijzen.

Oneindig, draait de bergtop ongezien verder.

Rustig draaiend in deze impassieve wereld.

De platina bergtop blijft draaien

(Kitahara Hakushū, Platina Bergtop, 1915)

Kitahara Hakushū had een eigen mening over poëzie, die hij aan de wereld duidelijk wilde maken. Hij hield niet van de vooraf opgelegde en algemeen aanvaarde normen voor het schrijven van poëzie. Zo zei hij zelf: "De vorm van een gedicht groeit uit zijn inhoud."

Poëzie voor kinderen

bestand rechts

In 1918 hielp Kitahara de kinderboekenauteur Suzuki Miekichi 鈴木三重吉 bij de oprichting van het kindertijdschrift Akai Tori 赤い鳥 (Rode Vogel), en schreef zelf veel kinderliedjes voor het blad. Hij kreeg ook de opdracht om voor het tijdschrift allerlei kinderliedjes te verzamelen, en de liedjes die erin zouden verschijnen uit te kiezen. Hetzelfde jaar verhuisde hij van Tōkyō naar Odawara in Kanagawa. Dankzij de publicatie van de bloemlezing Tombo no medama トンボの眼玉 (Ogen van de Libel) in 1919, werd hij erkend als een zeer getalenteerd schrijver van poëzie voor kinderen. Tombo no medama was een verzameling van liedjesteksten voor kinderen die eerder verschenen waren in Akai Tori. In 1921 werden ook Maza gusu マザグス (Moeder Gans), vertalingen van Engelse klassieken, en Usagi no denpō 兎の電報(Konijnentelegrams), een verzameling van zijn kinderliedjes, gepubliceerd. In april 1922 verscheen het tijdschrift Kodomo no kuni 子供の国 (Kinderland), dat lezers uitnodigde om kinderliedjes bij te dragen, die Kitahara uitkoos en becommentarieerde. Aanvankelijk werd zijn naam niet vernoemd in het tijdschrift, maar vanaf de oktoberoplage kwam daar verandering in. In 1925 publiceerde Kitahara opnieuw een verzameling kinderliedjes: Kodomo no mura 子供の村 (Kinderdorp). Midori no shokkaku 緑の触覚 (Het Beleven van Groen), een verzameling verhandelingen over kinderliedjes, werd in 1929 gepubliceerd.

Latere leven

Kitahara hield van reizen en bezocht Misaki[5], Nagano, Shiobara[6] in 1923, Shizuoka in 1924, Hokkaidō en Karafuto[7] in 1925. In 1926 verhuisde hij terug naar Tōkyō. Hij woonde eerst in Yanaka en verhuisde daarna naar Setagaya in 1928. Kitahara bleef experimenteren in zijn eigen stijl, en liet zich steeds inspireren door de klassieke Japanse literatuur (zoals de Kojiki 古事記), wat duidelijk op te merken is in zijn Kaihyō no kumo 開票の雲 (Zee en Wolken, 1929). Een vliegtuigreis van Oita naar Ōsaka, gesponsord door de Asahi Shimbun 朝日新聞[8] als publiciteitsstunt, inspireerde hem om dit latere werk te schrijven. In 1930 reisde Kitahara naar Mantsjoerije via de Zuid-Mantsjoerije Spoorweg. Toen hij naar Japan terugkeerde bezocht hij ook Nara.

In 1935 richtte Kitahara Tama 玉 op, een tanka-tijdschrift, en werd zijn belangrijke invloed op het symbolisme erkend. Beschermelingen van hem waren o.a. Kimata Osamu en Miya Shuji. Hij nam ook een uitnodiging aan van de Ōsaka Mainichi Shimbun 大阪毎日新聞, om een rondreis te maken door Korea (toen nog onder Japans bewind). In ruil zou hij gedichten schrijven over zijn impressies. Kitahara bleef schrijven, zelfs nadat hij bijna zijn zicht verloor door diabetes in 1937. In het begin van de Tweede Wereldoorlog werd Kitahara een aanhanger van het nationalisme. In 1938 werd hij gevraagd om een lied te schrijven om de Hitlerjugend[9] in Japan te verwelkomen. In 1940 bezocht hij voor het eerst na vele jaren opnieuw zijn geboorteplaats Yanagawa, en reisde ook naar Miyazaki en Nara. Hetzelfde jaar werd hij lid gemaakt van de Nihon Geijutsuin[10] 日本芸術院 (Japanse Kunst Academie).

