Indoctrinatie van de Japanse schoolgaande jeugd tijdens WOII

Uit GeschiedenisJapan

Tijdens de periode tussen 1920 en 1950 hebben Japanse tieners en twintigers verscheidene keren een transformatie ondergaan. Van zorgeloze, pacifistische studenten veranderden ze in soldaten die bereid waren te sterven voor hun land. Na de oorlog sloegen ze weer helemaal om naar pacifisme, hetzij deze keer meer bereid om d.m.v. georganiseerde protesten op te komen voor hun ideeën.

Hieronder bespreek ik de verschillende factoren, en in het bijzonder de Tweede Wereldoorlog, die zo'n grote invloed op verschillende generaties studenten hadden en deze evolutie mogelijk maakten.

Inhoud

Opvoedings- en onderwijsklimaat voor WOII

Om de veranderingen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog duidelijk te kunnen schetsen, moet als contrast eerst de voorafgaande situatie besproken worden.

Vooroorlogs familieleven

Hoewel het land ijverig gemoderniseerd werd sinds de Meiji-restauratie (明治維新, 1854-1868), veranderde dit geenszins de fundamenten van de gezinsdynamiek. De vader was nog steeds de ultieme autoriteit; soms zelfs nog de grootvader als die nog niet formeel uit die positie teruggetreden was. Hierna volgde traditiegetrouw de oudste zoon, die vanaf zijn vroegste jeugd klaargestoomd werd om later de positie van zijn vader over te nemen. Jongere broers moesten aan de oudste broer gehoorzamen, en zussen moesten het hoofd buigen voor alle mannelijke familieleden; ook voor jongere broers. Dit betekende echter niet dat de vader of oudste zoon compleet autocratisch over zijn familie regeerde. Zij waren belast met het welzijn van hun gezin. Alle beslissingen werden genomen met het oog op de voorspoed van het hele gezin, en de eindverantwoordelijkheid was voor het gezinshoofd. In de veranderende samenleving betekende dit steeds meer dat de jongere zoons het ouderlijk huis konden verlaten om een baan te vinden en soms zeer welgesteld te worden, terwijl de oudste broer thuis bleef om het werk van zijn vader over te nemen en de traditie voort te zetten in relatieve armoede.

Vanaf de vroegste jeugd werd men aangemoedigd hard te werken en zijn best te doen voor de ontwikkeling en welvaart van het land. Met tomeloze inzet werkte deze generatie aan de modernisatie en groei van het rijk, en noemde dit boven alles het doel achter zijn inspanningen. Men voelde zich intens verbonden met de keizer, de politieke leiders en de natie. Ook was men zeer begaan met de positie van Japan in de internationale gemeenschap. Door middel van persoonlijke successen streefde men ernaar de natie vooruit te stuwen tot het worden van een wereldmacht. De keerzijde was dat er door deze zelfde succescultuur ook zeer veel waarde werd gehecht aan het succes zelf. Dit zorgde voor een erg sterke competitiviteit onder de jongeren die maatschappelijk toegejuicht werd onder het mom van gezonde ambitie, hoewel openlijke strijd niet goedgekeurd werd. De staat accepteerde dit gegeven als een gunstige bijwerking die de natie alleen maar ten goede zou komen.

Het onderwijssysteem sinds de Meiji-restauratie

Een grondige herziening van het onderwijssysteem maakte deel uit van de rigoureuze veranderingen tijdens de Meiji-omwenteling. Hiervoor ging men te rade bij verschillende westerse landen. In 1872 werd door het kersverse ministerie van Onderwijs een Fundamenteel Decreet (学制, Gakusei) opgesteld. Deze wet wilde het onderwijs voor alle burgers even toegankelijk maken, en zorgde dat de algemene leerplicht ingevoerd werd. De indeling van het landelijke onderwijsnet was geïnspireerd op het Franse systeem; 8 departementen met een universiteit, onder elk daarvan 32 districten met een middelbare school en daaronder telkens 210 lagere scholen. Door het ontbreken van voldoende financiële middelen werd het plan nooit in zijn geheel gerealiseerd.

Lager en middelbaar onderwijs

Zoals gezegd bestond er leerplicht, maar dit gold slechts voor het 6 jaar durende lager onderwijs. Voor schoolboeken werd er veelvuldig gebruikgemaakt van vertaalde Amerikaanse boeken. Het onderwijs was niet gratis, en de kosten bedroegen per kind 50 zeni[1]. Dit was voor veel boeren een zware last, en omdat ze daarnaast ook nog arbeidskrachten verloren, kwamen sommigen in opstand tegen de leerplicht. Ondanks de financiële moeilijkheden breidde het onderwijsnet zich snel uit, hoewel de participatiegraad van regio tot regio verschilde. In 1879 werd er een nieuw decreet over de opvoeding (教育令, Kyōiku Rei) gepubliceerd, dat nu het Amerikaanse voorbeeld volgde en het systeem uit 1872 verving. Dit nieuwe systeem richtte zich op meer regionale autonomie in het onderwijs. Het werd in 1880 alweer afgeschaft ten voordele van een terugkeer naar een gecentraliseerd systeem, geconcretiseerd in het 'Herziene Decreet op de opvoeding' (改正教育令, Kaisei Kyōku Rei).

Alleen een systeem uit het westen overnemen was niet voldoende om modern onderwijs te creëren. Daarom werden er veel westerse professoren en leerkrachten naar Japan gehaald, om het volk zo snel mogelijk tot het westerse kennisniveau op te trekken. De 'verwestersing' zette zich ook in het onderwijs snel door, en stemmen kwamen op om meer de nadruk te leggen op een Japanse modernisering, gecentreerd rond de persoon van de keizer. Vanaf 1889 werd elke vorm van religieus onderricht uit scholen geweerd. In plaats daarvan kwamen er verplichte lessen Staatsshinto[2].Dit leidde in 1890 tot de uitvaardiging van het 'Keizerlijk Edict op de opvoeding' (教育に関する勅語, Kyōiku ni Kansuru Chokugo). Dit werk was sterk gebaseerd op Confucianistische waarden en het Kokutai (国体)-principe. Dit edict maakte met zijn vage omschrijving van de vier deugden (loyaliteit, welwillendheid, rechtschapenheid en het eren van de voorouders) de weg vrij voor een sterkere nadruk op het Staatsshinto, en voor steeds meer nationalistisch getinte invloeden.

Hoger onderwijs

Het moderne hoger onderwijs in Japan kwam pas echt van de grond met de stichting van de Keizerlijke Universiteit van Tōkyō in 1877. Naast deze kwamen er wat later nog 5 keizerlijke universiteiten bij: in Kyōtō, Tōhoku, Kyūshū, Hokkaido en Ōsaka. Verder waren er nog 2 keizerlijke instellingen overzees (in Seoul en Taipei), en 25 private universiteiten. Net als in West-Europa voor WOII, was het Japanse hoger onderwijs erg elitair. Ze accepteerden slechts het kleine percentage jonge mensen dat de toekomstige leiders van de natie omvatte. Van hier dateert ook het systeem van ingangsexamens, en de moordende concurrentiestrijd die daarmee gepaard gaat. Die begon al minstens bij het examen voor de middelbare school - die bepaalde namelijk meteen al voor welke universiteit je nog in aanmerking kwam, en welke je al als te hoog gegrepen kon beschouwen.

De sociale status van vrouwen in het vooroorlogse Japan was, zoals hierboven vermeld, lager dan die van mannen. Hoger onderwijs voor vrouwen was dan ook veel minder vergevorderd, hoewel tegen 1937 de drie keizerlijke universiteiten van Tōhoku, Kyūshū en Hokkaido samen 270 vrouwen toelieten. Tegen die tijd was er ook een aantal hogescholen voor hen beschikbaar, waarvan sommige de vrouwen een professionele carrière boden. Verder waren er opleidingsinstituten die vrouwen opleidden tot leerkracht. In 1937 maakten de vrouwen in totaal 9,9% uit van alle studenten aan het hoger onderwijs.

Studenten werden in die tijd gezien als losbollen, die zich alleen maar bezig hielden met de 'drie S-en': sports, sex en screen, deze laatste doelend op Amerikaanse films. Toch waren ze begaan met wat er aan de hand was in de wereld. Ze lazen boeken van Marx en Lenin, en discussieerden over communisme en kapitalisme. Ook waren ze grotendeels wantrouwig ingesteld tegenover het propaganda-offensief van de staat. In 1925 werd er een 'wet op bewaring van de openbare orde' (治安維持法, chian ijihō) in gebruik genomen. In naam van deze wet werden er van zijn ingebruikname tot het eind van WOII meer dan 3000 studenten gearresteerd op verdenking van linkse activiteiten. Deze arrestaties bereikten een piek in 1932, met 1170 gevallen. Toch werd maar een klein percentage daadwerkelijk vervolgd en in de gevangenis gezet. Niet alleen studenten moesten oppassen, ook professoren met linkse sympathieën liepen gevaar. Zoals het geval van Yukitoki Takikawa (瀧川幸辰, Takikawa Yukitoki), een professor verbonden aan de Keizerlijke Universiteit van Kyōtō, in 1933. Twee jaar na het Mantsjoerije Incident (満州事変, Manshū Jihen, 18 september 1931) schreef hij in zijn 'handboek strafrecht' (刑法読本, Keihō Tokuhon) dat 'misdaad het gevolg was van sociale onrechtvaardigheid'. Zijn ontslag veroorzaakte een reeks van protesten, niet in het minst bij zijn collega's waarvan een aantal uit solidariteit ontslag nam.

Ondanks het feit dat de professoren als ambtenaren in dienst van de staat waren, genoten de universitaire instellingen een grote autonomie. Generaal Sadao Araki (荒木貞夫, Araki Sadao) probeerde hier tijdens zijn ambtstermijn als minister van Onderwijs tussen 1937 en 1939 een eind aan te maken. Hij vond dat dit gebruik de soevereiniteit van de keizer en de macht van de staat ondermijnde. Hij stuitte hierbij op grote tegenstand en was gedwongen zijn plan te laten varen.

