Japanse film doorheen de moderne geschiedenis

Uit GeschiedenisJapan

Toshiro Mifune

Ontstaan, evolutie, huidige toestand en de impact die de Japanse film op Japan zelf en op wereldvlak had en nu nog steeds uitoefent. De film in Japan is op gang gekomen na de evolutie in Europa en kende een rustig begin met daaropvolgend een periode van voorspoed onder invloed van regisseurs zoals Akira Kurosawa, Ozu Yasujirō en nog vele anderen. Maar de Japanse film kende evenwel een korte periode van tegenslag die weer snel werd vervangen door de tot nu toe nog altijd heersende toestand.


Inhoud

Het begin

In december 1895 gaven Auguste en Louis Lumiére hun eerste filmvoorstelling in Parijs en daardoor kreeg men ook in Japan lucht van het nieuwe medium, de film. In november 1896 werd de kinetoscoop[1] van Thomas Edison voor het eerst gebruikt in Kōbe. Enkele maanden later in 1897 werden in Ōsaka cinematografie en vitascoop[2] screenings gehouden.

De eerste Japanse film werd in 1899 in het Tōkyō Kabukiza (東京考察) vertoond. In november datzelfde jaar startten de opnames van de verfilming van het bekende Nō-drama Momijigari (紅葉狩り, Gezamenlijk kijken naar de herfstkleuren van esdoorns)[3], geregisseerd door Shibata Tsunekichi (柴田常吉), met in de hoofdrollen Ichikawa Danjūrō IX (九代目市川團十郎) en Onoe Kikugorō V (五代目尾上菊五郎) en ook van een andere Kabuki-voorstelling, verfilmd door dezelfde regisseur, Ninin Dojoji (二人道成寺, Twee mensen aan de Dojo tempel).

In maart 1900 begon het bedrijf Yoshizawa Shoten de eerste projectoren te verkopen. In maart 1904 zenden de bedrijven Yoshizawa Shoten en Yokota Shokai (ヨコタ商会) camerateams uit om beelden te maken van de gebeurtenissen van De Russische-Japanse oorlog (1904-1905). Yokota Shokai richtte in 1905 een filmstudio op te Kyōto.

Het eerste Japanse filmtheater werd in oktober 1903 in Denkikan (電気館) in Asakusa (浅草)[4] opgericht. Later in 1910 werd het Yokohama Odeon opgericht, in dit filmtheater werden alleen buitenlandse films getoond. In deze periode ontstonden ook verschillende tijdschriften rond het filmgebeuren, zoals Katsudo Shashinkai in juni 1909 of Katsudo no Sekai in januari 1916.

Aanvankelijk werden eerst Nō-dramas en Kabuki-stukken verfilmd. Toen werden vrouwenrollen nog door mannen gespeeld, de zogenaamde Onnagata (女形). De Kabuki-film was een substituut voor het echte Kabuki en werd daardoor aanzien als arme mensen-theater. Onder invloed van Amerika werd een nieuw leven in de Japanse film ingeblazen, het realisme, vrouwenrollen werden nu door vrouwen gespeeld en men ging zich meer richten op de echte film, niet de theaterstukken. Dit was het ontstaan van de Shinpa (of Shinpageki)[5] Nieuwe School, naast de Kyuha (of Kyugeki), de Oude School. Deze zijn later geleidelijk aan geëvolueerd naar respectievelijk Gendaigeki (現代劇)[6] en Jidaigeki (時代劇)[7].

Makino Shozo, een Japanse regisseur die wordt beschouwd als een van de grondleggers van de Japanse film, begon zijn films te vermengen met niet-Kabuki elementen, de zogehete Kodan[8]. Makino heeft ook de eerste Japanse filmster gemaakt, Matsunosuke Onoe (松之助尾上)[9]. Hij was de meest populaire acteur van de Japanse cinema, Katsudo Shashin (活動写真)[10]. Zijn populariteit bereikte een hoogtepunt tussen 1912 en 1918, tijdens deze periode heeft hij meegespeeld in bijna 1000 films.

In 1923 werd Japan geteisterd door een aardbeving in de Kantō regio, deze ramp kostte het leven aan meer dan 100.000 mensen en vernietigde gebieden zoals Tōkyō, de havenstad van Yokohoma en nog vele andere. Het was niet de directe oorzaak, maar het heeft in ieder geval een grote invloed gehad op de versnelde modernisering in de jaren twintig.

Deze drang tot modernisering startte eigenlijk al rond de tijd juist na de Meiji-restauratie[11], toen de overheid erop uit was om van Japan een rijke en welvarende natie te maken, één van hun doelstellingen was dus een versnelde modernisering. De overheid wou in Japan meer gebruik maken van de westerse kennis.

