Christelijk geloof in Japan vanaf de opening van Japan tot de Meiji-grondwet (1853-1889)
Uit GeschiedenisJapan
Het christendom heeft in Japan veel moeite gekend om zich te profileren. Na een korte periode van missioneringswerk in de zestiende en zeventiende eeuw sloot Japan zich af van de buitenwereld. Gedurende bijna 250 jaar werd het christelijk geloof door de gekerstende Japanners in verdoken gemeenschappen overgeleverd van generatie op generatie. Wanneer Japan in 1853 zijn grenzen onder druk van de Westerse machten opnieuw moest openstellen gaf dit nieuwe kansen aan de missionarissen om het christendom te verspreiden. De nieuwe Japanse machthebbers namen vanaf dan een ambigue houding aan tegenover het christendom: enerzijds wilden ze de Westerse mogendheden te vriend houden en de Westerse kennis assimileren om Japan uit te bouwen tot een moderne staat, anderzijds wilden ze de eenheid en de loyaliteit van de Japanse bevolking bewaren. Om de gunst van het Westen niet te schaden stelden ze zich daarom steeds toleranter op tegenover het christendom, maar tegelijkertijd ondersteunden ze een heropbloei van het shintō om de spirituele eenheid in Japan de bevorderen.
De houding van Japan tegenover het christendom in de periode voor 1853
Het christendom werd gezien als een gevaar voor de autoriteiten. De christelijke moraal hanteerde het individueel geweten als norm van het morele gezag. Dit was in strijd met de visie van de Japanners, die de nadruk legden op het collectieve. Hoewel er eerder al vervolgingen plaatsvonden, werd het christendom in 1614 verboden en werden er maatregelen getroffen om het christelijk geloof uit te roeien: missionarissen werden uit Japan geweerd, er werden geldbeloningen gegeven aan diegenen die een christen verklikten, een spionagesysteem werd uitgewerkt en verdachten werden gedwongen om op een kruis te stampen, etc. Door deze maatregelen werd het aantal Japanse christenen tot 150 000 gereduceerd. Zij leefden in verborgen gemeenschappen waar ze stiekem het christelijk geloof bleven belijden.
De opening van Japan: nieuwe mogelijkheden voor christelijke missionarissen (1853-1866)
Japan was, volgens de bepalingen in de verdragen, verplicht een aantal havens [3] open te stellen voor buitenlandse schepen. De Japanse autoriteiten zagen geen gevaar voor een christelijke infiltratie omdat de Westerse machten zich niet langer uitgesproken christelijk opstelden. Buitenlanders verkregen het recht om in toegestane territoria rond de havens vrij handel te drijven, de eigen christelijke religie te beoefenen en religieuze gebouwen op te richten. Door deze bepalingen mochten de immigranten hun christelijk geloof blijven belijden; het was hen echter niet toegestaan om het te verspreiden onder de Japanse bevolking. Voor de Japanners bleven de bepalingen van 1614 van kracht. De christelijke missionarissen die alzo gedwongen waren een defensieve positie in te nemen, hoopten dat de bewondering voor de christelijke publieke plaatsen, zoals kerken en scholen, de Japanners uit eigen beweging tot het Christendom zou brengen.
Intolerantie en hernieuwde vervolgingen (1866-1873)
De ontdekking van de verborgen christenen
In 1865 kwam de Franse missionaris Bernard Petitjean in contact met Japanse christenen nabij Nagasaki. Na hun kerstening door westerse missionarissen in de zestiende en zeventiende eeuw waren zij, ondanks de bepalingen van 1614, trouw gebleven aan het christelijk geloof. Ze waren genoodzaakt geweest te vluchten naar afgelegen regio's waar ze leefden van visvangst en landbouw. De meerderheid van hen had geen opleiding genoten en was arm.
Het geloof van de verborgen christenen -in Japan noemden ze hen 'kakure kirishitan' (隠れ切支丹)[4]- stemde niet overeen met de officiële katholieke leer van de Kerk in de negentiende eeuw. Ze waren immers alleen in contact gekomen met de barokke christelijke leer uit de zestiende en zeventiende eeuw. Dat geloof legde een sterke nadruk op de Mariaverering en kende een overvloed aan heiligendagen Omdat ze hun identiteit verborgen moesten houden werd de christelijke leer mondeling overgeleverd. Het woordgebruik daarbij was een verjapanste vorm van Portugese[5] en Latijnse termen. De christelijke gebeden werden aangepast zodat ze leken op boeddhistische of shintōgebeden en beelden van bijbelse figuren leken heel erg op de traditionele boeddha- en shintōbeelden. Christelijke riten verdwenen of werden aangepast en vermengd met typisch Japanse gebruiken. Voor het begrafenisritueel bijvoorbeeld deden ze een beroep op een boeddhistische priester die de soetri reciteerde. Tegelijkertijd baden enkele familieleden in een ruimte even verderop de christelijke gebeden. Wanneer de priester verdwenen was verwijderden ze de boeddhistische symbolen uit de kist en werd pas dan de dode begraven.
Om de christelijke gemeenschap te dienen werden er een aantal specifieke functies in het leven geroepen.
- de chōkata bewaarde de kerkelijke kalender en representeerde de gemeenschap.
- de mizukata doopte de pasgeboren kinderen en werd na tien jaar opgevolgd door zijn leerling.
- de oshiekata leverde de leer en de gebeden over.
- de kikikata ging van deur tot deur om de zon- en feestdagen en de vasten- en onthoudingsdagen aan te kondigen.
Tweede bekering van de verborgen christenen in de negentiende eeuw
Het missioneringswerk in deze gemeenschappen stelde zich tot doel de verborgen christenen de officiële leer van de Kerk bij te brengen. Missionarissen waren echter niet vrij in hun contact met de Japanners en doken daarom voor een korte tijd onder in een speciaal daartoe ingericht vetrek. Ze pasten zich aan aan het woordgebruik van de gemeenschap; zoniet bestond het risico dat het meegedeelde geloof niet zou herkend worden. Sommige missionarissen schreven zelfs een aangepaste catechismus met termen uit de mondelinge traditie van de gemeenschap. Omdat de kakure kirishitan slechts een vage notie hadden van wat de eucharistieviering was, bereidden de missionarissen hen voor op het ontvangen van het sacrament van de eucharistie en de biecht . Het doopsel werd nog eens overgedaan volgens de regels van de Kerk, onder de voorwaarde dat de nieuw gedoopten geen oordeel zouden vellen over de generaties die met een onvolmaakte formule gedoopt waren. Daarnaast werden er catechisten opgeleid, zowel mannen als vrouwen, die tijdens de afwezigheid van de missionaris het officiële geloof in stand moesten houden.
Toch was het moeilijk om iedereen opnieuw voor het 'ware' geloof te doen kiezen; sommigen hadden een vooraanstaande positie bemachtigd in de verborgen christelijke gemeenschap en vreesden die kwijt te spelen aan de missionarissen; anderen hadden angst om betrapt te worden door de autoriteiten. Zij die trouw bleven aan de eigen tradities werden 'hanare kirishitan (離切支丹)[6], afgescheiden christenen, genoemd.
Vervolging van de verborgen christenen
De missionarissen hadden de verborgen christenen het besef bijgebracht dat hun leer niet strookte met de officiële kerkelijke leer. Ze moedigden hen aan om de christelijke riten naar de regel toe te passen en geen boeddhistische priesters in te schakelen bij de begrafenissen. Wanneer een aantal kakure kirishitan in 1866 spontaan aan de autoriteiten meedeelden dat ze niet langer de boeddhistische begrafenispraktijken toepasten, was dit de concrete aanleiding voor nieuwe vervolgingen. Verborgen christelijke gemeenschappen werden gevangengezet en gedeporteerd. Velen stierven door ontbering of door marteling; de pijnbank werd in Japan immers nog steeds gebruikt bij ondervragingen
De herneming van de vervolgingen van de kakure kirishitan was het gevolg van een politieke machtsverschuiving; het Tokugawa-Bakufu was ten val gekomen en de macht werd overgedragen aan de keizer, omringd door een elite die hervormingen doorvoerde. Deze hervormingen, ook wel De Meiji-restauratie genoemd, had tot doel Japan uit te bouwen tot een sterke, onafhankelijke natie op basis van industriële en militaire kracht. De nieuwe machthebbers hechtten veel belang aan eensgezindheid op politiek, sociaal en godsdienstig vlak en aan loyaliteit van het volk. Ze ondersteunden een heropbloei van het shintō zoals dat gepropageerd werd door Hirata Atsutane[7]. Opvallende leerpunten waren de vergoddelijking van de keizer en de herwaardering van het Japanse unieke en heilig mythologisch verleden. Het traditionele familiesysteem werd geherwaardeerd als basis van het sociale en economische leven. De staat werd voorgesteld als een grote familie met de keizer als pater familias. In deze context was er geen plaats voor het christendom. De inhoud van de christelijke leer werd niet als een gevaar gezien, maar het aanhangen van een vreemde godsdienst getuigde van een gebrek aan loyaliteit en respect voor de nieuwe Japanse natie en de keizer.
