Keizerin Kōken

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken
孝謙天皇 - Kōken
718 770
Voorganger:
Shōmu
Keizerin van Japan
749-758
Opvolger:
Junnin
46e keizer van Japan
称徳天皇 - Shōtoku
718 770
Voorganger:
Junnin
Keizerin van Japan
764-770
Opvolger:
Kōnin
48e keizer van Japan

Keizerin Kōken was de zesenveertigste keizer van Japan van 749 tot 758, tevens de zesde vrouw in deze positie en heden beschouwd als één van de sterkste, zoniet meest controversiële vrouwelijke keizers in Japans geschiedenis.


Levensloop

Keizerin Kōken

Shinto shrine in de eer van Kōken

Kōken werd in 749 als prinses Abe (阿倍皇女), oudste dochter van keizer Shōmu (聖武天皇) en keizerin Kōmyō (光明皇后), tot de troon geroepen. Zij was toen eenendertig jaar oud en ongehuwd. Voor de eerste keer in Japans geschiedenis koos een regerende keizer een vrouw tot troonopvolger. Aan het hof woedde een hevige polemiek rond haar kandidatuur en op de Grote Staatsraad (dajōkan 太政官) steunden slechts drie (Fujiwara’s 藤原) van de vijftien leden de prinses. Abe’s troonsbestijging maakte de kloof tussen Troon en Raad nog groter dan zij al was toen ze tot kroonprinses werd uitgeroepen. Als vrouw ging de nieuwe heerser zware uitdagingen tegemoet.


Fujiwara no Nakamaro (藤原仲麻呂), Kōmyō’s neef en beschermeling, vond een middel om onafhankelijk van de Grote Staatsraad keizerlijke bevelen uit te vaardigen en de keizerlijke hofhouding veilig te stellen. Samen met de keizerin-moeder veranderde hij het Kabinet van de Keizerin (kōgōkyūshiki 皇后宮職) in een voluit ontwikkeld secretariaat met leger (shibichūdai 紫微中台). Als hoofd van het nieuwe secretariaat kon hij zich verlaten op zijn personeel en zijn talrijke connecties onder de ritsuryō (律令)-ambtenarij. Bovendien bezorgde het Departement voor de Bouw van de Tōdaiji (zōtōdaijishi 造東大寺司) Kōken en Nakamaura een tweede apparaat van ondergeschikten waarvan de invloed uitwerkte in verscheidene delen van het rijk. Ondertussen nam de keizerin haar intrek in Nakamaro’s verblijf te Nara, de Tamuradai, waar zij angstvallig bewaakt werd.


Nakamaro elimineerde Tachibana no Moroe (橘諸兄), die als Eerste Minister en tegenstander van de keizerin nog het kabinet van de daijōkan beheerste. Dit gebeurde naar aanleiding van een feestje waarop Moroe in zijn stoutmoed de huidige keizerin openlijk had bekritiseerd. De feitelijke macht kwam zodoende in handen van de Fujiwara-telg. Deze kon de keizerin overreden zijn schoonzoon ōi (大炊王) tot kroonprins te benoemen. Vervolgens slaagde hij erin haar te doen aftreden ten gunste van zijn protégé, die in 758 bekend werd als keizer Junnin (淳仁天皇). Daarop trad de ex-keizerin (daijō-kōgō 太上皇后) toe tot de kloosterorde en nam haar verblijf in de Nishi-no-Miya (西ノ宮) van het Heizei-paleis (平城宮跡).

De afgetreden keizerin

Na haar troonsafstand geraakte de ex-keizerin in de ban van de Boeddhistische monnik Dōkyō (道鏡), die haar in 762 met zijn duistere krachten en esoterische rituelen wist te genezen van een ziekte. De aard van hun relatie is niet duidelijk, maar volgens de Nihon ryōiki (日本霊異記), geschreven in het begin van de negende eeuw, deelden zij hetzelfde hoofdkussen.


Datzelfde jaar ergerde ze zich zo erg aan Junnin dat zij onverrichterzake het paleis te Hora (法螺城) verliet en ging wonen in een Boeddhistische tempel te Nara. In een edict bepaalde zij dat zij zelf zou instaan voor de meer significante kwesties en dat de keizer voortaan slechts staatszaken van mindere belang zou beheren. Dit was niet naar de zin van Nakamaro die spoedig tegenmaatregels trof. Maar Kōken liet zich niet van haar stuk brengen en plaatste Fujiwara no Masaki, die Nakaura’s beleid wantrouwde, op de post van Raadslid van Midden, en benoemde de grote geletterde Kibi no Makibi (吉備真備), een tegenstrever van de Fujiwara’s alsook Kōken's onderwijzer, tot bouwopzichter van de Tōdaiji.


Toen zij vaststelde dat Nakamaro zijn goede verstandhouding met Junnin misbruikte om alle macht naar zich toe te trekken, ging zij zo te werk dat Junnin en Nakamaro in 764 een staatsgreep beraamden: na het overlijden van de keizerin-moeder Kōmyō gaf ze haar nieuwe beschermeling Dōkyō zoveel macht en aanzien dat de afgunstige Nakamaro in actie schoot en het keizerlijke paleis met zijn leger aanviel. Het complot was echter uitgelekt en Kōken’s troepen stonden al klaar om de coup te weren. Nakamaro en zijn mannen moesten al snel het onderspit delven. De mislukte aanslag verschafte Kōken het perfecte voorwendsel om de twee trawanten buiten spel te zetten. Nakamaro en zijn familie werden terechtgesteld.

Keizerin Shōtoku

In 764 besteeg Kōken opnieuw de troon, deze keer als achtenveertigste keizer, onder de naam Shōtoku (称徳天皇). Omdat zij eerder tot de kloosterorde was getreden, bekleedde zij nu de functie van keizerin als non.


Zodra Shōtoku weer op de troon zat, liet zij Dōkyō verhogen in rang. Ze benoemde Nakamaro’s oudere broer Toyonari (藤原豊成) tot Minister van Rechts (udaijin 右大臣) en verbande Junnin naar het eiland Awaji (淡路島). Ze liet een edict uitvaardigen waarin stond dat Shōmu haar de bevoegdheid had gegeven naar eigen goeddunken een opvolger te kiezen. Namens haar vader liet ze eraan toevoegen dat alleen personen die de keizer gewillig waren zich als troonpretendent kandidaat konden stellen. Met deze verklaring rechtvaardigde ze de afzetting van Junnin en tegelijk wekte zij de suggestie dat iemand als Dōkyō het terecht verdiende om haar op te volgen.


Als Shōtoku's favoriet schopte Dōkyō het zo ver dat hij in 765 de post van Opperminister (daijōdaijin 太政大臣) gekoppeld aan die van Meditatiemeester (zenji 禅師) en in 766 de eretitel "Koning van de Dharma" (hōō 法王) kreeg. In 767 groeide zijn gezag nog meer dankzij de oprichting van een Keizerlijk Kabinet van de Koning van de Dharma (hōō kyūshiki法王宮職).


Shōtoku voegde manschappen bij haar keizerlijke lijfwacht en plaatste hen onder de leiding van haar legeraanvoerder Fujiwara no Kurajimaro (藤原蔵下麻呂). Ze breidde de Staatsraad uit met nieuwe leden die ze wierf uit prinsen van keizerlijken bloede, Boeddhistische priesters, provinciale aristocraten en de groep van Nakamaro’s tegenstanders.


In 769 meldde het hoofd van het in Dazaifu (太宰府) gelegen Departement van Kami Zaken dat Hachiman (八幡神), de kami vereerd in het Usa Hachiman-schrijn (宇佐八幡神社) van Kyūshū (九州), het volgende orakel had uitgesproken: “ Indien Dōkyō keizer wordt, zal het land rust vinden.” Volgens de Shoku Nihongi (続日本紀) was Dōkyō zeer verheugd over deze boodschap die eigenlijk lijnrecht inging tegen de onaantastbare regel dat de troon een exclusief prerogatief was van het keizershuis, de directe afstammelingen van de Zonnegodin Amaterasu (天照). De wantrouwige keizerin droeg Wake no Kiyomaro (和気清麻呂) op Hachiman’s echte woorden uit te dokteren. Deze kwam terug met een bericht dat het eerste tegensprak: “Wie niet tot de keizerlijke familie behoort, mag de troon niet bestijgen”. Toen Shōtoku in 770 aan de pokken overleed, had zij zich reeds geschikt in het tweede orakel en werd Dōkyō de laan uitgestuurd.

Beleid

Onmiddellijk na Kōken’s troonsbestijging in 749 werd een keizerlijk rescript uitgevaardigd dat de naam van het nieuwe tijdperk bekendmaakte: Hemelse Vrede en Zegevierend Boeddhisme (Tenpyō Shōhō 天平勝宝). Kōken’s beleid was dus gefocust op de handhaving van vrede en de bevordering van het Boeddhisme.

