Internering van Japanese-Americans tijdens de Tweede Wereldoorlog

Uit GeschiedenisJapan

Officieel bevel aan alle personen van Japanse afstamming om de militaire uitsluitingszones te verlaten.

Na de Japanse aanval op Pearl Harbor van 7 december 1941 ontstond er in de Verenigde Staten van Amerika politieke druk om alle in de westelijke kuststaten wonende Japanners en Amerikanen van Japanse afkomst te interneren. Deze druk zou er uiteindelijk toe leiden dat President Franklin D. Roosevelt op 19 februari 1942 Executive Order 9066 uitvaardigde, dat het mogelijk maakte zogenaamde Military Exclusion Zones in te stellen waaruit bepaalde categorieën van personen mochten geweerd worden. Dit bevel vormde de basis voor het uitsluiten uit grote delen van de westkust en gedwongen relocatie (Kyōseijūyō, 強制収容) van ongeveer 120.000 naar de V.S.A. gemigreerde Japanners (Issei, 一世), Amerikanen van Japanse afkomst (Nisei, 二世 of Kibei, 帰米[1]) en hun kinderen (Sansei, 三世). Ongeveer 10.000 van hen zouden zich mogen vestigen in andere delen van de Verenigde Staten, de anderen werden opgesloten in interneringskampen verder in het binnenland van de Verenigde Staten[2]. Al vanaf het begin was duidelijk dat de aangehaalde argumenten om de internering te rechtvaardigen niet op feiten gebaseerd waren, maar desondanks zou de internering voor velen jaren duren. Pas in de jaren ’70 kwam er een beweging op gang die ijverde voor het oprichten van een officiële onderzoekscommissie en de herziening van vonnissen van Japans-Amerikanen die veroordeeld werden wegens overtreding van met de internering gepaard gaande bevelen.

Deze internering was een complex sociaal fenomeen dat vanuit verschillende perspectieven kan belicht worden. Enerzijds kan men vanuit een actor-georiënteerd perspectief de handelingen van concrete individuen verklaren vanuit hun racistische vooroordelen of vanuit electorale overwegingen. Anderzijds spelen ook systemische factoren mee zoals een lange traditie van negatieve westerse beeldvorming over Aziaten, en meer specifiek de geschiedenis van disciminatie ten aanzien van Aziaten in de westelijke kuststaten. Er waren echter niet alleen culturele maar ook economische systemische factoren.

Inhoud

De sociale status van personen van Aziatisch afkomst in de westelijke kuststaten van de Verenigde Staten

De context van westerse beeldvorming over het oosten

Volgens politiek wetenschapper Samuel Huntington heeft etniciteit een centrale rol gespeeld bij het bepalen van de Amerikaanse identiteit. Etniciteit werd vooral belangrijk met de sterke toename van de immigratie uit Zuid- en Oost-Europa vanaf de jaren tachtig van de 19e eeuw tot 1914. Huntington citeert Philip Gleason, die stelt dat tussen 1860 en 1924 etniciteit belangrijker werd als element van nationale identiteit dan het ooit was geweest of ooit zou worden. Net als in de jaren veertig en vijftig van de 19e eeuw leidde dit tot een grote toename van de intellectuele en politieke bewegingen tegen de immigratie. De tegenstanders trokken geen scherpe grens tussen ras en etniciteit en een groot deel van de argumenten tegen ongewenste immigranten bestond uit de gedachte dat ze tot minderwaardige rassen zouden behoren. De Immigration Restriction League, opgericht in 1894, omschreef de kwestie als de vraag of Amerika ‘bevolkt zou worden door Britse, Duitse en Scandinavische volkeren, die een vrije, energieke en progressieve achtergrond hebben, of door Slavische, Latijnse en Aziatische rassen die onderdrukt, atavistisch en statisch zijn’.

Dergelijke visies passen binnen een ruimere traditie van westerse beeldvorming over 'het oosten' die Edward Saïd 'oriëntalisme' noemde. Volgens Saïd schept het westen zich een identiteit door eerst de oosterling een negatief gewaardeerde identiteit aan te meten, meerbepaald dat deze oosterling irrationeel, aberrant, onontwikkeld en inferieur is. In een tweede stap definieert het westen zijn eigen identiteit als ontkenning van deze negatieve identiteit: rationeel, ontwikkeld, humaan en superieur. Een tweede element van oriëntalisme is dat het westen zich het oosten bij voorkeur inbeeldt aan de hand van een zogenaamd 'klassieke' representatie hiervan, en probeert geen rekening te houden met empirische waarnemingen van de eigentijdse realiteit. Het derde element is dat het oosten onveranderlijk en uniform is. Het vierde en laatste element van oriëntalisme houdt in dat 'het oosten' gezien wordt als de plaats van herkomst van grote gevaren die het westen bedreigen. Saïd voert zelf 'het gele gevaar' en 'de Mongoolse horden' aan als historische voorbeelden van deze westerse angst voor het oosten.

Steven L. Rosen past de theorie van Saïd, die zich voor de empirische onderbouwing vooral baseerde op academische representaties van het Midden-Oosten, toe op de beeldvorming van Amerikanen over Japanners:

Western images and metaphors for Japan are not all negative, of course- a romantic version of Orientalism paints a picture of Japan whose sophisticated culture with its indigenous traditions are in close harmony with nature (a myth popular in Japan, as well, it might be added); tiny bonsai trees, exotic geisha girls in kimono, manicured rock gardens, the unfathomable mysteries of Zen Buddhism, shiatsu and macrobiotic cooking, signify for us a people who are deeply intuitive and aesthetically attuned in a way that we are not. Nevertheless, this romantic Orientalism is less salient than its shadow side- we could say, is overshadowed by its shadow, which sees the Japanese as basically fanatical, deceitful, with a tendency to cruelty in their private lives and totalitarianism in their public practices. The image which predominates here is of the unquestioning company man/woman who sacrifices all their individuality and humanity for the organization- who submerges their entire identity in the group.

Twee elementen van deze beeldvorming zullen keer op keer in het nadeel spelen van de etnische Japanners in de Verenigde Staten[3]. Eenerzijds is er het beeld van de Japanners als mensen die bereid zijn zich volledig te onderwerpen aan de groep en geen besef van individualiteit hebben. Dit element speelde een belangrijke rol in het betoog van anti-Aziatische groepen zoals de eerder aangehaalde Immigration Restriction League om de identiteit van Japanners zodanig te construeren dat ze onmogelijk zouden kunnen assimileren in de Amerikaanse maatschappij en dus eeuwige buitenstaanders zouden blijven. Dit beeld van de onmogelijk te assimileren Japanner werd later gehanteerd door het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten in het Takao v. United States arrest om de uitsluiting van Aziaten van de naturalisatieprocedure te rechtvaardigen. Na de aanval op Pearl Harbor zou het ook door vele voorstanders van internering gebruikt worden om te beargumenteren dat Issei en Nisei niet loyaal aan de Verenigde Staten konden zijn en dat het dus nodig was om ze uit te sluiten uit de westelijke kuststaten. Het andere belangrijke element is de constructie van etnische Japanners als bedrieglijk. Bij het verdedigen van het uitsluitingbeleid werd herhaaldelijk aangehaald dat de Japanners onvoorstelbaar sluw zouden zijn en het dus niet mogelijk was om na te gaan wie wel en wie niet loyaal was, of om de etnisch Japanse gemeenschap op een minder ingrijpende manier in de gaten te houden.

Men dient op te merken dat bepaalde elementen van de toenmalige officiële Japanse zelfrepresentatie deze beeldvorming bevestigden, hoewel het moeilijk is om na te gaan in welke mate dit een invloed had op de westerse beeldvorming over Japan. Zo stelde de in 1937 verschenen 'Essentie van de nationale geest' (Kokutai no hongi, 国体の本義) Japan voor als één grote familie, geleid door de keizer als welwillende pater familias. Het boek was uiterst anti-westers, vooral in zijn veroordeling van het individualisme, dat gezien werd als de bron van alle westerse ondeugden.

De historische discriminatie van etnische Japanners in de westelijke kuststaten

Vijandigheid ten aanzien van mensen van Aziatisch afkomst was een vast element in het publieke leven van de westelijke kuststaten sinds de komst van de eerste Chinese immigranten in de jaren ’50 van de negentiende eeuw. Deze arbeiders werkten tegen zeer lage lonen en vormden op die manier concurrentie voor pas geïmmigreerde blanke arbeiders. In 1880 leefden er ongeveer 75.000 Chinese immigranten in Californië, ongeveer een tiende van de bevolking van die staat. Ze waren vaak het doelwit van racistisch geweld. Onder druk van Californië vaardigde het Amerikaanse Congres in 1882 de zogenaamde Chinese Exclusion Act uit, wat de immigratie van Chinezen zo goed als onmogelijk maakte. Vervolgens richtte de anti-immigratie beweging zich tegen immigranten uit Japan (排日運動), hoewel die in 1890 nog maar met 2.000 waren, bijna allemaal in Californië. Migratie van Japanners naar de V.S.A. kwam pas echt op gang met het Verdrag van 1894 tussen de V.S.A. en Japan, de eerste Chinees-Japanse oorlog en de Russisch-Japanse Oorlog.

Poster die oproept tot betoging voor de uitsluiting van kinderen van Japanse afkomst uit de publieke scholen van San Francisco, 1906.

Vooral na de Japanse overwinning in Russisch-Japanse oorlog in 1905 en de verwoestende aardbeving van San Francisco in 1906 namen de anti-Japanse gevoelens toe. Op 11 oktober 1906 werd in San Francisco besloten kinderen van Japanse afkomst naar aparte scholen te sturen. In Japan raakte deze maatregel bekend als het “probleem van de uitsluiting van scholieren van Japanse afkomst in San Francisco” (San Francisco gakudō haiseki mondai, サンフランシスコ学童排斥問題) en het zorgde voor grote verontwaardiging bij de publieke opinie. Onder druk van de staat Californië kwam de federale overheid in 1907 en 1908 tot een reeks van gentlemen’s agreements met Japan (Nichibei shinshi kyōyaku, 日米紳士協約) waarin Japan beloofde de emigratie van Japanners naar de Verenigde Staten (behalve Hawaï) tegen te houden. De V.S.A. gingen akkoord om volgmigratie toe te staan en kinderen van Japanse afkomst opnieuw toe te laten in de gewone openbare scholen. In 1910 bedroeg het aantal Issei en Nisei in de Verenigde Staten (Hawaï niet meegerekend) reeds 72.157.

In 1924, toen er meer dan 100.000 Issei en Nisei op de Amerikaanse westkust woonden, zorgden nieuwe immigratiewetten er onder andere voor dat het buitenlanders die niet in staat zouden zijn om tot Amerikaan genaturaliseerd te worden (d.w.z. niet-blanken) verboden werd naar de V.S. te immigreren. Hierdoor werd de immigratie van Japanners volledig stil gelegd. Op 13 november 1922 had het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten in de zaak Takao Ozawa v. United States immers officieel besloten dat Japanners niet blank waren, maar leden van een “onassimileerbaar” ras waren en dus niet in aanmerking kwamen voor naturalisatie. Door het feit dat de Issei niet de mogelijkheid hadden om het Amerikaans burgerschap te verwerven, waren ze onderworpen aan verschillende discriminerende maatregelen in Californië en andere staten die hen verboden om grond te bezitten of te huren. Velen vonden echter manieren om deze bepalingen te omzeilen en beheerden boerderijen van niet-vijandige blanken of registreerden grond op naam van hun kinderen, die op basis van het 14e amendement van de Amerikaanse grondwet automatisch het burgerschap hadden indien ze in de V.S. geboren waren. De Japans-Amerikanen werden een economisch succesvolle gemeenschap en in 1940 produceerden ze bijna de helft van de groenten in de staat Californië. Een lobby-organisatie van blanke boeren zou later openlijk toegeven dat ze gebruik maakte van de paniek rond de aanval op Pearl Harbor om de concurrentie van Japans-Amerikaanse boeren uit te schakelen.

Poster van vakbond die oproept tot het boycotten van zaken van etnische Chinezen en Japanners.

Naast economische oorzaken speelde ook de erfenis van racistische beeldvorming over Aziaten mee: de Japanners vertegenwoordigden in deze visie het gele gevaar en vormden een geheimzinnige cultuur die aanzienlijke invloed aan het verwerven zou geweest zijn op de westkust van de Verenigde Staten. Bovendien zou hun aantal veel sneller groeien dan de blanke populatie. Dit ondanks het feit dat Japans-Amerikanen nooit meer dan 3% van de bevolking van Califonië de vertegenwoordigden, de staat waar ze het meest talrijk aanwezig waren. Door hun beperkte aantal en het feit dat ze politiek niet vertegenwoordigd waren (de oudsten onder diegenen met Amerikaans burgerschap werden pas rond 1940 oud genoeg om te mogen stemmen) werden ze een gemakkelijk doelwit voor politieke demagogen, en alle grote politieke partijen lieten zich in met retoriek en politieke programma’s gericht tegen etnische Japanners. Als reactie richten zij de 'Japanese-American Citizens League' op om hun belangen te verdedigen. Naast politici waren er ook verscheidene drukkingsgroepen die de Japans-Amerikanen vijandig gezind waren, zoals de 'Asiatic Exclusion League', de 'Native Sons and Daughters of the Golden West', het 'Joint Immigration Committee', het 'American Legion', de 'California State Federation of Labor' en de 'California State Grange'. Deze anti-Aziatische bewegingen kaderen binnen een bredere Amerikaanse nativisitische tendens waartoe ook eerdere bewegingen zoals de tegen Ierse immigratie gerichte 'Know Nothing Movement' en de eerder genoemde beweging tegen Chinese immigratie behoren.

Deze anti-Japanse stemmingmakerij maakte gebruik van oude racistische en oriëntalisitsche betogen die moesten bewijzen dat Japanners niet konden en wilden assimileren binnen de Amerikaanse samenleving, en dus met andere woorden de 'eeuwige andere' waren. Hiertoe werd onder andere aangehaald dat sommigen een dubbel burgerschap hadden, Shinto-tradities voortzetten, hun kinderen naar scholen stuurden om Japans te leren of ze gedurende een tijd in Japan lieten studeren. In werkelijkheid verschilden Japans wetten met betrekking tot dubbel burgerschap niet van die van vele Europese landen. Slechts een beperkt aantal Japans-Amerikanen voerde Shinto-rituelen uit, en vele Shinto-tradities hielden geen verering van de Japanse Keizer in.

Aanleiding

Als onmiddelijke aanleiding voor de internering van Japans-Amerikanen wordt vaak de Japanse aanval op Pearl Harbor op 7 december 1941 aangehaald. In de onmiddelijke nasleep van deze gebeurtenissen was er echter geen sprake van internering van Japanse-Amerikanen, en de meeste opiniemakers stuurden aan op kalmte. Desalniettemin circuleerden er zogenaamde “Jap hunting licenses”, pamfletten waarin werd aangespoord tot geweld tegen etnische Japanners.

Tussen 7 december 1941 en de beslissing om de Japans-Amerikanen te interneren op 19 februari 1942 behaalde Japan echter op korte tijd een aantal belangrijke overwinningen in de Stille Oceaan. Tegen februari 1942 waren de Amerikanen verslagen op de Filipijnen, de zwaarste Amerikaanse nederlaag sinds de Amerikaanse burgeroorlog, en hun positie in de Stille Oceaan was bedreigd. Men vreesde Japanse aanvallen op de Amerikaanse westkust.

Voorts geloofden velen, waaronder Secretary of the Navy Frank Knox, dat de Japanse aanval op Pearl Harbor mede mogelijk was gemaakt door spionage en “vijfde colonne”-activiteiten van etnische Japanners in Hawaï. Al kort na de aanval op Pearl Harbor wist de Amerikaanse overheid dat dit niet waar was, maar ze nam geen maatregelen om deze geruchten te ontkrachten, zodanig dat velen geloofde dat zowel recente Japanse immigranten als Amerikanen van Japanse afstamming een bedreiging voor de Amerikaanse veiligheid vormden. Deze aanhoudende geruchten en de verhoogde stemmingmakerij van anti-Japanse organisaties zorgden er voor dat vele politici van de westelijke kuststaten en hun delegaties in het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden er bij de Ministeries van Oorlog en Justitie op aandrongen om etnische Japanners met of zonder Amerikaans burgerschap te controleren en te deporteren. Slechts een klein aantal academici en religieuze leiders durfden het voor hen opnemen. Vele politici verkondigden dat men geen risico mocht nemen en dat Japans-Amerikanen hun loyaliteit best konden bewijzen door zich vrijwillig aan te bieden voor internering. De pers sloot zich aan bij deze standpunten.

Het besluitvormingsproces rond Executive Order 9066

Generaal John L. DeWitt.

President Franklin Roosevelt gaf gehoor aan deze politieke druk en vaardigde op advies van Minister van Oorlog Henry Stimson Executive Order 9066 uit, dat aan Japans-Amerikanen de toegang tot grote gebieden van de westelijke kuststaten ontzegde. De reden die werd aangehaald voor deze belissing was 'militaire noodzaak'. De achterliggende gedachtegang werd nader uitgewerkt in een aanbeveling uit februari 1942 van Generaal DeWitt (verantwoordelijk voor de verdediging van de westkust) aan Minister van Oorlog Stimson, in een raport uit 1943 van Generaal DeWitt en in de verdediging van Executive Order 9066 door de openbare aanklager in de zaak Hirabayashi v. United States. De redeneringen die hierin naar voren kwamenn vormen een perfecte weergave van de decennia van stereotiepen en racistische representaties van Japans-Amerikanen als deloyaal, heimelijk en eeuwig anders. De aanbeveling van Generaal DeWitt uit februari 1942 stelt:

In the war in which we are now engaged racial affinities are not severed by migration. The Japanese race is an enemy race and while many second and third generation Japanese born on United States soil, possessed of United States Citizenship, have become “Americanized,” the racial strains are undiluted. To conclude otherwise is to expect that children born of white parents on Japanese soil sever all racial affinity and become loyal Japanese subjects, ready to fight and, if necessary, to die for Japan in a war against the nation of their parents. That Japan is allied with Germany and Italy in this struggle is no ground for assuming that any Japanese, barred from assimilation by convention as he is, though bron and raised in the United States, will not turn against this nation when the final test of loyalty comes. It, therefore, follows that along the vital Pacific Coast over 112,000 potential enemies, of Japanse extraction, are at large today. There are indications that these were organized and ready for actions at a favorable opportunity. The very fact that no sabotage has taken place to date is a disturbing and confirming indication that such action will be taken.

Generaal DeWitt voerde twee argumenten aan. Ten eerste dat etniciteit loyaliteit bepaalt, en dat Japans-Amerikanen op het punt stonden sabotage-activiteiten uit te voeren. De eerste veronderstelling is in tegenspraak met de Amerikaanse burgerschapsideologie die stelt dat loyaliteit aan de Verenigde States het resultaat is van een individuele keuze en niet bepaald wordt door banden met een land van herkomst. Amerikanen van Duitse afstamming hadden hun loyaliteit ten aanzien van de Verenigde Staten reeds bewezen in de eerste wereldoorlog, en in tegenstelling tot de Japans-Amerikanen werd hun loyaliteit en die van de Italiaans-Amerikanen niet in twijfel getrokken tijdens de tweede wereldoorlog.

Wat betreft de tweede bewering van Generaal DeWitt waren er geen aanwijzingen dat Japans-Amerikanen sabotage-activiteiten planden. De FBI bespioneerde de Japans-Amerikaanse gemeenschap reeds voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en had via de zogenaamde 'custodial detention index' niet-burgers uit mogelijk mogelijk vijandige naties ingedeeld in drie niveau van gevaarlijkheid. Degenen die werden geacht het meest gevaarlijk te zijn werden onmiddelijk na de aanval op Pearl Harbor opgepakt. Tijdens het verloop van de oorlog vond geen enkele sabotage-activiteit of poging daartoe door een Japans-Amerikaan plaats. Het feit dat er geen sabotage-activiteiten hadden plaatsgevonden betekende volgens Generaal DeWitt dat ze nog zouden plaatsvinden. Ook dit idee wordt voorspeld door de theorieën over westerse beeldvorming over de oriënt die stellen dat het volgens het oriëntalisme de oosterling steeds heimelijk te werk gaat.

In zijn Final Report uit 1943 haalde Generaal DeWitt een aantal argumenten aan om de beslissing tot uitlsuiting en internering te rechtvaardigen. Ten eerste zouden er pogingen ondernomen zijn om vanaf de kust via lichtsignalen te communiceren met vijandige onderzeeërs. Achteraf bleek bleek dit niet waar te zijn. Bovendien zou de FBI via huiszoekingen wapens en smokkelwaar hebben aangetroffen. Hoewel dit inderdaad gebeurd was ging het om voorwerpen en goederen die wel vaker in het bezit waren van de doorsnee Amerikaan.

De overige argumenten in het rapport zouden later door de overheid herhaald worden in de zaak Hirabayashi v. United States. Ze omvatten onder andere de aanwezigheid van etnische Japanners in gebieden van groot militaire belang, het bestaan van Japanse zelforganisaties die pro-Japanse opvattingen zouden koesteren of de Japanse Keizer zouden kunnen vereren, en de aanwezigheid van Kibei die enige tijd in Japan gestudeerd hadden. In de zaak Hirabayashi v. United States zou later ook worden aangehaald dat sommige etnische Japanners de dubbele nationaliteit bezaten, hun kinderen naar speciale scholen stuurden om Japans te leren en dat velen onder hen de Amerikaanse nationaliteit niet bezaten. De Commission on Wartime Relocation and Interment of Civilians was later van mening dat dit waardeoordelen waren die op zich weinig of geen militaire relevantie hadden. Wat betreft het feit dat velen onder hen niet de Amerikaanse nationaliteit bezaten dient er bovendien aan herinnerd te worden dat de Issei niet de mogelijkheid hadden om tot Amerikaan genaturaliseerd te worden.

Executive Order 9066 en begin van de uitsluiting en internering

Kaart van de interneringskampen.

Op 19 februari 1942 ondertekende President Franklin D. Roosvelt Executive Order 9066 dat de legerleiding de mogelijkheid gaf om gebieden in de Verenigde Staten tot 'military exclusion zones' uit te roepen waar 'alle of bepaalde personen uit mogen geweerd worden'[4]. Nadat het Western Defense Command van Generaal DeWitt grote delen van de westkust (Californië, westelijk Oregon, westelijk Washington en een deel van Arizona) tot military exlucion zone had uitgeroepen voerde het aanvankelijk een beleid van 'vrijwillige relocatie' waarbij het etnische Japanners toegestaan werd om buiten de uitsluitingsgebieden te gaan wonen. De Commission on Wartime Relocation and Internment of Civilians zou later opmerken dat dit vanuit militair oogpunt een vreemd en onpraktisch beleid was. Indien de etnische Japanners inderdaad spionnen en saboteurs zouden geweest zijn, zouden ze ook buiten de westelijke kuststaten schade hebben kunnen aanrichten. Volgens de Commissie wees dit er op dat het Ministerie van Oorlog zelf al niet meer geloofde dat de etnische Japanners een bedreiging vormden.

Etnische Japanners worden op de trein richting het kamp Manzanar gezet.

In maart 1942 werden maatregelen genomen tegen de eigendommen van burgers van vijandige staten zonder Amerikaans burgerschap, wat de Issei in financiële moeilijkheden bracht. Op 11 maart werd de zogenaamde Wartime Civilian Control Administration opgericht, die verantwoordelijk was voor het verzamelen van etnische Japanners in zogenaamde 'verzamelcentra', grote terreinen zoals paardenrenbanen die waren ingericht om tijdelijke grote groepen mensen op te vangen alvorens ze naar uiteindelijk naar een locatie buiten de militaire uitsluitingszone te deporteren. Tussen maart en mei 1942 werden 18 dergelijke verzamelcentra opgericht. Op 18 maart 1942 tekende President Roosevelt Executive Order 9102. Hiermee werd de zogenaamde 'Wartime Relocation Authority' opgericht, het bureau dat verantwoordelijk was voor de uiteindelijke uitvoering van de relocatie van Japanners en Japans-Amerikanen. Ongeveer gelijktijdig stelde het Western Defense Command in de militaire uitsluitingszones een nachtklok in voor 'alle burgers van vijandige staten en personen van Japanse afstamming'.

Een krant kondigt aan dat de uitsluiting van etnische Japanners uit de westelijke kuststaten nabij is.

De War Relocation Authority ging uit van de veronderstelling dat de overgrote meerderheid van de etnische Japanners loyaal was en dat hun nieuwe situatie zo goed als mogelijk een normale leefsituatie moest benaderen. De bevolking in het binnenland verzette zich echter hevig tegen de komst van de etnische Japanners en de lokale politici stelden dat de ze gevaar zouden lopen indien ze niet bewaakt werden. Ze eisten bovendien garanties dat de etnische Japanners geen land zouden kunnen verwerven en dat de overheid ze na de oorlog terug zou verwijderen. Er begon een consensus te ontstaan dat de komst van de etnische Japanners aanvaardbaar was indien ze zouden opgesloten en bewaakt worden in interneringskampen. De War Relocation Authority ging akkoord met dit plan en liet haar eerdere plan om de etnische Japanners enkel te doen verhuizen varen. Men begon met de bouw van de eerste interneringskampen, officieel 'relocation centers' geheten. Ook het plan om ze aan werk in de private sector te helpen werd vervangen door een systeem van arbeid in de kampen. Op 27 maart werd, om een ongecontroleerde migratie te voorkomen, het alle personen van Japanse afkomst verboden de militaire uitsluitingszone op de westkust te verlaten. Het uiteindelijke bevel tot internering kwam op 3 mei 1942, ten Generaal DeWitt alle personen van Japanse afstamming, burgers en niet-burgers, beval om naar verzamelcentra te gaan zodat ze van daaruit naar de interneringskampen konden gebracht worden.

Tussen maart 1942 en oktober 1942 werden 10 van deze interneringskampen geopend. Sommigen interneringskampen bevonden zich in de militaire uitsluitingszone, andere verder in het binnenland.

Overzicht interneringskampen[5]
Naam Staat Aankomst eerste geïnterneerden Hoogste aantal geïnterneerden Vertrek laatste geïnterneerden
Manzanar Californië maart 1942 10.046 21 oktober 1945
Tule Lake Californië mei 1942 18.789 30 maart 1946
Poston Arizona mei 1942 17.814 28 november 1945
Gila River Arizona juli 1942 13.348 10 november 1945
Granada Colorado augustus 1942 7.318 15 oktober 1945
Heart Mountain Wyoming augustus 1942 10.767 10 november 1945
Minidoka Idaho augustus 1942 9.397 28 oktober 1945
Topaz Utah september 1942 8.130 31 oktober 1945
Rohwer Arkansas september 1942 8.475 30 november 1945
Jerome Arkansas oktober 1942 8.497 30 juni 1944


Situatie in Hawaï

Op het moment van de aanval op Pearl Harbor leefden ongeveer 158.000 etnische Japanners in Hawaï, meer dan een derde van de totale bevolking. In Californië was op geen enkel moment meer dan 3% van de totale bevolking van Japanse afkomst. Als er een gevaar op sabotageactiviteiten zou bestaan hebben, zou het dus het grootst geweest zijn op Hawaï. Desondanks werden er in Hawaï geen maatregelen genomen die vergelijkbaar waren met de maatregelen die genomen werden in de westelijke kuststaten. Minder dan 2000 etnische Japanners werden aangehouden in Hawaï. Verschillende factoren verklaren dit verschil met de westelijke kuststaten.

Hawaï was etnisch meer divers dan de westelijke kuststaten en de verstandhouding tussen de verschillende etnische groepen was er beter. Er was geen geschiedenis van 75 jaar anti-Aziatische ophitsing en antagonisme. Hoewel er anti-Aziatische gevoelens leefden Hawaï, werden deze niet gekanaliseerd via goed georganiseerde groeperingen zoals op de Amerikaanse westkust. Bovendien was Hawaï tot 1959 slechts een Amerikaans territorium en geen Staat, zodat het geen vertegenwoordigers in het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden en de Senaat had die deze gevoelens eventueel zouden kunnen vertegenwoordigen. Daarnaast speelde ook het feit dat etnische Japanners een groot deel van de Hawaïaanse bevolking uitmaakten mee. De internering van meer dan een derde van de bevolking zou de economie en het maatschappelijke leven in Hawaï ernstig verstoord hebben.

Een ander verschil met de westelijke kuststaten was dat sinds de aanval op Pearl Harbor op 7 december 1941 op Hawaï de staat van beleg van kracht was. Dit hield in dat het leger reeds in grote mat controle had over het leven in Hawaï, zodat er minder de indruk ontstond dat er behoefte was aan speciale maatregelen ten aanzien van een bepaalde groep. De situatie op Hawaï maakt echter ook duidelijk dat niet alleen systemische factoren zoals economische concurrentie of maatschappelijk racisme, maar ook de atittudes van individuele actoren een rol speelden. Alles wijst er op dat Generaal Delos Emmons, bevelvoerend generaal in Hawaï, niet de pseudo-antropologische racistische denkbeelden van Generaal DeWitt deelde, maar er daarentegen eerder van uit ging dat etnische Japanners loyale burgers waren.

Een van de gevolgen van deze minder wantrouwige houding was dat in Hawaï veel meer mensen vrijwillig in het leger gingen, wat in contrast staat met de twijfel en aliënatie die overheerste in de interneringskampen. De oorlog hield voor de etnische Japanners in Hawaï niet de aanzienlijke economische verliezen noch het psychologische lijden van onterechte uitsluiting en internering in die ze wel betekende voor de etnische Japanners op de westkust.

Het leven in de interneringskampenkampen

Zowel de verzamelcentra als de interneringskampen betekenden ontbering, vernedering en afzien voor wie er verbleef. Dit leidde dan ook meermaals tot verzet en opstanden in de kampen[6].

Het interneringskamp van Manzanar.

Gezinnen mochten enkel wat ze konden dragen meenemen naar de verzamelcentra, en de levensomstandigheden in de interneringskampen zelf waren Spartaans. Men leefde in barakken met kamers niet groter dan 6 meter op 7,5 meter. In elke kamer leefde een gezin, ongeacht het aantal gezinsleden. De barakken waren vaak van slechte kwaliteit en de inrichting was minimaal. Privacy was bijna onbestaande en eten en douchen gebeurde gemeenschappelijk. De kampen waren omheind met prikkeldraad en bewaakt door gewapende soldaten. Het samenwonen op beperkte ruimte verstoorde het gezinsleven en de gezinsactiviteiten. Door het feit dat de man niet meer verantwoordelijk was voor inkomen en onderdak werd zijn autoriteit als gezinshoofd en zijn mogelijkheid om zijn kinderen te disciplineren aangetast.

Onder druk van diegenen die bleven geloven dat de Japans-Amerikanen vijandige bedoelingen hadden werden de lonen voor kampwerk beperkt tot het absolute minimum van $12 per maand voor ongeschoolde arbeid tot $ 19 per maand voor geschoolde beroepen. Normale aspecten van het gemeenschapsleven gingen verder maar steeds met beperkingen. Er waren tekorten aan dokters, schoolmateriaal en werk. De overheid probeerde de kinderen op een wel zeer ironische manier te 'Amerikaniseren':

An oft-repeated ritual in relocation camp schools... was the salute of the flag followed by the singing of “My country, ‘tis thee, sweet land of liberty” – a ceremony Caucasian teachers found embarrasingly awkard if not cruelly poignant in the austere prison-camp setting.

Anderzijds merken anderen die als jonge kinderen geïnterneerd waren op dat een aantal aspecten van hun jeugd waarschijnlijk niet zo sterk verschilden van die van kinderen in de rest van de Verenigde Staten en dat de kampen niet volledig afgesloten waren voor de populaire cultuur (baseball, film, muziek,...) van de rest van het land:

I was learning, as best one could learn in Manzanar, what it meant to live in America. But, I was also learning the sometimes bitter price one has to pay for it.

