Japanse concentratiekampen

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken

De Japanse concentratiekampen hebben veel ellende teweeggebracht bij hun eigen volk en de buitenlanders. Het voornaamste doel was het tewerkstellen van gevangenen. Deze kregen zware klussen op te knappen.

Algemene/politieke situatie

De opkomst van de fascistische dictatuur op het einde van de Taishō zorgde voor een geleidelijke verrechtsing op het Japanse vasteland. Door de nadruk te leggen op de cultivatie van de staat, de traditionele waarden en het doordrukken van de Keizerlijke visie (kōkoku shikan皇国史観),werd het uitbreken van een internationale oorlog onontkoombaar. Op het internationale toneel was het uitbreken van de oorlog in de Stille Oceaan louter een onderdeel van een globale oorlog, maar intern zorgden zowel de Sino Japanse oorlog als de Tweede wereldoorlog voor een aantal implicaties, die de Japanse rol tot op de dag van vandaag in vraag doet stellen. Japan nam aanvankelijk een quasi neutrale houding aan het wereldconflict, want tegelijkertijd wilde het zich concentreren op de assimilatie en an sich, koloniale uitbreiding op het Chinese vasteland. Bovendien moesten de Verenigde Staten deze evolutie met lede ogen aanzien, zij waren immers verwikkeld in de oorlog op het Europese continent. De Japanse overheid streefde naar een grotere welvaart, maar haar superioriteitsgevoel leidde ook naar een algemene zendingsdrang om de door het Westen gekoloniseerde Aziatische landen te bevrijden. De Japanse leiding over deze landen zou niet alleen meer welvaart met zich meebrengen, maar impliceerde bovendien een verrijking van Japan en een creatie van een Japanse/Aziatische sfeer, door en enkel voor Aziaten. Echter, naarmate de oorlog zich verder manifesteerde, ontpopte Japan zich tot een oorlogsmachine die het groeiende verzet koelbloedig neersloeg. De koloniale bezetting maakte na amper tien jaar plaats voor een repressieve Japanse bezetting. De plaatselijke bevolking incasseerde de grootste verliezen, werden zwaarder belast en de misdaden van Japan op het vasteland geeft tot op de dag van vandaag nog steeds stof tot discussie. Het sterk geëvolueerde leger en de zeemacht hebben zorgde ervoor dat Japan vele gebieden kon veroveren. In de veroverde gebieden richtten ze speciale kampen op die hoofdzakelijk gebaseerd waren op geïmplementeerde reglementen. Het fanatisme en de repressie en de inmiddels duidelijke afkeer van Westerse tussenkomst laten duidelijk blijken dat de nieuwe Japanse heersers een strak plan had om de veroverde gebieden zowel psychologisch als materieel te onderdrukken en ten dienste te stellen van de Japanse staat. Krijgsgevangen, strafkampen en een strak rantsoeneringplan werden ingevoerd. Pas tegen eind april 1942 kwam een eerste discussie betreffende de behandeling van de autochtone bevolking. Luitenant-generaal Mikio Murakami, hoofd van het departement ressorterende krijgsgevangenenbureau, drong er uiteindelijk op aan dat Japan zich aan de punten van de conferentie van Genève zou houden. Tevergeefs, want de indoctrinatie van en door de staat leidde evenwel naar de visie van ‘de bevrijding van Azië door Aziaten’.Begin augustus 1942 vond er in Tokyo een nieuwe conferentie plaats. Dit keer onder leiding van Murakami die de opdracht gaf om de gevangenen beter te behandelen. Dit wegens de bescherming van de Japanse naam op het internationale toneel. Murakami wou voorkomen dat de Japanse militairen als soldaten van de laagste rang werden beschouwd, maar het gevolg hiervan was dat de gevangenen harder moesten werken en een verklaring van gehoorzaamheid moesten afleggen. De verantwoordelijke commandanten hadden daarentegen een eigen visie over het bestuur van de veroverde gebieden waardoor de regeling in theorie wel van kracht was, maar in praktijk niet werd nageleefd.

Doel

Japan kreeg verschillende waarschuwingen zich terug te trekken uit Indochina en China, maar Japan weigerde en die overmoed leidde later naar de eigenlijke volledige capitulatie. Bovendien kon Japan heel goed gebruik maken van de arbeidskrachten, die ten dienste van de oorlogsmachine tewerkgesteld werden in oorlogstransport en industrie. Zware manuele arbeid maakte deel uit van hun dagelijkse leven zoals onder andere: voor de aanleg van vliegvelden, wegen en later ook de Birma-spoorweg. De inheemse militairen werden weer vrijgelaten, waardoor 16500 militairen getransporteerd werden naar Thailand om ter plaatse onder druk deel te nemen aan het Birma-spoorweg project. Toen de uitbouw klaar was bleef een deel achter in Thailand om de spoorweg te onderhouden. De achterblijvers werden opnieuw overgeplaatst voor de aanleg van andere transportmiddelen.

Birma Spoorweg

kaart van de Birma spoorweg

De plannen voor dit project dateerde al van voor de Tweede Wereldoorlog. Het was oorspronkelijk door een Frans-Britse maatschappij uitgewerkt. Het hoofdkwartier in Tokyo besloot op 20 juni 1942 het plan uit te voeren. In eerste instantie werd gedacht om romoesja’s[1] te vangen en deze uit te buiten

De krijgsgevangenen begonnen direct met de bouw van werkplaatsen en magazijnen die noodzakelijk waren voor de bouw van de spoorweg. De orders voor de aanleg van de spoorweg zouden echter pas in augustus gegeven worden. Het omvatte 14 maanden durende verplichte arbeid. De spoorweg zou in totaal een lengte van 415km krijgen waarvan het hoogste punt op ruim 300 m zou liggen. De baan kreeg een breedte van 100cm. Deze zou als enkelspoor langs de lijn aangelegd worden. De bedoeling hiervan was om in beide richtingen een capaciteit van 3000 ton per dag te bekomen. Vier miljoen kubieke meter aarde werd verplaatst en 3 miljoen kubieke meter rots moest uitgehakt worden. Een paar honderd spoorbruggen moest worden aangelegd met een totale lengte van 14km. 2 van deze bruggen werden van ijzer gemaakt. Voor de overblijvende projecten werden materialen als hout ter beschikking gesteld.

In juni 1942 werden een groot aantal romoesja’s aan het werk gezet, die omwille de enorme druk, repressie en straffen zeer snel bezweken. 90% van deze werkgroep stierven in een tijdsspanne van een aantal maanden. "Elke 2m van het spoor heeft een mensenleven gekost". De weeromstandigheden in Birma en Thailand waren vreselijk wegens het Moessonklimaat waarbij hitte en vochtigheid de arbeidsomstandigheden volledig domineerde. Eens de moesson was afgelopen kwam de periode van droogte en zware benauwdheid.

In het begin van 1943 was er in het zuiden al een spoor van 100km aangelegd. Langs de lijn liep een verharde weg die diende voor de vrachtwagens. De krijgsgevangenen mochten spoor noch weg gebruiken om naar het volgende werkpunt te gaan en werden gedwongen om maandenlang de immense afstanden te voet af te leggen. De gevangenen moesten 25km per nacht met zware bepakking, weinig rustpauze of nachtrust, afleggen. Vele krijgsgevangenen hadden geen schoeisel waardoor hun voeten zeer snel wonden kregen. Gevangenen die vermoeidheid vertoonden lieten zich in de modder vallen. Overdag kon men uitrusten in de krappe barakken bij het kamp langs de spoorlijn, afwisselend met werkuren. In april 1943 waren velen mensen niet meer in staat om te werken wegens allerlei ziektes. In augustus 1943 bereikten de arbeiders de Drie Pagoden-pas.

De Birma-spoorweg was na 14 maanden afgewerkt en werd zeer snel ter gebruik gesteld. Een deel van de krijgsgevangenen en romoesja’s bleven achter om hout te hakken voor de locomotieven. Vanaf maart 1944 kreeg de Birma-spoorweg het zwaar te verduren. Deze werden namelijk gebombardeerd door geallieerden. Hierbij vielen enkele honderden doden. Hierna zijn ze begonnen met de afvoer van krijgsgevangenen naar de mijnen, die grotendeels niet bekwaam waren of niet konden zwemmen.