De film in Japan ondervond ook veel tegenslag door het opkomende militarisme, vooral tijdens Wereldoorlog II was er een grote hoeveelheid censuur, dit zorgde ervoor dat de normale gang van filmmaken in mekaar zakte. Men maakte toen gemiddeld zo 'n 500 films per jaar. Het was pas enkele jaren na Wereldoorlog II dat er terug leven in de film begon te komen, de Amerikanen hadden tijdens hun bezetting van Japan vele films verboden, vooral diegene die over de oude bushi-code handelden.

De bloeiperiode

Tijdens deze Gouden Tijd was er een grote vooruitgang voor de Japanse film, zowel in Japan als op wereldvlak. Onder andere dankzij enkele zeer getalenteerde regisseurs, wiens ideeën tot de dag van vandaag nog steeds gebruikt worden, de namen van 3 regisseurs ziet men in deze tijd overal opduiken : Akira Kurosawa, Ozu Yasujirō en Kenji Mizoguchi.

Japan maakte ook meer en meer deel uit van de grote internationale filmfestivals, de Japanse film verspreidde zich over de hele wereld en kreeg erkenning door zijn grote populariteit. De Gouden Tijd begon heel onschuldig, in die tijd was Japan nog steeds onder controle van de Verenigde Staten en dus waren films ook onderhevig aan hun wil. De Japanse cinema produceerde films die vrijheid voor vrouwen en democratie naar voren bracht en tegelijkertijd feodalisme en militarisme probeerde terug te dringen. Hierdoor maakte men sinds dan minder Jidaigeki-films en concentreerde men zich op de films die het leven na de oorlog voorstelden. Akira Kurosawa maakte films die de sociale problemen in de maatschappij bekritiseerden, zoals Drunken Angel (酔いどれ天使, Yoidore Tenshi) uit 1948 of Stray Dog (野良犬, Nora Inu) uit 1949. Tōhō maakte een fortuin met een atoombom allegorie in de vorm van een Kaiju-eiga (怪獣映画), een monsterfilm. In 1954 maakten ze Godzilla (ゴジラ, Gojira). Er kwamen nog enkele vervolgen en andere monsterfilms later.

De film [Rashōmon] uit 1951.

In 1951 bracht Daiei de film Rashōmon (羅生門) van Akira Kurosawa uit. Normaal werd de film uitgebracht door Tōhō maar deze vonden dat het een flop zou worden en dus werd hij opgenomen in de studio's van Daiei. Op het filmfestival van Venetië in 1951 kreeg de film de Gouden Leeuw en datzelfde jaar werd het ook nog bekroond met de Oscar voor beste buitenlandse film. Dankzij de film werd Kurosawa wereldberoemd en oogste ook Daiei veel roem. Tegelijkertijd kreeg de Japanse cinema haar lang gezochte erkenning van de wereld. Sindsdien ging Daiei werken aan films gericht op filmfestivals en distributie in het kunst theater. De belangstelling van de wereld voor deze film zorgde ervoor dat de focus meer op de Jidaigeki terug ging liggen en minder op de Gendaigeki, deze waren nog steeds populair in Japan, maar braken niet door op wereldvlak en dat zorgde ervoor dat regisseurs zoals bijvoorbeeld Ozu Yasujirō en Mikio Naruse (巳喜男成瀬) niet zo internationaal doorbraken als Akira Kurosawa of Kenji Mizoguchi.

Niet alleen Daiei zag dat Jidaigeki een goudmijn was geworden maar ook andere filmstudio's zagen de mogelijkheid en zo kon men Kurosawa's film Seven Samurai (七人の侍, Shichinin no Samurai) uit 1954 of Hiroshi Inagaki's (浩稲垣) Samurai Trilogie uit 1954-1956 internationaal uitbrengen en dus vele prijzen in de wacht slepen. Deze Jidaigeki films hebben waarschijnlijk geholpen in het accepteren van Japan als een gelijke staat en niet als een imperialistische kracht die in oorlog met naaste Aziatische landen en westerse mogendheden zoals de Verenigde Staten of Groot-Brittannië was. De films toonden beelden ver weg van de oorlog die juist gedaan was en bracht de wereld het nieuwe Japan met een exotische cultuur, kleurrijke kleren, mooie vrouwen, elegante huizen met speciale tuinen. Maar desalniettemin gaven deze films ook een beeld over de verschrikking van de oorlog, over de vernietiging van de steden, de onschuldige slachtoffers, het drama van verdriet en verlies.

Door de oorlog op de achtergrond te schuiven en zich meer te richten op het verre verleden werden de films aangenaam voor zowel de Japanners als de andere wereldburgers. Er waren geen verborgen boodschappen noch trucjes om de overduidelijke kunst van het beeld te zien. De Japanse cinema werd gekarakteriseerd door een elegantie nog nooit gezien in de wereld. De lange takes en shots gaven vele van de films een rustig gevoel waarbij men diep kon nadenken en dit sprak de jonge critici van toen enorm aan. De Japanse film had een heel andere stemming dan de westerse film en dat maakte hem zo uniek. Dit alles gecombineerd met de vele nieuwe cinematografische elementen, was de Japanse film een product van een cultuur die zich distantieerde ver van zijn verleden als een natie die de oorlog met de wereld aanging.


Invloedrijke personen

Akira Kurosawa

Akira Kurosawa

Akira Kurosawa (明黒澤) werd geboren op 23 maart 1910 als zoon van Isamu and Shima Kurosawa, hij was de jongste van 8 kinderen. Hij was 13 jaar oud toen de grote Kantō aardbeving in 1923 Tōkyō met de grond gelijk maakte, dus groeide hij achteraf op in het moderne Tōkyō, maar deze vernieuwde stad vergat nooit haar verleden. Zijn afwisseling tussen Jidaigeki en Gendaigeki films was een verwijzing naar de nood naar bepaalde traditionele waarden in de moderne maatschappij.

In 1936 hoorde Kurosawa voor het eerst van een opleiding voor regisseurs van een grote filmstudio, PCL[12]. Tijdens zijn werk bij deze studio maakte hij zijn eerste film in 1943, Judo Saga (三四郎姿, Sanshirō Sugata). In die tijd was Wereldoorlog II nog volop aan de gang en daarom werden zijn volgende paar films gemaakt in samenwerking met de overheid om te dienen als propaganda. Zijn eerste film na de oorlog en dus zonder tussenkomst van de overheid was No Regrets for Our Youth (わが青春に悔なし, Waga seishun ni kuinashi), deze film was kritisch ten opzichte van het oude regime. Kurosawa maakte nog vele films over het moderne Japan, maar het was pas in 1950 met de film Rashōmon dat hij internationaal doorbrak.

Kurosawa was een perfectionist, hij toonde dit in zijn manier van films maken. De weersomstandigheden moesten perfect zijn, de muziek moest voldoen naar zijn normen, hij gebruikte geen afgewerkte stukken muziek tijdens zijn films, bijvoorbeeld juist één instrument, alleen tegen het einde ervan zou hij de muziek in zijn volledige vorm laten spelen. De kostuums moesten de juiste tijd weerspiegelen, bijvoorbeeld voor zijn wereldberoemde film Shichinin no samurai gaf hij de boeren hun kleren enkele weken op voorhand en liet hij ze elke dag dragen zodat de kleren er tijdens het opnemen van de film oud en versleten zouden uitzien.

Kurosawa werd beïnvloed door en was een grote invloed voor vele regisseurs of andere kunstenaars. Enkele van zijn plots zijn gebaseerd op verhalen van William Shakespeare zoals bijvoorbeeld Ran, Kurosawa haalde zijn plot voor dat verhaal van King Lear. Niet alleen Shakespeare was een grote invloed maar ook andere beroemde schrijvers zoals Fjodor Dostojevski, Maksim Gorki, Georges Simenon om er enkele te noemen. Zijn film Shichinin no samurai werd later in 1960 verfilmd door John Sturges als The Magnificent Seven.

De Japanse critici noemden hem soms te westers en daarom staat hij ook bekend als de minst Japanse regisseur, maar hij was diep beïnvloed door de Japanse cultuur, door onder andere de Kabuki of Nō stukken. Hij was controversieel, traditioneel en modern tegelijkertijd. Hij is tot op de dag van vandaag nog altijd één van de grootste invloeden uit de filmgeschiedenis, niet alleen voor Japan maar voor de hele wereld.

Akira Kurosawa overleed op 6 september 1998.

Toshirō Mifune

Toshirō Mifune in de film Yōjimbō

Toshirō Mifune (敏郎三船) werd geboren op 1 april 1920 als zoon van Japanse ouders in Qingdao, China. Toen hij 4 jaar was verhuisde hij naar Mantsjoerije, in de stad Dalian. Daar groeide hij op met zijn familie. Toshirō werkte in zijn jeugd in de winkel van zijn vader Tokuzo, deze was fotograaf en ook methodist, dus dat maakte Mifune ook religieus conservatief. Nadat hij de eerste 19 jaar van zijn leven in China heeft doorgebracht moest hij in 1939 in legerdienst gaan, hij moest dienen in het Japanse leger tijdens Wereldoorlog II. In 1946 keerde Mifune terug naar Japan.

In 1947 raadde een van zijn vrienden hem aan om eens te gaan kijken bij de afdeling fotografie van de film studio Tōhō. Daar kon hij beginnen werken als assistent cameraman, maar omdat de bond contacten had met de communistische partij voelde Mifune zich daar slecht bij. Toen hij daar begon te werken was er diezelfde tijd ook een grote staking van de acteurs, vele van hen hebben achteraf ontslag genomen. Daarom organiseerde Tōhō een soort wedstrijd om nieuw talent te vinden. Zijn vrienden stuurden een formulier om hem in te schrijven zonder dat hij het wist. Hij werd geaccepteerd om mee te doen voor een screening voor een film. Uiteindelijk werd hij verkozen door de jury, maar niet om mee te spelen in de film waarvoor de wedstrijd bedoeld was, en zo speelde Mifune zijn allereerste rol in Shin Baka Jidai (The New Age of Fools of These Foolish Times) van Kajiro Yamamoto.

