Het boeddhisme tijdens de Heian

Uit GeschiedenisJapan

(Doorverwezen vanaf Het boeddhisme)

Inhoud

De Nara-clerus verliest haar monopolie

Het boeddhisme tijdens de Nara-periode was in hoofdzaak een staatsaangelegenheid. Vanaf het begin van de zevende eeuw werden boeddhistische rituelen in de oorspronkelijk shintoïstische hofceremonieën geïncorporeerd. De kokubunji 国分寺 speelden een belangrijke rol in het consolideren van de politieke eenmaking. Nara telde een aantal grote tempels, waar alleen telgen van aristocratische families intraden, en die grote rijkdom en economische macht hadden. Het waren centra van exegetische studie en geleerdheid in het algemeen. Zij specialiseerden zich in bepaalde strekkingen van de boeddhistische "theologie". Daarom spreekt men vaak van "scholen". Traditioneel onderscheidt men er zes.

De verplaatsing van de hoofdstad in 794 naar Heian-kyō had een grote impact op de boeddhistische "kerk". De Nara-scholen kregen verbod mee te verhuizen en verloren hun monopolie. Twee nieuwe scholen (of: sekten) zagen het levenslicht: de door Saichō 最澄 (767-822) gestichte Tendai-school 天台宗 en de Shingon-school 真言宗, gesticht door Kūkai 空海 (774-835). Beide stichters maakten, onafhankelijk van elkaar, een studiereis naar China om er de boeddhistische doctrine grondig te bestuderen. De Chinese hoofdstad Chang-an 長安 en enkele grote monastieke centra golden als een soort Rome voor de Japanse boeddhisten. Na hun terugkeer bouwden zij hun hoofdkwartier op een berg: Saichō op de berg Hieizan 比叡山, nabij de hoofdstad, Kūkai op de berg Kōyasan 高野山. Beide patriarchen genoten de bescherming van het hof, omdat zij met hun magische rituelen en gebeden van de Boeddha's rust en vrede over het land afsmeekten.

Beide scholen staan een syncretistische visie op de boeddhistische leer voor. Zij bedachten beide een alomvattend systeem, waarin opvattingen en leerstellingen van alle strekkingen, zowel boeddhistische als niet-boeddhistische, opgenomen konden worden. Deze denksystemen vormden naderhand nog de theoretische grondslag voor een versmelting van het boeddhisme met het inheemse Shintō. Shingon is de Japanse versie van het Tantrisme, het esoterische Boeddhisme, maar ook Tendai is er bijzonder sterk door beïnvloed.

Tendai

Tendai is de Japanse vorm van het Chinese Tiantai 天台, de naam van een berg in China, waar zich het centrum van een boeddhistische sekte bevond die haar naam aan die berg ontleende. Hier was het dat Saichō ging studeren en dat hij talrijke geschriften verzamelde die hij naderhand naar Japan meenam. Het bekende Lotus-sūtra is de belangrijkste schriftuur voor Tendai. Volgens Saichō waren de diverse boeddhistische doctrines slechts ogenschijnlijk met elkaar in tegenspraak. In laatste instantie waren zij alle uitdrukking van de ene waarheid.

Eén van Saichō's belangrijkste verwezenlijkingen was de instelling van eigen uit de Mâhâyâna-traditie afkomstige orderegels om novices te wijden in zijn eigen klooster op de berg Hieizan, onafhankelijk van de klerikale bureaucatie van de oudere Nara-scholen. Tot dan toe waren alle Japanse priesters gewijd geworden volgens de orderegels van het Hînayâna, op het wijdingsplatform van Nara. Door herhaalde remonstranties vanwege de Nara-clerus hield de regering haar goedkeuring lange tijd in en het was slechts bij zijn dood dat Saichō's wijdingsplatform erkend werd. Van dat ogenblik af is het Tendai-centrum op de berg Hieizan uitgegroeid tot het Mekka van het Japanse Boeddhisme. Het is dan ook niet toevallig dat de drie belangrijkste stromingen van de Kamakura-periode (1185-1333) – de sekten van het Reine Land, de Zen-sekten en de Nichiren-sekte – uit deze school voortgesproten zijn.

De Tendai-sekte maakte, zoals de Shingon-secte, gebruik van esoterische riten met magisch karakter, maar haar voornaamste bijdrage tot de geschiedenis van het Japanse Boeddhisme was doctrinair en filosofisch. De centrale leerstelling van het Tendai-denken is de theorie van de hongaku hōmon 本覚法門: de verlichting is niet iets dat moet gerealiseerd worden door geleidelijke overwinning van onze gehechtheid aan wat uiteindelijk illusoire fenomenen zijn, maar iets dat moet ontdekt worden als in onszelf aangeboren.


Shingon

Het woord shingon is een vertaling van de Sanskrietterm mantra d.i. de belichaming in klank van een goddelijke kracht, die in staat is om geestelijke en wereldlijke effecten te sorteren. Deze vorm van Boeddhisme is afgeleid van het Tantrisme. In zijn jeugd legde Kūkai zich toe op de studie van Confucianisme en Taoïsme, maar hij bleef onbevredigd, tot hij uiteindelijk het antwoord op zijn metafysische vragen in het Boeddhisme vond. Deze zoektocht leidde hem naar China waar hij in de hoofdstad van de Tang, Chang-an de persoonlijke discipel werd van de zevende patriarch van het Tantrisme Hui-guo 惠果. Hij was zo briljant dat hij zelfs door zijn Chinese meester als zijn opvolger, de achtste patriarch van de tantristische traditie, werd aangewezen.

Kūkai werkte een synthese uit waarin hij alle boeddhistische en niet-boeddhistische leerstellingen samenvatte in tien trappen, gaande van rudimentair religieus bewustzijn tot de volmaakte staat van zelfvoltooiing in het tantristische Boeddhisme. Volgens het Tantrisme is de absolute waarheid symbolisch aanwezig in alle fenomenen, waarvan drie bij uitstek: de mantra, de mandala en de mudrâ. Een mantra is een soort litanie waaraan magische krachten toegeschreven worden. Met mandala bedoelt Kūkai een schematische voorstelling van de ware orde van het universum in de vorm van boeddhistische beeltenissen of symbolen daarvan. Mudrâ is de naam voor een reeks van rituele handgebaren die een bepaalde religieuze waarheid symbolisch voorstellen. Een ander belangrijk leerpunt van Kūkai is de gedachte dat de mens intrinsiek in staat is door de genade van Mahâvairocana en door eigen inspanning deel te hebben aan de absolute realiteit van Mahâvairocana, de kosmische belichaming van de waarheid, hetgeen dan vertaald wordt in het motto: "Verlicht worden in dit bestaan zelve".

Synthese van Shintoïsme en Boeddhisme

Het waren de syntheses van Saichō en Kūkai die de theoretische grondslag vormden van het Shintoïstisch-boeddhistische syncretisme, dat culmineerde in de theorie van de Honji-suijaku 本地垂迹 (de manifestatie van het oorspronkelijke noumenon). Volgens deze theorie zijn de Shintoïstische kami secundaire manifestaties van bepaalde Boeddha's en Bodhisattva's. Shingon verdeelde het universum in twee delen, voorgesteld door de twee mandala's, de diamant-sfeer en de matrix-sfeer genaamd. Shintoïstische goden werden beschouwd als behorende tot de twee pantheons van deze mandala's. Dit syncretisme wordt Ryōbu-shintō 両部神道 genoemd.

Tendai van zijn kant stelde dat Shintoïsme en Boeddhisme oorspronkelijk één en hetzelfde waren, en dit concept werd Sannō-ichijitsu-shintō 山王一実神道 genoemd. Zowel Saichō als Kūkai vonden het normaal om Shintoïstische goden en Boeddha te vereren in hetzelfde heiligdom. Later zouden Shintoïstische scholastici de theorie van de Honji-suijaku omkeren en beweren dat de kami het originele noumenon waren en de Boeddha's en Bodhisattva's de secundaire manifestatie.


Hergeboorte in het Paradijs

In China, Korea en Japan beleefde de leer van het Reine Land en vooral die van het "Reine Land van het Westerse Paradijs van Amida 阿弥陀" een uitzonderlijke populariteit. Deze leer, ook aanvaard door de Tendai-sekte, oefende een bijzondere aantrekkingskracht uit op de aristocratie tijdens de Heian-periode. In dit milieu aspireerde men ernaar om het (aangename) leven op aarde te kunnen voortzetten in de andere wereld. De kunstwerken van het Reine Land van Amida, waarvan het Paviljoen van de Feniks in de Byōdōin te Uji het beste voorbeeld is, geven vorm aan de wens van de heersende intelligentsia, die de sfeer van een dergelijk paradijs niet alleen wilde creëren maar ook zelf proeven. Tijdens de tweede helft van de Heian-periode breidde deze leer zich ook naar de volksklassen uit. Ze werd vooral gepropageerd door rondreizende monniken. Ze zal uiteindelijk tijdens de Kamakura-periode leiden tot de stichting van de Sekte van het Reine Land en de Ware Sekte van het Reine Land (Jōdoshū 浄土宗 en Jōdo-shinshū 浄土真宗).


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo