Itagaki Taisuke

Uit GeschiedenisJapan

Itagaki Taisuke (1837-1919)

Itagaki Taisuke (板垣退助) was een politicus tijdens de Meiji (1868-1912) en Taishō (1912-1926) periode, de perioden van vernieuwing en emancipatie van het volk in Japan. Hij staat bekend als de leider van de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten (Jiyū minken undō) en als oprichter van de eerste grote politieke partij in Japan (de Jiyūtō). Dit was het begin van de deelname van het volk in de Japanse regering. Hij voerde het westers gedachtegoed omtrent het vormen van een regering in zijn land in. De nadruk ligt in dit artikel op Itagaki Taisuke en niet op de staatsinrichting tijdens de Meiji-periode.


Inhoud

Jeugd

Itagaki Taisuke werd geboren in 1837 te Kōchi, in het domein Tosa.[1] Hij werd geboren in een welgestelde samoerai familie, die bedienden van de Daimyō[2] van Tosa voortbracht. Op 18-jarige leeftijd werd Itagaki door zijn Daimyō naar Edo[3] gestuurd om te gaan studeren. Daar kwam hij in contact met de politiek bewuste samoerai van het Mito domein.[4] Toen hij later in dat jaar naar Tosa terugkeerde beledigde hij enkele ambtenaren van Tosa. Daarom werd hij voor vier jaar naar een afgelegen dorpje verbannen, waar hij zijn tijd doorbracht met studeren en jagen. Itagaki werd terug ontboden naar Kōchi, op verzoek van een invloedrijke Tosa ambtenaar, Yoshida Tōyō, om militaire onderwerpen te bestuderen. En hij werd al snel aangesteld als beambte die een groep belasting-inners leidde. In 1861 werd hij overgeplaatst naar het verblijf van de Daimyō van Tosa in Edo. Hier kreeg hij leiding over militaire zaken en rekeningen.

Begin politieke bestaan

Ondanks het feit dat Itagaki afkomstig was van een hogere samoerai-stand, identificeerde hij zich in 1864 steeds meer met de lagere standen samoerai. Met deze mensen deelde hij anti-buitenlandse en anti-shogun opvattingen, en onderhield hij geheime contacten. Deze groep was al snel even machtig als de hogere samoerai groepering. De antishogun-beweging stoorde zich aan het falen van het beleid van de Tokugawa's, die ze beschuldigden van zwakheid en ongehoorzaamheid aan de keizer.[5] Itagaki Taisuke was een van diegene die in het domein Tosa de loyalistische anti-shogun beweging doordrukten. In de laatste maanden voor de Meiji restauratie van 1868[6], ontmoette Itagaki, Saigō Takamorivan het domein Satsuma.[7] Samen beslisten ze het Tokugawa-shogunaat[8] omver te werpen. Itagaki kocht 300 Amerikaanse geweren aan in Ōsaka. Vervolgens kwam hij in Tosa in het geheim samen met zijn volgelingen. hier wachtte hij op het signaal van Kyōto[9] om zijn mannen te leiden.

Tijdens de Boshin oorlog, vocht hij in februari 1868 tegen troepen van de shogun en nam hij deel aan de strafexpeditie tegen de daimyō van Aizu, die trouw bleef aan het shogunaat. Volgens sommigen was het tijdens het zien van het capitulatie-document van de daimyō van Aizu dat hij zich realiseerde dat de versterking van het land zich slechts in een democratisch regime kon ontwikkelen.

Ten tijde van de Restauratie was Itagaki de machtigste leider in Tosa geworden. De basis van zijn macht was:

  • zijn eigen politieke organisatie in Tosa,
  • zijn positie als een brug tussen hogere en lagere klasse samoerai,
  • zijn leiderschap over de militaire troepen van Tosa
  • en zijn nauwe band met Saigō.

In 1869 na het afzettten van de shogun trad hij toe tot de nieuw gevormde regering in Tōkyō. Een centraal bestuur was echter nog onmogelijk door de feodale structuren in het land. In deze nieuwe regering was hij betrokken bij het doorvoeren van enkele grote hervormingen, zoals het teruggeven van het land aan de keizer, en het afschaffen van de domeinen en het invoeren van het Prefectuursysteem (Hanseki Hōkan). De regering was hier echter verdeeld over. Progressieven en meer gematigden stonden tegenover elkaar. Itagaki behoorde in de regering tot de drukkingsgroep, met Ōkuma Shigenobu en Soejima Taneomi. Zij wilden haast zetten achter de veranderingen. Itagaki en de anderen konden de daimyō's van de vier belangrijkste Han[10], Chōshū, Satsuma, Hizen en Tosa, overtuigen hun domeinen en de bevolking over te dragen aan de troon. De drukkingsgroep gebruikte als slogan: "Ōdo Ōmin."[11] En in 1871 werd hij Sangi[12] van het nieuwe regime.

Het Korea-dispuut

In 1873 rangeerde hij zich aan de zijde van hen die voor een militaire expeditie in Korea waren(Seikan Ron). De aanleiding voor deze expeditie was de Koreanen te straffen voor hun ongemanierde diplomatiek. Itagaki's vriend Saigō was een van de meer openlijke voorstanders van oorlog, en Itagaki besloot hem hierin te steunen. Bovendien was hij voor de zending van grote troepen naar Fusan, wat op vredesonderhandelingen zou moeten uitlopen. Hier was Saigō echter tegen. Hij dacht dat de Koreanen zich zouden overgeven, zodat er geen oorlog komen zou. Eerst zou er een envoy gezonden moeten worden. Mocht deze slecht behandeld worden, dan zouden er oorlogschepen volgen. Itagaki was het hier meteen mee eens en trok zijn aanvankelijke plan terug. Het idee van deze expeditie leidde tot een groot debat. Toen Iwakura Tomomi en Ōkubo Toshimichi in 1873 terugkeerden in japan van de reis door de VS en Europa, de zogenaamde Iwakura-missie, verwierpen ze het plan van oorlog echter. Volgens hen had het grensgeschil met Rusland op Sachalin meer urgentie. De kant van Itagaki was in de minderheid in de regering. Hij trad af uit protest samen met Saigō, Gotō Shōjirō van Tosa, en Etō Shimpei en Soejima Taneomi van Hizen.[13] Hun idee was geweest om de zakkende moraal van sommige samoerai groepen op te vijzelen, nu er geen beroep meer gedaan werd op hun diensten, en zij gaven de voorkeur eraan om naar buiten toe uit te breidden dan in verdere ontwikkeling binnen japan te investeren.

Tot dan had Itagaki altijd met Saigō gehouden. Nu zou hij echter een onafhankelijkere koers inslaan. Ondanks dat ze allebei tegen de regering waren, vormden ze hun oppositie op andere manieren. Dit is te verklaren met het feit dat Itagaki afkomstig was van een kleinere han en zijn afkeer liet blijken tegenopzichte van de overheersing in de regering van de grotere Satsuma en Chōshū. Zijn oppositie nam de vorm aan van politieke actie in plaats van gewapende opstanden. Hij zou later zelf in een van zijn essays schrijven dat hij het nu nodig zag dat er een politieke partij geschapen werd. Het was echter volgens hem zo dat een echte politieke partij gebaseerd zou moeten zijn op plaatselijke eenheden in plaats van gebaseerd te zijn op een centrale organisatie gelegen in een grote stad.

De eerste politieke partij

Eerste vraag voor een volksvertegenwoordiging

Terug in zijn geboorteplaats Kōchi, kwam Itagaki samen met Gotō, Etō en Soejima en zeven andere metgezellen. Samen besloten ze tot het doen van twee dingen:

  • Het vestigen van een grote politieke organisatie voor het prikkelen van een publieke opinie.
  • En om een verzoekschrift aan de regering voor te leggen voor de instelling van een volksvertegenwoordiging.

Samen organiseerden ze een proto-politiek gezelschap, de Aikoku-kōtō (de publieke partij van de patriotten) in Tōkyō. Deze organisatie moest dienen als een organisatie waarin politici konden werken zonder het idee van facties. Hun ideologie was de "hemelse rechten van de mens". Desondanks kreeg de partij niet een draagvlak bij brede lagen van de bevolking.

In januari 1874 legde het gezelschap het zogenaamde verzoekschrift van Tosa[14] aan de regering voor. Hierin stonden principes die ontleend waren aan westers liberalisme, vooral afkomstig uit boeken als 'On Liberty' van Mill. In deze nota stond:

  1. Dat het volk bepaalde rechten en verantwoordelijkheden heeft.
  2. Om deze rechten uit te breiden moet de regering haar vrijheid beschermen
  3. Om haar plichten te volbrengen moet het volk samenwerken in een lobby (belangengroep) van het land.
  4. Omdat het volk belasting betaald, moet zij het recht hebben de acties van de regering goed te keuren of af te keuren.
  5. Deze nota bekritiseerde ook de regering omwille van haar willekeurige machtsuitoefening en riep om de instelling van een volksvertegenwoordiging.

Itagaki en Soejima kregen echter de kritiek dat het volk te onwetend zou zijn om in zulke zaken te kunnen beslissen. Daarom zou onderwijs nodig zijn. Het verweer van itagaki was echter dat het niet het gevolg was van onderwijs, dat men capabel zou zijn voor deelname. Integendeel, de regering zou het volk moeten onderwijzen dóór hen deel te laten nemen in de besluitvorming. In plaats van hen als achterlijk te bestempelen. Daarbij, had de lagere klasse samoerai de Meiji-restauratie op gang gebracht. Daardoor was het in de geest van de restauratie dat een debatvergadering vanuit de onderste lagen van de samenleving kwam. ook de Sa-in[15] reageerde zeer hoopvol op de nota. Maar de Meiji-oligarchie was nog altijd niet in het minste in hun bestuur van het land bedreigd. De publicatie van dit document in de pers, wat de eerste keer was bij een politiek document als dit, zorgde voor een nationale discussie. Ondanks dat het door de regering was verworpen.

Al snel bleek echter dat itagaki niet van plan was de hele japanse maatschappij kiesrecht te willen geven. Alleen de samoerai, de rijke boeren en kooplieden zouden in zijn volksvertegenwoordiging vertegenwoordigd worden.

Zijn politieke gevolg

Waarschijnlijk door deze reactie van de regering besefte Itagaki dat hij, mocht hij echt iets willen betekenen, ook een politiek gevolg zou moeten hebben. Itagaki wijdde zich toen aan het verder uitdiepen van zijn liberalisme.

In 1874 richtte hij nog een tweede gezelschap op, gevormd uit de kleinere politieke groeperingen die al ontstaan waren, samen met Kataoka Kenkichi[16], Hayashi Yūzō en anderen. In feite was het een fusie van Itagaki's partij, de Aikoku koto (Patriottische Partij) en de Kainan Gisha[17]. Deze nieuwe organisatie werd de Risshi-sha (Genootschap voor Zelfhulp) genoemd. Zij bestond uit veel voormalige samoerai van de oude antishogun beweging in Tosa en ontleende veel inspiratie aan het boek 'Self help' van Samuel Smiles. Een veelgelezen boek in die tijd. De organistatie was dus gebasserd op de wederzijdse economische hulp van de Shizoku, de samoerai. hierdoor is de naam te verklaren die af schijnt te komen van de term Risshi-hen, wat de titel was van de japanse vertaling van 'self help'. Haar eerste doelstelling was dan ook het steunen van verarmde samurai. Vandaar dat de partij de combinatie van de samoerai mentaliteit samen met de filosofie van het nieuwe liberalisme goed weergaf. De nieuwe idealen benadrukten gelijkheid en vrijheid, daarom duurde het niet lang of ze ging een belangrijke rol spelen in de eweging voor burgerrechten. Vooral omdat ze onder andere via toespraken en publikaties het nieuwe gedachtegoed snel verspreidden, werden in andere regionen van Japan gelijkaardige genootschappen opgericht.

De partij stond vooral voor zelfbestuur, rechten van de mens en gelijkheid van alle standen, vorming van een wetgevend orgaan en locale autonomie. zoals ze uitdrukte in een stelling die ze innamen bij de formatie: "Wij, de dertig miljoen mensen van japan, zijn allen met dezelfde rechten geboren, onder welke: het recht vrij te zijn en te leven, en deze rechten te verdedigen. Kapitaal aan te kunnen kopen en te bezitten. Een goede levensstandaard op te bouwen, en geluk na te streven. Deze natuurlijke rechten zijn in ieder mens aanwezig, en kunnen daarom niet door de mens worden weggenomen."

Het hoofdkantoor van de nieuwe partij bevond zich in Kōchi. De leden, die vooral bestonden uit samoerai, werden beperkt tot hen die afkomstig waren uit Tosa. Leden waren georganiseerd in één groep per buurt. Iedere groep koos één afgevaardigde voor de gezamelijke vergadering. Deze koos weer het bestuur. De president en de vice-president, die gekozen werden voor termijnen van een jaar, konden herkozen worden.

Tegenmoetkoming van de regering

De Risshi-Sha bleef aanvankelijk grotendeels beperkt tot Tosa. Maar in februari 1875 breidde zij haar gebied van activiteiten uit. De leiders van verschillende genootschappen beslotenen om de krachten te bundelen en een partij op te richten. De leiders van de Risshi-Sha organiseerden in Ōsaka op een meeting een nationale vereniging, de Aikokutō (Patriottisch Genootschap). Deze nieuwe partij had het hoofdkwartier in Tōkyō. Dit was een bond van alle politieke genootschappen die in het land waren opgedoken. Bovendien was het Japan haar eerste echte nationale politieke vereniging.

In deze partij begon de term 'Minken' (rechten van het volk) gebruikt te worden in hun verhandelingen. Het was de bedoeling dat deze organisatie het centrum zou worden van de democratische beweging in japan. Echter ze viel al snel, omdat er weinig fondsen voor de partij te vinden waren. Vooral echter wegens de opportinistisch getinte manoevres van Itagaki. Drie weken na de vorming van de partij voegde hij zich namelijk plots weer terug bij de regering en liet zijn volgelingen met stomheid geslagen. Zij, gevormd als oppositie van de regering, zagen nu geen alteratief dan de partij te ontbinden, nu hun leider weer in de regering zat.

In januari 1875 waren de regeringsleiders samengekomen op de ōsaka-conferentie (Ōsaka Kaigi). Ze hoopten hier Itagaki en anderen over te kunnen halen in de regering terug plaats te nemen. Ōkubo Toshimichi deed in feite de belofte om een constitutioneel regime op te richten. Er werd overeengekomen:

  • de Genrōin te creëren[18],
  • voor de vorming van het hof van cassatie (hoge raad)
  • en het samenroepen van een vergadering van gouverneurs van de prefecturen.

Door deze tegenmoetkomingen accepteerde itagaki om weer in de regering te komen, samen met Kido Takayoshi. Hij werd Sangi (raadslid). Itagaki hoopte dat de Genrōin een echt tot wetgeving bevoegd orgaan zou worden, maar het had slechts weinig macht. Hij was tegen de concentratie van macht in de Dajōkan (grote staatsraad).

In oktober van dat jaar (nog geen 6 maanden later) trok hij zich weer terug uit de regering. pas in 1896 zou hij weer in de regering komen. Itagaki begon zich opnieuw in te zetten voor het ideaal van de volksrechten om een nationale volksvertegenwoordiging te stichten. Met behulp van de Risshi-sha legde hij een verzoekschrift voor in 1877 waarin hij de stichting van een systeem eiste op basis van een grondwet. Dat zelfde jaar tijdens de zuid-west oorlogwerd er toezicht gehouden op de acties van Itagaki, maar hij nam geen deel aan de opstand.

Het volgende jaar stelde hij in Ōsaka opnieuw de Aikoku-sha samen. Deze werd in 1880 de Kokkai kisei dōmei (Alliantie voor de stichting van een volksvertegenwoordiging).

Beweging voor vrijheid en burgerrechten

Toen de keizer in 1881 een edict publiceerde, dat de opening van een volksvertegenwoordiging aankondigde, stichtte Itagaki in oktober van dat jaar de Jiyū-tō (Partij van de vrijheid), waarvan hijzelf president werd. Dit was de eerste echte politieke partij. Itagaki besliste om niet met de andere grote partij voor volksrechten (onder leiding van Ōkuma Shigenobu) samen te werken. Het leiderschap van de Jiyūtō was vooral gebaseerd in Tosa, net als de leden, die bestonden uit oa rijke landeigenaren en brouwers. Verschillende jonge liberalen uit Tosa gingen bij de nieuwe partij, bijvoorbeeld Ueki Emori, Nakae Chōmin en Baba Tatsui.

De regering probeerde meteen de Jiyūtō te onderdrukken, met als genoemde reden dat de partij het voorschrift omtrent publieke vergaderingen (shūkai jōrei) van 1880 had genegeerd, dit hield in dat er geen politie toestemming was gevraagd alvorens te vergaderen.

In april van 1882 was Itagaki in Gifu om zijn meningen te verkondigen. Aibara Shokei, een jonge docent, probeerde hem met een mes te vermoorden. Toen de man door aanhangers van Itagaki werd gegrepen, schreewde Itagaki: "Itagaki sterft misschien maar de vrijheid nooit". Deze zin werkte als een inspiratie voor de beweging voor volksrechten. Niet lang erna ontving hij van de regering een geschenk van 300 yen. Itagaki en zijn volgelingen waren verrast. Het was de regering die hen al jaren tegenwerkte, die hen nu een keizerlijke gift toekende. Dit was het werk van Itō Hirobumi, de sterke man van het regime. Hij was bezorgd voor de dreiging die hun oppositie vormde en Itagaki bij zijn partij weg wou lokken. Hij slaagde erin, met financiele hulp van de Mitsui zaibatsu, om Itagaki op een buitenlandse reis te laten gaan in november van het jaar 1882. Itagaki gebruikte het argument bij zijn volgelingen dat hij nog nooit naar het buitenland was geweest. Hier hoopte hij de regering op basis van een grondwet te kunnen bestuderen. Ondanks dat de Jiyūtō tegen de reis was, omdat het een list scheen te zijn om Itagaki het land uit te krijgen, ging hij toch. Hiervan keerde hij in 1883 in japan terug. De Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten bevond zich toen in een grote staat van onrust en was sterk achteruit gegaan. redenen waren geweest de repressie van de overheid, rivaliteit tussen facties (de jiyuto en de kaishinto raakte in zware disputen verwikkeld waardoor het niet alleen onmogelijk meer was om samen een oppositie te vormen tegen de overheid, maar ook het vertrouwen van het volk in politieke partijen sterk was afgenomen) en een golf van geweldplegingen begaan door partijleden. Itagaki nam afstand van de beweging en ontbond de Jiyū-tō in 1884. Itō had dus blijkbaar een zeer goede strategie weten te voeren.

Itagaki presenteerde verscheidene nota's aan de regering waarin hij kritiek leverde op haar beleid en waarin hij de eisen van de Beweging voor de rechten van het volk verwoordde.

In het kabinet

In 1889 startte hij een nieuwe Aikoku-kōto, die meteen fuseerde met de Rikken jiyū-tō (Partij voor de grondwet en de vrijheid). Itagaki werd de president van de nieuwe partij. Tegen 1890 was zijn oude partij genoeg herleeft voor de eerste sessie van de parlementszitting.[19] Itagaki ontwikkelde een goede verstandhouding met Itō Hirobumi. In april 1896 werd hij overgehaald door Itō, die de steun van Itagaki's partij nodig achtte, en werd hij tot minister van binnenlandse zaken benoemd in het 2de kabinet Itō.

Rond het jaar 1890 waren de Jiyūtō (Liberalen van Itagaki) erg verdeeld in het lagerhuis, in tegenstelling tot de Shimpotō (Progressieven van Ōkuma). Het lukte de Liberalen om enige tijd een eenheid te vormen, zodat Itagaki en ōkuma besloten in juni 1898 hun partijen te laten fuseren. Ze vormden de Kenseitō (constitutionele overheids partij). Al enkele dagen later kreeg deze nieuwe organisatie de opdracht het eerste partijkabinet te vormen (het ōkuma kabinet). Itagaki was eerst onwillig, maar schikte zich en werd minister van buitenlandse zaken. Het nieuwe kabinet was echter al onmiddelijk verdeeld over de toewijzing van kabinetsfuncties. Ze slaagde erin de regering van japan te vormen voor amper een half jaar, toen ze wegens interne strubbelingen uit elkaar ging. Itagaki vormde zijn factie tot een nieuwe om, maar behield de partijnaam. Ōkuma reageerde hierop door de Kensei Hontō (echte constitutionele partij) te vormen. Itagaki bleef op goede voet staan met Itō.

In 1900 fundeerde Itō Hirobumi samen met Itagaki de Rikken Seiyuukai (Associatie van de vrienden van het constitutionalisme). Maar Itagaki besloot zich terug te trekken van het politieke leven en zich voortaan niet meer zo actief bezig te houden met sociale vraagstukken.

Hij stierf in 1919 aan een natuurlijke dood.

Voetnoten

  1. Tosa - huidige prefectuur Kōchi
  2. Daimyō - feodale heerser over een Han
  3. Edo - nu Tōkyō, hier zetelde de shogun
  4. Mito domein - nu deel van de Ibaraki Prefectuur
  5. Het shogunaat had de grenzen geopend voor de buitenlanders tegen de wil van het keizerlijk hof in
  6. Meiji omwenteling: ontmanteling van de oude systemen en afschaffing van het shogunaat
  7. Satsuma - de huidige Kagoshima-prefectuur
  8. Tokugawa's - de regerende clan in het shogunaat
  9. Kyōto - hier zetelde het Keizerlijk hof
  10. Han - benaming voor de domeinen
  11. Grond aan de troon, volk van de vorst
  12. Raadsleden, stonden direct onder de keizer en vormden het hoogste gezag
  13. Hizen - nu Saga prefectuur
  14. Volgens sommige was het verzoekschrift oorspronkelijk geschreven in het Engels
  15. belast met wetgevend werk en geïnspireerd op het Franse Conseil d'Etat
  16. afkomstig uit Tosa, die de Amerikaanse organisaties had bestudeerd
  17. een soort van patriottische partij gevormd door mannen uit Tosa, bestaande uit burgers en militairen, die afstand genomen hadden van de regering, en uiteindelijk waren teruggekeerd in Tosa
  18. een orgaan vóór de vorming van het hogerhuis
  19. rijksdag

Bronnen

Fraser, Andrew. en Mason, R.H.P. en Mitchell, Philip. Japan's early parliaments, 1890-1905 structure, issues and trends.London: Routledge,1995.

Howland, Douglas R. Translating the west, language and political reason in nineteenth-Century Japan, VS: University of Hawai'i Press, 2002.

Ike, Nobutaka. The beginnings of political democracy in Japan, Baltimore: The Johns Hopkins Press, 1950.

Jansen, Marius B. en Rozman, Gilbert. Japan in transition from Tokugawa to Meiji, Princeton: Princeton University Press, 1986.

Umegaki, Michio. After the restoration, the beginning of japan's modern state. VS: New York University Press, 1988.

Walle, vande, Willy. Een Geschiedenis van Japan, van samurai tot softpower.Leuven: Acco, 2007.

Dictionnaire Historique du Japon A-K, Parijs: Maisonneuve Larose, 2002.

Kodansha Encyclopedia of Japan, New York: Kodansha Ltd, 1983.

Afbeelding: http://commons.wikimedia.org/wiki/Image:Taisuke_Itagaki_2.jpg 20-12-2007