Militaristische invloeden op het onderwijs

  • Onderwijs en sport

Tegen de tijd dat het Japanse gecentraliseerde onderwijssysteem echt van de grond kwam, waren de verhoudingen in West-Europa - een van de voornaamste invloedsgebieden - sterk veranderd. De Frans-Pruisische Oorlog (19 juli 1870-10 mei 1871) was net beslecht in het voordeel van Pruisen, en waar Japan eerst naar Frankrijk had gekeken als lichtend voorbeeld, keek het nu naar de overwinnaars. Vandaar dat het eerste duidelijke militaristische element uit het Japanse onderwijs naar Pruisisch model is nagemaakt: het Gakuran (学ラン)-schooluniform[3]. Dit gelijkt sterk op het cadettenuniform van het Pruisische leger: met zijn korte opstaande kraag, gouden knopen met wapenschild en donkere effen kleur. Dit uniform kweekte een saamhorigheidsgevoel tussen kinderen van dezelfde school of klas, dat sterk doet denken aan dat van een legereenheid.

Naarmate de jaren van oorlog dichterbij kwamen, werden de basiselementen van militaire training in het onderwijs geïntegreerd. In de lagere school al leerden de kinderen in groep te marcheren, en tegen het einde van de lagere schooltijd hadden de jongens een aantal oefeningen met een houten geweer onder de knie. In de middelbare school werd het houten exemplaar vervangen door een defect legerwapen. Elke week besteedden de jongens een paar uur aan het trainen van militaire manoeuvres onder de leiding van een reservistenofficier. In het hoger onderwijs werd deze gewoonte nog verdergezet, met soms grote massa-oefeningen die 2 dagen duurden. Hierdoor bestond in het Japanse leger geen equivalent voor het begrip 'groentje' of 'rookie' waarmee in westerse landen nieuwe recruten worden aangeduid. Elke nieuweling is de rudimentaire vaardigheden al meester.

Ook sportbeoefening ontsnapte niet aan de militaristen; de Vereniging voor Militaire Deugden (武徳会, butokukai), opgericht in 1895 en waarvan doorheen het land vestigingen van waren, promootte zeer sterk het beoefenen van klassieke Japanse (vecht)sporten als kendō, judō, boogschieten, etc. Sinds haar oprichting is de voorzitter steeds een gepensioneerde militair met een nationalistische visie geweest, zoals generaal Senjuro Hayashi (林千住路, Hayashi Senjuro). Al deze sporttakken zijn gebaseerd op militaire vaardigheden van de samurai[4], en vereisen voor een goede beoefening onveranderlijk toewijding, volharding en zelfdiscipline. Ook patriottische organisaties moedigden het beoefenen van deze sporten aan, teneinde de jeugd weg te houden bij het Amerikaanse honkbal dat in de jaren '20 aan een opmars bezig was.


  • Opleggen van prioriteiten

Voor het uitbreken van de Tweede Sino-Japanse Oorlog (1937-1945) studeerde ongeveer 30% van de studenten aan het hoger onderwijs een richting als medicijnen, wetenschappen, landbouwkunde of machinebouwkunde. De rest koos voor recht, economie, literatuur of een lerarenopleiding. De Sino-Japanse oorlog en, in grotere mate, de Tweede Wereldoorlog veranderden de vraag naar afgestudeerden in bepaalde sectoren. Voor de Japanse oorlogsinspanning was er vooral nood aan dokters, ingenieurs, wetenschappers en landbouwkundigen.

Ten einde studenten aan te zetten deze richtingen te kiezen, startten de regering en de private sector (met name Zaibatsu[5](財閥)) een offensief van beurzen, prijzen, onderzoeksfaciliteiten en andere lokkertjes. Dat studenten in deze faculteiten uitstel kregen van militaire dienst[6], speelde zeker ook een grote rol in de studiekeuze vanaf halverwege de jaren '30. Vanaf 1939 schoten ook overal medische en wetenschappelijke faculteiten en onderzoekscentra als paddestoelen uit de grond; bijvoorbeeld in Nagoya, in Hiyoshi bij Yokohama en een tweede bouwkundig departement aan de Universiteit van Tōkyō. In 1940 bedroeg de nationale uitgave aan onderwijs 20% van het totale budget: een stuk hoger dan in elk ander vooroorlogs of naoorlogs jaar.


  • Positie van de vrouw

Ironisch genoeg bracht de oorlogsperiode ook een paar goede ontwikkelingen mee. Omdat het gros van de mannen in het leger diende, bleven veel van hun functies in de gewone maatschappij oningevuld. Net als in veel westerse landen (met name Groot-Brittannië) die met hetzelfde probleem kampten, zette de overheid druk op de vrouwen om deze leemte op te vullen. In 1943 werden de aparte meisjes- en jongensscholen al opgeheven om zo per regio meer studiemogelijkheden te hebben. Daarnaast waren er tegen 1945 vier keer zoveel vrouwen ingeschreven in het hoger onderwijs als 10 jaar eerder. In 1937 maakten de vrouwen nog slechts 9,9% uit van het totaal, maar in 1945 was dat al opgetrokken tot 13,7%.

Om een zelfde oorlogsinspanning mogelijk te blijven maken werd het onderwijs in een nieuwe richting gedwongen. Deze nieuwe koers zou na de afloop van WOII voortgezet worden, en met zijn nadruk op wetenschap en technologie deels zorgen voor de snelle economische heropleving van Japan.

Indoctrinatie van de jeugd

Op veel verschillende manieren poogde het militaristisch regime de jeugd tot patriottische, loyale en krijgshaftige onderdanen te maken. Sommige methodes waren meer succesvol dan andere; met name de consistent volgehouden militaristische en nationalistische ondertoon in het onderwijs deed zijn werk. Dit kwam mede doordat deze eerste methode door de jaren heen geleidelijk werd opgebouwd en aangescherpt, terwijl de plotselinge maatregelen vlak voor en tijdens oorlogstijd niet zo rustig geaccepteerd werden door de jeugd.