De Shoa van Tenno Showa

De Shoa van de Tenno Showa[2] was een sluipende genocide. De krijgsgevangenen werden gebruikt voor de aanleg van spoorwegen en landingsbanen voor de oorlogvoering en de arbeidsinzet in de Japanse mijnbouw en industrie. In heel Zuid-Oost Azië en Japan werden de mannen ingezet als dwangarbeiders en slaven tegen een verzorging die ver onder het bestaansminimum lag.

De aanvoer van vervangers van de dode gevangenen leek onuitputtelijk. Het is een onbegrijpelijke zaak wanneer we bedenken dat de Japanse industrie rijkelijk geprofiteerd heeft. Blanke krijgsgevangenen waren van groot belang voor de productie. Deze mensen waren hoogopgeleid en waren dan ook meer dan een welkome aanvulling bij afwezigheid van het eigen Japanse arbeidspotentieel. Vaak waren ze de enige arbeidskrachten. Internationale conventies ter bescherming van krijgsgevangenen en geïnterneerden waren door de regering van Tenno Showa ongeldig verklaard.

Miljoenen mensen werden in de bezette gebieden afgemaakt, uitgehongerd of op een andere wijze om het leven gebracht. Een van de grootste massamoorden waren de dodenmarsen van het kamp Sandakan, op Borneo. 2500 man in groepen van 500 werden de jungle ingestuurd. De mannen die achter moesten blijven omdat ze niet meer konden lopen of staan werden direct met de kogel gedood. Vijf mannen hebben geprobeerd te ontsnappen maar slechts één persoon heeft het gehaald. Dit was de Australiër Owen Campbell.

Sado: liquidatieplan op 2 augustus 1945 gestart

Op 2 augustus 1945 waren er nog 387 man in leven op het eiland Sado. De mannen waren naar het eiland gebracht om in de ijzermijn te werken. Op 1 augustus had kampcommandant Tsuda de opdracht gekregen om ervoor te zorgen, dat de volgende ochtend tussen 08:00 en 08:45 uur iedereen in de mijn zou afdalen. Dit is heel ongebruikelijk aangezien er altijd een ploeg bovengronds moest blijven om de bakken met ijzererts, die naar boven kwamen, te legen. Maar die ochtend moesten ze allemaal naar beneden tot in het diepste gedeelte van de mijn. De nacht van tevoren waren in het diepste geheim op verschillende hoogtes explosieven aangebracht. De wachters hadden de opdracht gekregen zich om 9:00 uur uit de voeten te maken.

Om 9:10 uur werd het sein gegeven om de mijn op te blazen. De geweldige explosie veroorzaakte een lawine die rotsblokken naar beneden deed rollen. De rotsblokken versperde de ingang. Een uur later begon men met het opruimen van alle sporen van de mijn en het kamp. Niemand zou het ooit ontdekken.

Tsuda bevestigde dat hij wel degelijk op de hoogte was van het geheime Keizerlijk Liquidatiebevel. Het verdelgen van alle gevangenen op een zo snel en efficiënt mogelijke manier moest Japan ooit worden bedreigd met een invasie of een militaire nederlaag. Tsuda zou het zo zorgvuldig gedaan hebben dat de onderzoekscommissie in 1950 afzag van het omvangrijke en gevaarlijke karwei om het massagraf te laten openen.

Situatie in het kamp: Voeding en slaapplaatsen

agaatslak als maaltijd

In het begin van de oorlog waren er kleine akkertjes waar het voedsel werd verbouwd door de gevangenen. In de barakken was er nog genoeg ruimte. Al snel haalden de Japanners veel meer krijgsgevangenen binnen dan ze eigenlijk aankonden. Hierdoor raakten de kampen overvol en heerste er een groot voedseltekort. Aan het begin van de oorlog kon men nog 420g rijst verwachten, bij zwaar werk bedroeg dit 640g. Maar in juli ’44 werd dit verlaagd naar 390g en 610g voor de harde werkers. Als vervangmiddel maakte men vaak stijfselpap klaar in de gaarkeuken. Dit is een soort aardappelmeel. Om het een beetje smaak te geven voegde men er gist aan toe.
Het dagelijks rantsoen was:

  • ontbijt: 1 pollepel stijfselpap
  • middagmaal: 1 schuimspaan gekookte rijst, 1 pollepel ‘groentesoep’
  • ’s avonds een broodje (buiten het kamp) van 10 x 15 x 2cm.

Soms hadden de gevangenen geluk, want over het gedek[3] werden er wel eens pakjes met eten gegooid door de inheemse bevolking. Richting het einde van de oorlog werden de Japanners steeds wreder. Het eten geraakte op en men deed echt alles om aan eten te geraken. Zo gingen vrouwen steeds meer naar de rand van het kamp om onkruid te plukken. In de hoop deze te kunnen opeten. Later gingen ze ook op zoek naar slakken. Keongs agaatslakken waren het lekkerst en ook het makkelijkst te vinden.

Zware arbeid

Het werk dat de gevangenen moesten verrichten bestond meestal uit grove zware klussen die op één of andere manier te maken hadden met het bevorderen van de infrastructuur. Dit was nodig voor een goed verloop van de oorlog aan de Japanse kant. De gevangenen moesten vooral wegen, spoorlijnen en vliegvelden aanleggen.

Ziektes

Hoe langer de oorlog duurde hoe slechter de omstandigheden in de kampen werden. Medische hulp was er zo goed als niet. Al snel werden de gevangenen ziek en gingen dood. Vooral malaria, tropenzweren en cholera kwam veel voor onder de gevangenen. Voor deze ziektes waren er nog geen medicijnen die hiervoor bestemd waren. Doordat de gevangenen geen weerstand meer hadden ontstonden er zeer wrede situaties. Men was erg bang voor het uitbreken van besmettelijke ziektes. Vooral wanneer men tijdens transporten op elkaar moesten zitten.

Wanneer kinderen symptomen van besmettelijke ziekten vertoonden werden ze door de hancho[4] van hun moeder afgenomen en achtergelaten of uit de trein of vrachtwagen gegooid. Sommige kinderen hadden geluk en kwamen in de handen van de inheemse bevolking. Bij hen werden ze liefdevol behandelt en opgevoed. Sommige verbleven er jarenlang. Men maakte geen onderscheid qua uiterlijk. Elk kind was zo goed als welkom bij de inheemse bevolking.

De Japanse commandanten kregen te horen dat wie ziek of stervende was geen rantsoenen mochten krijgen. Normaal was het de taak van de kinderen om voor de zieken te zorgen. Wanneer de zieken helemaal niets zelf meer kon kreeg deze een witte jas aan. Veel mensen zaten onder de hongeroedeem en uitputting. Wonden, zweren en schurft maakte deel uit van de dagdagelijkse sleur. Na een poosje werden ze dan toch weggedragen naar de ziekenafdeling. Men kreeg dan toch nog de toestemming om bij bekenden op bezoek te gaan. Er was één afdeling die strikt verboden was, hier lagen de mensen met een heel besmettelijke ziekte. Meestal sterven deze mensen in de ziekenafdeling. Velen stierven door uitputting en voedseltekort.

De doden werden naar de poort gesleept waarna ze weggedragen werden. De vrouwen die als taak mee de begrafenis moesten verzorgen waren de gelukkigen. Het is een soort uitje. Vaak was dat een teken van extra eten. De inheemse bevolking verstopte regelmatig eten op de begraafplaats. Af en toe werden er briefjes het kamp binnengesmokkeld met een levensteken van iemand.

De sanitaire omstandigheden waren heel erg. Een conservenblikje diende als wc. Dit moest men naderhand gaan legen in de beerput. Om de situatie toch wat leefbaarder te maken bouwden de gevangenen een gat met een plank erbovenop. Maar al gauw stroomde deze ook over.

Straffen en behandeling

Foto over het leven in een concentratiekamp

De behandeling van de gevangenen was in het algemeen heel slecht. Toch verschilde dit wel van kamp tot kamp. Elk krijgsgevangenkamp had een officier. De behandeling van de gevangenen hing voor een groot deel af van die officier. Sommige stonden bekent als beul terwijl anderen een gunstige indruk maakte op de krijgsgevangenen.

Japanners maakten veel gebruik van straffen in de krijgsgevangenenkampen. Vaak was de reden voor het straffen de slechte communicatie tussen gevangenen en Japanners. De gevangenen konden de Japanners niet verstaan. Hierdoor wist men niet altijd wat te doen. Het gevolg hiervan is dat men iets verkeerd deed wat de Japanner niet aanstond en daarmee ook direct een reden tot straffen gaf. De Japanners werden ook achterdochtig omdat ze de gevangenen niet konden verstaan. Dit gedrag deed hen sneller straffen.

De straffen in een Koreaans kamp waren nog veel erger als dat van in een Japans kamp.Een voorbeeld van een straf in een Koreaans kamp: enkele gevangenen hadden extra rijst gekocht op hun weg naar het kamp om zo hun magere rantsoenen te kunnen aanvullen. Tijdens het fouilleren bij het kamp werd de rijst ontdekt. De negen mannen bij wie het ontdekt was moesten eerst naar de barak toelopen. Om de zoveelste meter stond er een Koreaan, gewapend met een rotan. De mannen moesten de hele serie afwerken, door elke Koreaan werden ze afgeranseld. Voor de barak lagen 3 grote blokken hout, na eerst nog even afgedroogd te zijn moesten 3 van hen 15 minuten lang het blok van ongeveer 50kg met gestrekte armen boven hun hoofd houden. Dit hield niemand vol. Zodra de armen niet meer gestrekt waren begonnen ze te slaan met de rotan. Na een kwartier mochten ze bij de anderen in de houding gaan staan. Als iedereen geweest was mocht je de marteling nog een keer ondergaan. Op een gegeven moment lieten de gevangenen de blokken vallen. Hierop kregen ze als antwoord een heuse trap en moesten ze weer in houding gaan staan. Dit is slechts één van de honderden straffen geweest die de Japanners en Koreanen hadden.

Een andere straf is het opgesloten worden in een kooi die enkel groot genoeg is om in te hurken. Deze werd voor de ingang van het kamp geplaatst zodat iedereen een goede blik kon werpen. Het was belangrijk dat men kon zien hoe iemand gestraft werd. De meest beruchte straffen waren de collectieve straffen. Hierbij werd het hele kamp gestraft wanneer men de schuldige niet kon vinden. Wat ook berucht was waren de regelmatige kampinspecties. Alle goederen die volgens de Japanners overbodig waren werden afgenomen. Dit kon bijvoorbeeld een 2e set kleren of horloges zijn.

Bep Vuyck, auteur van “Kampdagboeken” beschrijft de aankomst van de Tjihapit-mensen.[5]
“De Japanners zijn woedend over de hoeveelheid goederen die de nieuwelingen mee hebben genomen. Maar de fout ligt bij de nippon zelf, hun collega’s in Bandung hebben het toegestaan. Men schreeuwde “20 kilo en niet meer!”. De vrouwen worden naar de barakken gejaagd, de geopende koffers blijven achter op het veld, bewaakt door de heiho’s (inlandse hulpsoldaten van de Japanners). In kussenslopen gestouwd, in bundels gebonden, dragen de vrouwen hun 20 kilo mee.”

Door middel van kleinigheidjes zoals het opzettelijk doen verdwijnen van gereedschappen of het scheef plaatsen van delen van bruggen waardoor spoordelen niet precies op elkaar aansloten kwamen de dwangarbeiders regelmatig in opstand. Deze acties leverden extra vertraging op. De Japanners stelden de capaciteiten van de arbeiders op proef.

Vaak stonden de gevangenen met z’n allen buiten in de zon. Appèl is de juiste benaming. Dit gebeurde wanneer iedereen geteld moesten worden of men naar iemand moest luisteren. Het kwam wel eens voor dat iemand niet kon staan. Ze lieten zich dan vallen en wachtten tot iedereen weg was. Als er een Japanner voorbij kwam moest iedereen, zelfs de kleinste kinderen, hem groeten. Zodra men een Japanner zag riep die heel hard “Kjotkee” (in de houding) en dan “Kieree” (buigen) waarna “naurei” (terug in de houding). Werd er niet diep genoeg gebogen dan wordt er geslagen. Dan had je zogezegd de keizer beledigd. Om het minste en geringste werd er naar iets gegrepen om te slaan en te trappen.

Corvee diensten

Corvee diensten waren dagelijkse noodzakelijke plichten. Deze diensten werden opgedeeld in buiten het kamp en de binnendienst. Het werk was niet altijd plezierig. Zo moest men papierprikken, wc’s schoonmaken, rioleringen schoonmaken enzovoorts. Over het algemeen werden de binnenwerkjes opgeknapt door diegene die het zware werk niet mochten doen. De reglementen werden steeds strenger. Zo werden familiebezoeken of kennissenbezoeken uit den boze. Persoonsgegevens mochten ook niet meegenomen worden.

Executie

Er bestaan vele manieren van een executie en hier volgt een voorbeeld erop. Drie mannen werden apart gebonden aan een paal van een heg. Het bovenlijf was ontbloot. Zowel gebonden aan handen als aan voeten met nog steeds een glimlach op hun gezicht. Hun hoofden waren fier geheven. Plotseling volgt er een geschreeuw van commando’s en stilte nam de bovenhand. De hoogste Japanse officieren waren komen opdagen. De officier die de executie moest uitvoeren meldde zich, groet, buiging enzovoorts. Even werd er uitgelegd wat de vertoning moest voorstellen. Bevelen klonken en zes Japanners met geweer en bajonet traden naar voren. Er heerste een doodse stilte. Ieder hield zijn eigen gedachten en mening voor zich. De soldaten plaatste zich een halve meter voor de gevangenen. Er werd gevraagd naar een laatste wens. De drie jongemannen knikten ‘nee’. Ze kregen de keus om geblinddoekt te worden maar deze wezen ze af. Daarna volgde het laatste bevel. De Japanners gilden terwijl de drie jongens uit volle borst riepen “leve de koningin”. De Japanners sprongen naar de jongens toe en staken hun vlijmscherpe bajonetten in de borst en in de buik, draaiden een paar maal en trokken de darmen eruit, steken in de hals en als laatste een steek in het hart. Een bevel deed de soldaten stoppen met het bloedige sadisme.

PTSS: Posttraumatische Stressstoornis

Al deze gebeurtenissen tezamen hebben de overlevenden geen goed gedaan. Het draagt tot op de dag van vandaag ernstige gevolgen met zich mee. Het fundamenteel vertrouwen van de hedendaagse mens is niet geschaad, in oorlogsdagen was dat een ander verhaal. De bezetter handelde naar willekeur en represailles, razzia’s en deportaties konden in principe iedereen treffen. Mannen, vrouwen en kinderen werden in Japanse kampen geïnterneerd.

Voor velen was de strijd zelfs na de oorlog nog niet gedaan. Buiten was de vijand verslagen wat ervoor zorgde dat de heropbouw kon beginnen. Maar binnen in het hoofd ging de oorlog voort in de vorm van gruwelijke herinneringen. Overlevenden begonnen slecht te slapen, creëerden fobieën en kregen af te rekenen met paniekaanvallen. Men ontweek prikkels die aan het trauma deden denken, men weigerde erover te praten, wantrouwen vond plaats, het gevoel niet erkend te worden stak ook de kop op.

Tegenwoordig heeft men een benaming voor deze klachten. Namelijk een posttraumatische stressstoornis. Vele mensen die met de oorlog te maken hebben gehad en die in de eerste beginjaren geen klachten vertonen krijgen deze toch nog op oudere leeftijd. PTSS wordt omschreven als een stoornis met herbelevingsverschijnselen, vermijdingsgedrag en verhoogde waakzaamheid als gevolg van het doormaken van een ernstige gebeurtenis met kenmerken van levensgevaar (het trauma). Sommigen zijn zo langdurig en diepgaand getraumatiseerd dat er een uiterst complex beeld is ontstaan. Zo kregen ze te kampen met depressiviteit, rusteloosheid, lichamelijke klachten, wantrouwen, moeizame relaties, schuldgevoelens, dissociatie, verslavingsproblematiek en nog veel meer. Het evenwicht is labiel: onder stressomstandigheden kan deze PTSS “reactiveren” en zo opnieuw beginnen.

Opname in en rusthuis kan zeker zorgen voor ontwrichting in de onafhankelijkheid, controleverlies, vereenzaming en bedreiging van het voortbestaan. Omdat deze verhuizing niet vrijwillig is maar onder dwang gebeurt. Daardoor verhuist de oorlogsgetroffene naar een plek van lagere kwaliteit van leven, hier wordt hij geconfronteerd met gebrek aan autonomie, afhankelijkheid, discipline, ziekte en sterven. Deze verblijfsomstandigheden zijn zeer prikkelend. Het doet hen terugdenken aan de barak-achtige gebouwen, gesloten afdelingen, werkkleding, het gerinkel van sleutels, rondes door de nachtdienst, mensen op bed, geringe privacy, opgedrongen gezelschap.

Actieve oorlogstrauma’s vereisen een actief beleid. Het zorgen voor een oorlogsgetroffene is zeker niet makkelijk. Men moet in staat zijn een vertrouwensrelatie op te bouwen, een gevoel van zelfbeschikking en controle hebben en inzicht in de situatie hebben. Met die behandeling hoopt men dat de cliënt een eventueel evenwicht zal vinden. Maar de kansen op genezing is zeer gering. Men kan proberen de klachten te minderen en een volgende decompensatie te voorkomen. Met een behandelplan bestaande uit individuele gesprekken, een dagstructuur met beweging en activiteiten, en medicatie probeert men de symptomen te onderdrukken.

Hoop - moed

muziek doet leven

Ondanks de zware emotionele druk wisten de gevangenen toch opzoek te gaan naar hoop en recreatie. De eenvoudigste vorm, die bovendien helemaal niets kostte was de samenzang en de koorzang. In elk kamp bevond zich wel een vrouw en man die konden zingen. Wat uiteindelijk leidde tot het schrijven van composities bij bijzondere gelegenheden. De zangkoren lieten zich niet alleen op feestdagen horen, maar ook bij kerkelijke feesten, waar van de viering in het begin bijna altijd door de Japanners werd toegestaan. De beroepsmusici waren ook geïnterneerd en in de mannenkampen vond men al gauw enkele leden voor een orkest. Muziekinstrumenten had men in het begin van de oorlog mogen meenemen. Sommige Japanse kampcommandanten lieten één of meerdere piano’s toe. Velen hadden hun grammofoons bij zich. Zo blijkt dat men de eerste jaren zeker geen gebrek een entertainment had.

Avonden van toneel en cabaret waren iets moeilijker. Men moest letterlijk alles zelf produceren. De tekst moest geschreven worden, de decors, kostuums ontworpen en vervaardigd worden met de meest primitieve middelen. Natuurlijk werd er ook gedacht aan ontspanning voor de allerjongsten. Zo werden er dergelijke jeugdclubs, lessen in zang, volksdansen, knutselen, enz. opgericht. In bijna elk kamp had men een padvinders afdeling ingericht.

Om de kamptijd zo nuttig mogelijk te besteden werden in de meeste kampen onderwijs gegeven aan jongeren en gingen volwassenen naar lezingen of volgden cursussen die door vakmensen gegeven werden. Al snel begreep men dat een geestelijk tegenwicht gevonden moest worden. En zodoende tastte men alle mogelijkheden in hun afgesloten wereldje af.

Elk stuk papier werd benut om muziekpartijen te noteren. Vaak gebeurde dit uit het hoofd. Wegens ruimtegebrek ging men het in cijferschrift noteren. Deze cryptische notaties wekte argwaan op bij de Japanners. Deze werden dan direct verbrand. Toch begon men volksliederen en 'carols' in te studeren. Er werd les gegeven in algemeen vormend muziekonderwijs en harmonie- en compositieleer. Bovendien gingen gevangenen hun eigen instrumenten maken. Zo ontstonden er zelfgemaakte fluiten, gitaren, ukeleles, violen, blaasinstrumenten en zelfs een cello.

Verschillende kampen

De Japanners rangschikte de krijgsgevangenen volgens geslacht en leeftijd. Eerst bestond er enkel een onderscheid tussen vrouwen en mannen. In 1943 kwam hier echter verandering in. Jongens werden vanaf hun 10e (soms 9e) levensjaar gescheiden van hun moeders en geïnterneerd in het jongenskamp. Oude en zieken mannen werden ook ondergebracht in het jongenskamp. In totaal zijn er 4 jongenskampen opgericht. Tjimahi 6, Semarang 3, Ambawara 8 en tenslotte Batavia 3.

Jongenskampen in West-en Midden-Java

Er heersten grote verschillen tussen de vier jongenskampen. Het eerste verschil is het interneren in de woonwijken of in kazernes. Zo is bewezen dat de barakken een sterk deprimerende invloed gehad hebben. Het ontbreken van privacy heeft de gevoeligheid voor de collectieve straffen verhoogd en de kwetsbaarheid vergroot. Dat contrast bestond al tussen de vrouwenkampen. Een ander verschil is het contact met de leiding. In Tjimahi 6 was deze veel directer terwijl het in de barakken veel onpersoonlijker was.

Een tweede verschil tussen het jongenskamp Tjimahi 6 en Amabawara 8 was de mate waarin leden van een gezin als vaders, oudere en jongere broers samen konden optrekken. De Nederlandse kampleiding deed er toen alles aan om vaders en zoons bij elkaar te brengen in jongenskamp Tjimahi 6, dit gold ook voor docenten en leraren. Het verhoogde de sfeer voor de nieuwkomers. Door de juiste aanpak, strakke discipline en gecoördineerde smokkel van voedsel en medicijnen wist de leiding te bereiken dat de sfeer opgewekter was dan in de andere jongenskampen. Dit patroon werd een maand later eventjes verstoord door de transporten van mannen en jongens uit Batavia. Maar al snel werd dit hersteld.

Ambawara 8 kreeg een opdoffer te verwerken toen plotseling oude mannen vanaf 60 jaar naar het jongenskamp getransporteerd werden. Men kreeg opeens te maken met een heel groot leeftijdsverschil. De ouderen takelden zienderogen af en iedere dag kregen de jongens steeds meer lijken te begraven. De nonnen in de jongenskampen van Ambawara en Semarang hadden het ook zwaar. Zij werden opgezadeld met het verplegen van een groeiend aantal uitzichtloze patiënten. Vaak kregen ze ook nog te maken met jongens die steeds rebelser werden.

Het derde verschil is niet veroorzaakt door de Japanner zelf maar door de Bersiap der Indonesiërs. De Bersiap verloor de macht vanwege de zuivering onder het commando van generaal-majoor Mabuchi. Dit leidde tot isolatie voor het kamp in Ambawara. Daarop besloot het Britse commando zoveel mogelijk mensen te evacueren naar Semarang. Het kamp was overvol maar wel veilig. De Indo’s en Chinezen konden niet op tijd weggehaald worden door de Britten en bleven achter. Het enige dat deze vier kampen gemeen hadden was de leiding. Men had duidelijke idealen voor ogen en men had ook een hoge inzet.

Overige kampen

Voor de jonge meisjes was er geen apart kamp. Zij mochten bij de volwassen vrouwen verblijven. Vanaf 9 – 10 jaar moesten zij meedraaien met de volwassenen. Ze werden gedwongen tot het naaien van uniformen voor de Japanners en lendendoekjes voor het mannenkamp. Rijst- en groenteteelt behoorde ook tot hun dagelijkse taak. Later werden deze meisjes ook nog eens ingezet in de Japanse bordelen.

Voetnoten

  1. was een veelal uit Java afkomstige arbeider die tijdens de Tweede Wereldoorlog onder aan slavernij grenzende omstandigheden voor de Japanse bezetter moest werken. Japans: 労務者, rōmusha: "arbeider"
  2. Tenno Showa betekent Verlichte Keizer. Man van het Licht. Het koosnaampje voor de Japanse keizer Hirohito. Keizer van Japan (1926-1989). Geboren te Tokyo, Japan. Zijn heerschappij was gekentekend door agressieve oorlogen met China (1931–2, 1937–45), USA en Groot-Brittanië (1941–5)wat uiteindelijk leidde tot 2 ontploffingen van atoombommen in Hiroshima en Nagasaki.
  3. gevlochten wand van bamboe
  4. Het Japanse begrip voor een leider van een groep.
  5. Vrouwen uit het vrouwenkamp Tjihapit.

Bronnen

Boeken

  • Lydia Chagoll: Buigen in Jappenkampen Bommes B.V.ISBN10: 9054610905, 2004
  • Theodor Holman: Tjon Nijgh & van Ditmar ISBN10: 9038831161, 2007

Internet

Links

  • [1]: Extra informatie over Japanse burgerkampen