Hinin (非人) - De "niet-mensen" van Edo Japan

Uit GeschiedenisJapan

Hinin (非人) (letterlijk: "niet-mensen" of nog "on-mensen") waren een erg heterogene groep mensen die in de Edo standenmaatschappij helemaal niet te vinden waren, ze stonden erbuiten, eronder. De groep bestaat eigenlijk al sinds nog voor de Tokugawa periode. Vaak gekenmerkt door het uitoefenen van specifieke beroepen, en soms door het afkomstig zijn van een bepaalde regio (of wijk), werden ze door de mensen toen geassocieerd met armoede, elende, vuil en kwade daden, en werden ze beschouwd als de tegenhanger van de "goede burger" (ryōmin 良民). Afbeelding:2862111344_f5474fdc2c.jpg‎

Inhoud

Hinin: Geboren of geworden?

Welke daad kan zo slecht of duivels zijn dat men van mens tot niet-mens/on-mens gedegradeerd wordt? Hoe wordt iemand hinin? Wel, vaak werd men simpelweg van ryōmin tot hinin door het verlies van zijn huis, men werd dakloze, zwerver, bedelaar en van zodra men op straat leeft gaat het vaak van kwaad naar erger: gebrek aan hygiëne, ziekte, het uitoefenen van de laagste beroepen of zelfs criminaliteit. Indien men door het begaan van misdaden eerder dan door het verliezen van hebben en houden (of zijn gezondheid), werd men hinin door veroordeling.

De types hinin

Er waren twee verschillende soorten hinin. Ten eerste de nohinin (野非人) of niet-geregistreerde, illegale hinin, vaak diegenen die op straat leefden en erg plots door ziekte of door in ongenade te vallen bij de rest van de gemeenschap, tot statusloos geworden waren.

Het tweede type hinin zijn de kakae-hinin (抱え非人), of de expliciet wettelijk geregistreerde hinin. Het bakufu eiste namelijk dat alle hinin zich registreerden.

Uiteraard was het niet uitzonderlijk dat men eerst door om het even welke reden nohinin werd en dan later gedwongen werd zich te registreren bij de overheid. Dit geldt uiteraard in het algemeen niet voor criminelen die als hinin bestempeld worden. Dezen werden meteen bij hun veroordeling gedwongen geregistreerd.

Beroepen en bezigheden

Door de functie van de hinin-stand als opvangbekken voor alle mogelijke ongewenste elementen in de samenleving, werd de basis gelegd voor de grote heterogeniteit van deze groep. De grote hoeveelheid en verscheidenheid aan beroepen van de hinin werd door de ryōmin als nederig en onrein beschouwd.

Bedelen

De meest voorkomende en voordehandliggende manier om te overleven was uiteraard het bedelen. Op het eerste zicht is bedelen een nutteloze, parasitaire en chaotische activiteit, maar het bedelen van de hinin had een streng georganiseerd systeem, waar bij elke persoon dagelijks een buurt of straat toegewezen kreeg (de "leidinggevende" hinin kregen grotere gebieden toegewezen). Ze bedelden ook slechts voornamelijk bij gebeurtenissen zoals bv. een huwelijk, geboortes en begrafenissen. De bedelende hinin kregen het geld en eten niet zomaar, vaak genoeg moesten ze een tegenprestatie leveren, zoals het uit de buurt houden van andere bedelaars of nohinin. Men kon zelfs een zogenaamde shikirifuda (仕切り札) kopen van de hinin, op dit bordje -dat aan de deur van een huishouden kwam te hangen- stond dat "hinin X" aanspraak had op dit huishouden, zo werden andere bedelaars afgeweerd.

Entertainment

Veel hinin waren straatacteur, -muzikant, -zanger(es), -tovenaar, -verhalenverteller, -of acrobaat. Hier waren uiteraard veel vrouwelijke hinin te vinden, die afgezien van prostituee of actrice, vaak ook zongen. Erg populair waren de torioi (鳥追). Deze zangeressen deden in de Edo periode doorheen het jaar meestal de gebruikelijke gezangen, maar zijn afkomstig van zangeressen die in de eerste twee weken van het jaar (vooral op het platteland) speciale liederen zongen die bedoeld waren voor het afschrikken van vogels en insecten, en de boeren een goed jaar moesten bezorgen met een rijkelijke oogst. De trioi waren destijds rond deze tijd van het jaar erg graag geziene gasten.

De meeste hinin die één van de vorige "beroepen" uitoefenden waren echter gewone straatartiesten die vaak extreem weinig verdienden, maar waarvan sommigen erin slaagden een relatief succesvolle "carrière" uit te bouwen, en erg populair werden.

In dienst van het lokale bestuur

Een derde grote groep van de hinin was werkzaam in dienst van de lokale politie of in het lokale strafsysteem. Zo waren er in de Edo periode bijvoorbeeld de tsukasayaku (司役), een soort politie die instond voor de begeleiding en arrestatie van misdadigers. In de gevangenissen werden de hinin als bewakers ingezet, zo ook in de beide tame (溜) in Asakusa en Shinagawa, inrichtingen voor (vermoedelijk) geestelijk zieke misdadigers. De hinin kregen vooral bij terechtstellingen en straffen allerlei vuile werkjes opgedragen: Het voorbereiden van de veroordeelde, het aansteken van de neus en genitaliën van de veroordeelde bij brandstapels, het vasthouden van het hoofd van de veroordeelde bij onhoofdingen opdat de scherprechter een propere haal kon maken, en uiteindelijk het wegdragen van het lijk van de misdadiger.

Gedoemd tot statusloosheid

Het is dus duidelijk: Ook al stonden de hinin officieel buiten het standensysteem, ze waren er in geen geval van geïsoleerd. Er was een betrekking tussen de hinin en de gewone burger. Een betrekking die niet parasitair genoemd kan worden, maar waaruit beide partijen hun voordeel haalden. Ze voerden taken uit die de rest van de maatschappij als té onrein en vuil beschouwde. De hinin deden dus vuil maar fundamenteel noodzakelijk werk. Ze hadden dus een functie in een maatschappij waartoe ze niet behoorden. En "toch" werden ze nog steeds als "niet-mensen" beschouwd. Hiervoor is er enerzijds het religieuze aspect van de verontreiniging van hun "zijn", ze deden vuil werk waarbij ze met vuil, bloed, ziekte en de dood in aanraking kwamen, en dus waren dus onrein. Dit als enige reden voor hun hinin-zijn te beschouwen zou echter te simplistisch zijn (Groemer 2001: 263). Vele hinin waren van geboorte heimin (gewone burgers) en werden pas na hun degradatie tot hinin gedwongen onrein werk te doen. De "verontreiniging" van deze mensen, was dus eerder het resultaat van, dan wel oorzaak voor hun degradatie (Koch 2004: 22). Bovendien waren er in Edo Japan ook mensen zoals monniken en jagers die te maken hadden met het begraven van dode mensen en dieren, en dezen werden in geen enkel opzicht als "verontreinigd" bestempeld. Het concept van "verontreiniging van een persoon" kan dus mede gezien worden als uitgevonden voor het rechtvaardigen van een politiek van een regering die zijn eigen macht ermee wou versterken, als onderdeel in een historische traditie van statusloze groepen.

Het regime ging zelfs nog verder om de hinin duidelijk buiten de maatschappij te plaatsen (en ze daar te houden). Enkele opvallende verordeningen in verband met hinin:

  • 1723: Om alle hinin op het eerste zicht te kunnen herkennen als hinin werden er regels uitgevaardigd voor kleder- en haardracht:
    • Hinin mochten enkel katoen dragen, zijde was ten strengste verboden.
    • Hinin mochten geen hoeden dragen, enkel een doek rond het hoofd (max.25cm).
    • Hinin mannen moesten hun haar kort houden en mochten het niet samenbinden.
    • Hinin vrouwen mochten hun haar wel samenbinden maar enkel met een zwarte haarband.
  • 1781: Alle hinin moesten kleine houten bordjes bij zich dragen, als licentie, wanneer ze wilden bedelen.
  • 1796: De hoofddoek werd verboden, de hinin konden er hun gezicht en dus status mee verbergen.

Het bakufu deed er op deze manier alles aan alle aspecten van het leven van de hinin minutieus vast te leggen en ze zo onder controle te houden.

De hinin als controle-orgaan: De hinin-hiërarchie

In Edo Japan, waar controle gelijkgesteld werd aan stabiliteit, was er uiteraard "een arm der wet" nodig die de verordeningen in het veld doorvoerde, ervoor zorgde dat ze nageleefd werden, etc. Hiervoor zijn controle-instanties nodig. Er was binnen de hinin dus een strikte hiërarchie waarbij weinigen bovenaan, de velen onderaan de piramide overheersten. Zo waren er in dalende volgorde:

  • eta-gashira (穢多頭) Danzaemon
    • de vier hinin-gashira (非人頭)
      • koya-gashira (小屋頭) of huttenleiders
        • de gewone kakae-hinin

