Intellectuele en wetenschappelijke ontwikkelingen in de Edo-periode
Uit GeschiedenisJapan
Wat de cultuur en de wetenschappen in de Edo-periode duidelijk onderscheidt van de voorgaande perioden is de toenemende zin voor realisme en praktische gerichtheid. Vooral de rol van de religie werd kleiner en er werd ijverig gezocht naar een ideologie die een efficiënt bestuur mogelijk moest maken dat tegemoet kon komen aan de problemen die rezen naarmate een bestuur op louter militaire leest geschoeid minder en minder geschikt was om problemen van sociale en economische aard het hoofd te bieden en het waren dit soort problemen waarmee het Edo-bakufu werd geconfronteerd.
De Edo-periode, die op het politieke vlak als een periode van conservatisme en ‘verstening’ van de feodale bestuursstructuren mag worden beschouwd, was in alle andere opzichten een periode van opmerkelijke vooruitgang. Vooruitgang die voor het eerst niet alleen door mensen uit de bevoorrechte klasse werd bewerkstelligd maar door talent van individuen dat in alle lagen van de bevolking opstond: samurai, boeren, aristocratie, stedelingen, ... De filosofie of moraaltheorie die ten grondslag lag aan deze periode van bloei was het confucianisme (jugaku 儒学).
Neoconfucianisme
Naarmate de samurai-klasse niet langer meer als militaire machthebber de bestuurlijke macht uitoefende maar zich meer en meer ontpopte tot een klasse van administratoren hadden zij een filosofie en maatschappelijke moraal nodig die hun suprematie op een min of meer rationele manier onderstreepte en zo mogelijk als staatsideologie kon worden gepropageerd. Die ideologie diepten zij vooral uit de theorieën van Chinese confucianisten als Zhū Xī 朱熹 en Wáng Yángmíng 王陽明, die de nadruk legden op de manier waarop de mensen zich ten opzichte van elkaar hoorden te gedragen, overeenkomstig hun sociale status, klasse, geslacht, ... De theorieën van Zhū Xī werden gepromoveerd tot staatsfilosofie onder de naam shushigaku 朱子学 maar er waren ook nog de yōmeigaku 陽明学 of de theorieën van Wáng Yángmíng, en de kōgaku 孔学 de theorieën die rechtstreeks teruggingen naar de leer van Confucius (Kŏngzi; Kōshi 孔子). Ze droegen er elk op hun beurt toe bij dat Japan doordrongen werd van een vrij uniform maatschappijbeeld. Dat dit op diepgaande wijze verliep is waarschijnlijk te wijten aan het zo niet anti-religieuze, dan toch wel areligieuze aspect van het confucianisme dat als politieke moraalfilosofie verder ging en omvattender was dan het boeddhisme of shintoïsme in de zin dat het de maatschappij voorstelde als een cosmos waarin alle klassen, mensen, natuurverschijnselen, ... verband hielden met elkaar, zodat alle klassen, wilde men de politieke stabiliteit bewaren, zich moesten gedragen zoals het hun klasse betaamde zodat stabiel bestuur en leven in vrede mogelijk bleef. Het waren deze uitgangspunten die van hogerhand werden onderwezen en gepropageerd opdat de mens, ‘die van nature goed is’, door zich als klein deel van de sociale kosmos op correcte manier in te passen in het gamma van sociale interacties, goed en efficiënt bestuur niet onmogelijk zou maken.
Diegene die er in slaagde het confucianisme los te weken van de boeddhistische controle (het confucianisme was tot dan toe en studieonderwerp van monniken geweest) was Fujiwara Seika 藤原惺窩 (1561-1619), een uitgetreden monnik afkomstig uit Kyōto die het confucianisme openlijk onderwees als een zelfstandige filosofie die uitstekend geschikt was om de problemen van het bestuur tegemoet te komen. Eén van zijn leerlingen Hayashi Razan 林羅山 (1583-1657) werd door Tokugawa Ieyasu in dienst genomen als juridisch adviseur en raadgever inzake historische precedenten. Hij was de eerste van een geslacht van denkers die het shushigaku propageerden in dienst van het shōgunaat, als confucianistische adviseurs. In 1630 werd onder impuls van de Hayashi-familie een confucianistische school opgericht, die zou uitgroeien tot een officieel Tokugawa-college, de Shōheikō 昌平黌, die nog later zou omgedoopt worden tot de universiteit van Tōkyō. Tegen 1691 gaf het bakufu toestemming aan de confucianistische geleerden om zich niet langer als verbonden met de boeddhistische ‘kerk’ te moeten opstellen, aldus de confucianisten erkennende als aparte filosofen wier werk een unieke bijdrage leverde tot de totstandkoming van een nieuwe moraal. Begin achttiende eeuw was het belang van de confucianistische ideologie al zo ver erkend dat vele daimyō confucianistische adviseurs in dienst hadden en hun steun verleenden om het confucianisme in hun han te verspreiden. De zucht naar confucianistische kennis was zo groot dat onafhankelijke geleerden zich in Kyōto, Ōsaka en Edo konden vestigen en hun brood verdienden als privé-leraars van rijke samurai en handelaars. Want het moet worden onderstreept dat het confucianisme niet zomaar een door de heersende klasse opgelegde maatschappijvisie was. Het trok tevens leden van andere klassen aan, in de eerste plaats de stedelingen en handelaars, omdat het een raamwerk bood dat de economische vooruitgang zeker niet belemmerde. Als niet productieve klasse werden de stedelingen veel minder zwaar belast dan de boer zodat de stedelingen zeker geen economisch nadeel ondervonden van hun status als ‘laagste stand’.
Begin achttiende eeuw was het confucianisme volledig aanvaard als de overheersende lekenfilosofie en zijn invloed werd een belangrijke drijvende kracht in de sfeer van het onderwijs en de politieke filosofie. De overheid achtte het ook nodig om het gewone volk van de confuciaanse ethiek te doordringen. De achtste shōgun Yoshimune (1684-1751, regeerde 1716-1745) gaf opdracht om het Edict der Zes Aanmaningen, een edict dat de eerste Míng-keizer in 1398 had uitgevaardigd, te vertalen en te publiceren. Het zijn eenvoudige ethische principes voor het volk: doe uw plichten van kinderliefde tegenover uw ouders, eer uw ouderen en oversten, leef in vrede met uw buren, onderwijs en tuchtig uw zonen en kleinzonen, laat iedereen in vrede in zijn eigen levensonderhoud voorzien, en bedrijf geen ongeoorloofde daden. De van commentaar voorziene tekst verscheen in 1721. Het is opmerkelijk dat het bakufu een tekst liet publiceren die afkomstig was van een Chinese keizer, het weze dan nog de stichter van een reeds ten onder gegane dynastie. Dit bewijst dat het bakufu zich niets aan de Japanse keizer gelegen liet liggen, en hem geheel negeerde.
De eerste confucianisten en hun beschermers waren pioniers die een nieuwe maatschappij creëerden met een eigen nieuwe maatschappijvisie. De wortels van deze ontwikkeling liggen in het beleid van Hideyoshi en Ieyasu, die waarschijnlijk meer onbewust dan bewust een absolutere macht verwierven, samen met het meer concrete besef dat zij heersers waren over een maatschappij die concreet bestuur nodig had en niet voldoende welvaart kon kennen zolang werd vastgehouden aan vage religieuze principes van ‘eenheid’. Het confucianisme kwam tegemoet aan de noden van het bakufu doordat het een nieuwe filosofie van het leven en een nieuwe kosmologie bood. Het universum, zo werd gesteld, werd beheerst door de rede (ri 理), die het materiële bestuurde om de wereld van de mens te creëren. Ook de menselijke samenleving werd beheerst door rede en orde, of de mens die nu doorzag of niet. Bovendien was de orde en rede van morele aard. Het belang van deze confucianistische doctrine was dat het een aan de noden van de tijd aangepaste eenheid van ideologie en daadwerkelijk bestuur leverde. De studie van de essentiële principes (ri 理) leidde tot kennis (chi 智) die de mens in contact bracht met de essentie van de morele orde en kon zo op die manier moreel correct handelende mensen produceren. Het bestuur was in de eerste plaats het orgaan om de morele orde onder de mensen te verwezenlijken.
Het belang van het confucianisme voor de politieke orde van het Edo-bakufu was dat het in een nieuwe bestuurstheorie voorzag, en een nieuwe visie voor een harmonieuze samenleving. De ideale sociale orde die werd vooropgesteld was een natuurlijke hiërarchie van klassen waarin ieder individu zijn toegewezen plek bezette en er naar streefde zijn opdracht in het leven te vervullen. Aldus werkte het confucianisme als een bevestigende factor van de trend naar scheiding der klassen en de codificering van gedragsnormen eigen aan elke klasse apart. Maar het confucianisme was meer dan een filosofie van sociale controle: het postuleerde een morele orde die boven de heersers stond. Het gaf de shōgun en de daimyō de verantwoordelijkheid om te besturen in het voordeel van het volk. De macht lag dus wel absoluut vast bij één klasse maar zij moest humaan en met verantwoordelijkheidszin worden uitgeoefend.
