Japanse wapenuitrusting door de eeuwen heen
Uit GeschiedenisJapan
Inhoud |
Inleiding
De Japanse krijger is één van de bekendste figuren uit de Japanse geschiedenis. Gedurende meer dan 1000 jaar speelde hij een grote rol in de maatschappij van het toenmalige Japan, als bushi, en later in de rol van de meer populaire samurai. Misschien is, buiten zijn karakteristieke katana, zijn wapenuitrusting wel de meest herkenbare uit de hele krijgsgeschiedenis. Natuurlijk is deze over die lange periode niet steeds dezelfde gebleven, maar vaak het onderwerp geweest van ingenieuze aanpassingen naargelang de wisselende omstandigheden op het slagveld. Ten slotte bracht de opening van Japan voor westerse handelaars een ongezien probleem met zich mee: het buskruit.
Kofun periode 250-538
Het belang van de grafheuvels
De Kofun periodedankt haar naam aan de grote grafheuvels die in die tijd opgeworpen werden, waarin een prominent persoon met al zijn hebben en houden werd begraven. Voor historische informatie over die periode zijn net deze grafheuvels van onschatbare waarde. Vaak waren deze prominente leden van de heersende klasse krijgers, die samen met hun volledige wapens en wapenuitrusting begraven werden. Na eeuwen onaangeroerd daar te hebben gelegen, geven deze grafheuvels ons een duidelijk beeld over dagdagelijkse voorwerpen uit de Kofun periode, en belangrijker: over de wapens en wapenrusting van de krijgers.
De kurassen zelf (de oorspronkelijke naam is niet duidelijk, sommige menen dat dit zelfs gewoon ‘yoroi’, ‘kuras’, was)[1] komen vaak nogal ongesofisticeerd over, vooral in vergelijking met de latere modellen. Ze bestonden uit een paar rudimentair bewerkte bronzen of ijzeren platen, aan elkaar geregen voor betere bewegingsvrijheid, die vaak gelakt werden om roest tegen te gaan. In het vochtige klimaat van Japan was dit een must en men ziet dit gebruik terugkeren bij alle soorten wapenuitrusting doorheen de hele Japanse geschiedenis.
Ook de helm (Mabizashi Tsuki, "vizierhelm") is een goed voorbeeld van een meer praktische nood aan bescherming, dan een esthetisch mooi kunstwerk. Het bolle oppervlak boog neerwaartse slagen op het hoofd af en de (optionele) oor-en nekbeschermers gaven de drager ervan een grotere kans een zware klap te overleven. Ten slotte kon een helmbos bovenop bevestigd worden, waaraan een commandant zijn troepen (of de officieren ervan) gemakkelijk kon herkennen in het heetst van de strijd.
Nara periode 710-794
Tanko en Keiko
Na enkele eeuwen van verbeteringen en aanpassingen was het simpele ‘yoroi’-kuras veranderd tot wat nu bekendstaat als het Tanko (‘kort kuras’): de grote lijnen zijn nog relatief hetzelfde gebleven, alleen dat er nu meer ornamenten zoals schouderbeschermers en wapenrokken, ter bescherming van de bovenarmen en -benen, aan bevestigd konden worden.
In het begin van de 6e eeuw, toen de gloriedagen van de Tanko achter de rug waren, schijnt er een nieuw kuras, waarschijnlijk onder buitenlandse invloeden[2] , te zijn ingevoerd om de Tanko te vervangen. Dit omvatte een heel ander concept dan zijn voorganger: het bestond uit verschillende lagen metalen schubben (het zgn. ‘scale mail’), in plaats van het solide bronzen kuras en dus had de drager ervan verrassend veel bewegingsvrijheid. Bovendien bood het een zeer goede bescherming tegen pijlen, die niet in staat waren de verschillende lagen metalen plaatjes te doordringen. Men kon het aantrekken als een gewoon vest, met een dicht te rijgen opening vanvoor op de borst. Omdat bij dit kuras het volle gewicht op de schouders terecht kwam -en niet, zoals bij de Tanko, op de heupen- werd dit ‘Keiko’ (‘hangend kuras’) genoemd.
