Inrichting van het Tokugawa-Bakufu bestuur

Uit GeschiedenisJapan

(Doorverwezen vanaf Inrichting van het bestuur)

Het centrale bestuur

Dankzij zijn steeds toenemende militaire en economische macht groeide het Tokugawa-bakufu uit tot een nationaal bestuur dat in alles de verwezenlijkingen van Hideyoshi en Nobunaga overtrof. In vredestijd berustte de militaire macht van het bakufu op de permanente paraatheid van een bijzondere klasse van vazallen: de hatamoto 旗本 (banierdragers) en de gokenin (vazallen of mannen van het huis). Dit was een klasse van samurai wier inkomen lager lag dan 10.000 koku en die doorgaans leefden van erfelijke stipendia en salarissen (karoku 家禄) voor bestuurlijke of politionele functies die zij uitoefenden. Slechts het topechelon van de hatamoto was effectief eigenaar van gronden. Vooral onder het bewind van shōgun Iemitsu groeiden de hatamoto en gokenin uit tot een gesalarieerde klasse. Op het einde van de zeventiende eeuw waren er in het totaal ongeveer 5000 hatamoto en omdat zij reeds in de periode waarin Ieyasu nog daimyō van Mikawa was hun trouw hadden bewezen, genoten zij het voorrecht van toegang tot de shōgun, (omemie 御目見得). De gokenin telden ongeveer 17.000 man in totaal, en genoten het privilege van omemie niet. Tezamen konden de hatamoto en de gokenin een leger van 60.000 soldaten op de been brengen voor het bakufu. In vredestijd waren de hatamoto en de gokenin zoals reeds gezegd vooral betrokken in politionele functies (hoofdzakelijk bewakingsopdrachten), ofwel belast met een lagere administratieve functie. Dit soort functies werd vaak om beurten vervuld (kōtai yoriai 交代寄合), samenvallend met het sankin kōtai.

Op het einde van de zeventiende eeuw viel zowat 25% (7 miljoen koku) van alle landbouwgrond onder de directe controle van het bakufu. Deze tenryō 天領 genoemde gronden lagen her en der in 47 van de 68 provinciën van Japan verspreid, maar de grootste concentraties waren te vinden in de Kantō- en Kinai-regio's. Daarnaast baatte het bakufu ook nog goud-, zilver- en kopermijnen uit in Sado, Izu, Ashio 足尾,... en waren de daimyō die andere mijnen exploiteerden een bijzondere belasting verschuldigd. Vanaf 1601 sloeg het bakufu trouwens een eigen munt die nationale verspreiding kende en verbood het daimyō hun eigen munt te slaan. De greep op de nationale economie werd voorts versterkt door de politieke controle die het bakufu uitoefende op alle grote steden die commercieel gunstig gelegen waren. (bijvoorbeeld Kyōto, Ōsaka, Nagasaki,...).

Om de militaire controle en de economische expansie vanuit Edo te kunnen leiden, bouwde het bakufu een netwerk van officiële hoofdwegen uit. Het nut van dit netwerk oversteeg al snel de politieke doelstellingen en droeg enorm bij tot de (mercantilistische) ontwikkeling van de Japanse economie.

Het sankin kōtai van de daimyō, het jaarlijkse bezoek van het Hollandse opperhoofd (kapitan甲比丹 of Oranda shōkan-chō 阿蘭陀商館長) uit Deshima 出島 aan de shōgun, de gebeurlijke Koreaanse delegaties en de distributie van goederen of transporten van belastingen in natura dienden alle langs deze officiële hoofdwegen te gebeuren. De kernen van dit netwerk waren de go-kaidō 五街道 (de vijf hoofdwegen): de tōkaidō 東海道 (van Edo naar Kyōto), de nakasendō 中仙道 (van Edo naar Kusatsu 草津), de nikkō-kaidō 日光街道 (van Edo naar Nikkō), de ōshū-kaidō 奥州街道 (van Edo naar Shirakawa) en de kōshū-kaidō 甲州街道 (van Edo naar Shimosuwa 下諏訪). Het is vooral langs deze banen dat zich een uitgebreid netwerk van uitspanningen, herbergen of stations (shukuba 宿場) ontwikkelde. Het beginpunt van al die wegen lag in Edo, bij Nihonbashi 日本橋. Van daaruit werden langs de wegen ‘mijlpalen’ gezet (1 per ri 里 = 3,93 km.), zodat reizigers nauwkeurig de afstanden konden bijhouden. Om de twee à drie ri werd een pleisterplaats ingericht waar de reizigers en de dieren konden verpozen, terwijl zij voor officiële koeriers dienst deden als aflossingsposten. De uitbating van deze koerierstations werd voor een groot deel aan de lokale boeren opgedragen, voor wie het onderhoud van de koeien en hun rijdieren een supplementaire én zware last was.

