Het Mantsjoerije Incident

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Mantsjoerije-incident (Manshū jihen, 満州事件), wordt door de meeste mensen geïnterpreteerd als de militaire actie die ondernomen werd door het Japanse Kantō-leger (Kantōgun, 関東軍) op de nacht van 18 september 1931. Het begrip omvat echter veel meer dan dit alleen. Het Mantsjoerije Incident staat symbool voor de gehele politiek die Japan heeft doorgevoerd in Mantsjoerije, vanaf het ontwikkelen van het Kantō pachtgebied tot en met het oprichten van de onafhankelijke staat Manshūkoku 満州国. Het Mantsjoerije-incident is een cruciale factor in de ontwikkeling van militarisme en imperialisme in Japan.

Achtergrond

Ontwikkelingen in China

In 1911 heerste er in het keizerrijk China een revolutie, onder leiding van Sun Yat-Sen. De revolutie was ontstaan door de ontevredenheid over de corruptie en onmacht van de Qing dynastie en het imperialisme van de grootmachten. De Chinese provincies riepen allemaal hun onafhankelijkheid uit en ze kwamen één voor één, Mantsjoerije inbegrepen, los van de centrale autoriteiten. In begin 1912 werd de staatsvorm van China omgevormd tot republiek. Pu-Yi, de laatste keizer van de Qing dynastie, werd afgezet en Yuan Shikai werd president van de Republiek China.

In 1916 overleed Yuan Shikai en het tijdperk van de krijgsheren (warlords) was aangebroken. Verschillende krijgsheren gingen allemaal onafhankelijk over Chinese gebieden regeren. De nationale regering bleef bestaan, beheerst door telkens andere militaire groepen, maar ze had slechts nominaal gezag. In Mantsjoerije (Manshū, 満州) liet Zhang Zuolin, een van deze krijgsheren, zijn macht gelden. Het gebied was Chinees in naam, maar de Chinese soevereiniteit reikte er niet.

Economische crisis in Japan

Na de Eerste Wereldoorlog was Japan, omwille van het feit dat ze nauwelijks schade had opgelopen, op industrieel en economisch vlak zo geëvolueerd dat het vernielde Europa er geen voorsprong meer op had. Maar bijna alle grondstoffen die de Japanse industrie nodig had moesten ingevoerd worden.

Naast het probleem van een gebrek aan natuurlijke grondstoffen, moest Japan ook kampen met het probleem dat de bevolking tussen 1918 en 1930 dramatisch was toegenomen. Invoer van voedsel was nu ook noodzakelijk geworden, maar omwille van de hoge invoertarieven kon de regering de bevolking niet geven wat ze nodig had. De Japanse regering trachtte immigratie naar de Verenigde Staten te stimuleren, maar de Amerikaanse bevolking trad hier tegen op. Ze vreesden hun werk te verliezen aan goedkope buitenlandse arbeidskrachten.

Japanners in Mantsjoerije

Op het einde van de 19de eeuw hadden Tsaristisch Rusland en Japan op Mantsjoerije hun stempel gedrukt. Ze hadden in het gebied nieuwe commerciële bedrijven opgericht, concessies gekregen over de mijnen en spoorwegen aangelegd. Uiteindelijk kreeg Rusland van China een pacht over het Kantō gebied in Zuid-Mantsjoerije. In 1905 kwam de Russisch-Japanse Oorlog ten einde, in het voordeel van Japan. Deze oorlog was ontstaan uit onder andere een belangenconflict tussen Japan en Rusland over Mantsjoerije en Korea. Dankzij het Verdrag Van Portsmouth verwierf Japan van Rusland op 5 september 1905 het Kantō pachtgebied met daarin onder andere Dalian (Dairen, 大連) en Port Arthur (Ryojun, 旅順). Een ander belang dat Japan in Mantsjoerije overhield was de Zuid-Mantsjoerije Spoorweg (Minami Manshū Tetsudō Kabushiki Kaisha, 南満州鉄道株式会社; afgekortMantetsu, 満鉄). Buiten het Kantō pachtgebied werd Mantsjoerije beschouwd als Chinees grondgebied.

Om toezicht te houden over de Zuid-Mantsjoerije Spoorweg en andere commerciële belangen in Mantsjoerije richtte Japan in 1909 het Kantō Garnizoen op. In 1919 werd het Kantō Garnizoen omgedoopt tot het Kantō-leger (Kantōgun, 関東軍). Ze bezette het volledige pachtgebied. Dit leger bestond onder andere uit extremistische officieren die goed genoeg wisten dat hun oversten plannen hadden om het Japanse grondgebied in Azië uit te breiden met behulp van militair geweld. Ze waren bereid om in Mantsjoerije deze maatregelen te nemen. De pacht zou maar bestaan tot 1923, maar na de Eerste Wereldoorlog verzekerde Japan zichzelf een verlenging van de pacht van het Kantō gebied dankzij De 21 Eisen aan China. Hun aandeel in de Zuid-Mantsjoerije Spoorweg bleef bestaan. In ruil voor militaire steun van het Kantō-leger, erkende Zhang Zuolin (de krijgsheer die op dat moment over Mantsjoerije regeerde) de Japanse privileges in Mantsjoerije.

Voor de Japanners die er niet in slaagden hun ambities thuis te vervullen, was Mantsjoerije een nieuw begin waar ze konden proberen hun dromen van rijkdom te laten uitkomen. Japanse handelaars begonnen naar Mantsjoerije te trekken met de hoop er snel rijk te kunnen worden. Avonturiers uit Japan trokken ook naar Mantsjoerije, sommigen hiervan werden lid van roversbendes. Omwille van het Japanse immigrantenprobleem in Californië, was de relatie tussen Japan en de Verenigde Staten verslechterd, hierdoor wou Japans Minister van Buitenlandse Zaken Komura Jutarō een Japanse immigratie naar Mantsjoerije stimuleren. Trachtend het bevolkingsprobleem op te lossen, maakt Komura een twintig-jarenplan op om 1 miljoen immigranten naar Mantsjoerije te sturen. Het cijfer van Japanse inwoners van Mantsjoerije steeg van 68,000 in 1909 naar 219,000 in 1930. De uiteindelijke immigratie bestond voornamelijk uit werknemers van de Zuid-Mantsjoerije Spoorweg en hun families. Dan waren er nog zo een 1000 boeren. De rest waren avonturiers, gewetenloze kooplieden en andere sociaal ongewensten.

Spanningen lopen op

In 1925 werd Chiang Kai Shek, leider van de nationalistische Kwomintang partij, president van de Republiek China. Onder invloed van deze nationalistische partij, of met de idee om zijn eigen onafhankelijke koers te varen, begon Zhang Zuolin zijn rug te keren naar de Japanse militairen, en begon hij meer en meer te geloven in de eenmaking van China. Het Japanse Kantō-leger begon nerveus te worden en wou zijn positie in Mantsjoerije verzekeren. Op 4 juni 1928 werd er door een kleine groep Japanse militairen een bomaanslag gepleegd op zijn trein, onder leiding van Kolonel Daisaku Kōmoto. Zhang Zuolin was zwaar gewond, en de warlord overleed enkele dagen later aan zijn verwondingen. Dit incident draagt de naam Manshū bō jūdai jiken. Zhang Zuolin werd echter opgevolgd door zijn zoon Zhang Xueliang. De moord op Zhang Zuolin was niet goedgekeurd door het Tanaka-kabinet, maar premier Tanaka Giichi faalde erin de daders te straffen. Hij kon evenmin discipline herstellen in het leger. Deze onmacht zorgde ervoor dat keizer Hirohito hem in gebreke stelde, wat Tanaka tot aftreden dwong.

Er volgde, voor het Kantō-leger, een “crisis” in Mantsjoerije: Chinezen begonnen hun eigen spoorweg te bouwen, parallel met die van de Japanners. Zhang Xueliang, nog meer tegen de Japanners gezind dan zijn vader, begon economische druk uit te oefenen op de Japanse kolonisten. Zhang Xueliang ijverde ook voor de eenmaking van China en liet duidelijk blijken een anti-Japanse politiek te willen voeren. Het grote tij van Chinees Nationalisme, onder invloed van Chiang Kai Shek en zijn nationalistische partij, was aan de grenzen van Mantsjoerije aangekomen. In 1930, onder druk van de Chinese regering, erkende Zhang Xueliang officieel de autoriteit van nationalistisch China.

Japanse militairen, met steun van Japanse kolonisten in Mantsjoerije, begonnen pogingen te doen om de Japanse politici te overtuigen van het belang een dominante positie te kunnen uitoefenen in Mantsjoerije. De ontwikkeling van Mantsjoerije zou de enige oplossing zijn voor de toen huidige Japanse grondstof en populatieproblemen. De ontwikkeling van de landbouw en het oplossen van het immigratieprobleem zouden kunnen helpen om de catastrofale economische situatie in Japan te verlichten. Japanse militairen zagen vooral in de noordelijke regio's van Mantsjoerije duidelijke redenen om uit te breiden. Door middel van militair geweld zou Japan met de overname van Mantsjoerije hun bevolkingsprobleem, en hun tekort aan grondstoffen kunnen oplossen. Het Kantō leger deed hun best om de Japanse civiele regering te overtuigen van het bestaan van deze problemen. Een brief van Luitenant Kolonel Ishiwara Kanji had onder meer deze inhoud:

"Mantsjoerije en Mongolië zijn niet deel van China, ze behoren aan de inwoners van Mantsjoerije en Mongolië. Het is alom bekend dat we onze nationale situatie te ver hebben laten komen en dat er geen manier is om de voedsel, populatie, en andere belangrijke problemen op te lossen. Het enige pad dat ons nog overblijft, is het ontwikkelen van Mantsjoerije en Mongolië."

Ondanks dit argument was de Japanse civiele regering echter geen voorstander van een militaire overname van Chinees grondgebied. Zelfs als Mantsjoerije en Mongolië geen deel uit maakten van China, gaf dit Japan nog geen recht om hen te annexeren. Zou er in de harde tijden die Japan doormaakte, geld kunnen vrijgemaakt worden voor de ontwikkeling van Mantsjoerije? Ishiwara had geen concrete antwoorden, en de civiele regering bleef onovertuigd.

De Mantsjoerije Jeugd Liga, een groep van jonge Japanse kolonisten, steunde het Kantō-leger, en wouden eveneens een einde brengen aan de diplomatie van het Wakatsuki 若槻 kabinet van Wakatsuki Reijirō 若槻礼次郎, waarvan Shidehara Kijūrō 幣原喜重郎 Minister van Buitenlandse Zaken was. Deze was het niet eens met de handelswijze die de Japanse militairen wilden nemen. Shidehara wenste zo weinig mogelijk inmenging in de noordelijke provincies van China. Zijn voorzichtige politiek werd op internationaal vlak wel gewaardeerd, maar de Japanse militairen ergerden zich er vreselijk aan. De Mantsjoerije Jeugd Liga zond een groep naar Japan om de crisis van de Zuid-Mantsjoerije Spoorweg bekend te maken. De Japanse bevolking reageerde echter koel, er waren al genoeg problemen in Japan zelf zonder nog hun hoofd te moeten breken over Mantsjoerije.

De dramatische economische situatie in Japan, en de groeiende crisis in Mantsjoerije (het begon er meer en meer naar uit te zien dat Japan zich zou moeten terugtrekken, omwille van het politieke beleid van de Japanse regering en het opkomende Chinese Nationalisme), zorgden voor de aanleiding tot een “omwentelingsbeweging” (kakushin undō, 革新運動) in het leger en de rechtse stroming. In Japan zelf leidde dit tot het “Maart Incident” waarin militairen en rechtse burgeractivisten onder leiding van Luitenant Kolonel Hashimoto Kingoro trachtten Generaal Ugaki Kazushige tot staatshoofd uit te roepen.

Ondertussen was in Mantsjoerije een groep van Kantō-legerofficieren, onder leiding van Luitenant Kolonel Ishiwara Kanji en Kolonel Itagaki Seishirō 板垣征四郎, druk bezig voorbereidingen te maken om de Mantsjoerije-Crisis op te lossen met militair geweld. Ishiwara was de theoreticus achter het complot, Itagaki was de praktische uitvoerder. Het Japanse militaire hoofdkwartier in Tokio had hier geen toestemming voor verleend.

In 1931 waren beiden partijen, China en Japan dus, klaar voor de confrontatie. Nationalistisch China vond dat het tijd was om Mantsjoerije definitief terug te nemen. Japan wou zijn interesten in Mantsjoerije behouden door het definitief van China te scheiden.


"Het Mantsjoerije Incident"

Het Mukden-incident

Al op 25 juli 1931 waren de voorbereidingen van een militaire overname duidelijk zichtbaar aan het worden. Itagaki had van Port Arthur 2 Houwitsers gekregen. Deze werden dezelfde dag nog in Mukden in positie gezet en gericht op een Chinees vliegveld. Op 12 september werd door de politie van Mukden een verslag opgemaakt over de grote aantallen munitie die de Japanners aan het stockeren waren.

Geruchten van het complot waren in midden augustus uitgelekt naar Minister van Buitenlandse Zaken Shidehara, die de Minister van Oorlog Minami Jirō hierover informeerde. Deze gaf dan bevel aan Majoor Generaal Tatekawa Yoshitsugu om naar Mantsjoerije te gaan en het plan tegen te houden. In plaats van orders op te volgen, informeerde Tatekawa het Kantō-leger dat hun plannen uitgelekt waren. Toen hij in Mantsjoerije aankwam, enkele uren voor het incident, werd hij ontvangen door Itagaki. Tatekawa liet zich beschenken in een Japans restaurant en viel in slaap. Zijn excuus voor het falen van zijn missie was echter: “Ik was er niet op tijd geraakt.” Er waren nog andere officieren zoals Tatekawa die of samengezworen hadden, of wisten wat er gaande was maar deden alsof ze het niet wisten. Zo kan dus het Mantsjoerije Incident geïnterpreteerd worden als een directe aanval van het leger op de regering van Japan.

Op de nacht van 18 september 1931 liet Luitenant Kawamoto Suemori van het Tweede Bataljon van de Spoorweg Garnizoen een bom exploderen op een spoor van de Zuid-Mantsjoerije Spoorweg in Liutiaoku, een stad in het noorden van Mukden (het huidige Shenyang). De trein die op dat spoor moest voorbijkomen, de Dairen Express, moest volgens het schema om 22:30 in Mukden aankomen. De trein bereikte het opgeblazen deel van de spoorlijn kort nadat de bom was ontploft, maar kon toch nog veilig erlangs passeren. Niettemin was het startschot van het Mantsjoerije Incident gegeven.

De schuld van de aanval werd verschoven op het Chinese Garnizoen in Mukden. Dit gaf het Kantō-leger een excuus om hen aan te vallen. De aanval konden ze dus goedpraten als een retributie op de zogezegde aanval van de Chinezen op Japanse spoorwegen. Omwille van de goede voorbereidingen, zoals de Houwitsers die ervoor zorgden dat geen enkel Chinees vliegtuig kon opstijgen, hadden de Chinezen weinig kans. Op het moment dat het Kantō-leger de Chinese barakken aanviel, was een Chinees officier over de telefoon het incident aan het melden aan zijn oversten. Zijn orders waren om geen weerstand te bieden. Het enige regiment dat weerstand bood, was een kleine groep Chinezen die in de verwarring van de gebeurtenissen van de rest afgezonderd waren. Tegen de ochtend van 19 september was Mukden in Japanse handen.

De overname van Mantsjoerije

De eerste fase van het Mantsjoerije Incident was volbracht, het Kantō-leger had op één nacht Mukden veroverd. Omwille van het feit dat Zhang Xueliang, op bevel van Chiang Kai Shek, de Chinese officieren had bevolen om geen weerstand te bieden, was er maar weinig bloed gespild. De plannen van het Kantō-leger waren echter niet volbracht, geheel Mantsjoerije moest namelijk bezet worden, en hiervoor zou het Kantō-leger buiten hun gebied in Mukden moeten treden.

Er werden drie divisies van het Japanse Keizerlijke Leger (Dai Nippon Teikoku Rikugun, 大日本帝國陸軍) van Korea naar Mantsjoerije gezonden om het Kantō-leger te steunen, zonder toestemming van de centrale militaire autoriteiten in Tokio. De Japanners namen systematisch Yingkou, Anshan, Fushun, Liaoyang, Tieshan en Changchun over. Uiteindelijk hadden ze in 1 week 30 steden veroverd.

In de provincie Kirin werden verscheidene kleine incidenten uitgelokt door individuen van het Kantō-leger, wat het Kantō-leger weer een excuus gaf om met een regiment naar daar te trekken en het over te nemen onder leiding van een gedwongen officier, Honjō Shigeru.