Aldus gaf het confucianisme filosofische ruggensteun aan een nieuwe juridische en politieke orde. En in deze periode waarin gedragingen verschoven van die der gewoonten naar die der principes, vulden de confucianistische principes een vacuüm dat het boeddhisme niet had kunnen opvullen. De concepten van loyaliteit aan de politieke orde en aan de familie universaliseerden de meest fundamentele sociale vereisten van het Edo-tijdperk.
Historische compilaties
De samurai-cultuur en denkwereld werd echter niet compleet berekend door een steeds schroeiendere zucht naar confucianistische kennis. Ook in de domeinen van de wetenschapsbeoefening werden nieuwe hoogtepunten bereikt. Vooral het historisch onderzoek kende belangrijke ontwikkelingen want in de Tokugawa-periode werd de basis gelegd voor de objectieve geschiedschrijving, dit zowel qua output als qua researchmethodes. Voor het eerst werden voor dit doel archieven en bibliotheken aangelegd.
De belangrijkste van de historische compilaties is de Honchō tsugan 本朝通鑑 of ‘Algemene geschiedenis van het Vaderland’, een chronologische geschiedenis van Japan in 1670 afgemaakt door de Hayashi-familie op verzoek van het shōgunaat. Andere shōgunale projecten waren de Tokugawa Jikki 徳川実紀 of de ‘Ware annalen van de Tokugawa’ geschreven tussen 1809 en 1849, waarin in fijne details het leven aan het hof van de shōgun werd beschreven. In de Kansei chōshū shokafu 寛政朝集諸家譜 (‘De stambomen [der militaire clans], herziene editie van de Kansai-periode’)van 1812 werden alle hofkronieken der daimyō en belangrijke vazallen van de shōgun verzameld.
Naast deze projecten van het shōgunaat werden ook door daimyō verschillende studies ‘uitbesteed’. Zo is er de Dainihonshi 大日本史 of ‘Geschiedenis van het Grote Japan’ dat in opdracht van de heer van Mito, Tokugawa Mitsukuni 徳川光圀 (1628-1700) werd geschreven. Vele andere han besteedden aandacht aan het kroniekschrijven en compileren van lokale geschiedenissen.
Ook werden tal van privé-geschiedenissen gepubliceerd waaronder vermeldenswaard vooral de Tokushi yoron 読史余論 van Arai Hakuseki 新井白石, een studie over het overgaan van de macht van de aristocratie in handen van de militaire klasse. Naast geschiedenis werd echter ook vooruitgang geboekt inzake aardrijkskunde, wiskunde, geneeskunde, ...
Onderwijs
Wetenschap en kennis waren bovendien niet beperkt tot de samurai-klasse alleen. Stedelingen en zelfs enkelen uit de boerenklasse werkten zich op tot belangrijke wetenschappelijke of filosofische schrijvers. Dit was een onmiskenbare weerspiegeling van de mate waarin de mogelijkheden om onderwijs te genieten in alle echelons van de Tokugawa-samenleving doordrongen. ‘Alfabetisering’ was in Japan vrij gevorderd dankzij een steeds groeiend net van scholen en scholingsmogelijkheden. De belangrijkste onderwijsinstelling was ongetwijfeld de Shōheikō van het bakufu waaraan in 1765 zelfs een medische faculteit werd voorzien. Na 1700 nam ook het door daimyō gesponsorde net van han-scholen uitbreiding, dat op het einde van het Tokugawa-regime 270 scholen zou tellen. Daarnaast steunden de han nog meer dan 370 academies, terwijl in grote steden en gemeenten meer dan 1400 privé-scholen bestonden. Deze onderwijsinstellingen waren in de eerste plaats gericht op het onderwijs van samurai, maar de stedelingen werden niet uitgesloten. Vooral handelaars stuurden hun kinderen naar zulke scholen om er nuttige bekwaamheden voor het handelsberoep te leren (vooral rekenen en lezen), terwijl op die manier de confucianistische levensvisie ook op systematische wijze de stedelingen werd ingeprent. Minder bemiddelde mensen en de boeren konden terecht bij de zogenaamde tempelschooltjes of terakoya 寺子屋. Dit waren kleine privé-schooltjes dikwijls maar niet noodzakelijk verbonden aan lokale tempels. Midden negentiende eeuw schatte men het aantal van die schooltjes rond de 10.000.

