Hideyoshi als bestuurder

Uit GeschiedenisJapan

Inhoud

De hoogste civiele functies

In het verleden hebben we vaak gezien hoe grote generaals zich uiteindelijk lieten bekleden met de hoogste civiele ambten uit de keizerlijke administratie. Hoewel dit holle titels waren met ronkende namen, stelden de bushi er niettemin erg prijs op. Ze verschaften hun de ultieme legitimiteit, want benoeming door de keizer was als het ware een consecratie van hun positie. De rol van de keizer was enigszins te vergelijken met die van de paus als zalver van koningen en keizers in de Europese geschiedenis. Niemand was zo begerig naar keizerlijke legitimering als Hideyoshi, en zijn drang om zijn onooglijke afkomst te overstijgen en verdoezelen zal hem des te gevoeliger gemaakt hebben voor hoogdravende titels.

Merkwaardig genoeg eiste Hideyoshi de titel van shōgun niet voor zich op, wat Nobunaga overigens ook niet had gedaan. Hij liet zich adopteren in de Fujiwara-familie, hetgeen hem recht gaf op hoge hoftitels. In 1585 werd hij dan ook door de keizer tot regent (kanpaku) benoemd en het jaar erop kreeg hij er nog de titel van Dajōdaijin bovenop. Bij die gelegenheid veranderde hij ook zijn familienaam tot Toyotomi. In 1587 bouwde hij het legendarische paleis Jurakudai 聚楽第 in Kyōto, dat in 1595 weer afgebroken werd, maar we vangen een glimp op van de pracht en praal van dit grootse bouwwerk dat zelfs het keizerlijke paleis in de schaduw stelde, in de prachtige, vergulde kamerschermen uit de tijd, en in het paviljoen Hiunkaku 飛雲閣, dat aan de Honganji-tempel (de huidige Nishi Honganji 西本願寺) te Kyōto geschonken werd en nog bestaat. Hier was het dat hij keizer Go-Yōzei 後陽成 ontving in het bijzijn van zijn vazallen, op zich een hoogst zeldzame gebeurtenis en een omkering van de verhoudingen, want hij zou eigenlijk de keizer moeten gaan bezoeken. Hij schonk de keizer landerijen ter waarde van meer dan 7000 koku, liet de vazallen zweren dat zij de keizerlijke gronden niet zouden aanraken en trouw jegens hemzelf zweren. Dit groots georkestreerd vertoon zal zeker op de vazallen de nodige indruk gemaakt hebben. In 1591 stond hij zijn titel van regent af aan zijn aangenomen zoon Hidetsugu en liet zich voortaan taikō 太閤 (teruggetreden regent) noemen.

Domaniale administratie

De door Hideyoshi tot stand gebrachte hereniging van het land mag niet in de moderne betekenis van uniformisering begrepen worden. Het ware onrealistisch zoiets te verwachten. Het land was meer dan een eeuw het toneel geweest van oorlogvoering, wisselende allianties en intriges. Wat wel gebeurde is dat de grote regionale machthebbers nu niet langer in een chaotische en ongebreidelde wedren naar de macht verwikkeld waren. De grote massa daimyō was gestroomlijnd, er was een opperheer die effectieve macht had, maar die macht raakte niet rechtstreeks elke individuele onderdaan, zoals dat in het ideaal van het bureaucratische keizerrijk gebaseerd op de ritsuryō, afgeschilderd werd. Hideyoshi regeerde over zijn vazallen, maar binnen hun domeinen handelden die autonoom. Van een administratie op nationale schaal was nauwelijks sprake. Hij liet iedere daimyō zijn eigen regionale administratie behouden. Ook het bestuur over zijn eigen territoria verschilde niet wezenlijk van die van de andere. Het was een domaniale administratie, maar omdat zij zo'n uitgestrekt domein bestreek, had ze een stabiliserende invloed op landelijk vlak. Hij deed beroep op vazallen en cliënten voor de uitoefening van civiele en militaire functies. Zo werd Asano Nagamasa 浅野長政, een vooraanstaande vazal, commissaris (bugyō) over Hideyoshi's territorium en zijn dienaren. Maeda Gen'i 前田玄以 was adjunct-militair gouverneur (shoshidai 所司代) van Kyōto, belast met het bestuur van de stad en de controle over de hovelingen en priesters. Natsuka Masaie 長束正家 was commissaris voor financiële zaken binnen het territorium.

Het was slechts in 1598, op het einde van zijn leven, dat Hideyoshi een meer formele structuur voor het landelijke bestuur uitwerkte. Hij benoemde vijf regenten, die hij belastte met zijn politieke erfenis zolang zijn zoon Hideyori 秀頼, die zijn concubine Yodogimi hem had geschonken, minderjarig was. Dit college van regenten (go-tairō 五大老) bestond uit de vijf belangrijkste 'onafhankelijke' daimyō: Tokugawa Ieyasu, Maeda Toshiie 前田利家, Uesugi Kagekatsu 上杉景勝, Mōri Terumoto en Ukita Hideie 宇喜多秀家. Op het hoogste, puur administratieve niveau stelde hij vijf commissarissen (go-bugyō 五奉行) aan. Tussen regentencollege en commissarissen in was er een raad van drie bemiddelaars (chūrō 中老), wier taak het was om geschillen tussen het college en de commissarissen bij te leggen.

Het land wordt opgemeten

Waar rijkdom in grond uitgedrukt wordt is een kadastraal register een buitengewoon belangrijke aangelegenheid. Het is een instrument voor het heffen van belastingen en het controleren van de boeren die op het land wonen. Daarvoor moeten er landmetingen verricht worden. Sommige sengoku-daimyō en ook Nobunaga hadden reeds landmetingen laten uitvoeren, maar hun pogingen bleven lokaal. Tussen 1582 en 1598 laat Hideyoshi het hele land opmeten, zowel zijn eigen territoria als die van de daimyō. Deze landmeting staat bekend als taikō kenchi 太閤検地 (landmeting van de teruggetreden regent).

Hij gaat zeer grondig te werk. Nobunaga had zijn kadaster laten opmaken aan de hand van vragenlijsten, maar Hideyoshi wil dat alle landerijen opnieuw gemeten worden. Alle rijstvelden en akkers worden geklasseerd volgens hun kwaliteit en in overeenstemming hiermee wordt de jaarlijkse rijstopbrengst van iedere akker bepaald. De opbrengst wordt uitgedrukt in koku, een inhoudsmaat van circa 180 liter. Als jaarlijkse belasting diende de boer twee derde van de kadastraal bepaalde opbrengst (kokudaka 石高) op te leveren. Voor het meten van de rijst gebruikte men een masu 枡, een houten bak van welbepaalde afmetingen. Omdat men over heel het land dezelfde standaard moest kunnen hanteren, werd de hoofdstedelijke Kyō-masu 京枡 (1,8 liter) gekozen als maatstaf. Dit leidde tot een stroomlijning van de maten in Japan. Voorheen had iedere streek haar eigen maten.

Tegelijkertijd werd voor iedere opgemeten akker ook de naam van de eigenlijke bebouwer van het land, de boer (hyakushō) opgetekend, die daardoor dus als de verantwoordelijke belastingplichtige werd geregistreerd. Voorheen rustten er allerlei rechten op ieder stuk land en werden de belastingsrijst door diverse niveaus (rijkere boeren of pachtheren, shōkan, ...) ingepikt en afgeroomd. Nu was de rechthebbende de daimyō, en diens leenheer, Hideyoshi. Het systeem wordt dus eenvoudiger en met minder tussenschakels. Grote families van meerdere generaties worden verplicht zich te splitsen en zich als gezin zelfstandig te vestigen. Ieder gezin was immers belastingplichtig en het aantal belastingplichtigen groeide daardoor behoorlijk aan. Deze tendens naar kleine zelfstandige boeren tekende zich het eerste af in de hoofdstedelijke provincies.

De boerenfamilies werden gegroepeerd in dorpen (mura 村), die de standaard werden van de fiscale administratie op het platteland. Onder de boeren werd een dorpsoverste (shōya 庄屋 of nanushi 名主 genaamd) gekozen, die verantwoording aan de plaatselijke ambtenaar van de daimyō verschuldigd was. De dorpen moesten instaan voor hun eigen bestuur en het stipt betalen van de jaarlijkse belastingen.

Bevriezing der klassen en zwaardenjacht

Het kadaster had diepgaande maatschappelijke consequenties. Wie als boer op het kadastraal register genoteerd stond werd als het ware voor eens en voor altijd boer. Hij mocht zijn land noch zijn dorp verlaten en het was hem tevens verboden een ander beroep te kiezen. Degenen die op de personeelslijsten van de daimyō als zijn leenmannen of achterleenmannen of bezoldigd personeel opgetekend stonden, waren bushi. De kenchi werd dus een instrument om een strikte en rigide scheiding der klassen door te voeren, en omdat de ingeschreven status erfelijk was is het misschien beter van standen te spreken. Om de scheiding helemaal permanent te maken, werden de boeren, evenals de tempels en de stedelingen systematisch ontwapend, zodat wapenbezit en wapendracht een privilege werd van de bushi. De eerste die met deze, gemeenzaam zwaardenjacht (katana-gari 刀狩) genoemde ontwapeningscampagnes begonnen was, was Nobunaga en zijn voorbeeld werd gevolgd door andere daimyō, maar ze waren alle territoriaal beperkt. Hideyoshi voerde in 1588 een landelijke zwaardenjacht door. Alle leden van de bushi-stand werden verplicht zich in de buurt van het kasteel van de daimyō te vestigen. Daarmee werd de basis gelegd voor het vier-standensysteem tijdens de Tokugawa-periode (1603-1868), werd een strikte scheiding doorgevoerd tussen boeren en krijgers enerzijds en tussen platteland en stad anderzijds.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo