Kamakura-periode (1185-1333)
Uit GeschiedenisJapan
Inleiding
De periode tussen de laatste decennia van de twaalfde eeuw en de tweede helft van de zestiende eeuw noemen de historici de Japanse Middeleeuwen. Dit is het tijdperk van de samurai of bushi, de krijgersklasse. Haar macht wordt zo groot dat zij in staat zijn een militair bestuur in het leven te roepen. Dat gebeurt voor het eerst op het einde van de twaalfde eeuw, wanneer een militair leider te Kamakura 鎌倉 het zogenaamde bakufu 幕府 (letterlijk: militair hoofdkwartier) opricht (1192). Later zal er nog een bakufu opgericht worden, te Kyōto, in de wijk Muromachi 室町 en te Edo 江戸.
Het bakufu te Kamakura kon het land niet op eigen houtje regeren. Het diende nog tot op zekere hoogte zijn macht met het keizerlijk hof te Kyōto te delen, een toestand die men als een dyarchie kan bestempelen. Het bakufu dat de Ashikaga 足利-familie in 1336 te Kyōto stichtte, hoefde zich nog nauwelijks om de wensen van het hof te bekreunen. Vanaf de eerste helft van de vijftiende eeuw beheerste de krijgersklasse in verregaande mate het openbare leven. Het keizerlijke gezag werd bijna volledig door het bakufu gemanipuleerd en diende in de eerste plaats om de macht van deze laatste te wettigen. Het door de Tokugawa 徳川 in 1600 gestichte bakufu was de bekroning van de macht van de krijgersklasse. Het keizerlijk hof komt, op enkele incidenten na, niet meer in het verhaal voor. Het hof eet uit de hand van het bakufu.
Tijdens de Middeleeuwen evolueren de shōen en de staatsgrond geleidelijk tot leengoederen. Shōen waren geprivatiseerde akkers en erven, die tegen het einde van de twaalfde eeuw de voornaamste inkomstenbron waren voor het keizerlijk hof, de aristocratie en de tempels. Zoals wij reeds uiteengezet hebben, namen ook krijgers deel aan dit privatiseringsproces. Zij wierpen zich op als de bestuurders en managers die ter plaatse ten behoeve van de aristocratie de shōen leidden. Zij breidden ook hun invloed over de staatsakkers uit. In ruil genoten zij van bepaalde rechten op het door hen bestuurde land. Maar op allerlei wettelijke en sluikse manieren vergrootten zij hun aanspraken op dat land. Zo usurpeerden zij steeds meer rechten op het land. Steeds meer staatsgronden werden aan de controle van het burgerlijke gezag in de hoofdstad onttrokken en kregen een status die de shōen benaderde. Shōen waren de ruif waaruit zowel de hoofdstedelijke aristocratie als de plaatselijke krijgersklasse aten, ten nadele van de staat.
Met de stichting van het bakufu te Kamakura ging de usurpatie van rechten op shōen en staatsgronden door krijgers een nieuwe fase in. De staat was niet langer het enige slachtoffer, ook de aristocratie begon er fel onder te lijden. Tijdens de Muromachi-periode ondergingen de shōen en de staatsgronden een transformatie: zij werden leengoederen in handen van de krijgersklasse. De krijgers waren nu regionale en lokale machthebbers.
Hun usurpatie werd nu echt agressief, zodat er tegen het midden van de zestiende eeuw nog maar weinig shōen en staatsgronden meer overbleven.