De Mabizashi Tsuki daarentegen is doorheen deze paar eeuwen aan weinig verandering onderworpen. De globale vorm ervan is nagenoeg onveranderd gebleven, in tegenstelling tot de metamorfose die het kuras ondergaan heeft. Maar net zoals bij de Keiko is ook hier bij deze latere modellen een goede gelijkenis te zien met de Koreaanse, Chinese en zelfs Mongoolse helmen uit dezelfde periode.
Doordat in de 6e eeuw het Boeddhismewerd geïntroduceerd in Japan, verdwenen de oude begrafenisrituelen ten voordele van de Boeddhistische. Dit bracht met zich mee dat er dus geen grote grafheuvels meer werden geconstrueerd met daarin schatten aan informatie, om later ontdekt te worden. Daarom bestaat er een soort gat van de 8e tot ongeveer midden 11e eeuw, waarna we zien dat de wapenuitrusting al sterk veranderd is. Moderne historici hebben er dus maar het raden naar hoe die overgang naar latere wapenuitrustingen heeft uitgezien, hoewel het waarschijnlijk uit een verdere evolutie van de Keiko moet zijn gebeurd.
Heian periode 794-1185
De O-yoroi
In de Vroege Middeleeuwen zien we dat de Japanse wapenuitrusting geëvolueerd is tot een zeer effectieve aanvulling aan het nieuwe concept van de samurai. Het is een revolutionair ontwerp, speciaal ontworpen voor de meest voorkomende manier van strijden in die tijd: het boogschieten te paard. Immers, men vergeet vaak dat in deze periode niet het zwaard (tachi) maar wel de boog (yumi) het belangrijkste wapen was van de samurai, en dat pas wanneer het gebruik van deze laatste onmogelijk was geworden, hij overschakelde naar zijn zwaard.
Dit kuras was de O-yoroi (letterlijk: ‘groot harnas’) en het was verre van een conventioneel ontwerp. In plaats van 1 solide wapenuitrusting, bestond de O-yoroi uit verschillende geschubde platen, vastgemaakt over het hele lichaam, om de samurai optimale bescherming te geven. Vele vondsten van deze wapenuitrusting zijn voor geleerden dus een ware puzzel, die men door het bijeenbrengen van platen en het zoeken van naden en bevestigingsringen pas kan oplossen.
De drager van dit kuras was over het algemeen goed beschermd. Zijn voorkant, linkerzijde en achterkant werden bedekt door rijen grote, aan elkaar geregen platen, terwijl een massief metalen plaat zijn anders zeer kwetsbare rechterzij beschermde telkens hij zijn grote boog spande. Deze massieve plaat werd afzonderlijk bevestigd aan de O-yoroi, nadat de samurai de rest van het pantser had aangetrokken langs deze opening aan de rechterkant. Aan de onderkant van elk van deze vier secties hing een ‘kozane’, een lange rij plaatjes die de bovenbenen van de strijder beschermde, en toch een comfortabele zithouding op het paard toeliet. Ten slotte werden er aan de schouderstukken nog grote vierkante ‘waidate’ bevestigd, ook bestaande uit rijen lange plaatjes die de bovenarmen beschermde, maar ook zo gemaakt was dat het vuren van de boog niet gehinderd werd.
Dit kuras heeft vele elementen die verraden dat dit een typische cavalerie-uitrusting is. Allereerst werd over de hele O-yoroi een kunststof beschermlaag (vaak in prachtige verschillende kleuren) genaaid, die verhinderde dat de pees van de boog erachter bleef hangen, wat desastreuze gevolgen zou hebben op het slagveld. De boog werd immers dwars over de borst heen gespannen, en niet - zoals in Europa - naar achter over de schouder. De twee meter lange ‘yumi’ boog van de samurai liet dat ook niet toe. Dan was er nog de ‘kote’, de onderarmbeschermer. In latere periodes was dit een volwaardig stuk bepantsering, maar de eerste ‘kote’, zoals deze bij de O-yoroi, dienden eerder om ervoor te zorgen dat de grote, gepofte kimono het boogschieten niet hinderde. Al snel was duidelijk dat nog een ander, zeer vitaal deel van het lichaam onbeschermd bleef bij het afvuren van de boog: de oksels. Doordat de samurai zijn beide armen vrij hoog moest opheffen om zijn ‘yumi’ te spannen, was hij erg kwetsbaar en kon een welgemikte pijl of speerpunt rechtstreeks het hart van de samurai treffen zonder al te veel weerstand te ondervinden. Het antwoord hierop was de okselbeschermer: de ‘sendan’ (rechteroksel) en de massievere ‘kyûbi’ (linkeroksel). De linkeroksel was dus beter beschermd dan de rechtse, wat logisch was sinds de linkeroksel naar de vijand gericht was als men de boog met zijn rechterhand spande.
De helm was al aan een even grote verandering onderworpen. De nekbeschermers waren nog groter geworden, en liepen uit in ‘vleugel’-achtige ‘fukikaeshi’. De grote van deze ‘fukikaeshi’ beperkte het gezicht van de samurai en hinderde het gebruik van de boog (o.m. de ‘westerse’ manier van boogschieten werd onmogelijk gemaakt door deze kleppen). Deze ‘kabuto’-helm, zoals hij nu genoemd werd, had ook geen helmbos meer, maar een opening boven het voorhoofd waar een ‘kasajirushi’(helmteken) kon bevestigd worden.
Over het algemeen was de O-yoroi een zeer duur, en log kuras. Omdat het speciaal was ontworpen voor het gebruik met de boog te paard, waren er verder niet veel situaties waarin het echt nuttig bleek. Dit zorgde ervoor dat deze wapenuitrusting alleen maar gebruikt werd door rijke samurai. Na de Genpei-oorlog, dat het hoogtepunt van de O-yoroi betekende, werd de vraag naar goedkope, lichtere kurassen alsmaar groter, mede doordat de shift van cavalerieoorlogsvoering naar infanterieveldslagen flexibelere wapenuitrustingen eisten.
Kamakura periode 1185-1333
De Domaru en Haramaki
De omstandigheden vroegen dus om een lichte, beweegbare, –maar vooral- goedkope en makkelijk massaal te produceren wapenuitrusting. Deze kwam er in twee vormen: de ‘Domaru’ en de ‘Haramaki’. Ze waren door hun grotere bewegingsvrijheid beter geschikt voor het grondgevecht en konden bovendien nu ook door lagere samurai of gewone soldaten gebruikt worden.
De ‘Domaru’ was het eerste model. Echt nieuw was het in feite niet: het was eerder een afgeslankte versie van de O-yoroi. Het opende –net zoals zijn voorganger- aan de rechterzijde, maar kon gewoon dichtgeregen worden zonder die zware massieve plaat te bevestigen. De grote ‘sode’ of schouderbeschermers werden aanvankelijk behouden, en ook de okselbeschermers, hoewel eerst weggelaten. Een andere gelijkenis met zijn voorganger waren de grote ‘kote’ die gedragen werden om te beletten dat de kimono het zwaardvechten hinderde. Het grotere gemak en comfort dat dit model met zich meebracht leidde ertoe dat de inmiddels gedateerde O-yoroi vervangen werd door deze economischere en flexibelere versie.
Een volgende stap in die richting was de 'Haramaki'. Deze bracht de metalen plaatjes weer terug in zwang, en werd in tegenstelling tot alle vorige kurassen, langs achter dichtgeregen, waarna een ‘sei-ita’ (letterlijk: lafaard-plaat) de kwetsbare plek op de rug beschermde. Later werd de naam ‘Haramaki’ overigens gebruikt voor alle soorten kurassen die langs achter opengingen. Onder dit kuras werd een gepofte kimono gedragen, die ook nog eens versterkt kon zijn met hardleren platen, voor betere bescherming van de bovenbenen. Vaak werden de benen nog extra beschermd door een ‘haidate’ of wapenrok te dragen. Deze bond de samurai gewoon rond zijn middel vooralleen hij het kuras aantrok. Dit zorgde ervoor dat de platen van de wapenrok mooi overlapten met die van het kuras.
