Jōei-code

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken

De Jōei-code (Jōei Shikimoku 貞永式目), bestond uit 51 artikels die richtlijnen bevatten voor de vazallen die het Bakufu dienden. Het was gebaseerd op het gewoonterecht zoals dat gangbaar was onder de bushi-klasse en mag als de eerste codificatie van samurai-recht aanzien worden.


Ontwerper

Hōjō Yasutoki (1183-1242)

Hōjō Yasutoki (北条 泰時; 1183-1242, regent van 1224-1242) was de derde regent(shikken) van het Kamakura shōgunaat in Japan. Hij versterkte het politieke systeem van het Hōjō regentschap. Hij was de oudste zoon van de tweede shikken Yoshitoki. In 1218 werd hij de leider(betto) van het militair bureau(samurai dokoro. In de Jōkyū-oorlog van 1221 leidde hij de troepen van het shōgunaat tegen die van het keizerlijke hof in Kyōtō. Na zijn overwinning bleef hij in Kyōtō en stichtte er het Rokuhara Tandai. Yasutoki en zijn oom Tokifusa waren de eerste tandai. Wanneer zijn vader Yoshitoki en zijn tante Hōjō Masako stierven, volgde hij zijn vader op en werd op zijn beurt shikken in 1224. Hij plaatste Hōjō Tokifusa als de eerste rensho (assistent van de shōgun). In 1225 creëerde hij de Hyōjō (評定), het rechtspraak systeem van het shōgunaat. In 1232 vaardigde hij de Jōei-code uit, de wetscode van het shōgunaat. Hij werd hooggeprezen omwille van zijn onpartijdige rechtspraak. Hij stierf in 1242. Zijn kleinzoon Tsunetoki heeft hem opgevolgd als shikken.

Voorgeschiedenis

Minamoto no Yoritomo's macht over de Kanto streek kwam in verschillende stages. Terwijl hij nog maar een kleine macht had in Izu, heeft hij een shrine-site veroverd en het belastingssysteem van de vorige eigenaar stilgelegd. Dit doende heeft hij een geheim edict van Prins Mochihito zorgvuldig gebruikt om zijn claim te verantwoorden bij anderen landheren. Hij versloeg de Taira-clan in 1183 en het jaar daarop stichtte hij zijn hoofdstad in Kamakura. Hier stichtte hij de Samurai-dokoro, Kumon-jo en het Monchu-jo. Dit waren in het begin zijn eigen bureau’s, maar groeiden later uit tot het Bakufu. Het Kamakura-regime heeft zijn macht kunnen uitbreiden door het recht te vergaren om rentmeesters (jitō) te benoemen. Yoritomo’s macht lag in de eerste plaats in het feit dat hij de eigenaars van rechten op land, met name de gemilitariseerde beheerders en naambezitters (myōshu), die praktisch voor de productie instonden, die het volk controleerden en over een militaire macht beschikten, aan zich wist te binden als zijn vazallen (gokenin).

Omwille van de belangrijke ontwikkelingen in de Kanto-vlakte op dat moment, en omdat deze ontwikkelingen contstante aandacht vergden een groot voordeel hiervan is, heeft Ōe no Hiromoto aan Minamoto no Yoritomo een voorstel gedaan: "The country has fallen into decadence. Men possessed of the devil run rampant. There are rebels in our land whom it has not been possible to destroy. But in the eastern provinces peace and order have been achieved because of Your Lordship's presence. Elsewhere, however, violence is apt to occur. It would be a detriment to the people and an expense to the provinces if, in each instance, soldiers from the east must be sent out to restore order. Accordingly, if, on this occasion, Your Lordship could take action in the provinces and appoint shugo and jitō for each provincial office and shoen, there would be nothing to fear. Such a request should be made immediately to the throne." Yoritomo had groot genoegen in het ontvangen van dergelijk voorstel, dat het zijn macht bevestigde, en dus ging hij op het voorstel in. Dit wijze voorstel heeft de band tussen Yoritomo en Ōe no Hiromoto goed versterkt.

Wat omvatte de Jōei-Code?

Met de Hōjō kwam in Japan een nieuwe klasse aan de macht. Zij waren niet zoals de Taira of de Minamoto de nakomelingen van een beroemd geslacht, maar stamden af van kleine grondbezitters in Izu 伊豆. De bushi waren nu de machtigste klasse in Japan. In 1232 vaardigde Hōjō Yasutoki 北条泰時 (1183-1242) een eigen "grondwet" uit , een nieuwe 51-artikels tellende code, gekend als de Jōei-code (Jōei Shikimoku 貞永式目, ook wel het Goseiba Shikimoku genoemd). Het bevatte alle rechten van de bushi-klasse en verduidelijkte de plichten van de vazallen die onder het Bakufu dienden. Hij was gebaseerd op het gewoonterecht zoals dat gangbaar was onder de bushi-klasse en mag als de eerste codificatie van samurai-recht aanzien worden. De code trachtte ook beperking en discipline te brengen aan bushi die niet onder het Bakufu dienden. Zoals hen op te leggen andere groepen te respecteren, inclusief die van de religieuze instellingen die gebonden waren aan tempels en shrines.

Een van de voornaamste taken van het Bakufu was het beheersen van conflicten tussen de vazallen. Het slaagde erin de vazallen ervan te weerhouden hun geschillen op het slagveld uit te vechten, maar in de plaats zich aan het oordeel van de rechtspraak te onderwerpen. Dit mag als een belangrijke verwezenlijking van het Bakufu beschouwd worden.

Typisch Japans is dat de Jōei-code de Taihō-code niet verving. Deze laatste bleef verder kracht van wet hebben voor de civiele ambtenaren, de grote kloosters en de bushi die geen vazal waren van het Bakufu. De Jōei-code gold alleen voor de feodale domeinen die onder Bakufu-administratie stonden. Dit waren de domeinen die dus bestuurd werden door rentmeesters (jitō) en politiecommissarissen (shugo). Maar naarmate de macht van de bushi aangroeide, won de Jōei-code ook aan belang en verruimde haar toepassingsveld. Voor geschillen tussen militaire ambtenaren (jitō en shugo) en aristocratische grootgrondbezitters, gingen deze laatsten meer en meer beroep doen op de rechtspraak van het Bakufu. Omdat die van het keizerlijk hof vaak weinig effectief was, of nog, omdat zij volgens de Jōei-code wel een vazal van Kamakura konden aanklagen, maar er zelf niet onder de rechtspraak van vielen. Zo breidde het toepassingsveld van de Jōei-code zich de facto uit.

Artikels van de Jōei-Code

  • 1. De shrines van de goden moeten herbouwd blijven worden, en het aanbidden moest met de grootste zorg gebeuren…
  • 2. Tempels en pagodes moeten herbouwd blijven worden en de Boeddhistische rituelen moesten vol overgave gevierd worden…
  • 3. De plichten die overgedragen werden aan de shugo in de provincies.

Ze moeten kunnen worden ingezet voor in de Grote Garde in de hoofdstad, de onderdrukking van complotten, rebellen de kop in drukken en straffen uitvoeren voor moord en geweld…

  • 4. Shugo die eigendom in beslag nemen omwille van misdrijven, maar zonder de misdrijven te rapporteren.

Wanneer iemand betrapt word met het plegen van een misdrijf, dan moet de shugo hiervan een gedetailleerd verslag uitbrengen volgens bepaalde regels in Kamakura. Toch zijn er sommige shugo die zonder het achter halen van de waarheid of de serieusiteit van de aanklacht na te trekken, beschuldigingen uitvaardigen en deze mensen hun goederen en land afnemen voor privé doeleinden. Dergelijke praktijken zorgen voor een slecht imago van het systeem. Een rapport zou eerlijk opgemaakt moeten worden over de gepleegde feiten en een beslissing over het afnemen van de goederen zal door het Bakufu-administratie zelf genomen worden.

  • 5. Jitō’s in de provincies die een deel van de nengu achterhouden die geïnd zijn.

Als een klacht word ingediend door een eigenaar van een shoen, die belasting zou moeten krijgen van zijn land. En hij kan bewijzen dat de jitō belastingsgeld (nengu) achterhoud van hem. Dan zal de aanklager een certificaat ontvangen van het Bakufu waarop staat hoeveel het de som bedraagt. Als na een onderzoek blijkt dat de jitō zich niet kan rechtvaardigen, dan zal hij de volledige som zelf moeten betalen. Als het bedrag groter is dan wat hij onmiddellijk kan betalen, dan zal hij 3 jaar de tijd krijgen om zijn aansprakelijkheid over de zaak weg te werken. Als deze jitō hierna nog eens problemen veroorzaakt, zal hij onmiddellijk van zijn post ontslagen worden.

  • 6. Gouverneurs van een provincie en ryoke mogen hun eigen jurisdictie uitoefenen zolang ze niet refereren naar de Kanto-authoriteiten.

In gevallen waar hun jurisdictie van toepassing is, bij een shoen, een shinto-shrine of een boeddhistische tempel en er aanspraak is op het recht tot eigendom van de shoen, dan kan het Bakufu daar niet tussen komen. Maar als ze met de zaak naar het Bakufu komen voor advies of iets anders, dan hebben ze hier geen toestemming toe. De procedure om klacht in te dienen gaat als volgt: Beide partijen moeten brieven en aanbevelingen meenemen van hun honjō. Vandaar, al wie zonder dergelijke papieren komt, of het nu iemand van de provincie is, van een shrine, tempel of shoen, zal al een inbreuk hebben gepleegd en zal daarom niet opgevolgd worden in de juridische regeling.

  • 8. Niet-aangegeven leengoed.

Als er door investeringen leengoed achter gehouden word, en als dit pas na 20jaar ontdekt word, dan zullen er geen gevolgen zijn voor deze mensen, niet aan hun titel of aan hun eigendom. Als iemand valselijk zou beweren in het bezit te zijn van een, door een overlijden ontvangen, akte van toelage. Zelf al heeft hij het document in zijn bezit zal het niet erkend worden.

  • 11. Moet een eigendom geconfisqueerd worden van een vrouw waarvan de man een misdrijf heeft begaan?

Als het geval een zwaar misdrijf, een verraad, moord en verminking, maar ook piraterij, nacht aanvallen, overvallen en dergelijke betreft, dan zal de schuld van de man zich ook uitdeinen op de vrouw. Als er sprake is van moord,verminking of verwonden uit een plots geschil dan zal de misdrijf geen gevolg hebben voor de vrouw.

  • 14. Wanneer een misdrijf is begaan door onderdanen van de Bakufu-administratie, is de verantwoordelijke van deze onderdaan hiervoor verantwoordelijk?

Als een onderdaan word beschuldigt van moord of één van de minder serieuze misdrijven, en zijn meerdere laat hem arresteren en brengt hem voor het gerecht. Dan zal zijn meerdere niet verantwoordelijk worden geacht. Maar als zijn meerdere betrapt word op het feit dat hij zijn onderdaan wilt beschermen, en het word later ontdekt, dan kan de meerdere de verantwoordelijkheid niet onderduiken en zal zijn leengoed afgenomen worden. In een dergelijk geval zal de onderdaan opgesloten worden… Als een onderdaan belastingsgeld achterhoud of de wet op eenders welke manier overtreed, zelf al is de actie alleen door de onderdaan gebeurd, dan zal zijn meerdere er ook verantwoordelijk voor worden geacht

  • 15. Vervalsing.

Als een samurai vervalsing pleegt, dan zal zijn leengoed geconfisqueerd worden. Als hij geen investeringen heeft, dan zal hij worden verbannen. Als iemand van de lagere klasse vervalsing pleegt, zal het gebrandmerkt worden in zijn gezicht. Zijn vrouw zal hetzelfde lot ondergaan.

  • 19. Personen die land hebben gekregen en ondersteunt zijn geweest door een landheer en later de rug keren naar de nakomelingen van de originele landheer.

Wanneer mensen trouwe diensten hebben bewezen aan hun landheer, is het mogelijk dat de landheer hen meer rechten toekent over hun bezit. Maar als ze deze gift bezien als een teken van goede wil van de landheer en later geen respect meer vertonen aan de nakomelingen van die landheer, met het gevolg dat de relatie tussen de familie van de landheer en die vazallen anders word dan het zou moeten zijn… Dan kan hun bezit afgenomen worden en terug gegeven worden aan de nakomelingen van die landheer.

  • 20. De erfenis van leengoed als het kind, na het krijgen van de akte van bezit, sterft voordat de ouders sterven.

Zelf al blijft het kind leven, wat kan de ouders verhinderen van de akte te herroepen? Hoeveel meer zijn ze vrij om af te zien van het leengoed nadat het kind is gestorven; het leengoed moet volledig aan de discretie van de vader en grootvader overgelaten worden.

  • 21. Als een vrouw of concubine, na het krijgen van een akte van de man, scheidt.

De vrouw of concunbine kan dan het ambtstermijn van het leengoed behouden of niet. Als de vrouw in kwestie herhaaldelijk beschuldigt werd van zware overtredingen, zelf al is ze in het bezit van een schriftelijk bewijs van de vroegere dagen, zal ze het leengoed van haar man niet mogen behouden. Maar als de vrouw een positieve reputatie heeft en volledig onschuldig is en gescheiden is omwille van haar mans wens naar nieuwigheid, dan kan het leengoed dat haar was toegewezen niet herroepen worden.

  • 23. De adoptie van erfgenamen door vrouwen.

Hoewel de geest van de oude wetten niet toelaat dat vrouwen het recht krijgen van te adopteren, heeft deze gewoonte geen stand meer sinds de periode van Yoritomo. Vrouwen mogen erfgenamen adopteren en hun leengoed aan hen doorgeven. In heel het land, in de hoofdstad, maar ook in plattelandsgebieden is er bewijs van deze praktijk. Het is nodeloos al deze gevallen op te sommen. Trouwens, na overweging en discussie wordt hierbij de toestemming toegekend tot dit soort adopties.

  • 26. Het herroepen van een taak aan een zoon, nadat het Bakufu een bevelschrift van verzekering heeft toegekend en daarna besluit de vader de taak toe te kennen aan zijn andere zoon.

Zaken van deze orde die in de discretie van de ouders blijven zijn al uitgeschreven in een vorig hoofdstuk. Vandaar, zelfs wanneer het Bakufu een bevelschrift van verzekering toegekend heeft aan de eerste zoon, maar de vader verandert van gedachte en besluit de taak toe te kennen aan zijn andere zoon, dan is dit toegelaten en zal het Bakufu het document aanpassen.

  • 37. Vazallen van de Kantovlakte die in Kyōtō voor hoge ambten solliciteren.

Dit gebruik was strikt verboden in de tijd van Minamoto Huis. In de jaren daarna hebben sommige mensen die een koersverandering zochten in hun ambities deze regels opzij gelegd en hebben ze concurrentie met anderen gezocht om de zelfde positie te krijgen. Daarom eenders wie die aan dergelijke praktijken meedoet zal als straf al zijn leengoed verliezen.

  • 39. Degene die hogerop willen klimmen in de hiërarchie moeten een schriftelijke aanbeveling hebben vanuit de Kanto-vlakte.

Degene die een noemenswaardige daad hebben verricht en een hogere rang wensen krijgen van het Bakufu een aanbeveling bij de keizer. Dit is een onpartijdige manier van handelen en er is geen nood aan het verdere reguleren van dit aspect.

  • 40. Boeddhistische clerus die binnen het Kamakura domein streven naar een hogere positie binnen de geestelijkheid.

In hoever het leidt tot het verstoren van de subordinatie binnen de hiërarchie, is het streven naar een hogere rang in Kyōtō een bron van verwarring en brengt het verder ongehoorde vermenigvuldiging van hogere geestelijke waardigheidsbekleders met zich mee. Vandaar, als in de toekomst ooit iemand streeft naar promotie zonder het eerst verkrijgen van toestemming; dan zal hij, als hij lid is van een tempel of shrine, ontnomen worden van zijn voordelen. Zelf al behoort hij tot de clerus die verbonden is aan de shōgun, zal hij ontslagen worden. Maar, moest iemand van Zen-sekte een dergelijke aanvraag doen. Dan zal een invloedrijk persoon van dezelfde sekte een vriendelijke waarschuwing geven.

  • 41. Slaven en ongeklasseerde mensen.

In het geval er ruzie ontstaat over de eigendom van sommige mensen, dan zal het het precedent dat gevestigd werd door de Minister van Rechts aangehangen worden. Maar als er 10jaar is verstreken en de aanvankelijke eigenaar heeft geen bezwaar aangetekend, dan is er geen discussie mogelijk en blijft de persoon eigendom van de huidige eigenaar. Betreffende de kinderen van slaven, sommige kwalificaties zijn al uitgeschreven in de vorige wet, maar het precedent uitgevaardigd ten tijde van Heer Yoritomo moet ook aangehangen worden. Met andere woorden, een jongen hoort bij de vader en een dochter hoort bij de moeder.

  • 42. Het opleggen van verlies en ruïnering bij landbouwers onder het voorwendsel van het straffen van vluchtelingen.