In 1950 trouwde Mifune met één van zijn collega actrices die hij had leren kennen op zijn werk, Sachiko Yoshimine. Het was moeilijk om de ouders van Sachiko te overtuigen omdat deze geloofden dat acteurs een soort van mensen zijn die onverantwoordelijk denken en moeilijk een gezin kunnen onderhouden, in die tijd was dat een populair gedachtengoed onder de mensen. Maar met de hulp van de regisseurs Senkichi Taniguchi en Akira Kurosawa kon de familie toch overtuigd worden. Ze kregen 2 zonen, Shiro en Takeshi en 1 dochter, Mika.

Zijn overweldigende acteerwerk, zijn kennis van verschillende talen en het goed kunnen spreken ervan, de samenwerking met de regisseur Akira Kurosawa maakte hem tot de meest bekende Japanse acteur in het buitenland. Hij werd meestal afgebeeld als samurai of rōnin. Een kenmerk van hem was zijn zware stem, dus de samurai of ronin die hij speelde waren meestal ruwe, soms slecht gemanierde personen, maar ze bezaten wel veel praktische kennis, waren nobel en rechtvaardig en in sommige films ook zeer getalenteerd in het vechten, bijvoorbeeld The Bodyguard (用心棒, Yōjimbō) uit 1961 of Shichinin no samurai, allebei van Akira Kurosawa. In tegenstelling tot dit was de Samurai trilogie van Hiroshi Inagaki, waarin hij de rol speelde van Musashi Miyamoto, een hoogtepunt van samurai manieren en eer en tegelijkertijd ook een meester in het zwaardvechten.

Zijn grote kracht was zijn onuitgesproken emotie, Kurosawa zei ooit over hem dat hij in 3 meter film een scene kon spelen waar andere acteurs 10 meter voor zouden nodig hebben. Na het draaien van de film Red Beard (赤ひげ, Akahige) kregen Mifune en Kurosawa ruzie, ze kwamen allebei ook in financiële problemen. De film Akahige was een succes in de zalen en zo kon men de schade wat beperken, maar achteraf kregen ze het allebei moeilijk met werken en geraakten ze in een depressie. In 1980 werd Mifune populair bij het Amerikaanse publiek dankzij de serie Shogun. Maar Kurosawa vond niet veel aan deze serie en zei dat ook openlijk.

In het begin van de jaren 80 stichtte hij een acteursschool op, Mifune Geijutsu Gakuin (三船芸術学院). Maar dat was gedaan na 3 jaar vanwege slechte investeringen en verkeerde financiële keuzes.

In 1992 begon Mifune last te krijgen van hartproblemen. Hij zou teveel hebben gewerkt. Sindsdien leefde hij vooral teruggetrokken. In 1993 stierf een goede vriend van zowel Mifune als Kurosawa, Ishiro Honda. Op zijn begrafenis waren ze allebei aanwezig en dat was ook de eerste keer in 30 jaar dat ze tegen elkaar spraken, zelfs omhelsden. Maar ondanks dat werkten ze nooit meer tezamen. In 1995 stierf zijn vrouw Sachiko aan kanker waardoor Mifune fysiek en mentaal snel achteruitging.

Toshirō Mifune speelde mee in bijna 170 films voor hij stierf op 24 december 1997.

Ozu Yasujirō

Ozu Yasujirō

Ozu Yasujirō (小津安二郎) werd geboren op 12 december 1903. Hij bracht het grootste deel van zijn jeugd door in de Mie prefectuur, in de stad Matsuzaka. Daar ging hij ook naar school maar toch was hij meestal te vinden in de lokale bioscoop. In 1923 ging hij naar Tōkyō om bij de film studio Shochiku te gaan werken. Daar begon hij eerst als assistent cameraman, maar al gauw werd hij assistent regisseur en kon hij zijn eerste film regisseren, Sword of Penitence (懺悔の刃, Zange no Yaiba)[13].

In het begin maakte hij enkele komedies, maar rond de jaren 30 begon hij met het serieuzere werk, hij maakte films over het gewone leven van gewone mensen, huwelijk en kinderen, dat waren zijn thema's[14]. Zijn meest bekende film is waarschijnlijk Tokyo Story (東京物語, Tōkyō Monogatari) uit 1953, deze film gaat over een bejaard echtpaar. Ze wonen op het platteland en op een dag gaan ze op bezoek bij hun kinderen in Tōkyō, maar alleen de dochter wiens echtgenoot overleden was kon tijd vrijmaken voor te ouders en zodus keerden ze achteraf teleurgesteld terug naar huis. De film toont hoe de kinderen door hun eigen leven geabsorbeerd zijn dat ze zelfs geen tijd meer kunnen vrijmaken voor hun ouders.

