Kōdōha

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken
Ikki Kita(北 一輝)

Kōdōha was één van de facties binnen het Japans Keizerlijk Leger, 大日本帝國陸軍(Dai-Nippon Teikoku Rikugun) wat letterlijk 'Leger van het Groot-Japanse Keizerrijk' betekent. Deze factie was van 1920 tot 1936 actief en vond zijn oorsprong in Ikki Kita’s (北 一輝) [1] denkwijze; het afschaffen van de liberale Taisho-democratie en de macht teruggeven aan de Showa-Keizer, gesteund door militairen. Kōdōha moest onder de regeringsvorm van 天皇(Tennō) [2] nieuwe hervormingen in Japan brengen[3] en de Sovjet-Unie als vijand beschouwen.

Etymologie

Kōdōha betekent letterlijk ‘Keizerlijke weg’ en werd voor het eerst gebruikt in een Speech van Akira Sadao in september 1932 om de groep te benoemen. De etymologie van Kōdōha is afkomstig van het Japanse leger (日本軍) want Akira Sadao (荒木 貞夫) noemde ze Kōgun (皇軍). Vandaar de ‘皇’ en hun intentie was om de tegenstanders of vijanden die in de buurt van Tennō kwamen uit de weg te ruimen zodat ze hun doel konden bereiken en de Shōwa Restauratie te laten beginnen.

Achtergrond

Tijdens de Meiji-Periode bestond het landleger vooral uit mensen die afkomstig waren uit Chōshū (長州) en Satsuma (薩摩). Na verloop van tijd was er weerstand tegen deze grote invloed van Chōshū en nadat Yamagata Aritomo (山縣 有朋) , de leider van Chōshū, overleden was, spande zijn tegenstander Uehara Yūsaku (上原 勇作) met Araki Sadao, Fukuda Masatarō (福田 雅太郎), Mutō Nobuyoshi (武藤 信義) en Jinzaburō Masaki (真崎 甚三郎) en nog anderen samen tegen Tanaka Giichi (田中 義一), de opvolger van Yamagata Aritomo. Uehara wilde Fukuda als Minister van Oorlog (陸軍大臣) laten aanstellen, maar het kabinet had Kazushige Ugaki (宇垣 一成) al gekozen. Dit werd de aanleiding tot het conflict tussen beiden.

Op dat moment was Japan nog bezig met modernisering en door de financiële crisis tijdens Shōwa (昭和金融恐慌, Shōwa Kinyū Kyōkō) werden de financiën van de lagere klassen extra bemoeilijkt omdat er veel werkloosheid was en ook de landbouw kwam in een depressie terecht. De hogere klassen daarentegen haalden wel heel wat voordelen uit deze situatie en werden stilaan rijk.

Zowel de groep van Ugaki als die van Uehara wilde het land hervormen. De Ugaki-groep wilde dit doen via het parlement en Uehara-groep vormde samen met Akira Sadao en Jinzaburō Masaki de Kōdōha. Ze minachtten alle politieke partijen en dachten dat Ugaki met deze partijen samenspande. De Kōdōha wilde dat er onder leiding van de Keizer hervormingen zouden gebeuren.

Het denken van Kōdōha was gebaseerd op de filosofie van Ikki Kita (北 一輝) die met zijn nationalistisch-sociale denkwijze een enorme invloed op de Japanse maatschappij gehad heeft. Zijn eerste boek ‘Kokutairon oyobi junseishakaishugi’ (国対論及び純正社会主義) [4], gepubliceerd in 1906, werd door Kōdōha beschouwd als de principes van denken.

Araki Sadao(荒木 貞夫)

Bestand-Araki.jpg

Araki Sadao (荒木 貞夫, 26 mei 1877 – 2 november 1966) was een generaal in het Japanse Leger van voor de Tweede Wereldoorlog. In november 1897 studeerde hij af aan de Japanse Keizerlijke Legeracademie. Als militair nam hij deel aan de Japans-Russische Oorlog en de Japanse interventie in Siberië tijdens de Russische Burgeroorlog. In oktober 1933 werd hij gepromoveerd tot de rang van generaal.

In het kabinet van Inukai Tsuyoshi (犬養 毅) [5] werd hij in december 1931 benoemd tot de Minister van Oorlog. Vanuit deze positie steunde hij de daders van het 15 Mei Incident, die hij ‘ononderdrukbare patriotten’ noemde. In september 1932 noemde hij voor het eerst het woord Kōdōha in een speech en begon hij het militarisme en totalitarisme van de Japanse staat te steunen. Tijdens de processen van Tōkyō werd hij als oorlogsmisdadiger berecht en kreeg hij levenslang. Maar hij werd in 1955 vrijgelaten. Op 2 november 1966 had Araki in Totsukawa Mura (十津川村) te Nara (奈良) een anticommunistische speech gehouden en tijdens die speech was hij op 89-jarige leeftijd overleden door zijn ziekte.

Jinzaburō Masaki(真崎 甚三郎)

Jinzaburō Masaki(真崎 甚三郎)

Jinzaburō Masaki (真崎 甚三郎, 27 november 1876 – 31 augustus 1956) was een generaal in het Japans Keizerlijk Leger tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij werd ook beschouwd als de leider van de radicale politieke factie binnen het Japanse leger. Masaki was één van de belangrijkste figuren van Kōdōha en had het 26 Februari Incident uitgelokt die uiteindelijk mislukt was. Na dit incident werd hij door de Militaire rechtbank als onschuldig berecht.

In 1897 studeerde hij af aan de Japanse Keizerlijke Legeracademie samen met Araki Sadao en werd een jaar later aangesteld als tweede luitenant in het Japans Keizerlijk Leger. In 1904 werd hij naar de frontlijn van de Russisch-Japanse Oorlog gezonden en had deelgenomen in het Mantsjoerije Incident. Masaki vond de oorlog heel traumatiserend en na zijn terugkeer in Japan had hij aangekondigd dat hij van het Leger wilde aftreden en binnen de Boeddhistische pastoraat wilde treden. Hierin was hij niet geslaagd. In de jaren ’30 was Masaki vooral actief in de interne politieke facties binnen het Japanse Leger en hij behoorde tot één van de vroegste leden van Kōdōha. Deze groep werd samengevloeid met zijn rivaal ‘Disciplinairen’ onder het gezag van Kazushige Ugaki om het Japanse Leger te domineren vanaf de jaren 30 tot de Tweede Wereldoorlog. Met de steun van Nazi-Duitsland bleef Masaki zijn invloed uitoefenen door gebruik te maken van Kōdōha totdat hij gedwongen werd door Generaal Tetsuzan Nagata (永田 鉄山) op pensioen te gaan. Dit leidde tot het ontstaan van ontevredenheid en veroorzaakte de sluipmoord op Nagata in het komend jaar dat leidde tot het 26 Februari Incident in 1936.

De val van Kōdōha

Het 26 Februari Incident had een belangrijke rol gespeeld in de val van Kōdōha. Onder leiding van Andō Terozō (安藤 輝三) [6] en andere officieren pleegden ze een staatsgreep waarbij een aantal belangrijke ministers vermoord werden en de regeringsleiders werden gedwongen om hen te steunen. Uiteindelijk hadden ze hun doel bereikt en de discipline zich geheel herstelde.

Na dit incident, kon het leger op lange termijn niks doen. Op die manier heerste er een spanning en onrust tussen de Zeemacht en de Landmacht waarbij uiteindelijk de Tennō, Keizer van Japan, bij betrokken werd. Onder bevel van de Tennō heeft de Landmacht de rebellie onderdrukt. Deze muiterij was chaotisch en heeft ongeveer vier dagen geduurd. Hierdoor ontstond er antigeweld en werd er geëist om de discipline te herstellen.

Als gevolg werd Shukugun (粛軍), een totale zuivering binnen de militaire rangen, uitgevoerd en stelde men de belangrijke officieren van Kōdōha op een machteloze positie aan. Ook Kita werd samen met de andere officieren tot de dood veroordeeld. Vanaf dan was het onmogelijk voor Kōdōha om opnieuw op te staan. Hoewel Tōsei-ha zijn bestaansreden verloren had hadden ze toch de macht in handen gekregen waarbij de militaire dictatuur stilaan begon.

15 Mei Incident

De regering Inukai was na de invasie in Mantsjoerije teruggekrabbeld voor de militairen en voerde tegelijkertijd een inflatoir beleid om de militairen te behagen waardoor de rechtse groeperingen heel wat gezag hebben gewonnen. Er waren ook extremisten opgedoken omdat ze het proces nog wilden versnellen door aanslagen uit te voeren op politici en financiële ‘baronnen’.

Uiteindelijk, op 15 mei 1932, kwamen de jonge officieren van de Zeemacht in opstand samen met de extremisten van een fanatiek nationalistisch genootschap, die Aikyōjuku 愛郷塾 genoemd werd, en samen hebben ze Inukai Tsuyoshi (犬養 毅) gedood.

Vandaar werd dit incident het 15 Mei Incident genoemd en leidde het tot het investeren in het militair-industrieel apparaat. Het einde van de rol van politieke partijen in de besluitvorming, een beleid van organisatie en steunverlening aan de landbouw en het begin van het opeisen van het grootkapitaal om bij te dragen tot het ‘zinvol produceren’ zijn enkele voorbeelden.

Dit was het begin van de militaire dictatuur en het vertoonde veel pararellen met nazi-Duitsland. In juli 1932 fusioneerde de hogergenoemde Shakai Minshū-tō (社会民衆党) met de Zenkoku Rōnō Taishū-tō (全国労農大衆党) om de nationalistische partij Shakai Taishū-tō (社会大衆党) te vormen die samenwerkte met militairen. Hieruit blijkt dat dit soort beleid ook toegejuicht werd door de grote massa in Japan.

Tegenstander

Tetsuzan Nagata (永田 鉄山) vormde samen met Hideki Tōjō (東條 英機) de ( Tōsei-ha 統制派)’. Hoewel hun doelstellingen dezelfde waren als die van Kōdōha, was er toch een meningsverschil in methodes en prioriteiten. De aanleiding tot interne spanningen in het opperbevel was dankzij het succes in Mantsjoerije en als gevolg was de invloed van de militairen op het thuisfront sterk toegenomen.

Op die manier ontstond er een ideologisch scheidingslijn tussen verschillende strekkingen. De eerste was de voornaamste strekking van Kōdōha. Het waren zogenaamde ‘idealisten’ die hoog opliepen met spirituele kracht van het keizerlijke leger. Ze hebben ook een rol gespeeld tijdens het Mantsjoerije-incident, want ze steunden de moord op Zhang Zuolin (张作霖). De tweede was een wat meer pragmatische strekking, namelijk de ‘moderniserende’ die later tot de ‘Disciplinairen ( Tōsei-ha 統制派)’ , onder leiding van Tetsuzan Nagata (永田 鉄山), werd herdoopt. Hoewel ze zeker niet tegen de militaire expansie waren, streefden ze in de eerste plaats een betere materiële uitrusting na, die rekening hield met het militaire potentieel van de Sovjet-Unie. Om de totale controle over het leger in handen te krijgen, stond de groep van de ‘Disciplinairen’ die de voorstander was van strenge discipline, tegen die van Kōdōha. Het leger moest ook afrekenen met de traditionele tegenstelling tussen de Landmacht en de Zeemacht en met de generatiekloof tussen jongeren en ouderen.

Kōdōha oefende in de jaren 1930 – 1934 een grote invloed uit op het Kabinet-Inukai en op dat van Saitō Makoto (斎藤 実) [7]. De Landmacht-generaal Akira Sadao (荒木 貞夫) was ook de grote leider van Kōdōha die later de minister van Onderwijs zou worden. Hij werd als oorlogsmisdadiger berecht tijdens de processen van Tōkyō en daar kreeg levenslang. Toen de minister van Landmacht Hayashi Senjūrō (林銑 十郎) in het kabinet-Okada alles in het werk stelde om de invloed van de Keizerlijken te neutraliseren, heerste er een scherpe tweestrijd met de groep van ‘Disciplinairen’.

26 Februari Incident

Jonge officieren die afhankelijk waren van de Kōdōha vonden de discipline ondraaglijk en besloten een staatsgreep te plegen. Ze probeerden alle regeringsleiders wier beleid dat ze afkeurden uit de weg te ruimen. Zelfs een paar ministers, o.a. de minister van Financiën, de minister van Binnenlandse Zaken en de hoofdadviseur voor het onderwijsbeleid, werden gedood. Dit incident vormde de grootste bedreiging die het politieke regime moest braveren en de ‘Disciplinairen’ maakten hiervan gebruik; ze traden streng op en met de hulp van de keizer en het opperbevel van Land- en Zeemacht eisten ze strenge straffen. Op die manier werd de discipline volledig hersteld, maar relletjes bleven voortaan uit.

Als gevolg hebben de opstandige militairen hun doel bereikt; de belangrijke politieke tegenstanders werden uitgeschakeld en het leger werd beschouwd als de redder van het burgerlijke bestuur. Ook de controle over regeringsbeleid, zowel binnenlands als buitenlands, viel in handen van de legerleiding. Hoewel een deel van de Landmacht een partij had gekozen, besloot men uiteindelijk unaniem om de muiterij neer te slaan.

Na het neerslaan van de muiterij hebben de militairen aangekondigd dat ze Shukugun (粛軍) [8] zouden uitvoeren. Terwijl de factiestrijd beslecht was binnen het leger, kon de legerleiding haar aandacht richten op het versterken van haar positie in het bestuur. Onder leiding van Hirota Kōki (広田弘毅) [9] ontstond een militair kabinet. Bovendien konden alleen de officieren in actieve dienst tot minister van Oorlog benoemd worden. Door het gevoerde beleid besteedde men meer aandacht op militair vlak; grote budgetten werden aan het leger gegeven om het land te beschermen en men maakte zich klaar voor de oorlog. Ook de politieke invloed op het leger werd geïnstitutionaliseerd door Shosei Isshin (庶政一新), wat ‘vernieuwing van volk en regering’ betekent.

Voetnoten

  1. Hij is een rechtse ideoloog.
  2. 天皇 betekent de Keizer van Japan en is afgeleid van Mikado(帝) wat de naam van de keizerlijk heerser was.
  3. . Deze vernieuwingen worden ook als Shōwa-Restauratie (昭和維新 shōwaishin), gepromoot door Ikki Kita (北 一輝), genoemd.
  4. 国対論及び純正社会主義 is een boek geschreven door Ikki Kita (北 一輝) dat over de theorie van de Japanse nationale staat en het pure socialisme ging.
  5. Inukai kwam als 29ste premier van Japan op 13 december 1931 aan de macht.
  6. Andō (25 februari 1905 - 12 juli 1936) was een soldaat van het Japans Keizerlijk Leger en een lid van Kōdōha. Hij speelde een belangrijke rol in het 26 Februari Incident en uiteindelijk werd hij tot de doodstraf veroorzaakt.
  7. Saitō was een Zeemacht-generaal die een soort kabinet van nationale eenheid leidde en de minister van Binnenlandse Zaken.
  8. Shukugun is een totale zuivering binnen de militaire rangen.
  9. Hirota stelde alles in werk om zoveel mogelijk militairen in de administratie op te nemen.

Bibliografie

Boeken

  • Craig, L. Symonds, The Battle Midway, New York: Oxford University Press, 2011
  • Richard, Sims, Japanese Political History since the Meiji Renovation, London: Hurst & Company, 1998
  • George, Fetherling, The Book ok Assassins, Canada :Vintage Canada, 2001
  • Minobe, Tatsukichi, Interpreter of Constitutionalism in Japan, London: Cambridge University Press, 1965
  • Williamson, Murray en Allan, R. Millett, A War To Be Won, Verenigde Koninkrijk: President and Fellows of Harvard College, 2000
  • Vande Walle, Willy, Een geschiedenis van Japan, België: Acco, 2007


Tijdschriftartikels

  • Felton, Mark ,’A culture of cruelty’, Military History , 2011 nr.27, pp.26-34
  • Szpilman, Christopher W. A., ‘Kita Ikki and the Politics of Coercion’, Cambridge Journals, 2002 nr.36, pp.467-490
  • Sheldon, Charles D, ‘Scapegoat or Instigator of Japanese Aggression? Inoue Kiyoshi’s Case against the Emperor’, Modern Asian Studies, 1978 nr.12, pp.1-35
  • Bridges, Brian, ‘Yoshizawa Kenkichi and the Soviet – Japanese Non-aggression pact Proposal’, Modern Asian Studies, 1980 nr.14, pp.111-127
  • Chitoshi, Yanaga, ‘Japan Since Perry’, The Journal of Politics, 1950 nr.12, pp.408-410
  • Ion, A. Hamish, ‘The Way of the Heavenly Sword: The Japanese Army of the 1920s’, Canadian Journal of History, 1996 nr.31, pp.153-156


Elektronische bronnen