Kishi Nobusuke

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken
Kishi Nobusuke (岸信介)

Kishi Nobusuke (岸信介, 13 november 1896 - 7 augustus 1987) was een Japans politicus en zowel de 56ste als 57ste Japanse eerste minister. Hij was een zeer invloedrijk man, die met zijn beleid een stempel drukte op de geschiedenis van het moderne Japan.


Jongere jaren

Kishi Nobusuke werd geboren op 13 november 1896 in Tabuse, prefectuur Yamaguchi, in het zuid-westen van Japan, als Satō Nobusuke, tweede zoon van Satō Hidesuke en Moyo. Zijn vader, Satō Hidesuke, was oorspronkelijk geboren als Kishi Hidesuke. Bij zijn huwelijk met Satō Moyo, gaf hij zijn eigen familienaam op en werd hij als yoshi[1] opgenomen in de familie Satō.

Beide families, Satō en Kishi, stamden af van samurai uit Chōshū. Satō Nobusuke’s overgrootvader was een leider van de Chōshū samurai die streden voor de omverwerping van het oude regime, wat uiteindelijk leidde tot de Meiji restauratie in 1868.[2] De oom van zijn moeder was een generaal die de Japanse cavalerie oprichtte. De jonge Satō Nobusuke groeide op in een sfeer van politiek bewustzijn. Hij werd voortdurend herinnerd aan de verwezenlijkingen van zijn familie en van de Chōshū clan. Van kinds af werd hem voorgehouden nooit te verloochenen aan zijn samoerai afkomst, en nooit genoegen te nemen met een tweede plaats.

Op achttienjarige leeftijd werd Satō Nobusuke op zijn beurt yoshi. Er werd een huwelijk gearrangeerd met zijn nicht Kishi Yoshiko, dochter van een biologische broer van zijn vader. Yoshiko was op dat ogenblik elf jaar oud, en daarom duurde het nog zeven jaar voor het huwelijk effectief werd voltrokken. Satō Nobusuke gaf zijn familienaam op, en zou verder als Kishi Nobusuke geschiedenis schrijven. Kishi Nobusuke en Yoshiko kregen twee kinderen, zoon Nobukazu en dochter Yoko.

Opleiding

Kishi Nobusuke

Kishi’s opleiding aan de meest prestigieuze instellingen in Japan, bereidden hem voor op een carrière in de bureaucratie.
In 1917 studeerde hij met onderscheiding af aan de Tokyo First Higher School. Daarna ging hij rechten studeren aan de Tokyo Imperial University (University of Tokyo), waar hij les kreeg van o.a. Uesugi Shinkichi (1878-1929). Uesugi was voorstander van de theorie van het goddelijke recht van de keizer (tennō shinken setsu, 天皇神権説), en stond bekend om zijn conservatieve, nationalistische interpretatie van het grondwettelijk recht.
In de politieke debatten aan de universiteit kwam Kishi naar voor als conservatief en vurig nationalistisch.
Op dat ogenblik werd Kishi sterk beïnvloed door de ideeën van Kita Ikki (1883-1937), die een radicale omwenteling van de Japanse maatschappij voor ogen had. Hoewel hij zelf tot de rechtervleugel behoorde, was Kishi eveneens bevriend met linksgezinden, die later leiders van de Japanse Socialistische Partij zouden worden. Het is kenmerkend voor Kishi dat deze vriendschappen ook dan overeind bleven : in zijn verdere leven zal Kishi een uitgebreid sociaal netwerk onderhouden, over alle strekkingen heen.
In 1920 studeerde Kishi met grootste onderscheiding af.

Loopbaan

Bureaucratie

Na hij afstudeerde in 1920, werd Kishi ambtenaar bij het toenmalige Ministerie van Landbouw en Handel. Later werden de verantwoordelijkheden van dit ministerie opgesplitst, en zette Kishi zijn loopbaan verder binnen het ministerie van Handel en Industrie, waar hij opklom in de hiërarchie. Geholpen door vice-minister Yoshino Shinji (1888-1971) werd hij achtereenvolgens ‘Chief of the Industrial Policy Section’ (begin 1932), ‘Chief of the Documents Section’ (eind 1933) en tenslotte ‘Chief of the Industrial Affairs Bureau’ (1935).

Door onenigheden binnen het ministerie dienden Yoshino en Kishi in 1936 beiden ontslag in.

Mănzhōuguó

Kort nadien werd Kishi als ‘Deputy Director of the Industrial Department’, één van de topambtenaren in het burgerlijk bestuur van Mănzhōuguó (Manshūkoku).[3]
Mănzhōuguó was dan wel door Japan erkend als onafhankelijke staat, maar in feite was het niet meer dan een marionettenstaat, onder controle van het Kantō-leger.
Tot dan toe had het Kantō-leger, samen met president Matsuoka Yōsuke (1880-1946) van de South Manchurian Railroad, geprobeerd om een staatsgecontrolleerde, anti-zaibatsu industriële ontwikkeling door te voeren. Dit was echter mislukt door gebrek aan degelijk management en kapitaal. In de zomer van 1936 stelde de legerstaf een meer realistisch ‘vijfjarenplan voor industrie in Japan en Mantsjoerije’ op. Het is niet geheel duidelijk in welke mate Kishi betrokken was bij de opstelling van het plan, maar feit is dat de toenmalige stafchef van het Kantō-leger, Itagaki Seishirō (1885-1948), Kishi de vrije hand gaf bij het uitvoeren ervan.
Om te helpen bij de uitvoering van het ambitieuze plan, riep Kishi de hulp in van Aikawa Yoshisuke, leider van de Nissan-zaibatsu. Het leger aanvaardde Aikawa omwille van zijn persoonlijke banden met Kishi, en omdat de Nissan-zaibatsu bestond uit hoog-technologische bedrijven.
De dammen die werden aangelegd om hydro-elektriciteit op te wekken en de uitbouw van de aluminiumindustrie zijn zeker het vermelden waard.

Tijdens deze periode werden in Japan verschillende industrie-specifieke wetten opgesteld. De ‘Automobile Manufacturing Industry Law’, die in juli 1936 van kracht werd, werd opgesteld door Kishi en achter de schermen door Aikawa gepousseerd. Deze wet was erop gericht de activiteiten van buitenlandse autofabrikanten in Japan aan banden te leggen. Kishi’s methode van het beschermen van belangrijke industrieën, waarvoor hij ideeën opdeed bij studiereizen naar Duitsland, zorgde ervoor dat Toyota en Nissan geauthoriseerde bedrijven (kyoka kaisha 許可・会社) werden. De buitenlandse bedrijven, Ford en General Motors, werd het leven zo moeilijk gemaakt, dat ze beiden bijna twee jaar vóór de aanval op Pearl Harbor hun Japanse productie volledig stillegden.

In 1937 werd Tōjō Hideki(1884-1948) bevorderd tot stafchef van het Kantō-leger.

In Hsinking, de hoofdstad van Mănzhōuguó stonden Kishi Nobusuke, Aikawa Yoshisuke, Matsuoka Yōsuke, Tōjō Hideki en Hoshino Naoki (Chief of the General Affairs Agency) bekend als ‘de twee kis en drie sukes' (ni ki san suke). Vier van hen zouden later topfuncties opnemen in de Japanse regering, Kishi en Tōjō uiteindelijk zelfs die van eerste minister.

WOII

Toen Tōjō Hideki in oktober 1941 eerste minister werd, nam hij Kishi op in zijn kabinet. Kishi was betrokken bij de voorbereiding van de aanval op Pearl Harbour en was mede-ondertekenaar van de Oorlogsverklaring aan de Verenigde Staten (8 december 1941).
Eerst als minister van Handel en Industrie, en later als hoofd van het ministerie van Munitie, overzag hij de verplichte tewerkstelling van honderdduizenden Chinezen en Koreanen, en was hij verantwoordelijk voor de militaire productie.
Tegen 1944 was Kishi echter geen voorstander meer van het tegen elke prijs voortzetten van de oorlog : tijdens een kabinetsvergadering in april 1944 adviseerde hij Tōjō niet langer te vechten, indien Saipan zou vallen. Tōjō nam dit advies niet ter harte : zijn kabinet viel 13 dagen na de slag om Saipan (15 juni 1944 - 9 juli 1944).
Omdat Kishi openlijk had verklaard dat de oorlog verloren was, werd hij vervolgd door de geheime politie. Daarop trok hij met zijn gezin terug naar Yamaguchi, slechts zeventig mijl van Hiroshima waar op 6 augustus 1945 de verwoestende atoombom viel.

Toen de geallieerde troepen in augustus 1945 Japan bezetten, werd Kishi gearresteerd en als ‘klasse A’ oorlogsmisdadiger opgesloten.

Na de oorlog

Tijdens zijn verblijf in de gevangenis van Sugamo, las Kishi o.a. Confucius, verdiepte hij zich in het Westerse liberalisme, en nam hij de tijd om na te denken. Later zou Kishi hierover verklaren dat hij uiteindelijk wel tot de conclusie moest komen dat de oorlog van in het begin nutteloos was geweest, en dat Japan nooit nog in een oorlog verwikkeld moest raken.

Oorspronkelijk was het het doel van de bezetters om Japan te democratiseren, te ontwapenen en economisch te hervormen. In 1947 was de situatie op wereldvlak echter ingrijpend veranderd, en wilden de Verenigde Staten absoluut voorkomen dat Japan onder Sovjet invloed zou komen.[4]Daarom werd een ‘American Council on Japan’ in het leven geroepen, die een nieuwe koers moest uitstippelen. Eén van de leden hiervan was Joseph C. Grew (1880-1965), voormalig ambassadeur in Japan, die in 1942 een persoonlijke vriendschap met Kishi had opgebouwd. Kishi werd geïdentificeerd als één van de best geschikte leiders voor het nieuwe Japan.
In december 1948 werd Kishi vrijgelaten wegens ‘gebrek aan bewijs’.

De American Council on Japan bleef in werking tot 1952. In die periode hadden de leden regelmatig contacten met hun Japanse vrienden, en werd Kishi’s imago opgepoetst, o.a. door zijn reizen naar Europa en de Verenigde Staten.

Politieke comeback

In 1952 werd Kishi lid van de Democratische Partij van Hatoyama Ichirō (1883-1959), waarin zowel dissidenten uit de Liberale Partij van Yoshida Shigeru (1878-1967), als progressievelingen zaten.
Kishi had vele persoonlijke contacten met invloedrijke politici en zakenlui, en was een meester in het werken achter de schermen (machiai seiji 待合政治). In de verwarrende na-oorlogse politieke situatie, kon hij zo rekenen op een sterke achterban.
Hoewel Kishi een anti-socialistisch blok wou creëren, werkte hij toch samen met de socialisten om Yoshida uit de macht te zetten, waarna Hatoyama de nieuwe eerste minister werd.

In 1955 kwamen de twee conservatieve partijen samen in de nieuw opgerichte Liberaal-Democratische Partij (LDP). Als secretaris-generaal van de partij, kon Kishi voor zijn fondsenwerving rekenen op zijn vele contacten.
Kishi onderhield goede contacten met zowel de democratische fractie van Hatoyama, als de liberale fractie die ondertussen geleid werd door Kishi’s jongere broer Satō Eisaku (1901-1975).
Dit alles verstevigde zijn positie binnen de partij.

Kishi’s inspanningen bij de vorming van het conservatieve front, werden door de Verenigde Staten zeer gewaardeerd. Bovendien liet hij verstaan dat hij het in Japan’s voordeel vond om nauw samen te werken met de Verenigde Staten.
Op die manier kon Kishi de Verenigde Staten overtuigen van zijn bondgenootschap, en verzekerde hij zich van hun steun.

Door het samengaan van kleinere fracties in een groter geheel, ontstond er een politiek landschap met een conservatief en een progressief blok. Dit wordt het ‘1955 systeem’ (五十五年体制 gojūgo-nen taisei) genoemd.

In 1956 werd Hatoyama opgevolgd door Ishibashi Tanzan (1884-1973). Kishi was vice eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken in de regering Ishibashi.

Eerste minister

Vijf jaar na zijn terugkeer in de politiek, bereikte Kishi zijn doel : in opvolging van Ishibashi, die wegens ziekte moest aftreden, werd hij op 25 februari 1957 door de Diet verkozen tot eerste minister. In dezelfde maand werd hij voorzitter van de LDP.

Kishi was de 56ste en 57ste eerste minister van Japan. Zijn eerste ambtstermijn liep van 25 februari 1957 tot 12 juni 1958, de tweede van 12 juni 1958 tot 19 juli 1960.

In het eerste jaar van Kishi’s regering, werd Japan lid van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, en werd er oorlogsschadeloosstelling betaald aan Indonesië. Verder werd er een handelsverdrag met Australië afgesloten, en vredesverdragen met respectievelijk Tsjechoslovakije en Polen.

Kishi herbevestigde zijn loyaliteit aan de koude oorlog strategie van de Verenigde Staten. Hij voerde een vijandig beleid tegenover China, volledig in lijn met de Amerikaanse verwachtingen.

Op binnenlands vlak zorgde Kishi voor economische stimulansen. Hij zette zich onvermoeibaar in om buitenlandse erkenning te krijgen voor Japan en zijn producten.

Kishi probeerde de democratische verworvenheden terug te schroeven, maar slaagde hier slechts gedeeltelijk in. Hij wilde de keizer terug meer als staatshoofd dan als symboolfunctie zien, was voorstander om provinciegouverneurs niet langer te laten verkiezen maar aan te duiden, en wilde verkozen leden van de Japanse senaat vervangen door aangestelde leden. Verder wilde Kishi meer macht toekennen aan de politie. Dit stuitte echter op hevig verzet, en uiteindelijk moest Kishi zijn plan opgeven.

Dit alles maakte Kishi niet populair bij een groot deel van de bevolking. Studenten, socialisten en intellectuelen stelden zich vragen bij Kishi’s plannen om de grondwet aan te passen, en leger en politie meer macht te geven. Bovendien stond Kishi, door zijn betrokkenheid bij het Tōjō-regime en door zijn zwaar oorlogsverleden, voor velen symbool voor een tijdperk dat ze liefst wilden vergeten.

Kishi is voornamelijk bekend geworden vanwege de hernieuwing van het veiligheidsverdrag met de Verenigde Staten.

Hernieuwing Veiligheidsverdrag

Op 8 september 1951 ondertekenden 49 landen een vredesverdrag ‘Treaty of Peace with Japan’, waardoor Japan door de ondertekenende landen als soevereine staat werd erkend. Op dezelfde dag tekenden Japan en de Verenigde Staten ook het Veiligheidsverdrag [5], dat Japan ervan verzekerde dat het voor zijn defensie kon rekenen op de Verenigde Staten. Het veiligheidsverdrag gaf onder meer de Verenigde Staten het recht om troepen te stationeren in Japan.

Het veiligheidsverdrag stuitte op veel weerstand. De linkerzijde vond het verdrag in strijd met de grondwet, en vreesde dat de Amerikaanse bases in Japan een gevaar betekenden, omdat ze ‘uitdagend’ waren in de ogen van Japans vijanden. De conservatieven waren van mening dat het verdrag Japan onder Amerikaanse voogdij plaatste.

De recent samengestelde Japanse Socialistische Partij kreeg meer en meer aanhang voor haar eisen naar economische hervorming, opening naar China en afschaffing van het vernederende veiligheidsverdrag. Er werd voorspeld dat de partij bij de verkiezingen in 1958 bijna evenveel zetels zou halen als de LDP. De Verenigde Staten hadden er echter alle belang bij dat Kishi eerste minister zou blijven, en hoopten dat een aanpassing van het veiligheidsverdrag het tij zou keren.