Nationalisme geïntegreerd in het lesmateriaal

De invoering van het bovengenoemde 'Keizerlijk edict op de opvoeding' in 1890 en de vage bewoording die erin gebruikt werd, maakte dat de nationalistisch gezinde bewindslieden steeds meer uitgesproken pro-Japanse elementen in het normale curriculum konden inbrengen, zonder enige vorm van tegenstand. Na 1900 werd het Edict ook steeds meer aangegrepen als middel om westerse en christelijke invloeden, alsook het communisme te bestrijden. Het eveneens bovengenoemde principe van Kokutai speelde ook een grote rol. Om goed aan het volk uit te leggen wat deze nationale filosofie inhield, maakte een werkgroep van filosofen, waaronder Tetsurō Watsuji (和辻哲郎, Watsuji Tetsurō) en Shin'ichi Hisamatsu (久松真一, Hisamatsu Shin'ichi), in 1937 een handboek. Het 156 pagina's tellende kokutai no hongi (国体の本義, 'De essentie van de nationale geest') werd uitgedeeld aan scholen en allerlei maatschappelijke organisaties. Het bevatte een samenraapsel van mythologie en ideeën die de Japanse superioriteit moesten staven, alsook Confucianistische deugden en Bushidō (武士道), de traditionele ethiek van de samurai. Het was in al zijn facetten uiterst antiwesters en moest in een adem door de Japanse militaire campagnes in Oost-Azië verantwoorden. Toch is het interessant om op te merken dat het boek naast communisme en democratie, ook fascisme veroordeelt. In 1941 zag het boek 'De weg van de onderdaan' (臣民の道, shinmin no michi) het licht, waarin het gedrag van de ideale patriot besproken wordt en dat men geacht werd na te bootsen. 1943 werd een geschiedenisboek (国史概説, kokushi gaisetsu) gepubliceerd. De leerstof was gemodelleerd in de geest van kokutai no hongi en er werden minstens 200.000 exemplaren van verspreid. Een hierbij complementair aardrijkskundeboek was shotōka chiri (初等課地理, 'Aardrijkskunde voor lagere scholen').

Vanaf de lagere school werden een paar lesuren per week besteed aan een op maatschappij- of zedenleer gelijkend vak, genaamd shūshin (執心, 'moraal'). In dit vak werden er samen met de leerkracht moraliserende teksten gelezen en geanalyseerd. Het geheel was gebaseerd op de klassieke deugden (仁義中古, jingi chūko) ten tijde van de Tokugawa-periode (徳川時代, tokugawa jidai) (1600-1868), maar gemoderniseerd met elementen uit het Staatsshinto, nationale feestdagen en (militaire) heldendaden uit de geschiedenis. In het hoger onderwijs gingen deze morele lessen onder de naam kokumin dōtoku (国民道徳, 'nationale moralen'), wat een ingewikkelder, meer filosofisch ingestelde vorm van shūshin is. Eind jaren '30 werd de naam veranderd naar kōdō (皇道, 'keizerlijke weg'), en werd nog nationalistscher van aard.

Maar de indoctrinatie bleef niet beperkt tot deze speciale lessen. Ook het lesmateriaal van andere vakgebieden was doordrongen van een sterk nationalisme en werd voor publicatie zeer streng geïnspecteerd en gecensureerd. Ook was het niet vreemd om termen te horen als 'Japanse geneeskunde' en 'Japanse wiskunde'. Eveneens werden de lessen in vreemde talen steeds meer gekortwiekt. De westerse leerkrachten die men tijdens de Meiji-periode had laten overkomen om hun kennis te delen, waren tegen die tijd allang niet meer aanwezig.

Buitenschoolse activiteiten

  • Film, literatuur en muziek

Voor het uitbreken van de oorlog waren westerse invloeden al steeds meer aan banden gelegd, maar het werd pas echt ernst vanaf 1940. Bioscopen werden bevolen geen Engelse of Amerikaanse films meer te spelen. Franse en Duitse films waren nog wel toegelaten, mits de romantische scènes eruit geknipt werden om de ernst van de nationale situatie te behouden. In dezelfde trant werden ook boeken met expliciete passages uit de bibliotheken gehaald. Op 2 januari 1942 werd alle 'vijandelijke muziek' ook verboden, evenals populaire Japanse 'sexy' liedjes. Zeker jazzmuziek werd als decadent gezien en daarom verboden. Maar volgens John Morris, een docent Engels aan de Universiteit van Tōkyō die pas halverwege 1942 geëvacueerd werd, was het verbod maar van korte duur. De eerste dagen na de bekendmaking van het verbod zwegen de grammofoons in de vele café's. Maar al snel werden ze weer zachtjes aan gezet. Zeker toen bleek dat de politie het verschil niet hoorde tussen klassieke muziek en jazz.


  • Jeugdverenigingen

Net als in veel andere landen bestonden er in Japan ook jeugdbewegingen en studentengroeperingen. Ten einde meer patriottisme tot ontwikkeling te brengen bij de jeugd, nam de regering in 1941 maatregelen. Ze hief alle vrijwillige verenigingen op en verving ze door meer patriottische organisaties (豊国団, hōkokudan) die door het hoofd van een hogeschool of universiteit geleid werden. De culturele en sportieve activiteiten die deze organiseerden werden tot een minimum beperkt om de student niet onnodig van zijn plichten af te leiden.


  • Periodieke arbeidsmobilisatie (学徒動員, gakuto dōin)

Vanaf 1939 voerde de regering ook een regeling in dat elke student 1 week per jaar in het boerenbedrijf moest helpen. In november van dat jaar werd beslist dat de regeling voortaan ook de mijnbouw en fabrieken zou omvatten. En in februari 1941 werd de periode van dienst verlengd naar 1 maand per jaar. In mei 1943 werd de 'Patriottische Associatie voor Dienstverlening aan de Staat' (学徒勤労豊国会, gakuto kinrō hōkokukai) opgericht, en vanaf toen waren alle jongens en meisjes uit het middelbaar en hoger onderwijs verplicht aan deze mobilisatie mee te doen. Door de Associatie werden zij samen met hun docenten in ploegen ingedeeld, en voor langere tijd tewerkgesteld in boerderijen, fabrieken, mijnen en ziekenhuizen. Sommige scholen werden zelfs omgevormd tot fabriek, opslagplaats of kazerne. In juni 1943 werd de limiet op de tijdsduur van de tewerkstelling opgeschort. Duizenden scholieren en studenten stierven in het laatste jaar van de oorlog toen de fabrieken waar ze werkten werden gebombardeerd. De Himeyuri Gakutotai[7]was slechts een van de vele die dit lot ten deel viel.


  • Honkbal

Ook het immens populaire honkbal, door de Amerikanen geïntrodoceerd in de meer liberale jaren '20, ontsnapte er niet aan. In de lente van 1943 werden de clubs en de competitie opgeheven en het spel zelf verboden. Pas bij de grote studentenmobilisatie[8] in de herfst van datzelfde jaar werd er opnieuw een wedstrijd gespeeld; tussen de universiteitsteams van Waseda en Keiō. Deze wedstrijd was bedoeld als afscheid voor alle studenten die het leger in gingen.

Dienstplicht

Studenten in oorlogstijd zaten tussen twee vuren; aan de ene kant moesten ze hard studeren om op wetenschappelijk gebied een meerwaarde te verlenen aan hun land. Aan de andere kant wilde de staat dat ze zo snel mogelijk hun opleiding afmaakten om datzelfde land te verdedigen op het slagveld. Volgens de Wet op Militaire Dienst van 1927 was elke jongen die de leeftijd van 20 jaar bereikte verplicht een medisch onderzoek voor militaire dienst te ondergaan. Toch werd er tot het uitbreken van de Tweede Sino-Japanse Oorlog slechts een klein percentage 20-jarigen opgeroepen. Ook van de groep mannen die in 1937 het medisch onderzoek ondergingen werd slechts ongeveer 25% opgeroepen om daadwerkelijk dienst te doen. Dit kwam doordat er veel uitzonderingen op de dienstplicht bestonden; de studenten in het bijzonder. Hogeschoolstudenten kregen uitstel tot hun 25ste jaar, en universiteitsstudenten werd uitstel verleend tot hun 27ste jaar.

Met de verheviging van de oorlog in 1939 werd de uitstelgerechtigde leeftijd verlaagd naar 24 jaar voor hogeschoolstudenten, en 26 jaar voor universiteitsstudenten. Later, toen Japan zich in 1941 voorbereidde op WOII, werd de leeftijd opnieuw verlaagd naar respectievelijk 23 en 24 jaar - behalve voor studenten Medicijnen; voor hen bleef de regel 26 jaar. Toch stelde deze regeling de studenten nog in staat hun studie af te maken voor ze opgeroepen werden: Met 17 of 18 jaar begon men aan een 4-jarige hogeschoolopleiding, en met 20 of 21 jaar begon men aan een 3-jarige universitaire opleiding.

Doch, toen WOII zich echt aandiende, had het leger steeds meer nood aan jonge mensen, daar de recruten van de marine- en militaire academie (resp. 兵学校, heigakkō en 仕官学校, shikan gakkō) niet meer volstonden. Daarom werd in oktober 1941 aangekondigd dat de eindexamenklas van maart[9] 1942 3 maanden eerder zou afstuderen, in december. Op 8 december - de dag van Pearl Harbor in Japan - ondergingen zij hun medisch onderzoek.

Deze handgreep werd nog verscheidene keren herhaald en uitgebreid: degenen die zouden afstuderen in maart 1943 deden dit 6 maanden eerder, in de maand september van 1942. Hetzelfde gebeurde met de eindexamenklas van 1944. Daarnaast kon de staat zich de vele uitstelgerechtigden niet meer veroorloven. In september 1943 kondigde premier Tōjō aan dat de regeling werd afgeschaft, met uitzondering van studenten in de wetenschappen, medicijnen, sommige disciplines in de landbouwkunde en ingenieursstudenten. Dit leidde tot de grote 'studentenmobilisatie' (学徒出陣, gakuto shutsujin) van 1943[10].

Twee maanden later, in december 1943, verlaagde de staat de dienstplichtige leeftijd van 20 naar 19 jaar. Dat betekende dat veel studenten in hun derde jaar nu al opgeroepen werden om dienst te doen. De leeftijdsgrens werd nooit verlaagd naar 18 jaar, zoals wel in veel westerse landen het geval was. 18-jarigen in Japan werden nog als kinderen gezien. Toch konden 17- en 18-jarige jongens zich al vrijwillig opgeven als reservist (少年兵, shōnenhei). Daarnaast werd deze leeftijdsgroep in 1944 verplicht zich in te schrijven bij een militie voor het geval Japan zou worden binnengevallen door de Amerikanen.

In 1945, toen Japan zich aan het voorbereiden was op de climax van de oorlog, vormden de scholieren en studenten de kern van de verdediging en arbeid van de natie.

Militaire eenheden

  • Special Attack Force (特攻隊, tokkōtai)

Beter bekend onder de naam Kamikaze (神風, Shinpū)[11]. Deze gevechtseenheid en haar operatie werden eind 1944 in het leven geroepen door admiraal Takijirō Ōnishi (大西瀧治郎, Ōnishi Takijirō), als een van de laatste redmiddelen tegen de opmars van de vijandelijke troepen naar de Japanse eilanden. Hoewel het niet de enige zelfmoordactie was die op touw werd gezet, is het wel de meest gepubliceerde en degene waar minstens 80% van de deelnemers uit studenten bestond. Uit de 'Kamikaze Diaries' en getuigenissen van betrokkenen zoals professor John Morris kunnen we opmaken dat het gros van de aan deze actie deelnemende piloten geen fanatieke krijger was zoals in het westen voorgesteld, maar een hoogopgeleide, idealistische student zonder diepzittende haat voor Amerikanen. Veel van hen waren voor de oorlog aanhangers van grotendeels linkse ideologieën, maar toen in het laatste jaar van de oorlog de dreiging voor hun vaderland reëel werd sloeg hun mentaliteit helemaal om. Ervaren militairen lieten deze missie stilzwijgend aan zich voorbij gaan, aangezien de enige criteria 'jeugd, alertheid en vuur' waren. Vliegervaring was een minimale vereiste, en over landingservaring werd al helemaal niet gesproken; het was niet de bedoeling dat ze terug zouden komen. Deels uit de naïeve gedachte hun land met deze drastische actie te redden van de invasie, deels uit plichtsgevoel tegenover staat en familie, en deels uit angst voor een lafaard versleten te worden boden de studenten zich aan voor deze missie.

Uit dagboeken die zijn teruggevonden blijkt dat veel studenten in hun hart nog altijd een pacifistisch gedachtengoed meedroegen, maar dat de plicht tegenover hun land simpelweg zwaarder woog.


  • Red Star Lily Corps (ひめゆり学徒隊, Himeyuri Gakutotai)

Deze verpleegsterseenheid bestond uit 222 scholieres en studentes en 18 leraressen van een middelbare school en hogeschool uit Okinawa. Er bestond geen officiële dienstplicht voor vrouwen in Japan, maar dat belette hen niet vrijwillig mee te werken in andere aspecten van de oorlogsmachine. Op 23 maart 1945 werd deze groep meisjes op vrijwillige basis gemobiliseerd als eenheid van verpleegsters om dienst te doen tijdens de slag om Okinawa (maart 1945-23 juni 1945). Op 18 juni werd de eenheid plots opgeheven. Op de ochtend van 19 juni werd een groot aandeel van hen gedood tijdens een aanval van het Amerikaanse leger op de als ziekenboeg dienende schuilkelder waar ze zich bevonden. Veel van de overlevenden gooiden zich hierna van een nabijgelegen hoge klif, uit angst voor verkrachting door de Amerikaanse soldaten. Dit was hen bijgebracht door propaganda van de staat.

Op 17 april 1946 is voor hen het Himeyuri monument opgericht, in Itoman op Okinawa.

Idealisme

Zoals gezegd waren de studenten in de jaren tussen WOI en WOII grotendeels pacifistisch ingesteld. De politiek en de media betichtten hen van overschillige zorgeloosheid en desinteresse in het nationale politieke gebeuren. Hun negatieve imago wordt samengevat in de uitspraak dat 'studenten werden gerespecteerd in de Meiji-periode, werden gevreesd in de Taishō-periode en geminacht in de Shōwa-periode'[12].

In de vooroorlogse jaren wantrouwden de studenten de propaganda van de staat meestal, en bleven tijdens de oorlog ook sceptisch tegenover de officiële vermaningen aan hun adres. Volgens de bovengenoemde professor John Morris bestond er onder de studentengemeenschap tevens een afkeer tegenover het leger. Indien het een vrije keuze zou zijn geweest, zou slechts een klein aantal van hen zich hebben aangemeld. Hij observeerde dat veel studenten in zijn eigen colleges van elk excuus gebruik maakten om onder de militaire training uit te komen. Sadaji Yabe (矢部定次, Yabe Sadaji) een professor die de koers van de regering steunde, vermeldde in 1942 in zijn dagboek gelijkaardige dingen. Tijdens een vurig afgeleverde lezing zouden studenten in lachen zijn uitgebarsten, en hij concludeerde daaruit dat het leven op de universiteitscampus ver achterliep op de grimmige werkelijkheid. Hoewel linksgezinde geschriften waren verboden slaagden studenten erin, zoals reeds vermeld, boeken zoals Das Kapital van Marx, en boeken over de Sovjet Unie te lezen. Gebruikmakend van codenamen bespraken zij hierna de verdienste van de verschillende ideologieën. Uit teruggevonden dagboeken is gebleken dat veel studenten sterke leiders als Lenin en Stalin bewonderden, en wensten dat uit hun eigen regering zo'n sterke man zou opstaan.

De dienstplicht werd niet zo vanzelfsprekend aanvaard als gedacht. Veel jongeren probeerden uitstel te verkrijgen door medicijnen te gaan studeren. Als hier geen enkele mogelijkheid meer toe bestond, probeerden ze binnen het legerapparaat een administratief baantje te krijgen, ver van het slagveld. Maar toen het voortbestaan van het eilandenrijk Japan steeds meer in gevaar kwam, konden de studenten de effecten van hun opvoeding en scholing niet tegengaan. Bij een reële bedreiging van hun vaderland viel al het voorafgaande passieve idealisme in het niet. De natie was in gevaar, en haar jonge mannen moesten haar redden. In 1943 schoten de aanmeldingen voor dienst bij de marine de hoogte in na de heldhaftige dood van Admiraal Isoroku Yamamoto (山本五十六, Yamamoto Isoroku). Toen in het najaar van datzelfde jaar de algemene studentenmobilisatie werd bevolen, gonsde het van opwinding in de landelijke studentengemeenschap. Na het voor hen georganiseerd, indrukwekkende afscheid had menig nieuwbakken soldaat het gelukkige gevoel dat hij 'zijn klein, beperkt persoontje mocht opofferen voor het grootse en nobele vaderland'[13]. De marine was veruit het populairst onder studenten. Er werd gezegd dat ze werden aangetrokken door drie nieuwe 'S-en': saiensu (science - wetenschap), sumaato (smart appearance - goed uitziend) en sairensu (silence - stilte)[14].

Het gevoel dat Daikichi Irokawa beschrijft is ook deels verantwoordelijk voor het aantal studenten dat deelnam aan de Kamikaze-acties. Ze gaven zich er misschien niet zo spontaan voor op als werd gezegd, maar het feit dat ze de missie ook daadwerkelijke uitvoerden getuigt van een sterke overtuiging dat dit de enige manier was. Opvallend is wel dat in alle brieven en dagboeken die teruggevonden zijn, de keizer nauwelijks genoemd wordt. Eveneens blijkt daaruit dat velen van hen een afkeer hadden tegenover oorlog, van westerse literatuur en muziek hielden en vaak een andere ideologie aanhingen dan de militaristische regering. De nood van het Keizerrijk oversteeg dit alles[15].

Deze jeugdige uitbarsting van patriottisme verstomde met de onvoorwaardelijke capitulatie van Japan op 15 augustus 1945. De nederlaag en de naoorlogse ommezwaai lieten de acties die in oorlogstijd als heldendaden waren bestempeld, er nu uitzien als je reinste zotheid waarvoor je je hoorde te schamen. Ze voelden zich verraden, omdat hun opofferingen voor niets waren geweest. In hoeverre deze gevoelens van verraad en desillusie de naoorlogse mentaliteit beïnvloed hebben is niet zeker, maar feit blijft wel dat er na WOII nog altijd de overtuiging was dat het lot van Japan in de handen van de jeugdige generatie lag. Alleen was de vijand nu vaak niet een westers land, maar de eigen regering. En waar de studenten nu een reactionair pacifisme bedreven, was dit, als hen iets niet zinde, nu doorspekt met felle protesten door georganiseerde studentenbewegingen. Zoiets was voor de oorlog ondenkbaar geweest[16].

Naoorlogse situatie

Na de ondertekening van de onvoorwaardelijke overgave aan boord van de Amerikaanse oorlogsbodem Missouri op 2 september 1945 werd Japan bezet door de geallieerden. Het belangrijkste doel hiervan zou zijn het demilitariseren en democratiseren van Japan. Het merendeel van de bezettende macht bestond uit Amerikanen. In oktober van dat jaar werd officieel het General Headquarters (GHQ, 連合国軍総司令部, rengōkokugun sōshireibu), het hoofdkwartier van de Supreme Commander for the Allied Powers (SCAP, 連合国軍最高司令官, rengōkokugun saikōshireikan) ingericht in Tōkyō onder leiding van generaal Douglas McArthur. Een van de vijf voornaamste punten van hervorming die SCAP gepland had was een grondige herziening van het onderwijsselsel; het ultranationalistische en militaristisch geïnspireerde systeem kon niet door de beugel. Er werd een reeks Amerikaanse experts op dit gebied geraadpleegd, wat resulteerde in een nieuw systeem dat de Amerikaanse instellingen als voorbeeld nam. Ook werd het gecentraliseerde syseem op de schop genomen, en werd er meer regionale autonomie ingesteld d.m.v. onderwijscomités (教育委員会, kyōiku iinkai), die ervoor moesten zorgen dat het ministerie van Onderwijs minder invloed zou hebben. Ook werd er, naast 6 jaar lagere school, nu 3 jaar middelbare school verplicht gesteld. Deze en andere hervormingen werden in 1947 ingevoerd door het uitvaardigen van twee nieuwe wetten: de 'fundamentele wet op het onderwijs' (教育基本法, kyōiku kihon hō) en de 'fundamentele wet op scholen' (学校異本法, gakkō kihon hō). Het op Amerikaanse leest geschoeide gedecentraliseerde stelsel sloeg niet aan in Japan, en na het vertrek van de bezettingsmacht in 1952 (toen door de inwerkingtreding van het Verdrag van San Francisco Japan zijn soevereiniteit herwon) viel het ondrwijssysteem al snel terug in zijn vooroorlogse, sterk gecentraliseerde situatie.

Voetnoten

  1. Een van de drie officiële geldspeciën zoals ingevoerd door de Munt in 1871. Dit gebeurde volgens het tiendelig stelsel en bestond uit yen (円), zeni of sen (銭) en rin (厘).
  2. Om controverse uit de weg te gaan hebben Japanse autoriteiten altijd volgehouden dat deze vorm van Shinto geen religie is, maar slechts een manier om kinderen patriottisme en loyaliteit aan de keizer bij te brengen.
  3. De naam van dit uniform is afgeleid van 'gaku' (がく, 学), wat 'studie' betekent en 'ran' (ラン), wat een afkorting was voor alles wat uit 'Oranda' (オランダ) of Nederland kwam. Nederland heeft in Japan heel lang gestaan voor alles wat West-Europees was. Dat het model voor dit uniform uit Pruisen kwam en niet uit Nederland maakte voor de gewone Japanners weinig verschil.
  4. Japanse edele ten tijde dat de feodaliteit nog bestond - voor de Meiji-restauratie. Min of meer vergelijkbaar met de Europese ridder.
  5. Een Zaibatsu is een conglomeraat van verschillende bedrijven gecentreerd rond een bank. Ze is in grote mate zelfbedruipend voor haar productieprocessen. Bekende voorbeelden zijn: Mitsubishi, Mitsui, Yasuda en Sumimoto.
  6. zie het punt 'dienstplicht'
  7. zie het punt 'militaire eenheden'
  8. zie volgend punt: 'dienstplicht'
  9. In Japan begint het academiejaar sinds 1921 in april, en eindigt het in maart.
  10. De archieven rond deze mobilisatie zijn verbrand, en exacte gegevens omtrent de dienstplichtige studenten zijn hierdoor niet meer voorhanden. Volgens berekeningen van Japanse historici gaat het over 130.000 man, inclusief de eindexamenklas van dat jaar.
  11. De naam 'Kamikaze' is het gevolg van een foutieve vertaling door de Amerikanen; zij gebruikten de kunyomi-leeswijze in plaats van de onyomi-leeswijze van de twee karakters. De naam Kamikaze is tijdens de oorlog nooit gebruikt, en werd bij latere publicatie pas wereldwijd in gebruik genomen. De term vond ook in Japan opnieuw ingang als naam voor deze specifieke actie.
  12. Tijdschrift Shiba, 1950.
  13. Aldus beschreven door de literatuur-student Daikichi Irokawa (色川大吉, Irokawa Daikichi)
  14. Yamada, 1966:150
  15. Bovestaande informatie aldus beschreven in de 'Kamikaze Diaries', en in het artikel 'Universities and Students in Wartim Japan' van Ben-Ami Shillony(gequote uit Nihon Sembotsu, 1952).
  16. Bron: laatste pagina in het artikel Universities and Students in Wartime Japan van Ben-Ami Shillony.

Bibliografie

  • Vande Walle, Willy. Een geschiedenis van Japan: Van samurai tot soft power. Leuven: Katholieke Universiteit Leuven(acco), 2007.
  • Kawamura, Nozuma. Sociology and Society of Japan. London: Kegan Paul International Limited, 1994.
  • Shillony, Ben-Ami. Politics and Culture in Wartime Japan. Oxford, New York: Oxford University Press, 1981.
  • Naka, Hisao. Japanese Youth in Changing Society. Tōkyō: The International Society for Educational Information, 1977.
  • Benedict, Ruth. The Chrysanthemum and the Sword. Rutland, Vermont: Charles E. Tuttle Company, Inc., 1946
  • Ienaga, Saburo. The Glorification of War in Japanese Education. International Security, vol.18, no.3, p.113-133. The MIT Press, 1993.[1] (Laatst bezocht op 22/12/2007)
  • Shillony, Ben-Ami. Universities and Students in Wartime Japan. The Journal of Asian Studies, vol.45, no.4, p. 769-787. Association for Asian Studies, 1986.[2] (Laatst bezocht op 22/12/2007)
  • Spinks, Charles Nelson. Indoctrination and Re-Education of Japan's Youth. Pacific Affairs, vol.17, no.1, p.56-70. University of British Columbia, 1944.[3] (Laatst bezocht op 22/12/2007)


Digitale bronnen

  • Wikipedia-artikel: 'Imperial Rescript on Education' :[4] (Laatst bezocht op 22/12/2007)
  • The Kamikaze Diaries: [5] (Laatst bezocht op 22/12/2007)
  • Wikipedia-artikel: 'Kamikaze' : [6] (Laatst bezocht op 22/12/2007)
  • Foto's gedenkplaats voor de Himeyuri Gakutotai: [7] (Laatst bezocht op 22/12/2007)
  • Wikipedia-artikel: 'Himeyuri Students' : [8] (Laatst bezocht op 22/12/2007)
  • Wikipedia-artikel: 'Shotouka Chiri' : [9] (Laatst bezocht op 22/12/2007)
  • Wikipedia-artikel: 'Shinmin no Michi ' : [10] (Laatst bezocht op 22/12/2007)