Onder druk van de westerse mogendheden werd er in 1870 een conferentie georganiseerd. De buitenlandse diplomaten bekritiseerden de vervolgingen steunend op de westerse principes van godsdienstvrijheid en menselijkheid. De vertegenwoordigers van de Meiji-regering benadrukten het belang van eenheid van staat en godsdienst als basis van een sterke natie. Nadat Japan de belofte deed om van verdere deportaties af te zien, erkenden de westerse landen min of meer de onderdrukking als een politieke noodzaak voor Japan.
Periode van relatieve tolerantie (1873-1889)
Herziening van de ongelijke verdragen
De Herziening van de Ongelijke Verdragen met het Westen was noodzakelijk om Japan politiek en economisch meer onafhankelijkheid te geven. Uiteraard wilden de westerse mogendheden hun verworven rechten niet zomaar prijsgeven. Eén van de eisen die ze aan Japan stelden was het stopzetten van de vervolgingen van de kakure kirishitan en het afkondigen van de godsdienstvrijheid. Japan kon niet anders dan inbinden en een keizerlijk decreet van 14 maart 1873 maakte een einde aan de toestand die sinds 1614 bestond; de vervolgingen stopten, de gedeporteerde christenen werden teruggebracht naar hun oorspronkelijke woonplaats waar ze vrij waren in de beoefening van hun religie, zonder bemoeienissen van de overheid. De missionarissen kregen de toestemming om vrij rond te reizen en het christelijk geloof te verkondigen. Dit decreet was geen ondubbelzinnige verklaring van godsdienstvrijheid maar eerder een toegeving onder druk van buitenaf. In Japan werd het christendom nog steeds beschouwd als een verderfelijke religie van vreemde afkomst.
Het neerslaan van de de Seinan-rebellie (1877)
Toen de Meiji-overheid een modern leger uitbouwde, de dienstplicht invoerde en het feodale klassenonderscheid afschafte verloren de samurai hun politieke en sociale functie en status in de maatschappij. Ze moesten trachten zich te integreren in een veranderde maatschappij en aan een zinnige broodwinning zien te komen. Slechts een kleine minderheid slaagde daarin, de verpaupering van de meeste samoerai bleef echter aanhouden. Toen beslist werd om Korea toch niet aan te vallen, namen een aantal ministers ontslag uit de regering en riepen ze de samoerai in 1877 op tot rebellie tegen de overheid.[8] Nadat de Seinan Rebellie door het moderne staatsleger meedogenloos werd neergeslagen, werd het voor de samoerai duidelijk dat de regering niet meer met geweld kon bevochten worden. Ze verenigden zich met de boeren die belastingsverlaging eisten en het volk dat politieke inspraak eiste. De invloed van de samoerai zorgde voor en heropleving van de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten; ze stond voor een liberaal beleid dat meer vrijheid zou toestaan aan de bevolking ook op godsdienstig vlak. De politieke druk van de beweging zorgde er mee voor dat de autoriteiten een toleranter beleid voerde tegenover het christendom. Daarnaast verschoof het accent in de leer van een aantal christelijke samoerai naar een breder sociaal bewustzijn. Dat maakte die leer aannemelijker voor de Japanse bevolking. De christelijke samoerai bekommerden zich niet enkel meer over hun eigen situatie maar over de situatie van velen. De afkeer van het christendom maakte plaats voor een zekere aanvaarding.[9]
Shintō als politiek instrument van de Meiji-regering
Hoewel de autoriteiten zich tolerant opstelden tegenover het christendom en andere religies, probeerden ze nog steeds het shintō aan de bevolking op te dringen om de spirituele eenheid in Japan te versterken. Om het shintō te zuiveren van boeddhistische invloeden werd een strikte scheiding tussen het shintō en het boeddhisme verplicht. Een staatsshintō werd afgesplitst van de shintōsekten omdat de staat niet houdbaar was zonder shintō; het staatsshintō had de keizer als object van de cultus. Het werd niet beschouwd als een religie maar het was de nationale plicht van de bevolking om mee te doen aan evenementen voor de schrijnen van het staatsshintō. Deze bepalingen zetten kwaad bloed bij de boeddhisten en de intellectuelen die nu ook openlijk verlangden naar godsdienstvrijheid.
De Meiji-grondwet (1889)
Als reactie op de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten nam de regering uiteindelijk het besluit een grondwet uit te vaardigen. Op 11 februari 1889 werd ze afgekondigd. Als voorbeeld werden de Europese constituties genomen en daarom waren er vele Westerse principes in de Japanse grondwet vervat, waaronder gewetensvrijheid en vrijheid van godsdienst voor alle staatsburgers. Het opnemen van deze principes in de grondwet zorgde ervoor dat het decreet van 14 maart 1873 een theoretische fundering kreeg; de regering verloor definitief het recht om andersgelovigen te vervolgen.
De machthebbers wilden er wel alles aan doen opdat hun positie en die van de keizer zo min mogelijk aangetast zou worden. De grondwet bepaalde dat de nationale plicht primeerde op de individuele geloofsovertuiging; de andersgelovigen waren nog steeds verplicht mee te doen aan de evenementen van het staatsshintō. In 1890 vaardigde de keizer het opvoedingsedict dat zich verzette tegen de toenemende verwestelijking en een pleidooi was om de confucionistische deugden een centrale plaats te geven in de morele opvoeding. De traditionele ethiek werd hierdoor verheven tot staatsideologie. Dat wierp opnieuw een schaduw op het christendom, dat immers indruiste tegen de geest van het opvoedingsedict. In 1899 stelde het ministerie van onderwijs dat opvoeding en religie gescheiden moesten worden. Het was de scholen voortaan verboden om godsdienstonderricht te geven of een eredienst te houden. Dit belette de christelijke missionarissen om hun leer verder te verspreiden. In 1911 verplichtte een nieuw directief van het ministerie van onderwijs de leerlingen, onder begeleiding van de leerkrachten, te buigen voor de shintōschrijnen tijdens de festivals. Dit moest het patriotisme en eerbied voor de keizer versterken.
Hoewel de godsdienstvrijheid in de grondwet was ingeschreven, probeerden de machthebbers ze nog steeds via legale wegen in te perken ten voordele van het staatsshintō dat als cement van de Japanse maatschappij moest dienen.
Voetnoten
- ↑ Ook wel het verdrag van Kanagawa genoemd
- ↑ Het principe van de extra-territorialiteit was in het verdrag opgenomen; het bepaalde dat buitenlanders onder de jurisdictie van het eigen land vielen en niet konden vervolgd worden door het Japanse gerecht. Daarnaast mocht Japan niet zelf maar enkel in samenspraak met het betreffende land de toltarieven bepalen.
- ↑ Ōsaka, Nagasaki, Hakodate, Shimode en Hirado.
- ↑ http://en.wikipedia.org/wiki/Kakure_kirishitan
- ↑ Het waren vooral de Portugese missionarissen die actief waren geweest in de zestiende en zeventiende eeuw.
- ↑ http://en.wikipedia.org/wiki/Hanare_Kirishitan
- ↑ http://en.wikipedia.org/wiki/Hirata_Atsutane
- ↑ bekend als het Korea-dispuut of seikanron (征韓論, seikanronō) ; de samoerai hoopten dat een inval in Korea hen de kans gaf hun vroegere positie te herwinnen
- ↑ Dit standpunt is enkel terug te vinden in het werk van Hideo.
Bronnen
Boyen, K. (1991) Het christendom in Japan tijdens de Meiji-periode. Leuven: KUL, Faculteit van de letteren en de wijsbegeerte, departement orientalistiek (thesis).
Cary, O. (2003) A history of Christianity in Japan. London: RoutledgeCurzon.
Drummond, R. H. (1971) A history of Christianity in Japan. Grand Rapids (Mich.): Eerdmans.
Grossmann, E. (1967) Het christendom in Japan: religieus verleden, profane toekomst. Hilversum: Brand.
Harrington, H. (1993) Japanese hidden christians. Chicago: Loyola university press.
Hideo, K. en Howes, J. F. (trans.) (1956) Japanese religion in the Meiji era. Tokyo : Ōbunsha.
Jennes, J. (1973) A History of the Catholic Church in Japan; from its beginnings to the early Meiji Era. Tokyo: Oriens institute for religious research.
Nemeshegyi, P. (1979) Le Christ au Japon : histoire et témoignages . Paris: Téqui.
Reid, D. (1991) New winen : the cultural shaping of Japanese christianity Berkeley. Berkeley: Asian humanities press.
Vande Walle, W. (2007) Een Geschiedenis van Japan: Van Samurai tot Soft Power. Leuven: Acco.


