Jigoro Kano (嘉納治五郎) en het Ontstaan van Judo (柔道)
Uit GeschiedenisJapan
Inhoud |
Inleiding
Op 28 oktober 1860 werd te Mikage (Nabij de havenstad Kobe) meester Jigoro Kano geboren(嘉納 治五郎, Kanō Jigorō).
Hij was de derde zoon van Jirosaku Mareshiba Kano. Met zijn familie verhuisde hij in 1871 naar Tokio.Omdat Kano veel fysieke kracht te kort kwam werd hij vaak verslagen. Jigoro ging op zoek naar een middel om zijn lichaam te sterken.
op zeventienjarige leeftijd studeerde hij filosofie, economie en politieke wetenschappen aan de keizerlijke universiteit. Later werd hij leraar aan de school voor edelen (Gakushuin) en bekleedde enkele hoge staatsposten. Jigoro Kano was klein van stuk en woog amper 48 Kg. Om zijn lichaam te sterken beoefende hij verschillende sporten zoals roeien, gymnastiek en honkbal. Deze sporten uit de Westerse cultuur genoten toen veelbelangstelling van studenten en professoren.
ontstaan van ju-jitsu
De oorsprong van het jiu jutsu vinden we in de klassieke martiale kunsten. In de Tenshin Shoden Katori Shinto Ryu, de oudste overgeleverde kunst, bestaan 36 technieken voor ongewapend vechten. Iizasa Choisai Ienao, de stichter van deze ryu, gaf aan dit vechten de naam yawara-ge, vredebrenger.
Yawara is de Japanse lezing (kunyomi) voor het karakter dat in de oorspronkelijke Chineze lezing (onyomi) als jiu wordt uitgesproken (de meeste karakters hebben zowel een Chineze als een Japanse lezing, die allebei in het Japans worden gebruikt).
Jiu wordt vaak vertaald als “vriendelijk, zacht”, maar dit is slechts één van de vele mogelijke betekenissen van jiu. Andere mogelijkheden zijn: soepel, buigzaam, meegevend. Het principe dat uitgedrukt wordt door het karakter ju kan op verschillende manieren uitgelegd worden:
Het meegevend principe: dit benadrukt dat kracht niet met kracht ontmoet moet worden. Een aanval wordt ontweken inplaats van tegengewerkt. Dit geeft soms de indruk dat totaal geen kracht gebruikt mag worden, maar dat is niet waar. De kracht wordt echter daar aangewend waar de tegenstander het zwakst is.
Het zachte principe: zacht als tegenstelling van hard, verwijst naar het ongewapend verslaan van een gewapende tegenstander. Jujutsu was een onderdeel van de training van de samurai, iets waarop hij kon terugvallen wanneer zijn favoriete wapen niet bruikbaar was.
Hoewel wij jiu en ju op verschillende manieren spellen, gaat het hier om hetzelfde karakter, dat zachtheid betekent en de plooibaarheid en flexibiliteit aanduidt die voor deze vorm van worstelen noodzakelijk is. Het judo op pure kracht dat vandaag de dag zo vaak te zien is heeft nog maar weinig te maken met dit aloude ju-principe, waarin ‘de tegenstander wordt verslagen door hem tot overgave te dwingen en zijn eigen kracht te laten gebruiken om zijn val te veroorzaken. Zo kan water niet gesneden worden worden, hoezeer het zich aan het mes overgeeft, het is juist onkwetsbaar, omdat het zich overgeeft.’
Jutsu betekent ‘technieken’ of ‘methoden’: jiu jutsu is dus de praktische aanwending van het jiu-principe. Do betekent Weg. om aan te geven dat judo een levens- pad, een levensvervulling is.
Tijdens de Tokugawa periode was er weinig behoefte meer aan de oorlogskunsten. Samurai droegen toen hun zwaarden zonder harnas, waardoor de praktische bezwaren tegen de zwaardkunsten wegvielen. Yawara was in de Edo-periode een algemeen gebruikte term voor het jiu jutsu, dat zich toen verder begon te ontwikkelen. Volgens de moraal van de tijd immers ‘bleef het beste zwaard in de schede’. Dit was een belangrijke drijfveer om ongewapende technieken te bestuderen. En hoewel een samurai het recht had elke niet-samurai ter plekke neer te klieven zonder opgaaf van redenen, was dit toch gedrag dat met name in de grote steden enigszins gefronst werd aangezien. Daarentegen was er behoefte aan vechters, die in staat waren een tegenstander te bedwingen zonder hem te hoeven doden: bijvoorbeeld een dronken samurai die uit een bordeel of een kabuki-voorstelling moest worden verwijderd. We kunnen in onze eigen tijd iets soortgelijks zien. Vandaag de dag is een grote behoefte aan vechtkunsten, die agressiviteit kunnen bedwingen zonder daarbij de tegenstander permanent te beschadigen, met alle risico’s van processen en het moeten betalen van grote financiële schadevergoedingen vandien. Jujutsu groeide en evolueerde voornamelijk tijdens deze periode, hoewel yoroi kumi uchi (en sumo, een andere voorloper) al veel langer bestonden. Ook werden in deze periode slag- en traptechnieken toegevoegd, voornamelijk onder invloed van het Chinese ch'uan fa ("vuist weg"), of kempo in het Japans. Een andere ontwikkeling van deze periode was de nadruk op zelfverbetering in plaats van zelfverdediging.
leren van ju-jitsu
Jigoro Kano had horen zeggen dat door het gebruik van Ju-Jitsu het voor een zwakkere het mogelijk was een sterkere te overwinnen. Een oude Japanse jujutsu meester en vriend van de familie Kano, Teinosuke Yagi, bracht Jigoro Kano in contact met het ju-jitsu.
Jigoro Kano kreeg onderricht van de meesters Hachinosuke Fukuda en Masatomt Iso van de tenshin-shin'yo ryu en van meester Tsunetoshi Iikubo van de kito ryu. Deze drie meesters leerden Jigoro Kano de geheimen van hun respectievelijke scholen. Verder vervolmaakte hij zich nog door studie van geschriften van andere jujutsu-scholen en ook door het bestuderen van buitenlandse werken over lichamelijke opvoeding. Daarna bouwde hij zelf een systeem op waarin ook veel aandacht werd besteed aan het geestelijk aspect.
onderdeel van ju-jitsu
Bij alle volkeren kende men destijds systemen van vechten met de blote hand. Voor het gevecht op afstand maakte men meestal gebruik van wapens, zoals pijl en boog en voor het gevecht van man tot man zwaarden, lansen, dolken en knotsen. Bij het vechten met de blote hand werden verschillende methodes gebruikt zoals het slaan met de hand, de elleboog of de vuist en het stampen met de voet of de knie. Men gebruikt ook hefboomtechnieken om elkaars gewrichten te breken. Steeds waren de aanvallen gericht op de vitale en weke delen van het menselijk lichaam. Het feodale tijdperk duurde in Japan tot omstreeks 1870. Door keizerlijke wetten was de wapendracht voor het gewone volk verboden. Als gevolg van deze wetten begon het volk zich meer en meer te bekwamen in het vechten met de blote hand. De invloeden die een rol gespeeld hebben om de ontwikkeling van deze gevechtstechnieken te kunnen begrijpen, kunnen als volgt worden samengevat: Het shintoïsme dat grotendeels de nadruk legde op:
beheersing bezinning losmaken van het aardse
Het shintoïsme of bushido
Het shintoïsme en de bushido vormden de grondslag van de levenhouding van het Japanse volk, een volk verbonden met de natuur en met de keizer.
1. Oudste bronnen
Men heeft documenten teruggevonden in een Tibetaans klooster die handelen over gevechtstechnieken. De Tibetaanse monikken zouden een grote bedrevenheid gehad hebben in speciale massagetechnieken die mogelijk zouden overgewaaid zijn uit Indië en die mettertijd zouden uitgegroeid zijn tot sommige gevechtstechnieken. In het noorden van China zouden in de Shaolin kloosters de monikken een vorm van turnen beoefend hebben waarbij zij zich spiegelden aan bewegingen van verschillende diersoorten zoals o.a. de bidsprinkhaan, de slang, de tijger. Geschriften over deze toestanden zijn er niet maar volgens de overlevering mag men aannemen dat daar enkele honderden variëteiten van een vorm van boksen, vechten met de blote hand, ontstaan zijn. Wij spreken nu over het jaar 495. Langzaam groeiden er uit deze massages en turnoefeningen bepaalde grepen en worpen, dienstig om mogelijke aanvallers uit te schakelen, zonder gebruik te maken van wapens. Op bevel van de keizer werd in het jaar 720 van de christelijke tijdrekening de geschiedenis van Japan geschreven. In deze kronieken maakte men reeds melding van toernooien die gehouden werden in het jaar 230 V.C. Deze krachtcompetities worden door vele geschiedschrijvers beschouwd als het begin van het sumo, het Japans worstelen. Er zijn verhalen in de omloop geweest die het jiu-jitsu in verband brengen met het sumo, doch het authentieke bewijs ervan wordt nergens vermeld. Feit is dat er verschillende scholen bestaan hebben voor verschillende krijgskunsten. Er zijn levensbeschrijvingen teruggevonden van verschillende stichters van deze scholen en volgens sommige documenten bestonden er reeds voor 1882, het ontstaan van de kodokan, een 20-tal scholen (Ryu) van jiu-jitsu. Het echte begin van het jiu-jitsu mag gesitueerd worden in de jaren rond 1600. De twee belengrijkste scholen waren de Kito-Ryu en de Tenshin-Shinyo-Ryu. Evenwel bestonden er nog talrijke andere scholen met verschillende namen waar echter praktisch hetzelfde onderricht gegeven werd.
ontstaan van judo
In 1882 opende meester Kano zijn eigen school onder de naam kodokan judo.Hij startte in de Eishoji tempel met negen leerlingen en 12 tatami's (rijststromatten van 1.88 m op 0.94 m en 6 cm dikte). Met opzet had meester kano jutsu niet gebruikt maar veranderd in do, zo onderwees hij geen jujustu maar wel judo (ju is het principe, jutsu is de kunst en do is de weg). Kodokan kwam erbij omdat de naam judo reeds door een andere jutsu-school (shikishin ryu) was gebruikt.
Na een moeilijke start en minachting van andere jutsu-scholen brak het kodokan-judo door in 1886. Dat jaar richtte de hoofdstedelijke politie van Tokio een tornooi. Hieraan namen 15 judoka's van meester Kano en 15 jutsuka's van meester Totsuka deel. Het werd een 13-0 overwinning voor het kodokan.
De suprematie van het kodokan was bewezen en de sport verspreidde zich over Japan en later over gans de wereld.In 1887 kwam de technische zijde van het judo tot zijn voltooiing, terwijl de spirituele fase zijn vervolmaking kreeg in 1922 met twee spreuken: seiryoku zen'yo (maximum resultaat) en jita kyoei (onderlinge weldaad).
Na een vergadering met het Internationaal Olympisch Comité te Cairo, overleed meester Kano (04.05.1938) op het stoomschip Hikawa-Maru aan een longontsteking.
na de dood van Jigoro Kano
Na de dood van Jigoro Kano wordt Nango Shiro (1940) de president van het kodokan, deze wordt in 1946 opgevolgd door de tweede zoon van J. Kano: Risei Kano.Vanaf 1950 wordt judo onderwezen in de Japanse scholen. Meer aandacht wordt er besteed aan de indeling van het grondwerk, terwijl het ate waza enkel in kata vorm beoefend blijft. Tevens wordt aandacht besteed aan de kata's. J. Kano stelde het nage-no-kata en katame-no-kata samen als de studie van de toepassingstechnieken .Door de omstandigheden van de Tweede wereldoorlog kreeg het judo een ernstige terugslag, niet alleen in Japan, maar ook elders in de wereld.In 1956 werd de moderne zelfverdediging vastgelegd in het kodokan-goshin-jutsu. In 1982 bij het vernieuwen van het kodokan te Kasuga wordt de kleinzoon van Jigoro Kano, Yukimitsu Kano, president van het kodokan.
Herleving judo
Na de oorlog steeg het enthousiasme voor judo hoog door geheel Japan. De eerste judokampioenschappen werden gehouden in 1948. De "All Japan Judo Association" werd opgericht in 1949. In Europa werd de "Europese Judo Unie" (E.J.U.) (weer) opgericht in 1948 en de "Internationale Judo Federatie" (I.J.F.) kwam tot stand in 1953. Als gevolg daarvan werden in Tokyo de eerste Wereldkampioenschappen judo gehouden in 1956 en de tweede in 1958. Bij de 3e Wereldkampioenschappen in 1961 werd de Japanse wedstrijdhegemonie in Parijs doorbroken door Anton Geesink, die aldaar wereldkampioen judo werd, in 1964 Olympisch goud (alle categorieën) verwierf in Tokyo en zijn tweede wereldtitel (zwaargewicht) behaalde in 1965 in Rio de Janeiro. Willem Ruska prolongeerde die Nederlandse successen door zijn wereldkampioenschap zwaargewicht in 1967 in Salt Lake City en in 1971 in Ludwigshafen (zwaargewicht) en dan nog eens tweemaal goud (zwaargewicht en alle categorieën) bij de Olympische Spelen in 1972 in München.
bronnen
http://www.snelenlenig.nl/geschiedenis_judo.htm http://www.merksemjudoclub.be/jigoro%20kano.htm boek:Elmar Budo Sport,theorie en praktijk:judo in beweging.(Douwe Boersma)