Zijn film I Was Born, But... (生れてはみたけれど, Umarete wa mita keredo) wordt gezien als zijn overgangsfilm naar het serieuze werk en ook als de eerste film in de Japanse cinema die sociaal kritisch was. In 1936 pas maakte hij zijn eerste niet stille film, The Only Son (Hitori Musuko), pas 5 jaar nadat in Japan de eerste stille film uitkwam, The Neighbour's Wife and Mine (Madamu to nyobo) van Heinosuke Gosho (平之助五所).

In 1937, ondanks de goede recensies van de critici, vond Shochiku dat zijn films niet genoeg geld opbrachten. Rond diezelfde tijd nog schreef Yasujirō zich in bij het Japanse leger om uiteindelijk te gaan dienen in China voor 2 jaar lang in Tweede Sino-Japanse Oorlog.

De eerste film die hij maakte na zijn legerdienst was The Brothers and Sisters of the Toda Family (户田家兄妹, Todake no Kyoudai) in 1941, een kritisch gelauwerde en commercieel succesvolle film. In 1942 maakte hij een autobiografische film, There Was a Father (父ありき, Chichi Ariki), het gaat over een sterke relatie tussen zoon en vader ondanks het feit dat ze jaren gescheiden leven van mekaar.

In 1943 moest Ozu weer in het leger gaan werken om een propaganda film te maken in Birma, het huidige Myanmar. Maar in plaats daarvan werd hij naar Singapore gestuurd, waar hij veel van zijn tijd spendeerde door het kijken naar Amerikaanse films die waren geconfisqueerd door het Japanse leger[15].

Als regisseur was Ozu excentrisch en een beruchte perfectionist, zijn films waren vergoten met het typisch Japanse concept van Mono no aware, dat betekent 'Het gewaar zijn van de vergankelijkheid van dingen' en is een concept dat bekendheid heeft verworven door de Japanse auteur Motoori Norinaga (本居宣長). Ozu Yasujirō staat ook bekend, in tegenstelling tot Akira Kurosawa, als de meest Japanse regisseur. Daardoor won hij weinig aan populariteit in het westen en dus werden zijn films pas in de jaren 1960 bekend aan de andere kant van de oceaan.

Ozu stond ook bekend om zijn overmatig drinken van alcohol, vaak maten ze de vooruitgang van een film aan de hoeveelheid lege flesjes sake er al lagen. Van alle grote regisseurs die drinken was hij waarschijnlijk de grootste drinker. [16]

De technische stijl die hij gebruikt kwam meer en meer naar voren in zijn latere films. Hij gehoorzaamde niet altijd aan de basisregels van de videomontage zoals bijvoorbeeld de 180 graden regel. Ook tijdens een gesprek tussen 2 personen, in plaats van de normale over-de-schouder shots, plaatste Ozu de camera recht voor de spreker om zo de kijker dieper in het verhaal te betrekken. Ook typisch voor hem was het niet gebruiken van de gewoonlijke overgangen tussen scènes. Hoe later in zijn carrière hoe minder hij de camera zou gaan bewegen. Ozu is ook de uitvinder van het Tatami-shot, hierbij plaatste hij de camera op die bepaalde hoogte alsof iemand aan het knielen is op een tatami mat. Hij liet ook vaak belangrijke gebeurtenissen uit zijn film weg, je ziet bijvoorbeeld twee personen praten over een gebeurtenis die nog moet gebeuren en kort daarop begint de volgende scene waar terug diezelfde twee personen praten over de gepasseerde gebeurtenis uit de eerdere scene.

In 1962 maakte Ozu Yasujirō zijn laatste film, An Autumn Afternoon (秋刀魚の味, Sanma no aji). In het daaropvolgende jaar, op 12 december 1963, overleed hij aan kanker.

Kenji Mizoguchi

Kenji Mizoguchi

Kenji Mizoguchi (健二溝口) werd geboren op 16 mei 1898 in Tōkyō als zoon van een dakwerker. De familie had een goed inkomen totdat de vader probeerde van tijdens De Russische-Japanse oorlog (1904-1905) regenjassen te verkopen aan soldaten, de oorlog was te snel gedaan om de investering terug te verdienen. Op 13 jarige leeftijd stopte de kleine Kenji met school en ging hij werken en ook grafische kunsten studeren aan het Aohashi instituut. In 1913 kreeg hij zijn eerste job als reclame ontwerper.

In 1920 begon hij als acteur en 3 jaar later werd hij aangenomen als regisseur bij Nikkatsu, datzelfde jaar maakte hij daar, tijdens een staking, ook zijn eerste film, The Resurrection of Love (Ai ni yomigaeru hi).

De vroege films van Mizoguchi waren voornamelijk gebaseerd op werken van mensen zoals Eugene O'Neill en Leo Tolstoy, maar hij haalde ook zijn invloed uit het Duitse expressionisme. Tussen 1920 en 1930 maakte hij ongeveer 50 films, Waarvan het merendeel nu verloren is gegaan.

Na de grote Kantō aardbeving in 1923 moest Mizoguchi verhuizen naar de studio's in Kyōto. Verscheidene van zijn volgende films waren keikō-eiga (傾向映画), dit zijn maatschappelijk bewuste, een beetje naar de linkerkant leunende films gemaakt in Japan tijdens de jaren 20 en 30, maar door het opkomende militarisme in Japan in de jaren 30 werd ook dat teruggeschroefd.

Tijdens de oorlog omarmde Mizoguchi het fascistische regime in Japan en maakte hij propaganda films voor de overheid. Na de oorlog werd hij, net zoals Ozu Yasujirō, bekeken als een regisseur van de oude stempel, niets vernieuwend. Maar hij werd opnieuw ontdekt door critici zoals Jacques Rivette van het Franse filmmagazine Cahiers du cinéma.

Hij maakte nog enkele moderne drama's over de moeilijkheden van vrouwen, maar daarna maakte hij, in samenwerking met Yoshikata Yoda (义贤依田), enkele Jidaigeki films. Zijn bekendste werk uit die tijd was The Life of Oharu (西鶴一代女, Saikaku Ichidai Onna) uit 1952. Deze film leverde hem internationale roem en bekendheid op. De beste film die hij ooit heeft gemaakt volgens hemzelf was Tales of Moonlight and Rain (雨月物語, Ugetsu Monogatari) uit 1953, deze film won de Zilveren Leeuw op het Filmfestival van Venetië.

De films van Mizoguchi zijn bekend vanwege zijn standpunten voor vrouwen daarom wordt hij wel eens de eerste grote feministische regisseur genoemd. Hij vind de vrouw in de Japanse maatschappij onderdrukt, hij toonde aan dat dat niet zo hoort.

Zijn technisch kunnen bestond uit lange takes, kleurrijk in beeld gebracht, zoals een schilderij. Hij gebruikte zeldzaam de in het westen geliefde close-up. Een bepaalde scene kan een paar minuten duren, hij legt nadruk door bijvoorbeeld belichting of plaatsing van dingen of personen. In dat opzicht is hij te vergelijken met Josef von Sternberg, Mizoguchi zei zelf dat dit één van zijn grote invloeden is, naast Marcel L’Herbier, William Wyler en John Ford.

Mizoguchi was ook een perfectionist, soms oefende hij een bepaalde scene wel 100 keer, tot grote frustratie van zijn acteurs. Maar omdat hij vaal lange takes gebruikte was er dus weinig ruimte voor fouten.

Kenji Mizoguchi maakte bijna 100 films, waarvan er maar 2 in kleur zijn opgenomen, in zijn carrière, hij stierf op 24 augustus 1954 aan de gevolgen van leukemie.


L'Empire Des Sens

Een donkere tijd

Aan het einde van de jaren 60 begint een donkere periode voor de Japanse film. Vele bioscopen moeten sluiten en de Japanse filmindustrie zakt in mekaar. Rond die tijd kwam ook de televisie in opgang, men zegt dat dat wel eens een grote rol zou kunnen hebben gespeeld. Niet alleen de jaren 60 maar ook de volgende decennia waren niet gelijk de bloeiperiode die de Japanse filmindustrie ooit kende, maar desondanks kwamen er ook enkele grote successen uit, zoals bijvoorbeeld de serie films It's tough being a man (男はつらいよ, Otoko wa tsurai yo) van Yōji Yamada (洋次山田). Er werden vanaf 1969 48 films gemaakt met allen in de hoofdrol Kiyoshi Atsumi (清渥美) als Tora-san tot en met 1995, het jaar voor zijn dood.[17]

In die tijd werden ook vele controversiële films gemaakt. Maar omdat de Japanse studio's in die tijd wat terughoudend waren werden vele van die films gemaakt met geld van buitenlandse investeerders.

Er waren nog andere regisseurs zoals Nagisa Ōshima (渚大島), ook zeer controversieel met bijvoorbeeld een film zoals L'Empire Des Sens (愛のコリーダ, Ai no corrida) uit 1976. Ōshima was fel gekeerd tegen de censuur en het humanisme van zijn collega Akira Kurosawa en besloot dat deze film de grenzen mocht verleggen wat betreft het tonen van het lichaam van de mens.[18] In 1978 maakte hij L'Empire de la Passion (愛の亡霊, Ai no borei), deze film hoort bij Ai no corrida, maar is wel minder provocatief, controversieel en meer ingetogen als zijn voorganger. In datzelfde jaar op het filmfestival van Cannes kreeg Ōshima de prijs voor de beste regisseur voor die film.

Nieuw licht voor de Japanse film

De productiehuizen Daiei en Shintōhō[19] zijn verdwenen en dus blijven van de grote 6 er nog maar 4 over. Tōhō werd beroemd en kon blijven bestaan dankzij de Godzilla serie. Toei maakte sindsdien faam door zijn groot aanbod van Yakuza films. Nikkatsu dankzij zijn erotische films, vooral Pink films (ピンク映画) vanaf 1971. En Shōchiku met de Tora-san serie.

Dolls

In 1989 kreeg de Japanse cinema het ook nog even heel moeilijk doordat Sony in 1989 Colombia Pictures opkoopt. Maar er komt dan meer invloed uit het buitenland en zo wordt er weer nieuw leven geblazen in de Japanse film. Er ontstaat een nieuwe generatie van regisseurs zoals bijvoorbeeld Takeshi Kitano (武北野). Hij werd eerst bekend als een komisch duo op televisie[20], hij werd achteraf acteur in films en sinds 1989 is hij ook beginnen regisseren. Hij staat vooral bekend om zijn ruwe en gewelddadige Yakuza-films, bijvoorbeeld Sonatine (ソナチネ) uit 1993, over een Yakuza die wil stoppen. Maar Kitano maakte ook meer emotie beladen films zoals Dolls (ドールズ, Dōruzu) uit 2002, een film over 3 verhalen van elk 2 personen verbonden door hun oneindige liefde voor mekaar.

Ook Nagisa Ōshima maakte in deze nieuwe tijd een film, Taboo (御法度, Gohatto) uit 1999, een film die zich afspeelt op het einde van de Edo-periode. Het is een verhaal over homosexualiteit bij de samurai in die tijd met in de hoofdrol Takeshi Kitano.

Een belangrijk regisseur in deze periode was Shōhei Imamura (昌平今村), hij begon als assistent regisseur bij Ozu Yasujirō toen die laatste zijn films maakte als Tokyo monogatari, Ochazuke no aji en Bakushū. In 1954 verliet hij Shōchiku en ging hij bij Nikkatsu werken omdat hij daar meer verdiende. Daar maakte hij ook zijn eerste film, Stolen Desire (盗まれた欲情, Nusumareta yokujo) in 1958. Shōhei Imamura was de eerste Japanse regisseur die twee Gouden Palmen won op het filmfestival van Cannes, de eerste voor zijn film The Ballad of Narayama (楢山節考, Narayama bushiko) uit 1983 en de tweede voor The Eel (うなぎ, Unagi) uit 1998. In 1989 verfilmde hij het boek Black Rain (黒い雨, Kuroi ame) van Masuji Ibuse (鱒二井伏), de film gaat over de gevolgen van de atoombom op Hiroshima.

Invloed van de Japanse film

Belang van Jidaigeki en Gendaigeki voor Japan

Het onderscheid tussen deze twee genres is wat de Japanse cinema zo uniek maakt. Het belang hiervan wordt weerspiegeld in onder andere, het bestuurssysteem en zelfs de structuur van de filmstudio's. Het onderscheid is belangrijk voor de Japanners en de hele Japanse maatschappij in de zin van dat het duidelijk de grens trekt tussen het oude feodale Japan en het nieuwe moderne kapitalistische Japan, dit was noodzakelijk voor de Japanse nationale formatie.

Japan na Wereldoorlog II

Satō Tadao (佐藤忠男) vond dat de film Shichinin no samurai een rechtvaardiging was van het opnieuw bewapenen van het Japanse leger; in 1954 zijn de National Safety Force en de Maritime Safety Board gereorganiseerd naar de Japanese Ground Self-Defense Force (陸上自衛隊). Maar dit was blijkbaar tegenstrijdig met het op 3 mei 1947, juist na Wereldoorlog II, in werking gestelde 9e artikel van de Japanse grondwet, dit gaat als volgt:

第九条 日本国民は、正義と秩序を基調とする国際平和を誠実に希求し、国権の発動たる戦争と、武力による威嚇又は武力の行使は、国際紛争を解決する手段としては、永久にこれを放棄する。
"ARTICLE 9. Aspiring sincerely to an international peace based on justice and order, the Japanese people forever renounce war as a sovereign right of the nation and the threat or use of force as means of settling international disputes.
二 前項の目的を達するため、陸海空軍その他の戦力は、これを保持しない。国の交戦権は、これを認めない。
In order to accomplish the aim of the preceding paragraph, land, sea, and air forces, as well as other war potential, will never be maintained. The right of belligerency of the state will not be recognized."


Een andere criticus zei dan weer dat de beelden van de dode samurai een verwijzing zijn naar de Japanners die zijn omgekomen tijdens Wereldoorlog II.

De Japanse tekenfilm

De Japanse tekenfilm ofwel Anime (アニメ). Vele mensen denken dat de juiste benaming manga of manga films is, maar dit zijn de stripverhalen waarop vaak de film wordt gebaseerd. Het woord anime is afgeleid van het Engelse woord 'animation'.

Sinds 1909 werden er al westerse animatie films getoond in Japan, maar het maken van eigen animatie films begon pas in 1915. Het maken van commerciële films begon pas in de periode na de oorlog, de eerste stomme Japanse tekenfilm was er in 1918, maar de eerste tekenfilm met stemmen werd pas gemaakt in 1932 door Kenzo Masaoka (政岡憲三). De films gemaakt na de oorlog werden geproduceerd door studio's zoals Toei, een bedrijf voornamelijk bekend van zijn live-action films.

Akira

In 1963 kwam de eerste geanimeerde televisie serie van Japan uit, Astro Boy (鉄腕アトム, Tetsuwan Atomu) van Osamu Tezuka (治虫手塚). Het verhaal van een kleine robot-jongen, gebouwd door een briljante wetenschapper als vervanging voor zijn dode zoon, was een onmiddellijk succes. Niet alleen door de spannende en geëmotioneerde verhaallijn[21], maar ook door het effectieve gebruik van de grafische middelen en de kleuren. Kort na Astro Boy schreef Tezuka het verhaal Kimba, the White Lion (ジャングル大帝, Janguru Taitei)[22]. Deze serie werd ook een groot succes. Op het einde van de jaren 60 hadden de geanimeerde televisie series een stevige plaats ingenomen in Japan.

Disney maakt uitsluitend films gericht voor een publiek van kinderen, maar bij anime is zulke restrictie er niet en dus worden ook animatie films gemaakt voor volwassenen. Het bekendste voorbeeld is wellicht Akira (アキラ) van Ōtomo Katsuhiro (大友克洋) uit 1988, de film die internationaal doorbrak en anime aan de wereld voorstelde. Het verhaal speelt zich af in het neo-futuristische Tōkyō dat juist werd vernietigd door een nucleaire explosie, dit zette Wereldoorlog III in gang. Tetsuo en Kanedo zijn twee beste vrienden, de eerste raakt verwikkeld in een militair project en verliest stilaan de controle over zijn lichaam en geest, tot er uiteindelijk geen controle meer is. De film is een sterke kritiek tegen de Japanse en westerse maatschappij en is in deze tijd nog steeds populair.

Voetnoten

  1. Toestel om opnames te bekijken, maar het was geen echte projector.
  2. Een oude filmprojector.
  3. Werd voor het eerst getoond in juli 1903 in het Naniwaza in Ōsaka.
  4. Een oude wijk in het district Taitō in Tōkyō.
  5. Shinpa was vaak een sentimenteel drama met een droevig einde.
  6. Dramaverhalen over de huidige maatschappij.
  7. Betekent letterlijk 'periode drama', ze spelen zich voornamelijk af in de Edo-periode van 1603 tot 1868.
  8. Verhalen van een populaire mondelinge vertellingsvorm.
  9. Onoe werd een idool van de kinderen in die tijd omdat hij voorkwam in talloze ninjutsu films.
  10. Letterlijk betekent het bewegende beelden, het werd later hernoemt naar Eiga (映画).
  11. Terugkeer van de keizerlijke macht naar de keizer en val van het Bakufu, van 1854 tot 1868.
  12. Dit werd later Tōhō.
  13. 50 van de films die hij gedurende zijn carrière maakte, werden gemaakt bij deze studio.
  14. Ironisch genoeg bleef Ozu altijd alleenstaand en kreeg hij nooit kinderen.
  15. Volgens de Amerikaanse auteur Donald Ritchie was de favoriete film van Ozu, Citizen Kane van Orson Welles.
  16. Soms leggen bezoekers die het graf van Ozu Yasujirō bezoeken er een flesje sake naast neer om hun respect te betuigen.
  17. Hij was zo populair dat hij als synoniem voor Tora-san werd beschouwt, daarom beschouwen vele mensen dat met zijn dood Tora-san is gestorven en niet Kiyoshi Atsumi.
  18. Tot op de dag van vandaag is er nog altijd geen ongecensureerde versie te verkrijgen in Japan.
  19. Werd opgericht door de mensen die bij Tōhō studio zijn weggegaan.
  20. Zijn bijnaam is Beat Takeshi, een naam die hij nog steeds gebruikt.
  21. Astro Boy was de eerste in een lange daaropvolgende reeks series over menselijke robots.
  22. Kimba was de eerste serie die gebruik maakte van kleuren op de Japanse televisie.


Bronnen

Boeken

  • Yoshimoto, Mitsuhiro. Kurosawa, Film Studies and Japanese Cinema, Duke University Press 2000
  • Tessier, Max. Le Cinéma Japonais, Une introduction, Nathan Université 1997
  • Napier, Susan J. Anime, from Akira to Princess Mononoke, Palgrave 2001
  • Krauss, Ellis S. Broadcasting politics in Japan, Cornell University Press 2000
  • McDonald, Keiko I. From Book to Screen, Modern Japanese Literature in Film, M.E. Sharpe 2000
  • Willy, Vande Walle. Van samurai tot soft power, Katholieke Universiteit Leuven (acco) 2007.

Internet