Als mensen in de provincies vluchten en ontsnappen, dan zal de ryoshu en anderen uitvaardigen dat de vluchtelingen gestraft moeten worden. Hun vrouwen en kinderen zullen gevangen genomen worden en hun eigendom geconfisqueerd. Een dergelijke procedure is eigenlijk het omgekeerde van een welwillende overheid. Daarom moeten dergelijke gevallen gerapporteerd worden bij het Bakufu voor arbitrage. Als er word gevonden dat de landbouwer schuldvorderingen heeft betreffende de betaling van zijn jaarlijkse huur en heffingen, dan zal hij gedwongen worden dit goed te maken. Als er word gevonden dat de landbouwer in zijn recht is, dan zal zijn afgenomen eigendom vergoed worden. De landbouwer zal dan zelf mogen kiezen of hij verder zal willen leven op het leengoed of elders naartoe gaan.

  • 48. Het kopen en verkopen van leengoederen.

Degene die een privé-landgoed erfden van hun voorouders en door noodzaak het moeten verkopen is een gevestigde wet. Maar personen die door omstandigheden geaccumuleerde verdienste verkregen of door eigen persoonlijke inspanning de ontvanger zijn geworden van speciale gunsten van het Bakufu, mogen niet zomaar dergelijk land kopen of verkopen. Dergelijke praktijken moeten gestopt worden. Als een persoon dit verbod negeert en zijn leengoed toch verkoopt, dan zullen zowel de verkoper als de koper schuldig bevonden worden.

Einde van de Hōjō-clan

De Jōei-code vormde het wettelijke kader van de onafhankelijke Bakufu-administratie, doch was alleen op de gokenin van toepassing. De hovelingen van Kyōto en de bushi die geen gokenin waren, bleven een moeilijk te controleren groep, die steeds een latent gevaar voor de macht van het Bakufu inhield. Maar ook in eigen rangen onder de gokenin zelf ontbrak het niet aan dissidenten. Korte tijd na het Jōkyū-incident spanden de Miura 三浦-clans en Chiba 千葉-clans, twee pijlers van het Bakufu, samen met een zijtak van de Hōjō-clan en riepen een hoveling tot Shōgun uit. De regent Tokiyori wist de Miura-clan tot revolte te provoceren en vernietigde haar in 1247. Ook daarna echter had de Hōjō-clan regelmatig met samenzweringen rond de Shōgun of opstanden van de Inspecteur-Generaal van Rokuhara af te rekenen. Inmiddels ging de hoofdtak van de Hōjō-clan, de Tokusō 得宗 genaamd, door met steeds meer hoge ambten te monopoliseren. Zij leverde niet alleen de regent maar bezette nu ook alle zetels in de Staatsraad (Hyōjōshū) van het Bakufu, en ging bovendien meer en meer ambten van politiecommissaris (shugo) in de provinciën bekleden. Eén en ander verhoogde nog het antagonisme van de vazallen. De omstandigheden maakten het de Hōjō al evenmin makkelijk. Tijdens de dertiende eeuw braken er meerdere grote hongersnoden uit, om nog te zwijgen van aardbevingen en tyfoons. De verpauperde en uitgehongerde boeren werden als slaaf gekocht en verkocht, zodat het Bakufu herhaalde malen een verbod op mensenhandel diende uit te vaardigen. Roversbenden maakten het land onveilig en rentmeesters bezondigden zich aan schromeloze uitbuiting.

Ashikaga-clan neemt de macht

Het Ashikaga shōgunaat met Ashikaga Takauji (足利尊氏) als shōgun heeft de structuur van de Kamakura Bakufu behouden. Het heeft ook een bushi-regering gebaseerd op sociale en economische rechten en plichten gesticht met behulp van de Jōei-code. Toch faalde het om de loyaliteit te krijgen van de vele landheren (daimyo), zeker degene die ver van Kyōtō woonden. De handel met China groeide, de economie ontwikkelde zich en het gebruik van geld werd verspreid met de opkomst van markten en steden. Dit, gecombineerd met de ontwikkeling van de agricultuur en kleinschalige productie, zorgde voor de wil naar meer autonomie doorheen de verschillende rangen van de sociale hiërarchie.

De spreekwoordelijke emmer begon over te lopen toen er verschillende complotten werden ontdekt tegen de Hōjō-clan, waarna ze in 1333 verplicht werden om militair op te treden en de opstanden rond Kyōtō de kop in te drukken. Eén van de leidingevende generaals was Takauji, het hoofd van de Ashikaga-familie. Terwijl hij de keizerlijke hoofdstad naderde, verkondigde Ashikaga plots zijn steun aan de keizer en vernietigde de hoofdkwartieren van het Kamakura-shōgunaat in de stad. De keizer kwam terug aan de macht, en de heerschappij van de Hōjō-familie was voorbij. Dadelijk plaatste Takauji keizer Kōmyō 光明 (reg. 1336-1348) van de Jimyōin 持明院-tak op de troon. Naar het voorbeeld van de Jōei-code vaardigde hij de Kenmu-code (Kenmu-shikimoku 建武式目) in zeventien artikelen uit en richtte een militair gouvernement, Bakufu, op te Kyōto. Het hoogste ambt was dat van "assistent" (shitsuji 執事) en het werd bekleed door Takauji's vertrouweling Kō no Moronao 高師直 (?-1351).

Latere versies van de Jōei-code

Buke shohatto (1615)

De controle uitgeoefend op de daimyō's beperkte zich niet tot het afdwingen van een feodale eed van trouw. Zij dienden zich te onderwerpen aan strikte wetten, die bekend staan als buke shohatto 武家諸法度, "Wetten voor de militaire families". Deze code werd voor het eerst uitgevaardigd in naam van de tweede Shōgun Tokugawa Hidetada kort na de val van ōsaka in 1615. Het waren 13 artikelen die het gezag van de Shōgun over de daimyō's omschreven, en algemene verplichtingen voorzagen die de daimyō's op straffe van zware vergeldingsmaatregelen op zich moesten nemen. Doorgaans vaardigde elke nieuwe Shōgun een eigen buke shohatto uit zodat men om ze te onderscheiden ze pleegt te noemen naar de jaarperiode van uitvaardiging. De eerste code wordt “Genna-rei” 元和令 genoemd, omdat ze in de Genna-periode (1615-1624) van kracht werd. Volgens die codes mocht men geen nieuwe kastelen of forten bouwen, mocht men zonder vergunning geen verbouwingen of herstellingen uitvoeren aan bestaande kastelen, mocht men geen allianties of fusies van clans aangaan, diende men de toestemming van de Shōgun te hebben voor een huwelijk etc...

Vanaf de derde Shōgun Iemitsu 家光 (1604-1651, reg. 1623-1651) werd het definitieve stramien vastgelegd. De tijdens zijn bewind uitgevaardigde buke shohatto van 1635 voorzag o.a. in volgende bepalingen:

1) verbod om grote schepen te bouwen, 2) verbanning van de jezuïeten uit Japan, 3) beperkingen inzake het verkeer van goederen en personen, 4) sankin kōtai-sei 参勤交代制 (de plicht van de daimyō om op geregelde tijdstippen naar Edo te gaan) etc...

In totaal waren er 21 artikelen.

Het aantal artikelen mocht dan wel verschillen naargelang de opvattingen van deze of gene Shōgun, de geest van de buke shohatto bleef wel min of meer onveranderd. Men kon ze als een matrijs beschouwen voor een bestuurlijke controle op militaire leest geschoeid.


Bronvermelding

Cursus

Willy Vande Walle, Hans Coppens, Geschiedenis van Japan voor 1868, Katholieke Universiteit Leuven, 2003

Boeken

Alan Macfarlane, Continuity and change, Cambridge University Press, 1995

Jeffrey P. Mass, The Development of Kamakura Rule, 1180-1250: A History with Documents, Stanford University, 1979

Ryūsaku Tsunoda en Donald Keene, Sources of Japanese Tradition: Volume 1, Columbia University PressHistory, 1964

Externe links

Japanese history, the Kamakura-period, De Kamakura periode (bezocht op 21 november 2006)

Engelse wikipedia, Hōjō Yasutoki (bezocht op 21 november 2006)

MSN Encarta, Japan, http://encarta.msn.com/encyclopedia_761566679_16____78/Japan.html#s78 (bezocht op 21 november 2006)

Samurai chronlogy, Kamakura periode (bezocht op 26 november 2006)

Asian history, Rule by the Kamakura Shōgunate (bezocht op 3 december 2006)

Syllabus Japanse geschiedenis tot 1868, Een strenge wetgeving voor bushi en kuge (bezocht op 12 december 2006)