In juni 1957 reisde Kishi naar Washington. De Verenigde Staten zegden toe om binnen het jaar hun grondtroepen terug te trekken, en er werden onderhandelingen opgestart over een aanpassing van het verdrag. In het herziene verdrag werd de passage m.b.t. de Amerikaanse tussenkomst in interne Japanse aangelegenheden weggelaten, en werd er meer nadruk gelegd op wederzijdse consultatie en verplichtingen. Volgens het herziene verdrag zouden beide naties gezamenlijk optreden in geval één van beiden wordt aangevallen.

Het herziene verdrag werd in januari 1960 in Washington ondertekend, maar zou uiteindelijk leiden tot Kishi’s aftreden.

Aftreden

Kritische intellectuelen beschouwden de wijzigingen in het hernieuwde verdrag als puur cosmetisch, en pleitten voor opzegging van het verdrag. Er werd ook gevreesd dat het hernieuwde verdrag Japan zou dwingen om alle VS-acties in het Stille Zuidzeegebied te steunen, en dat Japan hierdoor ongewild een doelwit zou kunnen worden in een nieuwe oorlog.

Kishi was echter vastbesloten het verdrag te laten goedkeuren in de Diet. Tijdens de parlementaire debatten over het verdrag werden de conflicten intenser, en werd Kishi’s macht meer en meer uitgehold. Buiten het parlement uitten studenten, socialisten, communisten, vakbondsleiders en intellectuelen hun ongenoegen, en zorgden zo voor de grootste politieke onrust sinds de oorlog.

In de Diet ging de situatie van kwaad naar erger: tijdens een bijeenkomst in mei 1960 werd de politie door de regering opgeroepen, en werd de oppositie het spreken belet. Kishi maakte hier gebruik van om het verdrag meerderheid tegen oppositie te laten aannemen.

Door zijn slinks optreden, verloor Kishi in brede kring zijn geloofwaardigheid, en groeide het protest tegen zijn persoon en tegen het verdrag nog verder aan. Er volgden weken van massale demonstraties (anpo tōsō, 安保闘争), niet enkel tegen het verdrag, maar ook tegen de wijze waarop het was doorgedrukt.

Uiteindelijk restte Kishi niets anders dan af te treden.

Kishi werd als premier opgevolgd door Ikeda Hayato(1899-1965).

Na de politieke carrière

Na zijn aftreden bleef Kishi nog actief lid van de LDP. Hij oefende geen openbare functie meer uit, maar bleef zeer invloedrijk op industrieel-politiek gebied, zowel voor als achter de schermen. In 1967 werd hij formeel leider van de Chuseiren (chusho kigyo seiji renmei), de belangrijkste federatie van eigenaars van kleine en middelgrote industrieën. Kishi leidde de Chuseiren tot aan zijn dood.

Kishi Nobusuke overleed op 7 augustus 1987.

Voetnoot

  1. Een man die wordt geadopteerd door de familie van zijn vrouw, noemt men een yoshi. Yoshi worden was oorspronkelijk een middel om naar een hogere klasse over te gaan.
  2. Chōshū was toen samen met Satsuma, Tosa, Hizen en Sendai de regio waar het meeste politieke macht te vergaren viel, hun daimyō zouden toen automatisch de functie van regent bekleden en het beleid uitwerken.
  3. Dit wordt ondergebracht onder het Mantsoerije incident
  4. Na de oorlog breidde de Sovjet-Unie haar invloed uit over Oost-Europa, terwijl West-Europa door Amerika beïnvloed werd, hierdoor ontstonden twee machtsblokken die verwikkeld waren in een continu conflict dat wij nu de 'Koude oorlog' noemen.
  5. Nichi Bei Anzen Hoshō Jōyaku, 日米安全保障条約

Bronvermelding