Het gouden paviljoen (金閣寺)

Uit GeschiedenisJapan

Excursus - Studentenbijdrage

Kinkaku-ji (Japans 金閣寺, Gouden Paviljoen Tempel) is de bijnaam van de Rokuonji (鹿苑寺, Hertentuin Tempel) tempel in Kyōto, Japan. Het is één van de meest bekende toeristische trekpleisters van Japan, en zeker van Kyōto. Het meest beroemde deel van de tempel is het Gouden Paviljoen(金閣 kinkaku) in de tuin bij de tempel.



Kinkaku-ji (金閣寺) ofwel het gouden paviljoen


Inhoud

De geschiedenis van Kinkaku-ji

Kinkaku-ji’s locatie

Kinkaku-ji is gevestigd in Kinkakuji-chō, Kita-ku. Dat ligt ten noordwesten van Kyōto. Het is een prachtige omgeving, met in het westen de bergen Kinugasayama en daarachter Hidari Daimonjiyama. De bergen in het noorden van Kyōtō staan bekend onder de naam Kitayama, maar rond Kinkaku-ji worden ze ook wel Hokuzan genoemd. Dit is een alternatieve uitspraak van de karakters van Kitayama. Deze naam dateert vanuit de Heian periode (794-1185). In deze tijd werden deze bergen gebruikt om het grote gebied (Kitayama) te onderscheiden van de kleinere (Hokuzan).

Vanaf de Mid-Heian periode werden er veel begraafplaatsen gevestigd in dit gebied. Nu nog, zijn er vele graftomben te bezichtigen, onder andere die van keizer En’yū (V. 969-84). In het hele gebied liggen er graven en de bekende grafheuvels. Vandaag wordt dit gebied ten westen van Kinkaku-ji gekend als Himuro (“Ice chamber”), een naam die voortgekomen is doordat het keizerlijke hof hier werkte. In de winter werd ijs in blokken gesneden en bewaard in kamers. Men legde de ijsblokken in diepe nissen van Hidari Daimonjiyama en andere bergen in die gebieden, waar het bewaard kon worden voor warm weer.

Vroeger werd dit gebied ook beschouwd als een rijk gebied om tempels op te zetten. Het gebied van Kinkaku-ji werd echter eerst gebruikt als rijstvelden en landbouwgronden. Het werd overgegeven van zijn eigenaar, hoofd van het “office of Shinto worship” tot Saionji Kintsune (1171-1244). Saionji bouwde de allereerste gebouwen: de Saion-ji familie tempel en een villa “Kitayamadai”.

De oorsprong van de naam Kinkaku-ji

Kinkaku-ji’s relikwie (1) hal (Shariden) staat nu bekend onder de naam Gouden Paviljoen. Het is zo bekend dat de hele tempel Kinkaku-ji wordt genoemd, maar de officiële naam luidt Rokuon-ji. Het werd vernoemd naar de 3de Ashikaga Shogun Yoshimitsu (1358-1408) en was een deel van zijn privé villa Kitayama. Kinkaku-ji is een Rinzai Zen tempel en hoort bij de Shōkoku-ji familie. Rokuon (“Deer Park”) was het gebied van Shakyamuni’s eerste preek nadat hij de “Verlichting” wilde bereiken. Na de dood van Yoshimitsu werd dit gebied Rokuon’in genoemd.

De oprichter van Kinkaku-ji

Musō Soseki A.K.A Muso Kokushi

Kinkaku-ji is zoals Ginkaku-ji erg populair onder de toeristen. Beide tempels behoren tot de Shōkoku-ji familie en zoals hun hoofdtempel Shōkoku-ji, wordt Musō Soseki (ook gekend onder de naam Muso Kokushi, 1275-1371), als hun ereoprichter beschouwt. Ook al liggen Kinkaku-ji en Ginkaku-ji niet in de omgeving van Shōkoki-ji, ze worden wel beschouwd als eigendom van Shōkoku-ji. Ze representeren de gelijktijdige administrator van beide tempels.

Vóór Yoshimitsu

De naam Kitayama komt uit de Heian periode. In die tijd werden tempels zoals Reigan-ji, Kōryū-ji en Hōon-ji gebouwd. Er zijn in dit gebied veel graftomben en grafheuvels en er werden veel crematies gedaan op deze plaats. In de Kamakura periode werd het land in bezit genomen door de krachtige Saionji clan. Saionji Kintsune bouwde hier zijn luxueuze villa, Kitayamadai. Maar met het mislukken van de Kamakura militaire regering, ging de invloed van de Saionji familie ook sterk achteruit. Met deze gebeurtenis werd Kitayamadai niet meer gebruikt en verloor het zijn waarde. Ashikaga Yoshimitsu (2) nam de villa over van de Saionji clan en bouwde zijn eigen Kitayama paleis.

De Saionji Clan

De Saionji clan was een deel van de noordelijke familie van de Fujiwaras. Ze was eerst niet echt beïnvloedbaar. Met de verschijning van Saionji Kintsune, die een centrale figuur werd in het keizerlijke hof, groeide de kracht van de clan enorm hard en overschaduwde zelfs dat van de regent. Rond deze tijd (waarschijnlijk rond 1220), besliste Kintsune om een tempel te bouwen voor zijn clan. Het land behoorde tot het hoofd van de “office of Shinto Worship”, maar ze accepteerde Kintsune’s aanbod: een ruil van gebied in Matsue, Owari provincie. Er zijn geen documenten bewaard gebleven over de constructie van de tempel, dus het is onmogelijk om te weten hoe het eruit zag. Maar we weten wel dat er een enorme ceremonie werd gehouden in 1224 en dat het jaar daarop de poëet Fujiwara Teika (3) (ook bekend als Sadaie, 1162-1241), Saion-ji en Kitayamadai voor de eerste keer bezocht.

Volgens Teika, was het ontwerp van de tempel vreemd. Hij was vooral aangetrokken door de 13.71 m hoge waterval en een prachtige vijver, blauw als Lapis Lazuli. Teruggeroepen maar ook de Fujiwara Michinaga’s (966-1027) symbool van persoonlijke glorie overtreffend, werden Kintsune’s Saion-ji en Kitayamadai omschreven als gelijkenis van de “realm of Taoist Immortals” of het pure land. Maar met het achteruitgaan van de Saionji familie, gingen Saion-ji en Kitayamadai ook verloren. Het enige dat nog overbleef van de eerste constructies was de vijver.

Tijdens het leven van Yoshimitsu

Ashikaga Yoshimitsu

Yoshimitsu liet een paleis (Muromachidai) bouwen in Kyōtō waar hij de alledaagse taken van de Shogunate (Militaire regering) naar transfereerde. Gekend onder de naam “Hana no Gosho” of “Palace of Flowers”, werd het de belangrijkste plaats voor de regering.

Een zenmeester onder de voogdijschap van Shun’oku Myōha (1311-88), een leerling van Musō Soseki, besliste Yoshimitsu een zen tempel te bouwen en construeerde Shōkoku-ji aangrenzend aan het hoofdkwartier van de Shogunate. Shōkoku-ji werd het centrum voor de bekende Gozan (“Five Mountains”) literatuur – Chinese leer gekoesterd door Zen monniken – en kende zijn bloeitijd als een belangrijke culturele band. Yoshimitsu’s bouwambities bleven echter onbevredigd. Daarom liet hij het vorige Saionji Kitayamadai, dat volledig geruïneerd was, compleet renoveren als het Kitayama paleis. Voor de relikwie hal van dit complex, liet hij een gouden paviljoen bouwen met een drietal Shakyamuni op de eerste verdieping, een beeld van Kannon op het tweede en de heilige relikwieën op het derde verdiep.

Hierna bracht Yoshimitsu de handelingen van de Shogunate nog een keer over, dit keer van Muromachi naar het nieuwe Kitayama paleis. Yoshimitsu was enorm voor de ruilhandel met Ming China. Hij onderhield de officiële handlangers van de Ming dan ook in zijn nieuwe hoofdkwartier te Kitayama. Zo was hij in staat om een grote verzameling van belangrijke Chinese culturele voorwerpen te verzamelen. Deze voorwerpen vormden basis van wat we nu kennen als de Kitayama cultuur.

Na de dood van Yoshimitsu verloor Kitayama zijn officiële status als residentie voor de Shogun en nam de zen tempel de naam Rokuon-ji aan (naar zijn vroegere naam Rokuon-in). De vroege geschiedenis van Rokuon-ji als tempel is echter niet zo goed terug te vinden in documenten.

Yoshimitsu en het Gouden Paviljoen

Yoshimitsu trok zich terug in 1394, speciaal voor zijn 9 jaar oude zoon Yoshimochi. Het jaar daarop weidde hij zich helemaal aan het boeddhisme op een leeftijd van 38. Zijn besluit baseerde hij op zijn verleden en op zijn hoop voor de toekomst. Hij werd op zijn 9de aangesteld als shogun na de dood van zijn vader Yoshiakira. Rond zijn 29ste jaar van regeren, werd hij geconfronteerd met vele uitdagingen die hij succesvol volbracht. Zo had je de breuk tussen de noordelijke en zuidelijke keizerlijke hoven, de eenmaking van Japan en vrede brengen over het koninkrijk. Nadat hij dit alles verwezenlijkt had, verlangde hij naar vrijheid. Hij wilde liefst op een beperkte wijze gaan leven, zijn persoonlijke genegenheden volgend. Na het in beslag nemen van de verwaarloosde Saion-ji en Kitayamadai (van de Saionji clan), begon Yoshimitsu zijn eigen residentie te construeren in 1397, het Kitayama paleis. De design van de architectuur en de tuinen vertonen een korte samenvatting van zuiverheid. Maar het meeste tijd besteedde hij aan de relikwie hal, Het Gouden Paviljoen.

In 1408, hield Yoshimitsu een grote ceremonie voor een keizerlijk bezoek van de keizer Gokomatsu (v. 1392-1412). Deze gebeurtenis wordt ook gekend als het keizerlijke bezoek aan Kitayama en is zelfs deze dag nog steeds goed gekend. Yoshimitsu woonde in Kinkaku-ji tot zijn dood op 51 jarige leeftijd. Het was na de dood van Yoshimitsu dat Yoshimochi (1386-1428) Musō Soseki als werkelijke oprichter van de tempel benoemde en het officieel Rokuon-ji ging heten.

Na Yoshimitsu

De lotgevallen van de Zen tempels die genoten van de steun van de Shogunate waren zo verbonden aan de lotgevallen van de Shogunate dat ze niet zelfstandig konden gezet worden. Ze kregen te maken met enorme economische moeilijkheden door afwijkingen van de kracht van de militaire regering. Vele Zen tempels, inclusief de Shōkoku-ji, waren vernietigd door vuur tijdens de ōnin oorlog (1467-77). Rokuon-ji werd ook door vernieling geteisterd, maar het Gouden Paviljoen, de Fudō hal en de Goma Hal en nog andere delen, bleven heel. Volgend op de ōnin oorlog, kwam na 15 generaties een einde aan de Ashikaga Shoguns na de turbulente Azuchi-Momoyama periode (1568-1615). De vinder van de Tokugawa Shogunate, Tokugawa Ieyasu (1543-1616) opende een tijdperk van vrede.

Kinkaku-ji in de Edo periode (1615-1868)

Tokugawa Ieyasu, de eerste shogun van de Edo periode, benoemde Saishō Shōtai (1548-1607) als abt van de Rokuon-ji. Saishō Shōtai had beide Toyotomi Hideyoshi (1536-98) en Tokugawa Ieyasu geassisteerd als leidend adviseur en was bekend onder de naam “Black Robed Prime Minister”. (Zwarte kledij was kenmerkend voor monniken). Saishō Shōtai versterkte de financiële basis van Rokuon-ji en zijn volgelingen konden de post van abt van de tempel erven als ze wilden.

Kinkaku-ji in de Meiji Periode (1868-1912)

In de Meiji periode, verloor Rokuon-ji zijn officiële sponsorschap en daarmee ook zijn basis van financiële steun. In deze tijd werd het een doel door vervolging van het Boeddhisme, maar het doorstond deze moeilijkheden door de prestaties van de abt’s en overleefde. Het opende zijn deuren voor het publiek voor het eerst in 1894, onder het goedziende oog van zijn toenmalige abt Kansō Chōrō. Het werd geopend door de gebeurtenis van een eerlijke ruilhandel die gehouden werd in ōsaka.

Kinkaku-ji bezoeken

De tuinen van de Japanse temples en de gebouwen reflecteren het wereldbeeld dat men heeft over het Boeddhisme. Door gewoon de tempel te bezoeken en zijn omgeving op te snuiven, komt men al in contact met de leer van het Boeddhisme. Zelfs meer dan wanneer men lezingen zou volgen over Boeddhistische leer.

Na de dramatische groei van de Japanse economie na wereldoorlog II, werd Kinkaku-ji een enorm populaire toeristische attractie. vele mensen hebben de gelegenheid gehad de leer van Zen en de Zen cultuur te ervaren door Kinkaku-ji te bezoeken. Kinkaku-ji bezoeken heeft dan ook een goede invloed achter gelaten in verband met het propageren van de Boeddhistische leer.


Het gouden paviljoen

Het meest beroemde deel van de tempel is het Gouden Paviljoen(金閣; kinkaku) in de tuin bij de tempel. Het paviljoen dient als een shariden, als opslag voor relieken van de Boeddha. Het paviljoen is eigenlijk een pagode die gebruikt wordt om relieken van het boeddhisme in te bewaren. Het paviljoen weerspiegelt fraai in de vijver, die dan ook "spiegelvijver" wordt genoemd.

Kinkaku-ji vijver

De 2de en 3de verdieping van deze tempel wordt bedekt met zuiver bladgoud en vernis (urushi). Het dak is dik gedekt met dunne boordjes van sawara (japanse cypres) en helemaal boven staat een prachtige feniks, een fantasievogel die gunstig verbonden wordt met China. De 1ste verdieping van het paviljoen, Hōsui-in (“Temple of Dharma (4) Water”) genaamd, is gebouwd in de “shinden” stijl (shinden zukuri) en wordt geassocieerd met de adel van uit de Heian-periode. De 2de verdieping, Chōondō (“Grotto of Wave Sounds”) genaamd, is gebouwd in de “buke” stijl (buke zukuri) en werd gebruikt voor de huizen van de samoerai. De 3de verdieping is gebouwd in de stijl van een Chinese Chan (Zen) tempel en wordt gekend onder de naam Kukkyōchō (“Superb Apex”). Deze 3 uiteenlopende stijlen zijn prachtig met elkaar gecombineerd in het Gouden Paviljoen. Dit maakt het een uitstekend voorbeeld van de architectuur uit de Muromachi-periode.

In 1987, werd het gebouw weer vernist en verguld om het zo in zijn oorspronkelijke staat terug te brengen. Op datzelfde moment werden er ook kopie’s gemaakt van de plafondschildering en het tempels portret van de shogun Yoshimitsu.

Hōsui-in

De 1ste verdieping van het Gouden Paviljoen is gebouwd in de shinden stijl en werd gebruikt voor de paleizen uit de Heian periode. Aan de linkerkant van het altaar staat een portret van de shogun ‘Ashikaga Yoshimitsu’. In het midden van de verdieping zit een beeld van Boeddha Shakyamuni die een juwelenkrans draagt.[1]

Chōon-dō

De 2de verdieping van het Gouden Paviljoen noemt Chōondō (“Grotto of Wave Sounds”). Het is gebouwd in de buke stijl (buke zukuri) en werd gebruikt voor de huizen van samoerais. In het midden staat een steil podium met daarop Kannon. Rondom dit beeld staan beelden die dienen om te waken. Zij stellen de ‘Four Heavenly Kings’ (Shitennō) voor. [2]

Kukkyōchō

De 3de verdieping van het Gouden Paviljoen is gebouwd in de stijl van Chinese Chan (Zen) Boeddha hal en wordt ook Kukkyōchō (“Superb Apex”) genoemd. Deze verdieping werd zo gewijzigd dat het zich kon mengen met de 2 eerste verdiepingen. Het heeft nog wel zijn oorspronkelijke karakteristieken behouden van de Zen architectuur. [3]


Mishima Yukio; 三島由紀夫

Mishima Yukio (1925-1970) is een de grootste maar ook meest controversiële schrijvers van Japan. Zijn werk staat hoog aangeschreven, ook in het Westen. Mishima's opvattingen en gedrag riepen echter veel weerstand op. Vanuit een geromantiseerd beeld van de oude samoerais (zwaardvechters in dienst van een adellijke familie of de keizer. Eer en rituelen speelden een grote rol bij samoerais) hekelde hij het morele verval van het huidige Japan en pleitte hij voor de terugkeer van een sterke keizer. Mishima richtte ook zijn eigen privé-leger op. Met een aantal leden van dit leger bestormde hij in 1970 het hoofdkwartier van het Japanse verdedigingsleger. Daar hield hij een toespraak waarin hij zijn standpunten nog een keer uiteenzette en pleegde vervolgens publiekelijk zelfmoord. Dezelfde dag had hij het manuscript ingeleverd voor het laatste deel van zijn vierdelig meesterwerk De zee der vruchtbaarheid (豊饒の海; hojo no umi). Thema's in zijn werk zijn o.a. de oppositie tussen lichaam en geest, het boeddhisme, schoonheid en kracht, zelfmoord, isolement en de liefde. Dit laatste thema is bij Mishima erg veelzijdig en omvat ook homoseksualiteit, voyeurisme en loyaliteit.

Het Gouden paviljoen wordt als een van Mishima's beste werken beschouwd, vooral vanwege de complexe psychologische diepgang. Het is ook een van de bekendste en meest gelezen romans van Mishima. Het gouden paviljoen verscheen overigens eerst in afleveringen in een tijdschrift, zoals in Japan gebruikelijk is. De plot van het werk is gebaseerd op een nieuwsfeit. In 1950 brandt het Gouden Paviljoen af. Dit was een van de gebouwen van een beroemde Boeddhistische tempel in Kyoto. Het werd beschouwd als het symbool voor Japans rijke verleden. Het was een grote schok dat deze brand moedwillig aangestoken bleek te zijn door een jonge monnik van de tempel waar het Gouden Paviljoen toe behoorde. Mishima heeft voor zijn roman 'Het gouden paviljoen' (金閣寺; Kinkakuji) gebruik gemaakt van deze gebeurtenis. Ook heeft hij allerlei details overgenomen als het uiterlijk van de dader en het feit dat hij stotterde. De motieven van de jongen neemt hij niet over. Bij Mishima is de monnik niet vervuld van haat maar van schoonheid. Hij voelt zich aangetrokken door de schoonheid van het paviljoen, maar raakt er zo door geobsedeerd dat hij het idee krijgt dat het paviljoen hem belemmert in het leven. Uiteindelijk besluit hij dat de tempel vernietigd moet worden. Hij is vastbesloten hier persoonlijk voor te zorgen. Dit lukt uiteindelijk. Na de door hem gestichte brand blijft er weinig over van de tempel. Het bijzondere aan de roman is dat het paviljoen een actieve rol lijkt te spelen. Als lezer word je zodanig meegetrokken in de obsessie van de monnik dat je hem bijna gelijk gaat geven en het paviljoen allerlei menselijke eigenschappen gaat toeschrijven. Het fragment beschrijft het eerste bezoek van de monnik aan de tempel en zijn teleurstelling bij aankomst. Hij blijkt het 'allermooiste op aarde' zelfs lelijk te vinden. Als hij weer thuis is, wordt de tempel in zijn herinnering weer steeds mooier. Hiermee wordt de basis gelegd voor zijn latere obsessie.

Hayashi Shōken

In de nacht van 1 op 2 juli 1950 brandt het Gouden Paviljoen – meer dan vijf eeuwen het glanzende symbool van een glorierijk verleden – tot de grond toe af.

Hayashi Shōken, een eenentwintigjarige student, priesterleerling van de tempel waartoe het Gouden Paviljoen behoort, heeft het moedwillig in brand gestoken. Hij heeft zelf in de vlammen de dood willen vinden, maar is in panische angst de heuvels achter het Paviljoen ingevlucht. Daar tracht hij zelfmoord te plegen met slaaptabletten, met een mes. Het mislukt en hij wordt gearresteerd. Zijn moeder springt uit de trein in het ravijn van de Hozu rivier.

Bij het nu volgende proces blijken de bijzonderheden, de motieven van de daad. Een stotteraar, een onaantrekkelijke, gefrustreerde jongen met vreemde kronkels; een diepe haat tegen de maatschappij, tegen de Prior van de tempel, tegen zichzelf; een verknoeid jong leven en dan de zorgvuldig voorbereide daad, die aan alles een eind moet maken. Er is zelfs geen spijt meer over en de doktoren vellen het eindoordeel: een psychopaat van het schizoïde type! Dit is ‘het nieuws’.

Zes jaar later verschijnt dan de op dit nieuws gebaseerde roman van Mishima. Het Gouden Paviljoen zelf was toen al in de nieuwe, té nieuwe gouden glans herrezen. De auteur moet de processtukken goed hebben bestudeerd. De feitelijke gebeurtenissen en de uiterlijke kant van het leven van de dader, die in het boek Mizoguchi heet, worden vrij nauwkeurig op de voet gevolgd. De plaatselijke omstandigheden kloppen tot in bijzonderheden.

Men heeft gezocht naar een noemer waaronder Het Gouden Paviljoen zou zijn samen te vatten. Een etiket, dat men erop kon plakken. Het zou een als het ware symbolische daad van verzet tegen neurotische Zen-praktijken, tegen een geperverteerd, zichzelf overleefd hebbend boeddhisme zijn; het zou een beeld hebben willen geven van het nihilisme van de naoorlogse Japanse jeugd en tenslotte typeerde men het boek als een psychologische roman over een pathologische jongen. De laatste mogelijkheid is misschien de meest aanvaardbare, maar dan toch niet zonder beperkingen. Het merkwaardige is namelijk, dat men niet het gevoel krijgt met een levende dader, met levende personen te maken te hebben. Er ontstaan geen emotionele bindingen met de figuren in dit boek? Het zijn veeleer door Mishima geschapen abstracties; objecten, pionnen in het spel, dat hij met hen wil spelen. Het psychologische spel van de brand met als inzet het Gouden Paviljoen, dit alles verblindende, alles overglanzende, over alles heersende monster van schoonheid.

Het knappe van het boek is de wijze waarop Yukio Mishima een relatie tot stand heeft weten te brengen tussen de psychologie van de stotterende, geestelijk gefrustreerde, obsedeerde priester-student Mizoguchi en de schoonheid van het Gouden Paviljoen. Het boek is eigenlijk een voortdurende dialoog met de schoonheid, die vaak in een monoloog over de schoonheid uitmondt. Geen steriel gedachtespinsel, deze schoonheid, maar de overheersende werkelijkheid van ‘het mooiste dat er op aarde bestaat’, een de eeuwen trotserend gebouw. Het Gouden paviljoen leeft wel degelijk, het is de grote protagonist en de beschrijvingen van de telkens in andere, prachtige beelden gevangen gestalte van het gebouw behoren tot de mooiste van het boek.

Het Gouden Paviljoen overweldigt de lelijke, stotterende Mizoguchi. Het snijdt hem telkens weer van het leven af juist als hij denkt het eindelijk te kunnen grijpen. Misschien wil het hem tegen het leven beschermen, hem redden van de hel. ‘Maar daarmee heeft het me nog erger gemaakt dan iemand, die wérkelijk de hel inging: iemand die meer van de hel afweet dan wie ook!’

In een spiraalbeweging van op elkaar volgende en in elkaar grijpende episodes waarin landschappen, mensen, gebeurtenissen ieder hun eigen, autonome rol spelen in het door Mizoguchi zelf vertelde levensverhaal, gaat het langzaam maar onherroepelijk op dit einde toe. Vriendschap met de cynische Mefistofiguur van de misvormde student Kashiwagi en haat tegen de zwijgende macht van de Prior van de tempel lopen als rode draden door dit levensverhaal heen en versnellen het proces. Kashiwagi had een hekel aan blijvende schoonheid. ‘Het nutteloze van de schoonheid, het feit dat de schoonheid door zijn lichaam stoomde zonder er een spoor achter te laten, zonder er ook maar iets aan te veranderen…, dat was waar Kashiwagi van hield! Als de schoonheid voor mij ook iets dergelijks kon betekenen, zou mijn leven misschien licht te dragen zijn’.

Kashiwagi gaat op klompvoeten door het leven. In hallucinerende, van verdraaide Zen-casuïstiek doortrokken gesprekken, wijst hij Mizoguchi de kronkelweg naar de achterkant van het leven. ‘Zo’n leven miste alle natuurlijkheid, het miste ook de schoonheid van een gebouw als het Gouden Paviljoen; het was eigelijk niet anders dan een soort van kramp, die pijn deed’. ‘En ook dit was leven, een soort van leven. Leven dat voorging, dat veroveringen maakte, dat je kon verliezen. Het was wel geen ideaal leven, maar het had toch alle levensfuncties’.

Kinkaku-ji in de winter
Stelselmatig vernielt en ontheiligt Kashiwagi alle nog overgebleven dromen en maakt ze tot drogbeelden. De herinnering aan liefde, het mysterie, de lichtende, troostende nagedachtenis aan de gestorven student Tsurukawa (Kashiwagi’s tegenbeeld en tegenspeler) en tenslotte ook de schoonheid gaan aan scherven.

De eenzaamheid groeit en daarmee het van de aanvang af aanwezige, kleine kwaad. Dan volgt de prachtig beschreven vlucht uit Kyōtō en het besluit om zelf een eind te maken aan de overmachtige, kwellende, door het oorlogsgeweld ongemoeid gelaten schoonheid van het Gouden Paviljoen.

Vlak voor de daad openbaart zich dan nog éénmaal de grenzeloze macht van dit glanzende gebouw. ‘De schoonheid greep zijn laatste kans om over mij te heersen, om mij te binden met die banden van machteloosheid, die ik al zo vaak om mij heen had gevoeld’. Grenzeloos…, en daarom in feite nutteloos geworden. Maar ‘juist omdat het nutteloos was, moest ik het volbrengen’. Want ‘ik wilde leven.’ Met deze woorden eindigt het boek.


Voetnoten

- (#1) Relikwieën of relieken zijn overblijfselen (Latijn: reliquiae), in het bijzonder overblijfselen die voorwerp van religieuze verering zijn.

- (#2) Ashikaga Yoshimitsu , Derde Ashikaga shōgun. Hij was 9 jaar toen hij zijn vader als shōgun opvolgde in 1367. Hij trad af in 1395, werd monnik en trok zich terug in zijn villa in Kitayama (Noordelijke bergen van Kyōtō). Van daaruit regelde hij nog steeds de landszaken voor zijn opvolger, zijn zoon Yoshimochi, die toen 9 jaar oud was.

- (#3) Fujiwara no Teika, 1 van Japans bekendste dichters. Meer informatie over hem vindt je op Fujiwara no Teika

- (#4) Dharma = 'de wezenlijke natuur van iets'. Het heeft betrekking op het pad van het menselijke welzijn in de ruimste zin.

- Foto's die je op deze pagina vindt zijn genomen door Akisuke Shibata.[4]

Bronnen

- Yukio Mishima. Het Gouden Paviljoen. vertaald door Dr.C. Ouwenhand. 2de druk 1982.

- "Shokoku-ji".www.Shokoku-ji.or.jp

- Vande Walle, Willy. Geschiedenis Van Japan Tot 1868, cursus gedoceerd in kader van het vak ‘Geschiedenis van Japan tot 1868’, Katholieke Universiteit Leuven, Leuven, 2004-2005.

- "Yukio Mishima" en.wikipedia.org/wiki/Yukio_Mishima