Internationale contacten in het begin van de Edo-periode
Uit GeschiedenisJapan
Het is zeker niet zo dat de Tokugawa's van in den beginne een isolationistisch beleid voerden, integendeel, net zoals Hideyoshi stimuleerde Tokugawa Ieyasu de contacten met Korea, China, de Ryūkyū-archipel en de Europese mogendheden. Onder deze laatsten gaf hij er de voorkeur aan zaken te doen met de Engelsen en de Hollanders.
Inhoud |
Herstel van de betrekkingen met Korea
Sedert de militaire campagnes van Toyotomi Hideyoshi op Koreaanse bodem waren de betrekkingen tussen beide mogendheden ronduit slecht geworden. Eén van de eerste stappen op het vlak van de internationale politiek, door Ieyasu gezet was dan ook het herstellen van de wederzijdse betrekkingen. Via bemiddeling van de heer van Tsushima (Sō 宗) werd in 1607 een delegatie Koreanen in Japan ontvangen. Een gebaar dat de Koreanen zouden blijven herhalen telkens een nieuwe shōgun het bewind overnam. Bovendien kregen de Japanners in 1609 vergunning om in de Koreaanse stad Pusan een handelsmissie te openen en mits het volume niet te groot werd, handel te drijven.
China weigert officiële contacten
Ook met de Míng probeerde het bakufu de contacten te herstellen, maar dit werd kordaat geweigerd. Deze weigering ligt aan de basis van het ontstaan van een bloeiende afspraakhandel of deai bōeki 出会貿易: dit wil zeggen handel met Chinese schepen van zowel openbare als privé-reders buiten de territoriale wateren van de Míng, in afgesproken havens, vooral Taiwan en Luzon. Bovendien, omdat het bakufu met open armen Chinese schepen in Japan ontving, ontwikkelde zich een bloeiende zijdehandel vanuit Nanjing naar Noord-Kyūshū.
De Ryūkyū-archipel
Net als Korea stuurde de koning van de Ryūkyū bij de aanstelling van een nieuwe shōgun een gezantschap om hem geluk te wensen. Vanuit dit oogpunt was het dus buitenland. In feite echter was de Shimazu-clan in 1609 het eilandenkoninkrijkje binnengevallen en had het de koning Shōnei 尚寧 gevangen genomen. In 1610 ging Shimazu Iehisa, daimyō van Satsuma, samen met Shōnei zijn opwachting maken bij deshōgun, die bevestigde dat Shōnei voortaan een vazal was van de Shimazu-clan. De koning van Ryūkyū werd dus tribuutplichtig aan de daimyō van Satsuma, maar anderzijds bleef hij ook zijn traditionele tribuut zenden naar de Míng-keizer, wiens kalender en jaarstijl hij overigens gebruikte. Het was via de koning van de Ryūkyū dat Ieyasu de betrekkingen met China poogde te herstellen, zonder succes evenwel.
Contacten met Europese mogendheden
De contacten met de Europese mogendheden ondergingen ook belangrijke veranderingen waarvan de oorsprong voor een groot deel gezocht moet worden in de gewijzigde politieke situatie in Europa. Begin zeventiende eeuw was het politiek-economische zwaartepunt in Europa van het zuiden (Spanje, Portugal) naar het noorden verschoven (Engeland, de Verenigde Provinciën), parallel met de ontwikkeling van het mercantilisme. In 1600 werd in Engeland de Oost-Indische Compagnie opgericht en in 1602 volgden de Hollanders hun voorbeeld door hun Vereenigde Oost-Indische Compagnie op te richten, waarmee beide naties tot diep in het Verre Oosten doordrongen.
In 1600 strandde het eerste Nederlandse karveel ‘De Liefde’ in de Japanse provincie Bungo 豊後 (ōita 大分). Ieyasu benoemde de leiders van deze handelsmissie, de Engelsman William Adams en de Hollander Jan Joosten tot zijn raadgevers inzake buitenlands beleid en ze werden de tussenpersonen voor de handel met Engeland en de Verenigde Provinciën.
Daarna in 1609 en in 1613 kwamen opnieuw respectievelijk een Hollands en een Engels schip naar Japan en kregen toestemming om in Hirado 平戸 (in de huidige prefectuur Nagasaki) een handelsfactorij te openen. De grote concurrentie die de Nederlandse en de Engelse handelsmaatschappijen met elkaar op alle wereldzeeën voerden, verliep in het voordeel van de Hollanders die nadat de Engelsen afzagen van handel in Japan, als enige Europees land, in Nagasaki een handelsfactorij mochten openen in 1632.
Japanse schepen buitengaats
Maar Ieyasu bevorderde niet alleen contacten met buitenlandse handelaars en mogendheden, hij stimuleerde ook, net als Hideyoshi, de handel onder vergunning met het vermiljoenzegel (shuinjō 朱印状), terwijl in de eerste helft van de zeventiende eeuw ook individuele Japanse handelaars en avonturiers in Azië doordrongen (tot Birma, Borneo, Indochina, ...). Tussen 1604 en 1635 werden er ongeveer 355 vergunningen met het vermiljoenzegel uitgereikt, wat een gemiddelde van tien à twaalf expedities per jaar laat veronderstellen, wat zeer veel was in een periode waarin zeereizen nog heel traag verliepen en gevaarlijk waren. Het gedrag van deze schepen kon in sommige gevallen als piraterij worden omschreven. Vaak overvielen zij andere schepen, zodat zij allengs een kwalijke reputatie kregen in heel Zuidoost-Azië. Vele landen protesteerden en zetten de Japanse overheid onder druk om maatregelen te nemen. Het invoeren van de vergunningenregeling was een tegemoetkoming aan die eis. Na Ieyasu's dood echter evolueerde de vergunning tot een instrument ter controle van de handel. Zij werden alleen uitgeschreven aan hofleveranciers die speciale bescherming genoten zoals de Suminokura 角倉, Sueyoshi 末吉, de Chaya 茶屋 en andere handelshuizen.
De uitvoer uit Japan bestond hoofdzakelijk uit zilver, koper, ijzer, solfer, kamfer, rijst en andere graansoorten, maar ook uit lakwerk, waaiers, ijzerwaren en andere ambachtelijke producten. In ruil brachten de handelaars onbewerkte zijde, zijdestoffen van hoge kwaliteit, katoen, huiden, suiker, kleurstoffen,... mee.
Naast deze officiële handelsvloot kwamen ook Portugese en Chinese schepen om goederen in en uit te voeren: in de eerste plaats Chinese onbewerkte zijde, maar ook goud, lood, geneeskrachtige kruiden, specerijen,... Ook westerse ambachtelijke producten zoals uurwerken, glas,... vonden af en toe hun weg naar Japan. Daarnaast dreven ook sommige daimyō in het westen, vooral de Shimazu en de Matsuura voor eigen rekening handel met het buitenland.
De enorme ontwikkeling van de handel bracht een nooit geziene emigratie naar alle streken in Zuidoost-Azië op gang. Men schat dat in de periode van de vergunningen met het vermiljoenzegel circa 70.000 Japanners naar het buitenland reisden. In de meeste havens die door de Japanse schepen werden aangedaan, ontstonden ware kolonies van Japanse inwijkelingen, zogenaamde Nihon-machi 日本町. De belangrijkste waren San Miguel in de buurt van het huidige Manila, Pnom-Penh in Cambodja, Ayuthia in Siam,... In San Miguel waren er meer dan 3000 inwijkelingen die via zelfbestuur hun nederzettingen bestuurden. De bloei van deze nederzettingen kwam ten einde toen in Japan het isolationistisch beleid werd afgekondigd.
De Japanse scheepsbouw en navigatietechnieken kenden in die tijd een snelle ontwikkeling, mede door de frequente gelegenheid die ze kregen om van de Portugezen te leren. Zij leerden het gebruik van het kompas, zeekaarten, en diverse navigatieinstrumenten. De kangōfusen in de Muromachi-periode hadden een tonnenmaat van circa 100 ton, maar de vergunningsschepen (shuinsen 朱印船) gingen tot 200 à 300 ton.
De meest verbluffende krachttoer was die van Hasekura Tsunenaga 支倉常長 (ook Hasekura Rokuemon, 支倉六右衛門), een vazal van de machtige daimyō Date Masamune 伊達政宗. In 1613 stak hij in een door Japanners gebouwd zeilschip de Stille Oceaan over naar de westkust van Mexico. Daar maakte het schip rechtsomkeer, maar hijzelf reisde verder over land naar de oostkust, waar hij scheep ging op een Spaans galjoen, dat hem naar Spanje, Venetië en Rome bracht. Hoofddoel van zijn zending was te pleiten bij de Spaanse koning voor het openen van een handelsroute tussen Mexico en Japan. Toen hij na zeven jaar terug in Japan aankwam was de stemming helemaal omgeslagen en was de overheid niet meer geïnteresseerd.