Steun aan het Boeddhisme

Kōken was bijzonder godsdienstig en liet reusachtige Boeddhistische bouwwerken verwezenlijken. De voorkeursbehandeling die het Boeddhisme genoot, bereikte haar hoogtepunt tijdens haar tweede regeertermijn, die samenvalt met de periode waarin de monnik Dōkyō op de voorgrond treedt.


Na Dōkyō’s benoeming tot daijin-zenji volgden nog talrijke aanstellingen van priesters tot hoge posten zoals die van raadslid en keizerlijke adviseur.


De eminente Chinese priester Ganjin (鑑真) kwam in 754 aan in Japan en zou instaan voor de wijdingsrituelen van keizerin Kōken en haar vader.


Vanaf 764 gold een verbod op de valkenjacht en werden periodieke ceremonies ingesteld om in naleving van de boeddhistische leer “levende wezens” vrij te laten in plaats van die te doden. Datzelfde jaar kondigde de keizerin een edict af dat het Boeddhisme boven de kamicultus stelde.


In 765 werd de Wet op Landontginning (denryō 田令) herzien in het voordeel van de Boeddhistische heiligdommen. Aristocraten en niet-Boeddhistische instellingen mochten nog slechts 1 à 2 chō (町)(ca. 9917 à 19834 m²) grond ontginnen en bezitten. Boeddhistische heiligdommen, waarop de nieuwe wet niet van toepassing was, werd stilzwijgend een grotere hoeveelheid land toegestaan. De Tōdaiji (東大寺) behield vierduizend chō, de Gangōji (元興寺) tweeduizend chō en andere grote tempels (de provincietempels inbegrepen) duizend chō elk.


Onder Kōken’s heerschappij werd ook de Hal van de Grote Boeddha (Daibutsuden 大仏殿) van de Tōdaiji-tempel (東大寺) opgetrokken. Het vereiste een budget dat overeenkwam met die van vijfduizend huishoudens verspreid over achtendertig provincies. Deze onderneming maakte deel uit van een overkoepelend project dat moest resulteren in de verwezenlijking van één miljoen mantra’s en houten pagode’s, de fameuze hyakumantō (百万塔). Het grote standbeeld van Vairocana werd met veel uiterlijk vertoon ingewijd. De hele Nara-bureaucratie had de oud-keizer Shōmu, de keizerin-moeder Kōmyō en de Hemelse Soeverein Kōken vergezeld. Een zevenduizendtal hovelingen en ongeveer duizend monniken, die instonden voor heilig gezang, sacrale dansen en preken over Boeddha’s Leer, maakten het luisterrijke spektakel compleet. Dit was de meest indrukwekkende plechtigheid die een Japanse heerser ooit op touw had gezet.


Tegen de tijd dat prinses Abe keizerin was geworden, had de pijlsnelle toename van clerici de handhaving van onderricht en registratieprocedures, opgelegd door de Wet op Monniken en Nonnen, onuitvoerbaar en dus nutteloos gemaakt. Toch vaardigden Kōken’s ministers bevelen uit die de normen voor de boeddhistische ritus en opleiding moesten vastleggen en zodoende de kwaliteit van de rite waarborgen.


De verfraaiing, de herdistributie, het ritualiseren pasten in een strategie waarmee de keizerin een sterke monarchie tot stand probeerde te brengen.

Pogingen tot vredehandhaving

Kōken sloeg er evenwel niet in de Hemelse Vrede te bewaren. Sinds de epidemieën van 735-37 en de Hirotsugu-rebellie (広嗣の乱) van 740 ging het land op economisch vlak door een diep dal. Alsof dit niet volstond, werd een groot deel van de staatsinkomsten opgeëisd voor de voltooiing van ambitieuze bouwprojecten. Het ging niet alleen om de aanleg van vier nieuwe hoofdsteden, maar ook om de oprichting van de grote Saidaiji (西大寺), de westerse tegenhanger van de Tōdaiji, en nog een reeks provincietempels. Terwijl de keizerin alles in het werk stelde om Boeddha’s spirituele kracht te richten op de bescherming van de staat, was het land verscheurd door interne conflicten (zie lager) die uitgroeiden tot een burgeroorlog in 764. Het keizerlijke leger kwam als winnaar uit de strijd, maar Kōken overleed kort daarop. Haar favoriet Dōkyō werd verbannen naar de Shimotsuke-provincie (下野国). Er kwam een einde aan het Tenmu-geslacht (天武) dat bijna een eeuw lang de scepter had gezwaaid en dit luidde meteen het einde van de Nara-periode (奈良時代) in.

Controverses

Vrouw aan de macht

Kōken wordt gerekend tot de vier sterke vrouwelijke heersers van de Nara-periode. De drie andere zijn Genmei (元明天皇), Genshō (元正天皇) en haar moeder Kōmyō.


Dat Kōken voor haar regeertermijn een naam van vier karakters koos, duidt erop dat zij zich bewust met de autocratische Chinese keizerin Wu (武則天) identificeerde. Keizerin Wu’s regeerperiode is trouwens de enige periode in de Chinese geschiedenis die een naam van vier karakters draagt.


Nochtans zijn er geen bijzonder nieuwe politieke tendenzen te bespeuren tijdens de eerste negen jaren van Kōken’s beleid. Het enige dat opvalt, is dat Fujiwara no Nakamaro aanzienlijke macht heeft verworven in die periode. De keizerin had toen waarschijnlijk wegens haar jonge leeftijd nog geen autoritaire, onafhankelijke geest ontwikkeld. Daarenboven bleef de invloed van keizerin-moeder Kōmyō doorwerken. Zij was als Fujiwara-vrouw immers Nakamaro’s belangrijkste verdedigster. Toen Kōken in 758 troonsafstand deed, besefte ze waarschijnlijk dat ze als afgetreden keizerin meer invloed kon uitoefenen. Desondanks bleef haar rol tot aan de dood van Kōmyō miniem. Nakamaro had zeker gehoopt dat Kōken haar moeder zou vervangen als zijn belangrijkste aanhangster, maar hier had hij zich mooi misrekend. Voordat hij het wist, had zij hem al de keizerlijke garde afhandig gemaakt. Ze zou zich zeer snel ontpoppen tot een geduchte rivaal van de Fujiwara’s.


Vrouwelijke heerschappij was indertijd uit den boze. Kōken moest voortdurend vechten om haar wil te kunnen opleggen aan het hof. Ondanks het verzet bleef zij stellen dat zij als Hemelse Soeverein dankzij de gunstige tussenkomst van de hemel de bevoegdheid had om haar opvolger, man of vrouw, aan te duiden. Ironisch genoeg schoot zij bij haar dood zelf tekort in de aanduiding van een opvolger die de Tenmu-dynastie kon voortzetten.

Inheemse kamicultus vs Boeddhisme

Ofschoon Kōken het boeddhisme met volle overtuiging beleed, meende zij dat zij rechtstreeks van de Zonnegodin afstamde en dat haar gezag daaraan ontleend was.


Terwijl Shōmu zichzelf dienaar van de Boeddhistische Kostbaarheden had verklaard, kondigde Kōken niet een edict af waarin zij naar zichzelf verwees als een “mens geworden kami” die het keizerschap van de Zonnegodin had overgeërfd. Toen zij in 764 opnieuw de troon besteeg, had dit inlandse geloof in een ononderbroken keizerlijke dynastie al sterk aan belang ingeboet voor de Boeddhistische ideeën rond soevereiniteit. De keizerin was ondertussen tot non gewijd en zij onderhield bovendien nauwe banden met de Boeddhistische monnik Dōkyō.


Het edict dat ze onmiddellijk na haar tweede troonsbestijging uitvaardigde, begon niet zoals gewoonlijk met de klassieke formule die de heerser van Japan een mens-geworden kami en directe afstammeling van de Zonnegodin noemt. Twee vragen in dit bevelschrift tonen aan dat zij volledig bewust was van de discordantie tussen de inheemse en de Boeddhistische visie op het keizerschap.

  • Mag een keizerin wel een Boeddhistische monnik aan de top van de Japanse ambtenarij plaatsen?
  • Is het aanvaardbaar dat een Boeddhistische non de functie van Japans keizerin bekleedt?


Maar hoezeer Shōtoku ook in de ban was van Dōkyō, nooit had zij haar goddelijke afkomst verloochend. Dit bleek uit een ander edict dat ze kort na haar tweede troonsbestijging liet afkondigen. Zij maakte daarin gewag van haar goddelijke descendentie om de keuze van een opvolger te verantwoorden. Uiteindelijk heeft ze het nooit zover laten komen dat Dōkyō keizer werd.


Hoewel vader en dochter hun voorkeur voor het boeddhisme niet onder stoelen of banken staken, bleven beiden kennelijk geloven in de heilige afstamming van het keizershuis. Kōken stelde echter minder vertrouwen in de krachten van de kami (神). In vergelijking met haar voorgangers besteedde ze weinig aandacht aan de kamirituelen. Ter gelegenheid van haar tweede troonsbestijging stuurde zij ten behoeve van de zaai- en oogstperioden van dat jaar geen boodschappers naar de hoofdschrijnen. Toen in de lente en de zomer van het jaar daarop de hongersnood in verscheidene delen van het land uitbrak, liet zij evenwel niet na gulle donaties aan provincietempels te doen en ook verzocht ze priesters te bidden voor vertroosting.


Op het moment dat de periode van het belangrijkste kamiritueel aanbrak, vaardigde Kōken een edict uit waarin zij inging op de vraag of een keizerin als Boeddhistische non wel het recht had om een dergelijk kamifestival te leiden. Als Boeddhist vond zij uiteindelijk geen redenen om de verering van de inheemse goden te verwerpen. Ze vertrouwde op de kami voor de verrijking en de vernieuwing van het leven hier en nu, maar ze deed een beroep op de Boeddhistische garanties inzake verlossing van het lijden en het leven na de dood.

Kōken vs Nakamaro

Soms herleidt men de interne conflicten van Japan op het einde van de Nara-periode tot de aanhoudende wrijvingen tussen de keizerin en Dōkyō enerzijds en Fujiwara no Nakamaro anderzijds. In die visie willen Kōken’s aanhangers de religieuze autoriteit van het keizerschap legitimeren via de Boeddha-verering, terwijl de tegenpartij de Japanse soeverein bovenal als de hoogpriester(es) van de kamicultus beschouwen. Deze zienswijze benadrukt de rol van Dōkyō als Boeddhistische leider. Nadere studies wijzen echter uit dat hij niet de officiële woordvoerder van de Boeddhistische clerus was. Zijn invloed had hij vooral te danken aan een voorrangsbehandeling van de keizerin, en niet aan een eensgezinde Boeddhistische achterban. Bovendien had de keizerin nooit beweerd dat zij geen afstammeling van de Zonnegodin was. Verder blijkt niets erop te wijzen dat de Fujiwara’s een sterke vijandige houding jegens het Boeddhisme hadden aangenomen. Het conflict draaide vooral rond een ander antagonisme met de ene groep als voorstander van een Japanse soeverein die zelf de staatszaken beheerst (naar Chinees voorbeeld en zoals dat in het Japan van vóór Tenmu het geval was), en met de andere groep als verdediger van een bewind waarin de functie van de keizer(in) beperkt is tot die van hoogpriester(es) van de kamicultus.


Zowel Kōken als haar moeder Kōmyō bleken een voorkeur te hebben voor de autocratische regeerstijl van de vermaarde Chineze keizerin Wu. Daartegenover pleitte Fujiwara no Nakamaro’s kliek voor een soeverein die alleen de godsdienstige cultus verzorgt en de wereldlijke zaken delegeert aan een als hoofd van de machtigste clan van het land fungerend, aangetrouwd familielid .

Bronnen

  • Boot, W.J. Keizers en Shōgun: een geschiedenis van Japan tot 1868. Amsterdam: Salomé - Amsterdam University Press, 2001.
  • Brown, Delmer M. Ancient Japan: The Cambridge History of Japan, (vol.1). Cambridge: Cambridge University Press, 1993.
  • Maison Franco-Japonaise de Tokyo, (red.). A-K: Dictionnaire historique du Japon, (vol.1). Paris: Maisonneuve et Larose, 2002.
  • Maison Franco-Japonaise de Tokyo, (red.). L-Z: Dictionnaire historique du Japon, (vol.2). Paris: Maisonneuve et Larose, 2002.
  • Piggott, Joan R. The emergence of Japanese kingship. Stanford: Stanford University Press, 1997.
  • Sakamoto, Tarō. The Japanese Emperor through history: Understanding Japan, nr.47. Tōkyō: The International Society for Educational Information, 1984.
  • Titsingh, Isaac en Heinrich Julius Klaproth. Nipon o dai itsi ran ou Annales des empereurs du Japon, een vertaling van: Hayashi, Shunsai (林春斎), 日本王代一覧 (nihon ō daiichiran), gebaseerd op de 1652-editie [P]. Paris: De l'Imprimerie Royale, 1834.
  • Vande Walle, Willy, Geschiedenis van Japan tot 1868, cursus gedoceerd in het kader van het vak `Geschiedenis van Japan voor 1868', Katholieke Universiteit van Leuven, Leuven, Katholieke Universiteit van Leuven, 2004.
  • Varley, H. Paul. A chronicle of gods and sovereigns, een vertaling van: Kitabatake, Chikafusa (北畠親房), 神皇正統記 (jinnō shōtōki). New york: Columbia University Press, 1980.