In 1941 nam Kitahara zijn familie mee naar het Kamakura Kaihin Hotel[11] nabij het strand, en dit inspireerde hem om een tanka-bundel te schrijven die dezelfde naam draagt. Een jaar later, 2 november 1942, stierf hij op 57-jarige leeftijd aan de gevolgen van diabetes. Zijn graf bevindt zich aan het Tama Reien-station[12] in de buitenwijken van Tōkyō.

Erfgoed

Kitahara Hakushū speelde een grote rol in het vernieuwen van de waka 和歌. Daarom is hij nog steeds een voorbeeld voor hedendaagse dichters en studenten van het genre. Hij publiceerde meer dan 200 boeken en was (mede-)oprichter van 10 poëziemagazines. Hij stelde bijvoorbeeld het poëziemagazine Chijō junrei 地用巡礼 (Aardse Bedevaart) op, dat latere auteurs (zoals Hagiwara Sakutarō 萩原朔太郎[13]) introduceerde tot de literaire wereld. Verder schreef hij ook volksliederen voor middelbare scholen over het hele land, zoals Tōyō Eiwa Jogakuin 東洋英和女学院. Hij schreef nieuwe folksongs, die vandaag de dag nog over heel Japan bekend zijn. Veel van zijn poëzie en kinderliedjes blijven tot op heden erg populair. De Nihon Densho Dōyō 日本伝書同様 (Verzameling van Traditionele Japanse Kinderliedjes), een zesdelige publicatie opgesteld door Kitahara, verscheen uiteindelijk in 1976.

Afgezien van zijn graf te Tōkyō, zijn er verschillende gedenktekens voor Kitahara geplaatst, waaronder een museum in Miura, Yokosuka en een park in zijn geboortedorp Yanagawa. In dat park kan je het huis van zijn ouders bezichtigen, en een monument waarop zijn laatste gedicht gegrift is. Men heeft ook bomen geplant die naar zijn leven en gedichten verwijzen. Elk jaar in november is er te Yanagawa een festival ter ere van zijn leven en werk. Langs de kanalen van de stad worden dan podia opgesteld, waarop fans van Kitahara zijn poëzie voorlezen aan voorbijgangers. Bij de festiviteiten horen o.a. wateroptochten, muziek en lezingen die zowel overdag als ’s nachts bij een kampvuur plaatsvinden.

Voetnoten

  1. De Waseda universiteit 早稲田大学 (Waseda Daigaku) is een vooraanstaande universiteit in Tōkyō.
  2. Shimazaki Tōson 島崎藤村 (1872 - 1943) is het pseudoniem van de dichter Shimazaki Haruki, actief in de Meiji, Taishō en vroege Shōwaperiode.
  3. Yosano Tekkan 与謝野鉄幹 (1873 - 1935) is het pseudoniem van dichter en auteur Yosano Hiroshi, actief in de late Meiji, Taishō, en vroege Shōwaperiode.
  4. Hier de vroegere benaming voor tanka 短歌.
  5. Misaki 岬町 is vandaag de dag opgenomen in de stad Isumi, gelegen in het Chiba-prefectuur.
  6. Shiobara 塩原町 is vandaag de dag opgenomen in de stad Nasushiobara.
  7. Het Karafuto-prefectuur 樺太庁 was een prefectuur in Japan ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. In 1949 hield het officieel op met bestaan.
  8. De Asahi Shimbun 朝日新聞 is de op één na grootste krant van Japan.
  9. De Hitlerjugend kwam op 16 augustus 1938 aan te Yokohama. Tijdens hun aankomst riepen ze: "大日本万歳!" (Dainippon banzai!), "Leve Groot Japan!"
  10. De Nihon Geijutsuin 日本芸術院 is de meest vooraanstaande artistieke organisatie in Japan.
  11. Dit hotel bestaat heden niet meer.
  12. Het Tama-Reien-station 多磨霊園駅 (Tama-Reien-eki) bevindt zich in Fuchū, Tōkyō.
  13. Hagiwara Sakutarō 萩原朔太郎 (1886 - 1942) was een dichter actief in de Taishō en vroege Shōwaperiode.

Externe links

Bibliografie

Boeken

  • Benton Fukusawa, Margaret. Kitahara Hakushū: his life and poetry. Cornell Univ East Asia Program. 1993. ISBN 9780939657650
  • Vande Walle, Willy. Een geschiedenis van Japan: van samurai tot soft power. Leuven. Acco. 2007. ISBN 9783033477560 (p. 309, 310, 344)

Internetbronnen

Laatst bijgewerkt: 2009

Geraadpleegd op: 31 oktober 2009

Laatst bijgewerkt: 2009

Geraadpleegd op: 12 november 2009

Laatst bijgewerkt: 2006

Geraadpleegd op: 5 november 2009

Afbeeldingen