Afbouw

In juni 1942 behaalden de V.S.A. een belangrijke overwinning tijdens de slag om Midway en kantelde het verloop van de oorlog in de Stille Oceaan in hun voordeel. Het begon steeds duidelijker te worden dat er geen Japanse aanvallen op de westelijke kuststaten meer zouden kunnen plaatsvinden, en dus werd het steeds moeilijker om de uitsluiting en internering van Japanners en Japans-Amerikanen te blijven verdedigen. Desondanks bevonden zich tegen oktober 1942 reeds meer dan 100.000 mensen in de interneringskampen. Hoewel de internering bedoeld was om sabotage te voorkomen werden ook kinderen, bejaarden, zieken, gehandicapten, wezen en door blanken geadopteerde kinderen geïnterneerd.

Bij de belissing om de Japanners en Japans-Amerikanen te interneren was Generaal DeWitt er van uit gegaan dat etniciteit uiteindelijk loyaliteit bepaalt, en dus was hij tegen het idee om de geïnterneerden na een screening op individuele basis terug te laten keren naar de westkust of in ieder geval vrij te laten uit de kampen. Ondanks zijn tegenkanting besloot Minister van Oorlog Henry Stimson eind 1942 om een vrijwillige gevechtseenheid met enkel Nisei-soldaten op te richten. Deze eenheid zou uiteindelijk in verhouding tot haar omvang en de duur van haar aanwezigheid op het slagveld de meest gedecoreerde Amerikaanse eenheid uit wereldoorlog twee worden. Haar prestaties droegen na de oorlog in belangrijke mate bij aan de aanvaarding van Japans-Amerikanen in de Amerikaanse samenleving. Andere Nisei kregen de mogelijkheid om voor de Military Intelligence Service de communicatie van het Japanse leger te onderscheppen en te vertalen. Hiervoor moesten ze wel eerst Japans leren, want in tegenstelling tot wat de overheid beweerd had om te internering te rechtvaardigen waren de meesten veramerikaniseert en sprak slechts 7% van hen behoorlijk Japans. Om deel te kunnen uitmaken van een van deze eenheden werd eerst de loyaliteit van de kandidaten onderzocht, en deze screeningprocedure werd later ook open gesteld voor alle andere volwassen geïnterneerden.

Hoewel het dankzij deze procedure voor diegenen die vrijgelaten werden mogelijk werd het normale leven weer min of meer op te nemen, was het ook een van de moeilijkste episodes uit het verblijf in de kampen. Het screeningsproces begon met het invullen van een vragenlijst waarin de respondenten onder andere werd gevraagd of ze trouw waren aan de Verenigde Staten. Enkel diegenen die volledig loyaal waren kwamen in aanmerking voor vrijlating. Voor velen was het moeilijk om hun loyaliteit te bevestigen aangezien hun vertrouwen sinds februari 1942 ernstig was geschonden. Weigeren om zijn of haar loyaliteit te bevestigen werd voor velen een manier om te protesteren tegen de situatie waarin men zich bevond. De antwoorden die men op deze vragen gaf werden het voorwerp van hevige discussies en onenigheid onder de kampbewoners en creëerde diepe wonden in de relaties tussen families en verwanten. Degenen die onvoorwaardelijk trouw waren aan de Verenigde Staten kwamen in aanmerking voor vrijlating, de anderen werden afgezonderd in het kamp van Tule Lake, dat al snel uitgroeide tot een centrum van verzet en protest tegen het beleid van de overheid.

Juridische betwisting

In 1943 en 1944 werden bij het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten drie belangrijke beroepen gedaan die de mogelijkheid van de overheid om burgers op basis van etniciteit uit te sluiten of te interneren aanvochten. De eerste twee zaken waren die van Gordon Hirabayashi en Min Yasui. Gordon Hirabayashi was een lid van de pacifistische Society of Friends[7] en gaf zichzelf aan omdat zijn geloof hem verhinderde het interneringsbevel te gehoorzamen. Min Yasui was opgeleid als Amerikaans legerofficier en jurist. Hij bood zich vrijwillig aan om dienst te nemen in het leger, maar werd geweigerd. Toen Generaal DeWitt de avondklok instelde voor alle etnische Japanners overtrad hij deze om zich vervolgens vrijwillig aan te geven op het politiekantoor. Hij betwiste zijn situatie niet vanuit religieuze overwegingen, maar op basis van het grondwettelijke principe dat hij als Amerikaans burger behandeld hoorde te worden zonder rekening te houden met zijn etnische afkomst.

De openbare aanklager herhaalde voor het Hooggerechtshof de argumenten die eerder waren gebruikt om Executive Order 9066 te rechtvaardigen. Als gevolg van hun eerdere discriminatie zouden de etnische Japanners niet loyaal aan de Verenigde Staten geweest zijn en ter compensatie trots geweest zijn op de overwinningen van Japan. Bovendien zou het praktisch onmogelijk geweest zijn om na te gaan wie wel en wie niet loyaal was[8]. De negen rechters volgden deze redenering en bevestigden de eerdere veroordelingen van Gordon Hirabayashi en Min Yasui tot zware straffen. Rechter Murphy ging eerst niet akkoord met de visie van de andere acht rechters, maar legde zijn bezwaren naast zich neer om niet de indruk te wekken dat het Hof verdeeld was in tijden van oorlog.

In oktober 1944 begon voor het Hooggerechtshof de zaak Korematsu v. United States. Fred Toyosaburo Korematsu (是松豊三郎) had zich in tegenstelling tot Gordon Hirabayashi niet vrijwillig laten oppakken en interneren, maar had geprobeerd de internering te ontlopen door zich voor te doen als een Spaans-Hawaiaan. Hij was echter opgepakt en veroordeeld tot een zware straf. In deze zaak argumenteerde de openbare aanklager niet langer dat de uitsluiting en internering nodig was om militaire installaties te beschermen, maar dat de bevolking van de westelijke kuststaten de etnische Japanners vijandig gezind was en dat zij dus moesten uitgesloten en geïnterneerd worden in het belang van hun eigen veiligheid. De rechters oordeelden met zes tegen drie dat de uitsluiting nodig was, maar rechter Black die het standpunt van de meerderheid verwoordde greep in zijn argumentatie terug naar de redenering die in de twee eerdere zaken werd gebruikt. Rechter Murphy, die in de eerdere zaken geaarzeld had om akkoord te gaan met de grondwettelijkheid van de uitsluiting en internering, volgde de meerderheid ditmaal niet en voorzag reeds wat de 'Commission on Wartime Relocation and Internment of Civilians' 40 jaar later zou concluderen door de argumenten van de aanklager te beschouwen als:

largely an accumulation of much of misinformation, half-truths and insinuations that for years have been directed against Japanese Americans by people with racial and economic prejudices - the same people who have been among the foremost advocates of the evacuation.