Uit strategische en politionele overweging richtte het bakufu langs de wegen officiële tolposten op, bij een brug, een bergengte,... Bij grote rivieren anderzijds werden opzettelijk geen bruggen gebouwd en waren de reizigers verplicht gebruik te maken van officiële overzetdiensten, dit om grote troepenverplaatsingen te bemoeilijken. De specifieke opdracht van de tolposten was controle uit te oefenen op het vuurwapentrafiek naar Edo (irideppō 入鉄砲) en het vertrekken van echtgenotes en kinderen van daimyō uit Edo (de-onna 出女) want dit waren de twee belangrijkste maatregelen die het bakufu verwachtte dat een opstandig daimyō zou treffen indien hij daadwerkelijk een opstand zou beginnen.

De centrale bestuurlijke instellingen waarvan het bakufu zich bediende kregen gestalte onder het bestuur van de eerste drie Tokugawa shōgun. De belangrijkste organen waren: de tairō 大老, rōjū 老中, wakadoshiyori 若年寄, ōmetsuke 大目付 en metsuke 目付, san-bugyō 三奉行 en soba-yōnin 側用人. Deze bestuurden Japan op basis van gewoonten en precedenten, vooral hun inspiratie zoekend in de handelingen en geschriften van Ieyasu. Er bestond geen echt positief recht in de westerse zin van het woord. De buke shohatto moet men eerder zien als een soort van ‘organieke reglementen’ waarvan de toepassing en sancties echter konden verschillen van geval tot geval, van precedent tot precedent dat als norm werd gehanteerd. De jurisprudentie van het Edo-bakufu mag men echter wel als uiterst streng en repressief omschrijven met als bijzonder aspect het zogenaamde solidariteitsbeginsel (renza-sei 連座制): een wel heel ruime interpretatie van het medeplichtigheidsprincipe (een clanhoofd was medeverantwoordelijk voor misdaden begaan door leden en personeel van zijn clan).

De functie van de tairō (Grote Wijzen, oorspronkelijk onder Hideyoshi vijf personen, later gereduceerd tot één persoon) was advies te formuleren inzake belangrijke beleidsopties, en als regenten op te treden zolang een shōgun minderjarig was. Het was geen permanente positie, maar ze werd alleen in crisisperiodes geïnstalleerd. De tairō werden haast uitsluitend uit de fudai-clans der Sakai 酒井, Doi 土井, Hotta 堀田en Ii 井伊 gerekruteerd.

De rōjū (Raad van Wijzen) had zowel een adviserende als een administratieve opdracht. Er waren (afhankelijk van shōgun tot shōgun) vier à zes rōjū, die elkaar om de maand aflosten. Hun functies werden in een ordonnantie van 1634 duidelijk omschreven (het regelen van de betrekkingen met de keizer, het keizerlijk hof, de keizerlijke prinsen die een religieuze functie uitoefenden, supervisie van de daimyō met een han van meer dan 10.000 koku, controle over het bestuur van de eigendommen van de shōgun, de munt, de publieke werken, kloosters en heiligdommen,...).

De rōjū werden bijgestaan door de wakadoshiyori (jonge wijzen). Hun aantal varieerde van drie tot vijf personen, die elkaar eveneens om de maand aflosten. Hun belangrijkste opdracht was toezicht te houden op het doen en laten van de hatamoto.

De ōmetsuke en metsuke (groot Inspecteur en inspecteur) kon men zowat beschouwen als de militaire politie van het bakufu. De ōmetsuke (vier ambtenaren) waren ondergeschikten van de rōjū en hadden als opdracht alle daimyō in het oog te houden. De metsuke (zestien in totaal) ressorteerden onder de wakadoshiyori en hadden dezelfde opdracht in verband met de hatamoto.

De san-bugyō of drie soorten commissarissen waren de jisha-bugyō 寺社奉行, de machi-bugyō 町奉行 en de kanjō-bugyō 勘定奉行. De vier commissarissen van het jisha bugyō waren verantwoordelijk voor de controle op de religieuze instellingen, zowel boeddhistische als shintoïstische, en supervisie van de geestelijken. Twee machi-bugyō stonden in voor het bestuur van de hoofdstad Edo op juridisch, politioneel en administratief vlak. Ook de andere belangrijke steden, zoals Kyōto, Ōsaka, Nagasaki,... werden door machi-bugyō bestuurd. De kanjō-bugyō was belast met de financiën van het bakufu en de rechtspraak over het gewone volk in de Tokugawa-domeinen. In geval van betwistingen die duidelijk de bevoegdheid van één van de bugyō te buiten ging, zetelden zij allen onder het voorzitterschap van de rōju in het hyōjōsho 評定所 (deliberatieraad) waar zij collectieve besluiten troffen.

Als laatste maar zeker niet het onbelangrijkste ambt waren er de soba-yōnin of de kamerheren van de shōgun. Het waren naaste medewerkers die fungeerden als liaison tussen de rōjū en de shōgun wiens bevelen zij doorgaven. Zij waren ‘het oog van de shōgun binnen de centrale bestuurlijke organen.

Het plaatselijke bestuur

Wat de organen voor lokaal bestuur betreft kunnen wij korter zijn. Omdat Japan opgedeeld was in Tokugawa-domeinen (ongeveer 25%) en lenen van de vazallen (ongeveer 73%) was er niet veel ruimte voor het benoemen van regionale bakufu-ambtenaren. Er waren vier intendanten of gundai 郡代 die in een paar sleutelgebieden het bestuur van enkele Tokugawa-landerijen controleerden, terwijl 44 assistenten of daikan 代官 hetzelfde deden voor de resterende Tokugawa-bezittingen. Daarnaast had men de beheerders van de kastelen of jōdai 城代 die instonden voor de forten van Ōsaka en Sunpu. Het bestuur van de han was een kopie op verkleinde schaal van de bakufu-administratie. Kashin en toshiyori bekleedden er de hoogste ambten en de hanshi 藩士 (vazallen van de daimyō) werden in de regel uitbetaald in stipendia; slechts de belangrijkste kregen effectief een domein toegewezen, maar ook deze happy few moesten zoals de andere hanshi rond het kasteel wonen en niet op hun domein.

Lokale bestuurlijke ambten in de strikte betekenis van het woord waren die van de shoshidai in Kyōto die militair gouverneur van de stad en de hoofdstedelijke provincies was, en de machi-bugyō of stadscommissarissen van de belangrijkste steden (Nagasaki, Sunpu, Yamada, Nara en Nikkō). Al deze functies werden bekleed door fudai of hatamoto, nooit door tozama-daimyō.

Er waren twee bestuurlijke structuren via dewelke het bakufu de dorpen onder haar controle hield. De murakata san’yaku 村方三役 en het gonin-gumi 五人組-systeem. Het murakata san’yaku-systeem was reeds ontstaan als een organisme van zelfbestuur in dorpen ten tijde van de periode van de Strijdende Staten maar werd door het bakufu gerecupereerd als een controle-orgaan.

Het murakata san’yaku-systeem behelsde 3 functies:

  1. De nanushi (dorpshoofd; ook wel shōya of otona genoemd) die belast was met het organiseren en superviseren van de registratie van de burgerlijke stand, het shūmon aratame 宗門改 (de registers van de tempels en shintoïstische heiligdommen), de werking van de gonin-gumi (groepen van vijf), het financiële beleid van het dorp, de allocatie der jaarlijkse heffingen,... Doorgaans werd het dorpshoofd verkozen uit de middens van de honbyakushō 本百姓 hoewel er ook dorpen waren waar de machtigste families om beurt de functie waarnamen. Ook zijn er gevallen bekend waar de functie van dorpshoofd van vader op zoon werd overgedragen.
  2. De kumigashira of groepshoofden waren secretarissen of assistenten van het dorpshoofd. Gewoonlijk werden uit die personen die het best konden lezen of schrijven drie à vijf personen gerekruteerd om vooral de administratieve aspecten van het bestuur op zich te nemen.
  3. De hyakushōdai 百姓代 (vertegenwoordigers van de boeren, twee à drie per dorp), kon men beschouwen als een soort auditeurs die opkwamen voor de belangen van de boeren wanneer de lasten der heffingen werden toegewezen. Deze lasten beliepen doorgaans 50 à 60% van de oogst.

Belastingen werden per dorp geheven en een dorp als administratieve eenheid bestond uit vijftig à zestig gezinnen. De dorpen werden omwille van de vereiste belastingen streng door het bakufu gecontroleerd, maar in de manier waarop zij zich van die verplichtingen kweten, genoten zij een zekere mate van zelfbeschikking. De dorpsraad of yoriai besliste over de wijze waarop het werk werd verdeeld, het aantal vrije dagen en de lonen van de knechten en gehuurde landarbeiders. Al deze beslissingen werden in dorpsbesluiten of mura-okite 村掟 vastgelegd. De meest voorkomende straf voor overtreders van deze beslissingen was het ostracisme of mura-hachibu 村八分, wat inhield dat de betroffen persoon als een uitgestotene werd behandeld inzake al zijn contacten met het dorp, behalve bij brand of sterfgeval. Alleen honbyakushō hadden het recht deel uit te maken van de dorpsraad.

Collectieve verantwoordelijkheid zorgde ervoor dat de boeren elkaar in de gaten hielden opdat niemand een voor allen nefaste misstap zou begaan. Daartoe werden alle gezinnen ingedeeld in een groep van vijf gezinnen (gonin-gumi), die golden als de juridische entiteit: een overtreding van één lid van de groep bracht straf over de hele groep. Zij waren ook verantwoordelijk voor het blussen of voorkomen van brand, het bestrijden of voorkomen van diefstal, het aandragen van christenen en vagebonden, het tekenen van contracten, uitvoeren van testamenten,...


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo