Inoue Kaoru en de Rokumeikan

Uit GeschiedenisJapan

Inoue Kaoru (1836-1915)(井上薫) was een politicus in Japan tijdens de Meiji-periode (1868-1912).

Inhoud

1836-1868: Jeugdjaren

Inoue werd geboren in Yamaguchi als zoon van een samoeraifamilie uit Chōshū. Hij was tijdens zijn jeugdjaren een goede vriend van Itō Hirobumi (伊藤 博文) (later Eerste Minister van Japan). In 1858 studeerde hij Nederlands, artillerie en zwaardkunst in Edo.

Hij was actief betrokken bij de Sonnō-Jōi-beweging [1] in Chōshū en samen met Takasugi Shinsaku (高杉晋作) stak hij in januari 1861 de Britse legatie in Edo in brand. Hierdoor moest hij zeven dagen de gevangenis in. Maar de Sonnō-Jōi-beweging faalde en Inoue besefte dat Japan moest leren van de Westerse mogendheden. Met dit in het achterhoofd trok hij in 1863 met de Vijf van Chōshū [2] naar Londen om daar te gaan studeren.

Bij zijn terugkeer in Japan probeerde hij het gevecht tussen Chōshū en de Westerse mogendheden te voorkomen (Battle of Shimonoseki). Hij spoorde zijn landgenoten namelijk aan om samen te werken met de buitenlanders. Zijn opzet slaagde echter niet en na hevig bombardement moest Chōshū zich overgeven. Hierdoor raakte Inoue alleen nog maar meer overtuigd van het feit dat Japan moest moderniseren naar Westers voorbeeld. Maar daarvoor moesten er hervormingen komen in het politiek beleid. Hij speelde dan ook een belangrijke rol bij de vorming van de Satsuma-Chōshū-coalitie (Satcho-alliantie) tegen het bakufu. [3]

1868-1878: Enkele functies in de nieuwe Meiji regering

Na de Meiji Restauratie in 1868 bezette hij verschillende posities in de regering waaronder San’yo (oudste raadgever), Minister van Industrie en Taifu (oudste viceminister) van Financiën in 1871. In deze functie reorganiseerde hij de financiële zaken van de regering naar Westers, modern model. Hij veranderde vooral het belastingsysteem en hij weigerde nog langer het salaris van ex-samoerai en voormalige aristocraten te betalen. Hierdoor had hij zich in heel wat politieke kringen niet erg populair gemaakt en in mei 1873 moest hij ontslag nemen.

In 1876 was hij betrokken bij het opstellen van het vriendschapsverdrag tussen Japan en Korea[4] als buitengewone en gevolmachtigde viceambassadeur.

Omdat hij vrienden had in de zakenwereld, waaronder Mitsui, had hij ook inspraak bij de aanleg van spoorwegen.

1878-1887: Minister van Buitenlandse Zaken

Bij zijn terugkeer naar de regering in 1878 werd hij Minister van Publieke Werken en in 1879 Minister van Buitenlandse Zaken. Als Minister van Buitenlandse Zaken liet Inoue in 1883 de Rokumeikan oprichten, een gebouw waar feestjes en bals in Europese stijl werden georganiseerd om te bewijzen dat Japan gelijkwaardig was aan het Westen en hun cultuur kende. Met de Westerse grootmachten probeerde Inoue vooral te onderhandelen over de afschaffing van de extraterritorialiteit.[5] Hiervoor zouden ze twee dingen in de plaats krijgen:

  1. Buitenlanders zouden worden opgenomen in Japanse gerechtshoven en buitenlandse rechters zouden inspraak krijgen in zaken waarbij buitenlanders betrokken waren
  2. Buitenlanders zouden zich elders in Japan mogen vestigen dan in de hun toegewezen gebieden

Maar net als de ‘verwerpelijke praktijken’ die in de Rokumeikan plaatsvonden (de Japanse bevolking was er namelijk niet mee opgezet dat hun elite in Westerse kleding Westerse feestjes hield samen met buitenlanders), kregen ook deze voorstellen erg veel kritiek. Dit van onder andere de Franse adviseur de Boissonade, van de ijveraars voor politieke rechten voor het volk en natuurlijk ook van het volk zelf, dat na het uitlekken van Inoue’s voorstellen erg beledigd was. Onder druk van de publieke opinie en de militairen nam hij ontslag in 1887. [6]

1887-1915: Latere jaren

Later werd Inoue nog Minister van Landbouw en Handel in het Kuroda kabinet, Minister van Binnenlandse Zaken in het tweede kabinet Itō en Minister van Financiën in het derde kabinet Itō. Hij was ook nog Gouverneur van Okinawa en Minister van Korea.

Inoue trok zich terug uit het politieke leven in 1898, maar werd vanaf 1901 wel één van de genrō. [7] Tijdens de Russisch-Japanse Oorlog (1904-1905) werd hij evenwel op vraag van de keizer nog even tot Speciaal Adviseur van de Minister van Financiën benoemd. In 1907 werd hij markies. Inoue werd ziek in 1909 en stierf in zijn villa in Okitsu in 1915.

De Rokumeikan

De Rokumeikan (鹿鳴館) of 'de Hal van de Hertenroep' was een gebouw in Tōkyō, ontworpen door Josiah Conder [8] in opdracht van de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken Inoue Kaoru. Het was een symbool voor de verwestering van Japan en Inoue toonde er mee aan dat hij voor verregaande europeanisering was.

Geschiedenis

Vroeger werden buitenlanders ondergebracht in de Enryokan, maar dit was slechts een tijdelijke oplossing. Daarom was er nood aan een nieuw gebouw en in 1880 werd het ontwerp van Josiah Conder goedgekeurd. De bouw zelf begon in 1881. Het oorspronkelijke budget was 100 000 yen, maar door problemen bij het stabiliseren van de ondergrond, kwam daar nog minstens 40 000 yen bij. De officiële opening van het gebouw was op 28 november 1883 met een gala waarop ongeveer 1200 gasten uitgenodigd waren, waaronder buitenlandse diplomaten, Japanse adel en hoge bureaucraten. Hoewel het gebouw oorspronkelijk bedoeld was als residentie voor buitenlanders, werden er heel wat feestjes en bals gegeven. Echter, toen in 1890 in de buurt het Imperial Hotel geopend werd (eveneens door toedoen van Inoue, maar deze keer een project op nog grotere schaal) overschaduwde dit het belang van de Rokumeikan.

In 1890 werd het gebouw opgekocht door de Peers Club en werd de naam Rokumeikan vervangen door ‘Kazoku Kaikan’. Maar het sukkelde nog steeds met een zwakke onderlaag en in 1887 werd Josiah Conder er weer bij gehaald om het te repareren, wat nog eens 45 000 yen kostte. In 1935 werd het gebouw uiteindelijk afgebroken.

Uitzicht

Josiah Conder werd door de regeringsleiders, waaronder Inoue, verplicht om te bouwen in een neoclassicistische en neobarok stijl. De Rokumeikan is echter niet alleen gebouwd in Westerse stijl, Conder voegde nog zogenaamde pseudo-saraceense elementen toe. Dit wil zeggen dat het hele gebouw Westers oogt, maar dat enkele details aan het Oosten zijn aangepast.

Het gebouw zelf bestond uit twee verdiepingen. De eerste verdieping had ontvangstsalons, rook- en speelkamers en een grote trap die leidde naar de tweede verdieping met de balzaal en een zitkamer. De buitenkant van het gebouw bestond uit witgeschilderde bakstenen met gewelfde portieken. Voor het gebouw lag een grote, open tuin.

Het doel van Inoue met de Rokumeikan

Een bazaar voor het goede doel

Zoals eerder vermeld was het oorspronkelijke doel van de Rokumeikan buitenlanders op te vangen. Dit is uiteindelijk uitgelopen tot een, door de Japanse bevolking sterk bekritiseerd, clubhuis waar de Japanse elite, samen met de buitenlanders, uitgebreide feestjes en bals hielden. Maar de Rokumeikan was meer dan alleen een gebouw, het was een manier van leven geworden. De verwestering van de samenleving was in elk aspect te zien, van de kleding die bezoekers droegen (mannen in kostuum en vrouwen in jurken met hoepelrokken), de dansen die ze deden (onder andere de wals), tot de manier van doen (Japanse mannen werden verwacht te komen met hun vrouw aan hun arm, wat in Japan helemaal niet de gewoonte was. In Japan bleven de vrouwen thuis en waren er professionele vrouwen op feestjes om de mannen te entertainen.).

Het doel van Inoue met dit gebouw was om aan te tonen aan de Westerse wereld dat Japan gelijk was aan het Westen. Dit omdat hij ervan overtuigd was dat Japan enkel onafhankelijk zou kunnen blijven als het gelijk zou zijn aan het Westen en om dit te bereiken moesten ze de Westerse methoden overnemen. Deze mening leidde, zoals boven vermeld, na zijn voorstellen over de extraterritorialiteit aan de Westerse mogendheden tot zijn ontslag als Minister van Buitenlandse Zaken in 1887. De Rokumeikan was een soort forum voor politieke activiteiten waar de minister zijn campagne voor verwestering kon voeren. Daarom ook dat het gebouw absoluut in Westerse stijl gebouwd moest worden.

Voetnoten

  1. de antibuitenlanders beweging
  2. Itō Hirobumi, Inoue Kaoru, Yamao Yozo, Endo Kinsuke en Nomura Yakichi
  3. militair dictatorschap in de Edo periode (1603-1868)
  4. http://en.wikipedia.org/wiki/Treaty_of_Ganghwa
  5. Buitenlanders vielen niet onder het Japanse rechtssysteem en konden dus niet berecht worden
  6. Zie: W. Vande Walle, Een geschiedenis van Japan, van samurai tot soft power. Leuven: Acco, 2007
  7. voormalige Japanse politici die achter de schermen de keizer hielpen bij politieke problemen
  8. een Engelsman, naar Japan gehaald om Westerse gebouwen op te richten

Bronnen