Het Hof sprak haar beslissing uit op 18 december 1944 en bevestigde hiermee haar eerdere rechtspraak. Tijdens de zaak Korematsu v. United States had het Hof echter ook een verzoek gehoord van Mitsuye Endo, een geïnterneerde die aanvoerde dat de overheid burgers niet langer kon vasthouden indien ze via haar evaluatie van de loyaliteitsenquêtes zelf reeds toegegeven had dat het loyale burgers waren. Het Hof volgde deze redenering en beliste dat deze groep geïnterneerden moest worden vrijlaten. Volgens Peter Irons had het Hof zijn beslissing uitgesteld in afwachting van een beslissing van President Roosevelt om de internering te beëindigen. Die beslissing werd een dag eerder, op 17 december 1944 genomen.

Beëindiging

Minister van Oorlog Henry Stimson en de top van de legerleiding kwamen reeds begin 1943 tot de conclusie dat er geen reden was om loyale Japans-Amerikanen de toegang tot de westelijke kuststaten te blijven ontzeggen. Het verbod werd echter pas in december 1944 opgeheven, zonder dat er ooit een verklaring in termen van militaire noodzaak werd gegeven voor het uitstellen van deze belissing. Volgens de onderzoekscommissie is de meest plausibele verklaring dat de president en zijn kabinet hier niet toe over gingen omwille van de politieke tegenstand van anti-Japanse politici en organisaties in de westelijke kuststaten. Het staat vast dat hoewel Minister van Oorlog Stimson President Roosevelt en zijn cabinet reeds in mei 1944 op de hoogte stelde van zijn mening dat de internering niet langer nodig was, de President de beslissing pas nam op de eerste kabinetsvergadering na zijn overwinning in de presidentsverkiezingen van november 1944.

De Interneringskampen werden allemaal gesloten tussen 15 oktober 1945 en 15 december 1945, met uitzondering van Tule Lake dat pas op 28 maart 1946 gesloten werd. Op 30 juni 1946 werd de War Relocation Authority ontbonden. Op 2 juli 1948 keurde preisdent Truman de Japanese-American Claims Act goed, die een beperkte vergoedingsregeling bood voor schade die etnische Japanners door de internering hadden geleden.

De beweging voor compensatie

De slachtoffers van de internering hielden hun schaamte en woede gedurende decennia stil, maar begonnen in de jaren ’70 een beweging die ijverde voor compensatie. De eerste pogingen om een geldelijke tegemoetkoming te krijgen van het Amerikaanse Congres werden afgekeurd door meer behoedzame leden de Japans-Amerikaanse gemeenschap. Er werd in plaats daarvan geijverd voor de oprichting van een onderzoekscommissie naar de internering van Japans-Amerikanen, wat in 1980 gebeurde met de oprichting van de 'Commission on Wartime Relocation and Internment of Civilians' werd. Deze commissie onderzocht duizenden documenten en ondervroeg meer dan 750 getuigen alvorens in december 1982 haar verslag af te werken en het in februari 1983 bekend te maken. Alle leden van de commissie gingen unaniem akkoord dat de internering een 'zware onrechtvaardigheid' was geweest voor de Japans-Amerikanen en de leden gingen op een na allemaal akkoord met de aanbeveling dat het Amerikaanse Congres een schadevergoeding van $ 20.000 zou uitbetalen aan elk nog levend slachtoffer van de interneringskampen.

Deze aanbeveling werd uitgevoerd via de Civil Liberties Act van 1988, op een moment dat reeds meer dan 60.000 ex-geinterneerden overleden waren. In de wet werd herhaald dat de internering niet gebaseerd was op militaire noodzaak maar op 'racistische vooroordelen, oorlogshysterie en het tekort schieten van de politieke leiders'. De eerste uitbetalingen vonden plaats in 1990.

Het ongedaan maken van de Veroordelingen van Fred Korematsu, Min Yasui en Gordon Hirabayashi

In 1983 werd gepoogd de veroordeling van Fred Korematsu ongedaan gemaakt via een zogenaamde 'writ of error coram nobis'. Opdat een vonnis via deze procedure ongedaan zou worden gemaakt dient de verzoeker te bewijzen dat hij of zij door het wangedrag van de openbare aanklager geen eerlijk proces heeft kunnen krijgen. Dit kan door aan te tonen dat de openbare aanklager bewust bewijsmateriaal heeft achtergehouden dat de onschuld van de beklaagde zou hebben aangetoond of vals bewijsmateriaal heeft gebruikt. Uit vrijgegeven overheidsdocumenten bleek dat de aanklager in Korematsu v. United States had geweigerd het Hooggerechtshof op de hoogte stellen van het bestaan van inlichtingenrapporten die stelden dat er geen enkele aanwijzing was van een gebrek aan loyaliteit ten aanzien van de Verenigde Staten in de etnisch-Japanse gemeenschap. Het hoofd van de Alien Enemy Control Unit had de openbare aanklager er nochtans op gewezen dat hij verplicht was het Hof op de hoogte te stellen van het bestaan van deze rapporten. Verder bleek ook dat de openbare aanklager gebruik had gemaakt van het 'Final Report' van Generaal DeWitt uit 1943, hoewel het hoofd van de Alien Enemy Control Unit hem er op gewezen had dat hij dit rapport niet mocht gebruiken aangezien er inlichtingenrapporten bestonden die aantoonden dat de inhoud van het Final Report onwaar was.

De openbare aanklager hield dus bewijsmateriaal dat de onschuld van de beklaagde aantoonde achter en gebruikte vals bewijsmateriaal. Beide feiten droegen in belangrijke mate bij tot de overweging van het Hooggerechtshof in 1944 dat de uitsluiting en internering van Japans-Amerikanen gerechtvaardigd was op basis van militaire noodzaak. In november 1983 maakte een federale rechter de veroordeling van Fred Korematsu ongedaan en vervolgens werden via dezelfde procedure ook de veroordelingen van Min Yasui en Gordon Hirabayashi ongedaan gemaakt.

De internering in het Amerikaanse nationale bewustzijn

President Ronald Reagan tekent de 1988 Civil Liberties act.

Pas na de oorlog werd het verhaal van de etnische Japanners bekend bij de ruimere Amerikaanse publieke opinie. Eugene Rostow, professor aan de rechtsfaculteit van Yale University, noemde het in september 1945 in een artikel in Harper’s Magazine 'our worst wartime mistake'. Ook vele personen die betrokken waren bij de belissing tot internering erkenden later minstens dat het een vergissing was geweest. Het rapport uit december 1982 van de 'Commission on Wartime Relocation and Internment of Civilians' besluit dat Executive Order 9066 en de besluiten die er uit volgden niet gerechtvaardigd konden worden door militaire noodzaak, en dat de besluiten die er uit voortvloeiden niet gebaseerd waren op analyses van de militaire situatie maar op racisme, onwetendheid, oorlogshysterie en en gebrek aan politiek leiderschap. President Bill Clinton kende Fred Korematsu in 1998 de Presidential Medal of Freedom toe, en President George W. Bush keurde in 2006 een resolutie van het Huis van Afgevaardigden goed die geld vrijmaakt voor de restauratie van de 10 interneringskampen.

Zoals vele andere etnische minderheden in de Verenigde Staten heeft de Japans-Amerikaanse gemeenschap organisaties en musea opgericht om de herinnering aan haar aanwezigheid in de Verenigde Staten, haar discriminatie en haar emancipatiestrijd levendig te houden. Velen van deze organisaties organiseren geregeld pelgrimstochten naar de vroegere interneringskampen. In de nasleep van de aanslagen van 11 september 2001 spraken vele Japans-Amerikaanse organisaties en individuen zich uit tegen de stemmingmakerij ten aanzien van Arabieren en moslims.

Hierbij dient wel de kanttekening gemaakt te worden dat de Japans-Amerikaanse gemeenschap een relatief kleine en weinig zichtbare gemeenschap is en volgens politiek wetenschapster Claire Jeane Kim net als andere etnische minderheden van Oost-Aziatische afkomst voor vele Amerikanen nog steeds buitenstaanders zijn. Ook oriëntalistische beeldvorming behoort volgens Saïd en Rosen niet tot het verleden.

Noten

  1. Kibei was een term voor Nisei die door hun ouders tijdens hun jeugd gedurende enige tijd naar Japan gestuurd werden om er te studeren. Volgens het Munson Report waren de Kibei nog loyalere Amerikanen dan de Nisei
  2. Deze bijdrage gebruikt de termen 'internering' en 'interneringskampen'. Hoewel de kampen concentratiekampen zijn in de zin die het woord oorspronkelijk had tijdens de Zuid-Afrikaanse Boerenoorlogen, wordt die term nu doorgaans oneigenlijk gebruikt om te refereren naar de vernietigingskampen van nazi-Duitsland. Anderzijds worden ook de officiële termen 'evacuatie' en 'evacuatiecentra' vermeden, aangezien die doorgaans gebruikt worden om aan te geven dat mensen beschermd worden tegen een vorm van externe overmacht. Door die termen te gebruiken zouden dus de politieke beslissingen en sociaal-culturele context die aan de basis van de internering liggen genegeerd worden.
  3. Deze bijdrage gebruikt de term etnische Japanner om te refereren naar Issei, Nisei, Kibei, Sansei en hun afstammelingen.
  4. Rond deze tijd werden ook in Canada personen van Japanse afkomst geïnterneerd.
  5. Burton, Jeffery F., Mary M. Farrell, Florence B. Lord e.a. ``Confinenment and Ethnicity: An Overview of World War II Japanese American Relocation Sites. Publications in Anthropology, nr. 74 (1999, rev. juli 2000), Hoofdstuk 3 (20-12-2007)
  6. Vooral in de kampen van Manzanar en Tule Lake vonden meermaals zware opstanden plaats. Voor een beschrijving van een zware opstand in Tule Lake, zie http://www.geocities.com/Athens/8420/resistance.html#tulelake
  7. Beter bekend als de 'quakers'.
  8. In werkelijkheid waren alle potentieel gevaarlijke etnische Japanners reeds in de eerste dagen na de aanval op Pearl Harbor opgepakt op basis van de 'custodial detention index'

Bronvermelding

Officiële bronnen

Wetenschappelijke bronnen

  • Burton, Jeffery F., Mary M. Farrell, Florence B. Lord e.a. ``Confinenment and Ethnicity: An Overview of World War II Japanese American Relocation Sites. Publications in Anthropology, nr. 74 (1999, rev. juli 2000). <http://www.nps.gov/history/history/online_books/anthropology74/index.htm>. (20-12-2007)
  • Gleason, Philip. ``American Identity and Americanization. Harvard Encyclopedia of American Ethnic Groups, Stephan Thernstrom (red.), 46. Cambridge, MA: Harvard University Press, 1980.
  • Goedertier, Joseph M. A Dictionary of Japanese History. New York, Tokyo: Walker/Weatherhill, 1968.
  • Huntington, Samuel P. Wie zijn wij? Over de Amerikaanse identiteit. Antwerpen: Manteau/Standaard, 2004.
  • Irons, Peter. Justice at War: The Story of the Japanese American Internment Cases. Oxford: Oxford University Press, 1983.
  • Irons, Peter. Justice Delayed: The Record of the Japanese American Internment Cases, Middletown, CT: Wesleyan University Press, 1989.
  • Irons, Peter. A People’s History of The Supreme Court. Londen: Penguin Books, 2000.
  • Jones, Maldwyn Allen. American Immigration. Chicago: University of Chicago Press, 1974
  • Kim, Claire Jeanne. ``Interracial Politics: Asian Americans and Other Communities of Color. Political Science and Politics, nr. 3 (2001): 631-637. <http://links.jstor.org/sici?sici=1049-0965%28200109%2934%3A3%3C631%3AIPAAAO%3E2.0.CO%3B2-J>. (26-09-2007)
  • Kim, Claire Jeanne. ``The Racial Triangulation of Asian Americans. Politics and Society, nr. 1 (1999): 105-138.
  • Maison franco-japonaise de Tokyo. Dictionnaire Historique du Japon. Parijs: Maisonneuve et Larose, 2002.
  • Rosen, Steven L. ``Japan as Other: Orientalism and Cultural Conflict. Intercultural Communication nr. 4 (2000). <http://www.immi.se/intercultural/nr4/rosen.htm>. (20-12-2007)
  • Vande Walle, Willy. Een geschiedenis van Japan: Van samurai tot soft power. Leuven: Acco, 2007.
  • Saïd, Edward W. Orientalism. London: Penguin, 2003.
  • Zinn, Howard. A People’s History of the United States: 1492-present (3rd edition). Pearson Longman: London, 2003.

Andere bronnen

Externe Links

Officiële documenten

Websites van Japans-Amerikaanse zelforganisaties

Websites met betrekking tot specifieke kampen

Websites met fotomateriaal