Impact van WO I op Japan
Uit GeschiedenisJapan
Inhoud |
Impact van WO I
Het kabinet van eerste minister Terauchi Masatake in Tokyo, die gedomineerd werd door het leiderschap van het Japanse leger, greep hun kans om een interventie-team te sturen naar Siberië tijdens te revoluties in Rusland in 1917. Maar er braken in Japan zelf rellen uit in de zomer van 1918 doordat de prijzen voor rijst bleven stijgen, waardoor het kabinet gedwongen werd af te treden. In oktober 1918 werd Hara Takashi, van Rikken Seiyukai, Premier van het eerste Japanse bestuur dat niet werd gedomineerd door militaire macht of een machtige clan, maar door een eigen politieke partij. In november datzelfde jaar gaf Duitsland zich over aan de geallieerden en was WO I aan zijnn einde gekomen. Het einde van WO I ging gepaard met een buitengewone economische boom die zorgde voor een piek in 1919 die gevolgd werd door een recessie in 1920. In die zelfde tijd begon de Japanse vakvereniging ook open te bloeien na een kille periode. Al deze omwentelingen zorgden ervoor dat iemand de teugels in handen moest grijpen. Iemand van hetzelfde kaliber als Hara zelf.
Sociale structuur
Het politieke systeem
Verschillende sterke organen werden toegekend aan de Keizer. Keizer Taisho was in slechte conditie en had gebrek aan dezelfde charisma die zijn vader had, Keizer Meiji. Hij kon dus niet de macht uitoefenen die nodig was om deze grote groepen in bedwang te houden, die allen zochten naar een manier om hun eigen authoriteit te verzekeren en om de macht van Hara en zen ministers te beperken. Een ander vervelende factor voor een eerste minister was het Privy Council van raadsmannen die onmiddelijk werden toegekend aan de Keizer. De meeste van hen waren gepensioneerde overheidsambtenaren of legerofficieren. Zij hadden een speciale bevoegdheid om de Keizer raad te geven in verband met buitenlandse zaken en de bekrachtiging van internationale verdragen.
Onder de Meiji Constitutie hadden de overheid, het leger, de zeemacht, de beide kamers van de Diet, de Privy Council en de rechterlijke macht elk hun eigen authoriteit en werden ze enkel toegewezen aan de Keizer. Dit zorgde ervoor dat elke van deze grote machten invloed zouden hebben en te dominant zouden worden. De eerste minister had ook een opvallende zwakke positie in het kabinet. Elke individuele minister was verantwoordelijk t.o.v. de Keizer voor zen portfolio, en de eerste minister had niet eens de bevoegdheid andere ministers te ontslagen.
De zakenwereld
De japanse economie werd op het einde van WO I gedomineerd door de “zaibatsu conglomeraten”, vooral de Grote Vier van Mitsui, Mitsubishi, Sumimoto en Yasuda. Het was slechts tijdens de recessie van 1920 dat de Grote Vier een hegemonie tot stand brachten, vooral omdat de daling op de markt de kleinere en nieuwe conglomeraten het hardst had geraakt. Sinds men vroeger wereldwijd dacht dat een bedrijf behoorde tot zijn aandeelhouders, werd de omvang van de winsten uitbetaald in dividenden in plaats van opnieuw te investeren in de zaak. De overheid speelde een zwaar beschermende rol voor sommige sectoren, zoals de scheepvaart en de scheepsbouw, maar deze waren uitzonderingen en werden in het algemeen veracht door meer competitieve bedrijven zoals die in de textielindustrie.
Buitenlandse Zaken: Japan in Azië
Tussen de verscheidene problemen dat Hara moest confronteren was er ook nog de terugtrekking van de Japanse troepen uit Siberië en de instabiliteit van China. Wanneer Terauchi het overnam van Okuma verklaarde de nieuwe adminstratie een politieke verandering naar China toe en breidde de lening uit naar de dominerende militaire overheid van Beijing en Yuan’s opvolger, Duan Qirui, om zo als enige controle te hebben over de spoorwegen, ijzer-en staalpraductie, bosbouw en andere belangrijke onderdelen van de economische infrastructuur terwijl de Europeanen en Amerikanen vast zaten met de oorlog in Europa. De leningen voor Beijing werden bekend als de Nishihara leningen sinds Terauchi’s vertrouwde luitenant Nishihara Kamezo meerdere malen naar China reisde om contracten te tekenen die Beijing zou voorzien van leningen met een totaal van 145 miljoen Yen (ongeveer 75.5 miljoen dollar). Het Terauchi Kabinet ging ten val op 28 september 1918, maar het feit dat de laatste drie van deze zogenaamde “loaning deals” (voor spoorwegen in Manchuria en Shandong en om de Chinese deelneming tijdens WO I te financieren aan de kant van de geallieerden) waren getekend op 28 septemeber, de dag voordat de Hara administratie hun taken zouden vervullen en hun vasthoudheid zouden demonstreren. Maar deze agressieve benadering naar China toe brachten deze twee landen langzaam maar zeker tot onverzoenlijking.
Het Hara Kabinet
Hara Takashi (ook bekend als Hara Kei) nam de taak over van Saionji Kinmochi als hoofd van de Seiyukai in 1914. Hij werkte onvermoeid door voor een formatie van de Seiyukai-dominante kabinet. Hij probeerde hoe dan ook noch de genro noch de bureaucratie noch het leger omver te werpen door enige vorm van confrontatie, maar wel om ze te overtuigen dat ze meer van hun authoriteit en macht moesten delen met de politiekers. Wanneer Hara hoorde dat Terauchi zijn taak zou doorgeven, bleef hij in zijn thuisstad Morioka, waar hij rustig de gebeurtenissen afwachtte. Het Hara Kabinet, dat in september 1918 werd gevormd, bestond voornamelijk uit leden van de Seiyukai. Er waren slechts drie uitzonderingen. Deze waren Giichi, die werd aangewezen als minsister van het leger, aanbevolen door Yamagata. Kato Tomosaburo, bleef aan het hoofd van de zeemacht, en Uchida Kosai, een diplomaat die het overnam als minister van buitenlandse zaken. De publieke opinie verwelkomde de komst van de eerste partij met aan het hoofd een burger.
Sinds het begin van de eeuw betwistte Seiyukai voor een actief beleid in vier grote gebieden: het verstevigen van de nationale verdediging, het onderwijs verbeteren, het ontwikkelen van de transportsystemen en het aanmoedigen van de industrie. Industrialisatie zou meer export voortbrengen, wat de internationale rekeningen in balans zou brengen. Seiyukai’s doel was om balans te bereiken via groei en ze hadden geen bezwaar om nog meer schulden in de vorm als overheidsborg te dekken om hun programma te financiëren. De bureaucratie, vooral het ministerie van Financiën en van de Bank van Japan, zagen in dat hun voornaamste taak erin bestond om een gebalanceerd budget te handhaven en de internationale rekeningen in evenwicht te houden. Daarom gingen ze vastberaden in tegen Seiyukai’s plannen om nog meer publieke uitgaven de spenderen. Tegen 1918, had de economische boom, vergezeld door WO I, de internationale balans van betalingen verbeterd. De overheidsinkomsten groeiden tegen hoge snelheid aan van 730 miljoen yen in 1917 tot juist onder 1.5 biljoen in 1918, 1.8 biljoen in 1919 en 2 biljoen in 1920. Er was een sterke groei in de belastingsinkomsten, alsook in de verdiensten uit spoorwegen, postkantoren en andere overheids-exploitaties. Japan, die lang een netto debiteur was geweest, werd opeens een crediteur tijdens WO I. De economische boom gaf Seiyukai een perfecte gelegenheid hun beleid om nationale uitbreidinging uit te voeren zonder zich zorgen te maken om het geld, waar het ook vandaan kwam of zou komen.
De Keizer en de Genro
De zwakke gezondheid van de Keizer, al niet meer in staat om ceremonies bij te wonen of om keizerlijke voorschiften te lezen, speelde parten bij Hara. De enige oplossing was Kroonprins Hirohito, die eindelijk de leeftijd van 18 had bereikt, te presenteren die verkozen kon worden om te regeren. In raadpleging met Yamagata en de andere genro, had Hara een officieel bezoek naar Engeland geregeld voor de Kroonprins Hirohito als voorbereiding voor zijn tijd als regent.
Bronnen
- Nakamura, Takafusa. A History of Shôwa Japan, 1926-1989. Tokyo: University of Tokyo Press 1998
- Buruma, Ian. De uitvinding van Japan, 1853-1964. Nederland: De bezige bij. Oorspronkelijk: Inventing Japan. New York: Random House
- Encyclopedia, Columbia. 2005. Genro. Encyclopedia,g1. <http://www.encyclopedia.com/html/g1/genro.asp>.
- <http://members.shaw.ca/leksu/mainp7e.htm>

