Het Mito huis, een van de drie huizen in de Tokugawa Gosanke
Uit GeschiedenisJapan
Mito (水戸藩 mito-han[1], Mito domein) was een van de grootste feodale domeinen in Japan tijdens De Edo periode. Het maakte deel uit van Tokugawa Gosanke (徳川御三家), dit was de grootste aftakking van de Tokugawa clan. Deze bestond uit ‘de drie eerbare huizen’, Mito stond onder de andere twee huizen. De hoofdstad was de stad Mito in de oude provincie Hitachi (常陸国), nu bekend als de Ibaraki prefectuur. De hoofdstad van Ibaraki (茨城県, Ibaraki-ken) is nu nog altijd de stad Mito. Het grensde aan aan de Iwashiro, Iwaki, Shimousa en Shimotsuke provincies. Het Mito huis werd gesticht bij de benoming van Tokugawa Yorifuse tot Daimyō[2] door zijn vader, shogun Tokugawa Ieyasu, in 1608. Het Mito huis bleef in controle van het domein tot de afschaffing van het han systeem in 1671. Ondanks het feit dat het Mito huis onder de andere twee takken van de Tokugawa Gosanke lag had het toch aanzienlijke invloed, voornamelijk door de Mitogaku (水戸学), een invloedrijke school van Japanse historische en Shinto studies.
Inhoud |
Mito Daimyō
Mito kasteel
In de provincie Hitachi, nu bekend als de Ibaraki prefectuur zoals eerder vermeld, bouwde Baba Sukemoto aan het eind van de twaalfde eeuw een kasteel en noemde het het Baba kasteel. Het kasteel was meerdere malen van eigenaar veranderd. Na De slag van Sekigahara, waarbij Tokugawa Ieyasu zijn grootste tegenstanders verslaat, krijgt hij het in handen en hernoemt het tot het Mito kasteel. Later in 1609 vestigt zijn zoon Tokugawa Yorifusa zich er.
Mitogaku
Deze academische school werd ook Suifu no gaku, en Tenpōgaku genoemd, maar de term Mitogaku werd het meeste gebruikt. Door het initiatief van Tokugawa Mitsukuni, de tweede Daimyō van het Mito domein, is men begonnen aan de compilatie van de Dai Nihonshi (De Grote Geschiedenis van Japan) met concentratie op de keizerlijke familielijn. Elk hoofdstuk van de Dai Nihon-shi concentreerde op de regering van een specifieke keizer. Het duurde meer dan 250 jaar voor het project afgewerkt was en dan officieel gepubliceerd in 1906. Als deel van deze compilatie is de Mitogaku meerdere ontwikkelingen ondergaan tot het einde van de 18de eeuw en werd ook actief op het vlak van maatschappelijke en politieke problemen in de realiteit.
De geschiedenis van de Mitogaku kan onderverdeeld worden in twee perioden. De eerste heet de Vroege Mitogaku, eind 17de eeuw tot 18de eeuw, en de tweede heet Latere Mitogaku, eind 18de eeuw tot Bakumatsu periode.
Vroege Mitogaku
Mitsukuni maakte een bureau voor geschiedenis voor de compilatie van de Dai Nihonshi in zijn tweede residentie in Edo’s Komagawa distribuut in 1657. Maar later, in 1672, werd dit verplaatst naar zijn hoofdresidentie in Koishikawa en werd de Shōkōkan genoemd. Om de Dai Nihonshi the maken haalde Mitsukuni geleerden bijeen, het maakte niet uit van welke factie ze deel uit maakten. Een paar bekende hiervan waren Asaka Tanpaku (1656-1737), Sassa Munekiyo (1640-1698), Kuriyama Senpō (1671-1706), en Miyake Kanran (1673-1718). De aanpak die de geleerden gebruikten was gebaseerd op het Confucianistische historische zicht, meer bepaald het Neo-Confucianisme. Volgens deze aanpak volgde historische ontwikkeling morele wetten, en ze schreven historische feiten op zulke wijze zo dat toekomstige politieke en morele lessen eruit gehaald konden worden. Deze soort van aanpak volgend, verspreidden de geleerden zich naar elk gebied
van het land en streefden ernaar historische bronnen te verzamelen en kopiëren. Onder het leiderschap van Mitsukuni nam de in houd van de Dai Nihon-shi aanzienlijk toe, er waren 73 hoofdstukken in de Analen en 170 hoofdstukken in Biografieën tegen de tijd dat hij stierf in 1700. De Mito geleerden maakten de Analen en Biografieën af en boden het aan aan de bakufu in 1720.
Tijdens dit proces zijn er ook enkele Mitogaku geleerden die hun eigen historische werken componeerden. Een toenemend aantal ontevreden stedelingen in Mito aanvaardden de werken van deze Mito geleerden vanwege hun eerbied voor de keizer en hun antibuitenlandse ideologie. Senpō's Hōken taiki en Kanran's Chūkō kangen zijn hier representatieve voorbeelden van. Deze werken inspireerden golven van nationalisme en loyaliteit voor de keizerlijke familie gedurende de 17de eeuw.
Gedurende de hele compilatie van de Dai Nihon-shi ondervond het Mito domein agrarische en economische problemen. Vanaf 1688 was er financiële onstabiliteit die de Mito plaagde en leidde tot onrust in het domein. Naast deze financiële problemen waren hongersnoden en natuurrampen geen zeldzame gebeurtenissen. In 1709 voerden ontevreden boeren een van de grootste rebellies in de geschiedenis van het domein.
Latere Mitogaku
Voor de volgende 7 decennia maakte de Shōkōkan zeer weinig vooruitgang met de Dai Nihonshi zonder het leiderschap van Mitsukuni. Tachihara Suiken nam in 1786 het leiderschap van de Shōkōkan over en werkte verder aan de compilatie.
Na Tachihara werd Fujita Yūkoku (1774-1826) het hoofd van het instituut en hij drong meer focus aan op de geschiedenis van die periode. Toen hij achttien was maakte hij zijn werk Seimeiron af. Daarin legde hij de noodzaak om de Daimyō-vazal hiërarchie nauw in de gaten te houden voor de maatschappelijke stabiliteit. Later zorgde hij voor de theoretische basis voor de sonnō beweging. Yūkoku's ideeën werden overgenomen door zijn zoon Tōko (1806-1855), zijn student, Aizawa Seishisai (1782-1863), en anderen.
Naarmate de Mito gedachte ontwikkelde tijdens de 19de eeuw begonnen de geleerden antiwesterse sentimenten en de belangrijkheid van de keizer in Japanse maatschappij te benadrukken. Ze aanvaardden voornamelijk de politische slogan Sonnō Jōi (尊皇攘夷 “vereer de keizer en verdrijf de barbaren”)[3]. Aizawa Seishisai was de eerste voorstander voor deze filosofie in Japan.
In 1825 schreef hij Shinron, een boek dat zijn gedachten over de noodzaak om Japan te beschermen van de ‘barbaarse’ Westerlingen. Hij bevorderde nationalisme en oppositie tegen westerse strijdmacht, handel en religiën. Hij was voornamelijk een heftige tegenstander van het christendom dat in zijn blik Japanse waarden ondermijnde. Seishisai was ook een voorstander voor het steunen van de keizer als een methode om de westerse bedreiging van het buitenland te confronteren. In zijn boek bracht hij ook het idee van kokutai (“nationale essentie”) dat Confuciaanse moralen, Shinto mythes en andere filosofieën combineerde. Volgens Seishisai was de Japanse keizerlijke familie directe afstammelingen van Amaterasu, de godin van de zon. Dus was Japan voorbestemd om de juiste standaard voor andere naties om na te bootsen. Shinron was een inspiratie voor Japanse nationalisten doorheen de 19de eeuw tot aan de Meiji Restoratie.
Mito gedachte benadrukte andere ideeën betrekkende de rol van moraal in Japan. Fujita betoogde dat Japanse civilisatie zou eindigen als een resultaat van interne problemen en niet van externe bedreigingen. Andere schrijvers van de Latere Mitogaku zoals Fujita Tōko en Seishisai gingen ook akkoord dat een tekort aan moraal leiderschap Japan van binnenuit zou verzwakken en het land zou openstellen aan een invasie van de Westerlingen.
Veel van de Mito geleerden maakten zich zorgen over een economische instorting en vooral Fujita herkende dat veel financiële problemen in Mito ook in Japan aanwezig waren. Zijn argument baserend op het Neo-Confucianisme beredeneerde Fujita dat de keizer macht gaf aan de shogun om binnenlandse en buitenlandse gevaren te confronteren. Fujita en de andere Mito geleerden beslisten dat de shogunaat niet aan zijn taak om de stabiliteit van de economische welvaart van Japan te handhaven had voldaan. Fujita suggereerde dat de bakufu voor reformaties moest aandringen en de Daimyō ze moest verwezenlijken.
Fujita’s ideeën stonden voor radicale uitdagingen in het bakufu systeem omdat hij aan het betogen was dat het bakufu gefaald had belangrijke zaken te adresseren. Tenslotte concludeerde hij dat de shogunaat veroorzaakt had dat de domeinen economisch en militair zwak werden.
In de late 18de eeuw ontstonden er twee facties in de Shōkōkan. De strijd tussen de twee facties leidde uiteindelijk tot het huisarrest van Fujita in 1797. Tegen 1907 was Fujita terug hoofd en Tachihara had het instituut verlaten.
Mito opstand
De Mito rebellie (水戸幕末争乱 Mito bakumatsu sōran) is een burgeroorlog die zich afspeelde in het Mito Domein van mei 1864 tot januari 1865. Het werd ook de Kantō opstand of Tengu rebellie (天狗党の乱 tengutō no ran) genoemd. Het waren opstanden en terroristische acties tegen de macht van het Shogunaat. Het was in de naam van het Sonnō Jōi beleid en het doel was de uitzetting van de westerse “barbaren” en de terugkeer naar een keizerlijke regering. Op 17 juni 1864 stuurde het Shogunaat een strijdmacht van 700 Mito soldaten met 3 tot 5 kanonnen en tenminste 200 vuurwapens onder bevel van Ichikawa, zowel als een Bakufu strijdmacht van 3000 soldaten met meer dan 600 vuurwapens en een aantal kanonnen.
Toen het conflict escaleerde op 10 oktober 1864 bij Nakaminato werd de strijdmacht van de Shogun van 6700 man verslagen door 2000 opstandelingen. Hierop volgden nog een aantal nederlagen voor de Shogun. Maar de opstandelingen werden zwakker, hun aantal slinkte naar ongeveer 1000 man, wanneer ze tegen een nieuwe strijdmacht van meer dan 10000 man geleid door Tokugawa Yoshinobu, die zelf in het Mito huis geboren was, heeft hen uiteindelijk tot overgave gedrongen.
Als resultaat van de rebellie waren er 1300 doden aan de kant van de opstandelingen en ze leidden zware oppressie, waaronder 353 executies en ongeveer 100 die stierven in gevangenschap.
Voetnoten
- ↑ Han waren de erfelijke domeinen van Daimyō.[1]
- ↑ Daimyō tijdens de Edo periode zijn leiders van een familie die een han bezitten van een bepaalde minimum waarde. [2]
- ↑ Sonnō Jōi is een Japanse politieke filosofie en een maatschappelijke beweging afgeleid van het Neo-Confucianisme. Het werd gebruikt als een politische slogan in een beweging om de Tokugawa bakufu om te stoten tijdens de Bakumatsu (“einde van de bakufu”) in de helft van de 19de eeuw.[3]
Literatuurlijst
Boeken
Vandewalle, Willy, Een Geschiedenis van Japan: Van Samurai tot Softpower, Leuven, Uitgeverij Acco, 2009.
Earl, David Magarey, Emperor and nation in Japan: political thinkers of the Tokugawa period, Seattle, 1964.
Koschmann, J.Victor, The Mito ideology: discourse, reform, and insurrection in late Tokugawa Japan, Berkeley, 1987.
McNally, Mark, Proving the way : conflict and practice in the history of Japanese nativism., Harvard university Asia center, 2005. (Harvard East Asian monographs ; 245)
Elektronische bronnen
Tokugawa Gosanke, mediawiki.arts.kuleuven.be, laatst geraadpleegd: 21-12-2010 [4]
Mito domain, en.wikipedia.org, laatst geraadpleegd: 21-12-2010 [5]
Gosanke, en.wikipedia.org, laatst geraadpleegd: 21-12-2010 [6]
Mito Rebellion, en.wikipedia.org, laatst geraadpleegd: 21-12-2010 [7]
Mitogaku, en.wikipedia.org, laatst geraadpleegd: 21-12-2010 [8]
Mito (stad), nl.wikipedia.org, laatst geraadpleegd: 21-12-2010 [9]
Mitogaku, eos.kokugakuin.ac.jp, laatst geraadpleegd: 21-12-2010 [10]
Koishikawa Kōrakuen Garden, en.wikipedia.org, laatst geraadpleegd: 21-12-2010 [11]
Chinese influence in Japan's oldest garden, thestar.com.my, laatst geraadpleegd: 21-12-2010 [12]

