Het incident van 15 mei 1932

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken


De recente Japanse geschiedenis van de jaren '20 en '30 van de vorige eeuw, was rijk aan incidenten. Sommige waren goed voorbereid, en hadden dan ook grote gevolgen. Maar er waren ook incidenten die eenvoudiger van aard waren. Het "15 mei incident" was eerder een couppoging van amateuristische aard. Toch had deze gebeurtenis een grote impact op het Japanse bestuur, waardoor haar historisch belang echter groter is.


Zo staat het “15 mei incident” symbool voor het einde van de partijpolitiek. Een politiek die men in de Taishô periode met veel trots wel eens de Taishô-democratie noemde. Vanaf die bewuste dag veranderde de regeervorm in een regering van nationale eenheid. Een regeerstijl die bestond uit leden van het toen al zo machtige militaire apparaat, en ons eerder doet denken aan een militaristisch bewind.


Het politieke klimaat

Het Japanse buitenlandse beleid van begin jaren '30 was getekend door de politieke crisis in Mantsjoerije. Hoewel de crisis ernstige internationale gevolgen had, waren haar nationale gevolgen ook niet te overzien. Zo werd de binnenlandse politiek, die bestond uit corrupte kabinetten, de boeman van de jonge militairen.


Zo viel de regering-Wakatsuki in december 1931 over het Mantsjoerije-vraagstuk. De regering-Wakatsuki en de opvolgende regering, worstelden allebei met de grondwettelijke problemen omtrent de militaire activiteiten in Mantsjoerije. De politieke situatie werd nog onheilspellender door de verschijning van opeenvolgende golven van geweld en moord.


Inukai Tsuyoshi wou zich mengen in de onenigheid tussen het machtige Japanse Kwangtung leger en de Chinese staat. Door zijn interventie waarbij hij de Chinese soevereiniteit over het betwiste gebied wou laten erkennen, werd de heer Inukai een gegeerd doelwit van de gefrustreerde militaire achterban. Tussen februari en mei 1932 werden tenminste drie vooraanstaande politici vermoord, waaronder ook de toenmalige eerste minister Inukai Tsuyoshi.


Politieke moorden waren in deze periode schering en inslag, zo werd in 1930 eerste minister Hamaguchi Osachi omgebracht vanwege zijn rol in een overeenkomst om de bewapening te verminderen. In 1932 werd de minister van financiën Inoue Junnosuke en het hoofd van het Mitsu Zaibatsu Dan Takuma vermoord in het zogenoemde incident van het bloedbelofte-verbond. (血盟団 事件 ketsumeidan jiken).


Het incident van 15 mei 1932 (Go-ichigo jiken 五・一五事件)

Het complot

Inukai's belagers hoopten dat hun aanval een staatsgreep teweeg zou brengen. Het verbond bestond uit een samenzwering van een tiental jonge zeemachtofficieren, legercadetten en extremisten uit het milieu van de rechtse bewegingen. Zoals bijvoorbeeld de Aikyojuku, een afgescheurde tak van het Ketsumeidan groep. luitenant Seishi Koga wordt gezien als de leider van het verbond.

De Ketsumeidan school die haar thuisbasis had in de Ibaraki prefectuur, was in 1931, door de zelfbenoemde Boeddhistische priester, Nissio Inoue gesticht. Ibaraki was regio waar de boeren afhankelijk waren van de politiek, en daardoor ook grote verwachtingen hadden. Hierdoor reageerden zij des te heftiger op het falen van de Japanse staat. één van de vergaderplaatsen van de aikyojuku bevond zich in de buurt van de opleiding Luchtbasis van de zeemacht te Tsuchiura, een stad gelegen aan het meer van Kasumigaura.

Op vrijdag 13 mei werd in een café te Tsuchiura de laatste hand gelegd aan hun complot. Het complot had tot doelstelling de burgerlijke macht omver te werpen, en ze te vervangen door een militaire macht. Een macht die handelt in de naam van de keizer.

Ook in het complot zaten de heren Shumei Okawa, Mitsuro Toyama, and Kosaburo Tachibana.


De doelwitten

Premier Inukai Tsuyoshi (犬養 毅)

Op 15 mei 1932, rond vijf uur in de namiddag begaven negen jonge zeemachtofficieren zich naar het Yasukuni schrijn te Tokyo. Vandaar zetten ze in twee taxi’s de weg verder. En om half zes kwamen ze aan bij de residentie van de eerste minister en tevens de voorzitter van de Seijukai-partij, de heer Inukai Tsuyoshi. Toen ze uitstapten, deelden de negen zich op in twee groepen en baanden ze zich een weg via voor- en achteringangen om, gebruikmakend van hun pistolen, de leden van de wacht te overmeesteren. De wacht waarschuwde de premier en raadde hem aan de woonst te verlaten.

Maar de premier sloeg de raad echter in de wind, en verkoos een dialoog met de indringers. Na ettelijke kamers te hebben doorzocht, troffen de negen officieren de premier aan in de eetkamer, waar hij eenzaam in een Japanse kamerjas vertoefde. Duikboot luitenant Mikami Taku, wou direct vuren, maar vergat dat hij na het gevecht met de lijfwacht, niet had herladen. Op dat moment hief Inukai zijn rechter arm op en liet hem rustig weer zakken, alsof hij in het Japanse parlement, de Diet, stond en de rust wou herstellen.

Vervolgens nodigde hij zijn belagers uit om te gaan zitten, en de meningsverschillen uit te praten. Staande in het alkoof, omringd door zijn belagers, stelde hij hen joviaal voor of ze hun laarzen niet zouden uitdoen (wat een teken van beleefdheid is in Japan). Daarna nam hij zelf een sigaret vanuit een doos die op de tafel stond, en bood ze vervolgens ook aan de officieren aan.

Een van de negen officieren antwoordde hierop: "Waarom praat u over laarzen, u weet toch waarvoor we gekomen zijn". Mikami sprong hem bij met de woorden, "Hebt u dan geen laatste woorden?" Ingaande die vraag, begon de premier zijn laatste vertoog. Hij was nauwelijks begonnen, of Duikboot Luitenant Yamagushi Hiroshi, schreeuwde; "Geen discussie! Vuren!" Inukai rees opnieuw zijn rechterhand en riep, "Wacht, wacht! Er hoeft niet geschoten te worden!" Maar haast ogenblikkelijk vuurden Mikami en nog een officier raak, en Inukai schoof vooruit.
Yamaguchi riep, "Weg, weg!". En de negen belagers haasten zich de kamer uit. Ze stapten in hun taxi’s en zetten zo hun tocht verder naar de militaire politie, waar ze zich allen aangaven.

Toen een huismeid hem boven de tafel aantrof, op zijn ellebogen steunend, bloedend uit zijn schouders. Vroeg hij haar om de sigaret, die nog steeds tussen zijn rechter vingers stak, aan te steken. En wel drietal keer drong haar op om, die "jongelui" terug te roepen, zodat hij eens met ze kon praten. Toen zijn zoon Takeru terugkwam, vertelde hij hem dat ze van een pas afstand onder vuur namen. Zo kort, dat ze hem zelfs met hun slechte precisie niet konden missen. Om half twaalf, zes uur na het gebeuren, stierf de heer Inukai, op 78-jarige leeftijd aan zijn verwondingen.

Charlie Chaplin

Charlie Chaplin, die toen Japan bezocht, was samen met de premier een gegeerd doelwit. Maar omdat hij toen samen met Inukai's zoon Ken Tsuyoshi, een sumo wedstrijd bijwoonde, ontkwam hij de moordaanslag.

Saionji Kinmochi (西園寺 公望)

Saionji Kinmochi had een liberale visie en promootte het parlementaire systeem, waar de regering haar basis had in de parlementaire meerderheid. Hierdoor werd hij een gegeerd doelwit voor de nationalisten.

Hij streefde naar een verminderde invloed van het leger in de politieke beslissingen, maar kon de militaire avonturen in Azië niet verhinderen.

De Kapitalistische en regeringsinstellingen

Vanuit de officiële woonst van de premier, reed nog één taxi van de officieren door naar de Japanse Nationale bank. Daar gooiden ze nog vlug enkele granaten binnen, waarna ze hun tocht verder zetten naar de militaire politie.

Ook de hoofdstedelijke elektriciteitsvoorziening en de civiele politie waren een doelwit. Maar omdat de oudere officieren alle medewerking weigerden breidde het incident niet uit.


De gevolgen

Omdat de oudere officieren weigerden om hun militaire macht uit te spelen tegen hun eigen nationale regering, nam het incident in de praktijk geen al te grote allures aan. Hierdoor verliep de couppoging anders dan dat de aanstichters gehoopt hadden. Ze had hierdoor geen directe staatsgreep tot gevolg. Maar in de plaats daarvan had ze een zeer grote impact op het Japanse parlementair systeem.

Door een ontmoedigende rechterlijke toegeeflijkheid, durfden de leiders van de grootste partijen, geen harde houding meer aannemen tegen de militairen. De leden van de patriottische genootschappen daarentegen putten moed uit deze uitspraak. En deden dan ook hartstochtelijk verder met hun onbeschaamde aanvallen op het toenmalige politieke systeem.

De berechting

In de zomer van '33 werden de daders van de aanslag van 15 mei ’32 berecht. Maar volgens buitenlandse waarnemers was de berechting eerder een partijdig gebeuren. Het proces kon zelfs gezien worden als een poging om de Japanse patriottische principes over heel het land te verspreiden. Waarbij op de beklaagdenbank enkel patriotten zaten, en in plaats daarvan voormalige regering in vraag werd gesteld.

Zo verzocht een massale petitie van 350.000 handtekeningen voor een verzachting van de strafmaat voor de werden 21 marine officieren en 20 burgers die terechtgesteld werden. De zeer zachte strafmaat bevestigde enkel de vermoedens. Van de belagers van Inukai kreeg maar één persoon, Shumei Okawa (1886-1957), een langdurige gevangenisstraf, de anderen kwamen er van af met een mondelinge berisping of een symbolische straf. Zo zou de straf voor de elf officieren die schuldig werden bevonden voor de moord op Inukai Tsuyoshi, bestaan hebben uit het afsnijden en naar de keizer opsturen van hun pink.

Verklaringen en bemerkingen

Uit de ondervraging van de leider van de bende, de Luitenant Seishi Koga. Een persoon die ook beschouwd wordt als het hoofd van het bloedverbond kartel. Bleek dat de aanslag op Charlie Chaplin en de moord op de eerste minister als genadeslag voor de Japanse regering beschouwd werd. Zijn bekentenis ontsluierde waarom ze juist Inukai Tsuyoshi in zijn residentieële woning aanvielen, en wat voor een geluk Charlie Chaplin wel gehad heeft. Het was zo gepland, omdat ze meenden dat hun doelwitten op dat moment daar thee aan het drinken waren.

De samenzweerders meenden dat door de moord op de filmacteur, die door hen aanzien werd als een symbool van het westers kapitalisme. Een oorlog zou veroorzaken met de Verenigde Staten, wat de Japanse uitgaven naar het militaire apparaat drastisch zouden doen stijgen.

Charlie Chaplins melanchonische repliek op de openbaar gemaakte uitlatingen was;

"I can imagine the assassins having carried out their plan, 
then discovering that I was not an American but an Englishman 
-- 'Oh, so sorry!' "

Een kabinet van nationale eenheid

Het overlijden van Inukai Tsuyoshi betekende voor Saionji Kimmochi dat hij Okitsu opnieuw moest verlaten om de keizer bij te staan bij de benoeming van de volgende eerste minister. Hiervoor werd in deze woelige dagen ieder station dat hij onderweg aandeed onder strikte bewaking gesteld.

De prins had de keuze tussen de Lord Keeper van het keizerlijk adviesorgaan, en sommige oud ministers. Maar zijn oog viel op een oud Admiraal. Een keuze die gebaseerd was op de veronderstelling dat voormalige leden van de zeemacht beter in de hand te houden waren dan die van het meer radicale landleger. Vele partijleden meenden ten onrechte dat een dergelijk compromis hen tijdwinst zou opleveren. Zo hoopte men een buffer te stellen, dat de politieke schok van de couppoging deskundig zou opvangen. Zodat men, wanneer de gemoederen terug gekoeld zouden zijn, de burgercontrole over de regering terug kon herstellen. Waardoor ze weer haar natuurlijke koers kon varen. Op die manier trachtte Saionji Kimmochi de militaire machtsovername verijdelen.

Hierdoor werd de benoeming van de volgende premier dus een belangrijke keuze. Maar het werd echter onmogelijk om een levensvatbare regering te vormen, omdat de zee- en landmacht weigerde om actief dienende officieren af te staan. Hierdoor werd men genoodzaakt om terug te vallen op een coalitie die geleid zou worden door partijlozen. Het moest ook een regering worden die de stille goedkeuring had van de extreem rechtse militairen. hiermee werd de partijpolitiek vervangen door een regering van nationale eenheid. Die bestond uit drie burgers en acht militairen, met aan het hoofd premier Saito Makoto 斎藤実.

De heer Saito Makoto, een gepensioneerde admiraal van de Japanse zeemacht werd op 26 mei 1932 benoemd door de keizer. Een benoeming die samen ging met het einde van de belangrijke rol van de politieke partijen in de politieke besluitvorming. Het werd een kabinet dat prioriteiten stelde voor de Japanse oorlogsmachine en de organisatie en steunverdeling van de landbouw.


Kurai Tanima (暗い谷間)

De term Kurai Tanima staat voor de periode rond en na de couppoging van 15 mei 1932. Dit voorval wordt gezien als het einde van de Taisho-democratie, (de partijen politiek) en als beginpunt van een eerder militaristisch bewind. Een regeerstijl die ertoe zal leiden dat Japan, door de verrassingsaanval van 8 december 1942 op Pearl Harbor, toetreedt tot het kamp van de agressoren. Het werd een keerpunt in de Japanse moderne geschiedenis. Vanaf die dag zal de periode tot aan het startschot van de wereldoorlog in de stille Zuidzee gekend worden als "het duistere dal", Kurai Tanima.

Het incident van 26 februari 1936 (Ni-niroku jiken 二・二六事件)

Het incident van 26 februari 1936 was een opstand gericht tegen de nationale regering. Waarbij 1400 militairen de Diet, het ministerie van defensie en het politiehoofdkwartier overnamen. De eerste minister en prins Saionji Kimmochi waren ook een doelwit. Geïnspireerd door de ideologie van Kitta Ikki beschouwden de rebellen zich als de redders van het burgerlijke bestuur.

Vanaf 15 mei 1932 tot en met het grote incident van 26 februari 1936 waren couppogingen en revoltes schering en inslag. Veelal werden ze tijdig verijdeld. Zo was er in 1933 door de zogenaamde "De door de hemel gezonden soldaten"-groep (Shinpeitai) een coup gepland. De plannen van groep bestaande uit jonge officieren, werden teniet gedaan door de autoriteiten.

In 1934 werd een moordpoging tegen enkele ambtenaren op tijd door de politie gestopt. En in 1935 werd Minobe Tatsukichi, een professor rechten aan de universiteit van Tokyo aangevallen. Hij was zwaargewond. De motieven waren zijn zogenaamde "orgaan theorie", waarmee hij de politieke rol van de keizer trachtte te omschrijven.

Interne strubbelingen

Tijdens deze periode was er in het leger zelf ook een grote onderlinge strijd bezig. Het leger was verdeeld geraakt in twee facties, de Kōdō-factie; de Kôdôha en de Tōsei-factie; de Tôseiha. Bij de verkiezingen van 1936, won de Tōsei-factie. De reactie van de Kōdō-factie hierop leidde tot de incidenten van 26 februari 1936.

Ook waren er tegenstellingen tussen de land- en zeemacht. En was er een generatiekloof tussen de oudere en jonge officieren. Bij de regeringen van Inukai en Saito had de disciplinaire factie Tōseiha de meeste invloed.


Bibliografie

Boeken

  • Crome, Peter. Hirohito: Keizer tussen hemel en aarde. Amsterdam: LJ Veen, 1989.
  • Mayer, S.L. en Steeman A. (vert.). De Japanse oorlogsmachine. Amsterdam: Elsevier, 1978.
  • Oka, Yoshitake. Five Political Leaders of Modern Japan:Itō Hirobumi, Ōkuma Shigenobu, Hara Takashi, Inukai Tsuyoshi, and Saionji Kimmochi. Tokyo: University of Tokyo Press, 1986.
  • Vande Walle, Willy en Coppens, Hans. Geschiedenis van het Moderne Japan. Cursus gedoceerd in het kader van het vak ‘Geschiedenis van het Moderne Japan’, Katholieke Universiteit Leuven, Faculteit Letteren, Departement Oosterse en Slavische Studies, Afdeling Japanologie, 2003.

Internet links


Zie ook


Opmerking van de schrijver

Na het schrijven van dit artikel zit ik nog steeds met de vraag hoeveel personen de voormalige eerste minister de heer Inukai Tsuyoshi vermoord hebben? In het boek Five Political Leaders Of Modern Japan, worden er negen officieren vermeld. In sommige websites, waaronder de engelstalige wikipedia, spreekt men over elf officieren. En op de website van The Japan Times, wordt er vermelding gemaakt van 6 daders.

De inhoud van deze pagina is beschikbaar onder CC-BY-SA/GFDL.