Eta-gashira (穢多頭) Danzaemon

De hinin in Edo (en in het hele Kantō gebied) stonden onder de heerschappij van het hoofd van de eta ((穢多)een groep gelijkaardig aan de hinin die afstamt van de statuslozen in de feodale periode in Japan) leider: Danzaemon. Dit in tegenstelling tot in het Kansai gebied waar eta en hinin als losse groepen werden beschouwd. Aan het hoofd van de hinin piramide in Edo vinden we dus een "eta". Danzaemon was een erfelijke naam die dertien generaties lang werd doorgegeven (ook de titel van eta-gashira werd dus doorgegeven). Het gebied waarbinnen de eta-gashira alle hinin bestuurde, omvatte oorspronkelijk de acht Kantō provincies en werd later uitgebreid met gebieden in Izu (伊豆), Kai (甲斐), Mutsu (陸奥) en Suruga (駿河). Danzaemon overheerste niet uitsluitend de eta en hinin in de Edo-tijd, maar ook andere groepen nederige personen zoals sarukai (猿飼), aoya ((青屋)indigo-ververs), steenmetselaars, masseurs, barbiers, etc. Kortom groepen mensen die laag aangeschreven stonden in de standenmaatschappij. Danzaemon was een soort koning van het uitschot en de lage sociale klassen. Danzaemon kreeg van het bakufu heel wat privileges waaronder een 3 300 m²-grote residentie in Asakusa Shinchō, het dragen van officiële gewaden en 3000 koku (1 koku = ±150 kilogram) rijst per jaar.

Hinin-gashira (非人頭)

De volgende trap in de hinin-hiërarchie waren de hinin-gashira. Zij waren de hoogst geplaatste hinin in het systeem. Ze stonden onmiddellijk onder Danzaemon, waren hem werkkrachten verschuldigd, en moesten jaarlijks rapport uitbrengen. Er waren vier zulke hinin-leiders wiens naam, net zoals die van Danzaemon zelf, erfelijk was. De vier hinin-gashira waren (van machtigst naar minder machtig, hun respectievelijke gebieden en met cijfers uit een telling in het jaar Kyōhō 10 (1725)):

  • Kuruma Zenshichi (車善七): Asakusa (浅草) en de gebieden ten noorden van Nihonbashi (3287 hinin)
  • Matsuemon (松左衛門): Shinagawa (品川) en de gebieden ten zuiden van Nihonbashi (965 hinin)
  • Zenzaburō (善三郎): Fukagawa (深川) ten oosten van Nihonbashi (349 hinin)
  • Kyūbee (久兵衛): Yoyogi (代々木) in het westen van Edo (348 hinin)

Hoewel ze allemaal dezelfde titel hadden, waren ze -zoals blijkt uit de cijfers- allesbehalve gelijk in macht of inkomsten. Zenshichi kreeg bijvoorbeeld in 1667 van het bakufu 900 tsubo land (2 979 m²), waar de anderen heel wat minder kregen. De hinin-gashira haalden hun inkomsten vooral uit het ter beschikking stellen van hinin, voor de vuile klussen die ze altijd moesten opknappen, aan de lokale overheid. Ook voor het doorvoeren van verordeningen en het uitvoeren van straffen kregen deze leiders geld én ze hadden recht op een deel van de bedelinkomsten van de hinin in hun gebied. Men kan zeker stellen dat hoewel het overgrote deel van de hinin straatarm was, deze "lucky few" onder de ongelukkigsten van de Edo-maatschappij, gezien hun status, relatief rijk waren.

Koya-gashira (小屋頭)

Na de hinin-gashira met hun relatief grote gebieden, komen de koya-gashira of huttenleiders. De hinin leefden in hutten of soms een soort barakken, een koya-gashira was het hoofd van één of soms enkele hutten of barakken. Hij genoot, zij het in mindere mate, ook nog van enige financiële voordelen. Het bedelsysteem verliep via deze lager geplaatste leidersfiguren, ze bepaalden wie in welk gebied zou bedelen, en kregen een deel van de bedelinkomsten verdiend door de hinin in hun hutten. Ze rekruteerden hun opvolgers uit de erfelijke hinin, niet zozeer uit de groep recenter geregistreerde hinin die uit de heimin-maatschappij gevallen waren.

Kakae-hinin

De ook al eerder vermelde kakae-hinin, zijn de gewone, geregistreerde hinin, sommigen zijn al generaties lang hinin anderen nog maar net. Ze vormen de bodem van zowel de hinin-hiërarchie als van de totale Edo maatschappij. Ze hebben geen gezag tenzij over hun eigen kinderen, ze hebben geen geld of voedsel tenzij ze erom bedelen of indien mogelijk ervoor werken.

Deze hinin zullen nog tot de Meiji restauratie, officieel als "outcast" geregistreerd staan. In 1872 worden ze eindelijk gelijkgesteld met de rest van de burgers, maar dat blijft vaak tot op de dag van vandaag slechts op papier geldig.

Bronnen

Boeken, thesissen en papers

  • Brooks, W.L. Outcaste Society in Early Modern Japan, Dissertation Columbia University Press, 1976.
  • Groemer, G. "The Creation of the Edo Outcaste Order", Journal of Japanese Studies 27/2, 263-289, 2001.
  • Koch, A. Hinin - Die "Nicht-Menschen" der Edo-Zeit, Universität Wien, 2004
  • Vande Walle, W. Een geschiedenis van Japan. Van samurai tot soft power, Leuven: Acco Leuven, 2007.

Internet