Aldus kenmerkt deze periode zich door de verschuiving van het zwaartepunt van de zwaarbepantserde samurai op zijn paard, naar de grote groepen voetvolk die in de strijd werden ingezet. Samurai te paard in hun O-yoroi namen zeker nog een grote plaats in in het leger, maar de nadruk kwam hoe langer hoe meer op de ‘ashigaru’ (足軽: voetsoldaten) te liggen, die zich, in tegenstelling tot hun nobele heren, niet zulke opzichtige en dure wapenuitrusting konden veroorloven. Ook werd de helm vaak weggelaten door deze soldaten ten voordele van een gewone bandana of ‘kasa’(笠: een stro hoed). Nieuwe wapens en tactieken zouden echter weldra weer tot een ommekeer op het slagveld (en dus ook in de wapenuitrusting) leiden.
De Sengoku Jidai: Constante oorlogsvoering 1460-1603
De Sengoku Jidai (戰國時代 ‘de tijd van de strijdende staten’) is een periode van grote onrust en burgeroorlog in het feodale Japan. Klassiek neemt men de Onin-oorlog van 1467 tot 1477 als begin, en de slag bij Sekigahara van 1598 met de daaropvolgende instelling van het Tokugawa Shogunaat in 1603 onder Tokugawa Ieyasu (徳川 家康) als einddatum van deze bloederige pagina’s uit de Japanse geschiedenis, waarin verschillende zgn. ‘Sengoku daimyo’ streden om de macht van Shogun over het grootste deel van Japan. Hoe groot het leed en verwoesting gedurende deze periode ook mag geweest zijn, is er één vlak waarop wél vooruitgang werd geboekt: oorlogsvoering. Immers, niets is beter voor het koortsachtig zoeken naar nieuwe technieken en ideeën dan een lange oorlog waarin men de vijand steeds een stap voor probeert te zijn. Het is dan ook hier dat grote veranderingen op het gebied van wapens en wapenuitrusting doorgevoerd zijn.
De opkomst van vuurwapens
In 1543 strandde de Portugese ontdekkingsreiziger Mendes Pinto (1509-1583) met zijn karveel per toeval[3] op het Japanse Tanegashima(種子島). Hoewel Europese handelaars op zich al zeldzaam waren in Japan, was de inhoud van Pinto’s schip ongezien. In de laadruimten van zijn karveel bevonden zich een paar Portugese lontslothaakbussen. Deze waren al sinds het einde van de 15e eeuw wijd in gebruik door de legers van de opkomende Europese natiestaten, maar voor de Japanners waren dit nooitgeziene wapens. Tegen 1550 werden deze Tanegashima-haakbussen al massaal gefabriceerd en waren ze wijdverspreid in de legers van de strijdende daimyo.
De korte leercurve en grote vuurkracht van deze nieuwe wapens, evenals de snelle produceerbaarheid werkte deze spoedige verspreiding in de hand. De oudere handboog was immers veel moeilijker te gebruiken, kostte meer tijd om onder de knie te krijgen, pijlen waren duur en het vervaardigen ervan was een ware ambacht. Een soldaat met een haakbus daarentegen was makkelijk te trainen, had een veel krachtiger wapen en kon ook nog eens meer munitie meedragen dan zowel een hand- als kruisboogschutter. Het feit dat de eerste Tanegashima inaccuraat waren, vooral in het licht van de dodelijk accurate boog, en bovendien nutteloos bij regenweer, slaagde er niet in de opmars van de vuurwapens te drukken. De beroemde daimyo Oda Nobunaga(織田 信長) gebruikte naar verluid 3 rijen Ashigaru, uitgerust met Tanegashima, om vijandelijke cavalerie tot stilstand te brengen tijdens de slag bij Nagashino.
De grote kracht van de haakbussen leidde ertoe dat de inmiddels gedateerde wapenuitrusting nutteloos geworden was tegen een regen van kogels, en er dus snel naar een andere oplossing moest gezocht worden.
De Gusoku
Het antwoord op al die vuurkracht kwam er in de vorm van het nieuwe ‘Gusoku’ kuras. De basis van dit kuras was het vorige ‘Domaru’ model, maar dan zwaar gemodificeerd in een poging het, zoals de Europese kurassen van dezelfde tijd, kogelvrij[4] (of toch op zen minst, kogelwerend) te maken. De Westerse kurassen werden steeds vaker als voorbeeld gebruikt, helemaal aangepast aan de Japanse noden. Nu dat Japan zich had opengesteld voor het Westen (hoewel slechts tijdelijk) kwam het niet alleen in contact met Europese handelaars, maar ook met soldaten. Het dragen van Westers geïnspireerde wapenuitrusting (‘nanbando’) werd ook vaak als een statussymbool gezien, dat naar eigen smaak door de samurai werd aangepast. Het resultaat was een solide borst- en rugplaat, naar Europees voorbeeld, en een afgeronde, Westers aandoende helm, nog steeds met de karakteristieke nekbeschermers. De ‘kote’, ‘sode’ en ‘haidate’, werden overgenomen van de ‘Domaru’, ditmaal als volwaardige bepantseringonderdelen.
Door het groeiende aantal homogeen bepantserde eenheden op het slagveld werd herkenning van eigen eenheden een belangrijk nieuw gegeven. De oplossing hiervoor was de 'sashimono'(挿物),een miniatuur vaandel met daarop het teken van de daimyo. Deze werd dan aan een stok bevestigd, die dwars door twee bevestigingspunten boven- en onderaan de rugplaat van de ‘Gusoku’ werd gestoken. Hierdoor veranderde iedere krijger in een vaandeldrager, zonder dat hij daarvoor aan bewegingsvrijheid moest inboeten. Afgezien van het feit dat dit enorm veel kleur aan het anders zo grimmige slagveld toevoegde, was het voor de generaal in kwestie nu zeer handig om eigen troepenbeweging van die van de vijand te onderscheiden en zo sneller zijn tactiek aan te passen. De commandant zelf droeg geen vaandel. Hij was op zijn beurt te herkennen aan zijn groot versierde en gepersonaliseerde wapenuitrusting.
Constante oorlogvoering en Europese invloeden zorgden dus voor deze sprong in wapenuitrusting en –techniek. Maar als na 1603 die oorlogen eenmaal voorbij zijn, zien we weer een terugval in militaire techniek. Oorlog stond immers niet meer bovenaan de prioriteitenlijst van het nieuwe Bakufu.
Edo periode 1603-1868 : de pax Tokugawa
De achteruitgang van de wapenuitrusting
Toen Tokugawa Ieyasu in 1603 aan de macht kwam als shogun, legde hij de basis van een 250 jaar durende periode van rust en vrede onder het Tokugawa Shogunaat. Er zou wederom een burgeroorlog en de Meji-restauratie voor nodig zijn om het Edo-Bakufu, zoals het inmiddels werd genoemd, omver te werpen.
Maar deze periode van relatieve rust heeft ook zijn keerzijde, vooral voor de tak die net het meeste nood heeft aan oorlogvoering: het militaire apparaat. Voor hen is vrede zelfs gevaarlijk: er wordt minder geld gestoken in militair onderzoek, verveelde soldaten zijn een tikkende tijdbom en wapens worden herleid tot ceremoniële voorwerpen. Hetzelfde lot onderging de wapenuitrusting van deze periode: ze werden nauwelijks meer gedragen op het slagveld, en nieuwe wapenuitrustingen werden gefabriceerd met het oog op pracht en praal, eerder dan het praktische gebruik ervan op het slagveld. Dit resulteerde in het maken van de mooiste, maar tegelijk ook minst praktische wapenuitrustingen ooit. Maar het is net uit deze ‘Barok van de wapenuitrusting’ dat de meeste originele exemplaren van wapenuitrustingen zijn overgebleven in de musea.
Misschien was het meest ingrijpende neveneffect van deze nieuwe vrede wel het afschaffen van de Tanegashima-haakbussen bij decreet van de shogun. Dezelfde haakbussen die de Japanse soldaten zoveel nut hadden bewezen in de afgelopen 150 jaar, werden nu afgedaan als ‘onnodig’ en ‘overbodig’. Dit is een van de weinige voorbeelden uit de geschiedenis waar men nieuwe technologie afzweert en uit het leven bant, teruggrijpend naar het verleden, in een poging de tijd als het ware stil te zetten.
Stilaan werd ook de oude manier van wapenuitrustingen maken vergeten en waren en nog maar een handvol wapensmeden die strijdklare kurassen konden fabriceren. Het duurde pas tot 1700 dat de verzuchtingen van de historicus Arai Hakuseki (新井白石) over de achteruitgang van de kurassen voor een nieuwe kijk op het smeden van wapenuitrustingen zorgden. Ook Sakakibara Kôzan was begaan met het lot van de gusoku en zijn traktaat uit 1799 zorgde er voor dat veel wapensmeden terug kurassen begonnen te maken, zoals men ze van de Sengoku Jidai niet meer gezien had.
Maar ondertussen was het al bijna de 19e eeuw, en op vele plaatsen in de wereld voelde geharnaste strijders op het slagveld aan als een anachronisme. Sinds het einde van de 17e eeuw waren de Europese legers immers begonnen aan een afbouw van bepantsering, mede doordat de nieuwe steenslotmusketten zo’n krachtige wapens waren, dat elke vorm van kuras er nutteloos was tegen geworden. Tegen het einde van de 18e eeuw waren dan ook de laatste geharnaste ‘kurassiers’ van de Europese strijdtheaters verdwenen. In Japan zou dit feit pas duidelijk worden na de heropening, door Commodore Perry geforceerd in 1853, waarna Japan uit zijn lange winterslaap van isolationisme ontwaakte en op een harde manier kennismaakte met de rest van de moderne wereld.
De doodsteek voor de Japanse wapenuitrusting kwam er dan ook in de laatste burgeroorlog op het einde van het Bakufu, de Boshin oorlog, waar het Shogunaat een laatste, tot mislukken gedoemde strijd leverde tegen moderniteit en vooruitgang. Na de definitieve nederlaag van het Bakufu in 1869 werd de Meji-heerschappij aanvaard en was de suprematie van Westerse technologie overduidelijk geworden. Japan zou vanaf nu Westerse elementen als een spons absorberen en ervoor zorgen dat het land in een ongeziene stroomversnelling zou terechtkomen.
Bronnen
Elektronische bronnen
- Chinese History Forum, Armors West and East http://www.chinahistoryforum.com/lofiversion/index.php/t4691.html (13/12/08)
- Militaire Geschiedenis van de Azuchi-Momoyama Periode http://en.wikipedia.org/wiki/Military_history_of_Japan#Azuchi-Momoyama_Period_.281568_-1600_AD.29 (13/12/08)
- Anthony J. Bryant: Online Japanese Armour Manual http://www.sengokudaimyo.com/katchu/katchu.html (13/12/08)
- The Costume Museum: the Rebirth of Tale of Genji http://www.iz2.or.jp/english/fukusyoku/wayou/index.htm (13/12/08)
- The Odoshi Color of O-yoroi : Japanese Aesthetic Conception in Hue http://ci.nii.ac.jp/naid/110006604327/en/ (13/12/08)
- Geschiedenis van de haakbus http://en.wikipedia.org/wiki/Arquebus#History (18/12/08)
- Authentieke Japanse wapenuitrustingen http://www.genuine-samurai-armor.com/ (19/12/08)
Boeken
- Vande Walle, Willy. Een Geschiedenis van Japan, van Samurai tot Soft Power, Acco Leuven, 2007
- Byam, Michèle. Ooggetuigen: Wapens en Wapenrusting, Standaard Uitgeverij Antwerpen, 1991
- Byam, Michèle. Ooggetuigen: Ridders, Standaard Uitgeverij Antwerpen, 1991
Voetnoten
- ↑ zie: Anthony J. Bryant, http://www.sengokudaimyo.com/katchu/katchu.html "It is not clear what they were originally called; some suggest the term kawara — which means “tile” — and others suggest it was simply yoroi, meaning “armour.”"
- ↑ Koreaanse en Chinese wapenuitrustingen van dezelfde periode vertonen zeer veel gelijkenis met deze in Japan gebruikt, iets dat op geen enkel ander tijdstip in de geschiedenis is gebeurd.
- ↑ Hij was oorspronkelijk onderweg naar China, maar een krachtige storm blies het Chinese piratenjonk waarop hij zich bevond, uit koers.Voor het verdere leven van Fernao Mendes Pinto, zie: http://en.wikipedia.org/wiki/Fernao_Mendes_Pinto
- ↑ Europese soldaten testten hun eigen wapenuitrusting in die tijd door er eerst met een pistool van dichtbij op te schieten, vooralleer ze het aantrokken in de strijd.
--MartijnBeckers 19 dec 2008 14:04 (CET)