De overname werd nauwelijks bemoeilijkt door de Chinezen. Chiang Kai Shek had zijn handen vol met binnenlandse vijanden te bestrijden. Hij ijverde nog steeds voor de volledige eenmaking van China, en zijn troepen waren druk bezig vijanden te bestrijden in de gebieden onder controle van de Chinese Communistische Beweging. Chiang Kai Shek zag er tegenop om dan ook nog eens militair geweld te gebruiken tegen de Japanners. Zijn plan was om een klacht in te dienen bij de Volkenbond, en door druk van de grootmachten op Japan, Mantsjoerije terug te krijgen. De reactie van de Volkenbond was echter zeer zwak. Het eiste aan de Japanse regering dat de troepen zich zouden terugtrekken uit Mantsjoerije. De Japanse civiele regering ging hiermee akkoord, maar het Kantō-leger zette de overname gewoon verder.

Het Wakatsuki-kabinet in Japan wou absoluut geen militaire uitbreiding. De centrale militaire autoriteiten in Tōkyō gingen hier (ongewillig) mee in. Maar het Kantō-leger negeerde hun allebei, en in december 1931 kwam het Wakatsuki kabinet eindelijk ten val en Inukai Tsuyoshi van het Rikken seiyūkai kwam aan de macht. Dit nieuwe kabinet was veel minder tegen de militaire uitbreiding gezind dan het Wakatsuki kabinet, wat het Kantō-leger ten voordele uitkwam. Ook de bevolking was nu onder de indruk van de successen van de militaire politiek. In december 1931 waren het grootste deel van Zuid-Mantsjoerije en de hoofdsteden van de drie provincies van Mantsjoerije onder controle van het Kantō-leger.

Van tussenkomst door de grootmachten kon ook niet gesproken worden. De Verenigde Staten konden geen maatregelen nemen tegen de "Crisis in het Verre Oosten" omwille van de dramatische depressie in eigen land. Groot Brittannië wou Japan niet voor de voeten lopen, in hoop nog op Japan te kunnen rekenen als een steunpilaar tegen de Sovjet-Unie. De Sovjet-Unie zelf kwam niet tussen omwille van het feit dat het in een economische heropbouw zat, en een internationaal conflict op dat moment niet nodig had. De internationale omstandigheden waren Japan dus zeer goed gezind.

In januari 1932 vond het Shanghai Incident plaats. Opstanden en protestacties van Chinezen escaleerden tot een heuse slag. Drie legereenheden moesten ingeroepen worden om de belegerde Japanse mariniers te redden. In feite waren de aanleidingen tot dit incident gedirigeerd door majoor Tanaka Ryūkichi van het Kantō-leger. De bedoeling was om aandacht te trekken buiten Mantsjoerije, zowel van de Japanse regering als van het buitenland, zodat het Kantō-leger ondertussen in Mantsjoerije ongehinderd een nieuwe staat kon oprichten: Manshūkoku.


Manshūkoku

De oprichting

Dankzij de hierboven vermelde gunstige omstandigheden, had het Kantō-leger tegen maart 1932 de overname van Mantsjoerije voltooid. De idee om een nieuwe en onafhankelijke staat op te richten in Mantsjoerije had in het hoofd van officieren van het Kantō-leger zich al gevormd onmiddellijk na het incident begon. Ze wisten dat de regering in Tōkyō zeer ontevreden zou zijn moest er een duidelijke vorm van militair bewind komen in Mantsjoerije. Daarom besloten de leiders van het Kantō-leger een voorstel te doen om een nieuwe onafhankelijke staat op te richten. Het Kantō-leger begon met de uitvoering van hun plan, voor de regering in Tōkyō de kans had hun toestemming te geven. Uit schrik dat het Kantō-leger een aparte politieke eenheid zou gaan vormen, besloot Toōkyō hen hun gang te laten gaan.

Bij zijn oprichting op 18 februari 1932 zou de nieuwe staat Manshūkoku bestaan uit de 3 meest noordoostelijke provincies van China: Liaoning, Kirin en Heilungkiang. In 1933 volgde er nog een uitbreiding met de annexatie van de provincie Jehol. Changchun werd omgedoopt tot Xinjing, en werd de hoofdstad van Manshūkoku.

Als onafhankelijke Chinese staat moest Manshūkoku volgens het Kantō-leger ook een Chinese leider hebben. De laatste keizer van China, Pu-Yi, werd door hulp van Doihara Kenji van het Kantō-leger uit Beijing bevrijd en aangesteld als regent van Manshūkoku. Bij de verandering van de staatsvorm in 1934 werd Pu-Yi de nieuwe keizer van Manshūkoku, onder de naam Kangde.

De interne administratie werd toevertrouwd aan Chinese ministers, onder controle van hun Japanse vice-ministers. Defensie, buitenlands beleid, transport en communicatie kwamen in handen van Japanners. Manshūkoku had dus Chinese administratie onder Japanse controle. De macht werd in handen gehouden door de generaal van het Kantō-leger, die ambassadeur van Japan in werd in Manshūkoku. Vele overheidsambtenaren, economisten en rōnin haastten zich naar Manshūkoku om deel te kunnen nemen aan de regering.

In Japan werd premier Inukai Tsuyoshi, die ontevredenheid had laten blijken over de annexatie van Mantsjoerije, vermoord door extremistische officieren op 15 mei 1932. Dit staat bekend als het 15 mei-incident (Go-ichigo jiken - 五・一五事件). Zijn opvolger werd Saitō Makoto, en op 15 september 1932 werd Manshūkoku door Japan erkend als onafhankelijke staat.

Het Japanse leger had campagne gevoerd in Japan voor de erkenning van Manshūkoku omwille van het feit dat de Volkenbond de Lytton Commissie, onder leiding van de Brit Lytton naar Manshūkoku had gestuurd om er een rapport van te maken. Ze bleven er van april tot mei 1932 en brachten uiteindelijk een rapport uit waarin stond dat Japan onrechtvaardig had gehandeld, en ze zich moesten terugtrekken. Volgens de Lytton Commissie was Manshūkoku nog altijd Chinees grondgebied, al gaven ze toe dat het een speciaal gebied was waar de Chinese soevereiniteit niet meer reikte. In februari 1933 werd er in de Volkenbond gestemd over de aanvaarding van dit rapport, en de terugtrekking van Japan uit Mantsjoerije. Het resultaat was 42 stemmen voor het ongedaan maken van Manshūkoku, en 1 stem tegen (van Japan zelf). Japan reageerde door op 27 maart 1933 uit de Volkenbond te stappen. Ze keerden hun rug naar het systeem van Versailles en kozen voor een geïsoleerde positie. Kort daarna volgden Duitsland en Italië hun voorbeeld op. Van de 80 naties die toen bestonden, werd Manshūkoku door 23 erkend.

Het verdere beleid

Ondanks de naam van het land, bestond de bevolking maar uit weinig mensen van Manshū-afkomst. De populatie was grotendeels Chinees, gevolgd door grote groepen Japanners, Koreanen en Mongoliërs. Tijdens de Japanse bezetting werd het onderwijs uitgebouwd. Er waren aparte (en betere) scholen voor de Japanse bevolking, terwijl het onderwijs voor Chinezen gericht was tot het trouw maken van Chinezen aan de Japanse heersers. Handboeken en onderwijzers werden zorgvuldig door de Japanners uitgekozen. Ideeën die geassocieerd konden worden met de Kwomintang, werden vervangen door anti-marxistische, anti-republikeinse en anti-democratische ideeën.

Landbouw werd ontwikkeld, wegen en spoorwegen werden massaal aangelegd. Luchthavens, dammen en hydro-elektrische centrales werden gebouwd. De Sovjet-Unie verkocht zijn aandeel in de Oostchinese spoorweg ('Tōshin tetsudō') aan de regering van Manshūkoku. De Zuid-Mantsjoerije Spoorweg was tegen de jaren 30 al uitgegroeid tot een imperium. In 1937 werden een tachtigtal andere bedrijven die onder Japanse controle waren in Mantsjoerije, gefusioneerd met de Nissan zaibatsu van Aikawa Yoshisuke. Zo werden ze de Mantsjoerije Zware Nijverheid Industrie (Manshū Jūkōgyō Kaihatsu Kaisha, 満州重工業開発会社). De industrie in Manshūkoku stond volledig ten behoeve van het Kantō-leger.

Het Japanse leger werd permanent gestationeerd in Manshūkoku en het land werd een "oorlogsfabriek" van de Japanse militairen. Het was Manshūkoku, en niet Japan, die de kosten moesten dragen van het Japanse leger in Manshūkoku. Alles werd in het werk gesteld om ervoor te zorgen dat het Japanse leger over alle industriële mogelijkheden beschikte. In het geheim richtte het Kantō-leger Unit 731 (731 butai) op, een divisie die onderzoek moest verrichten naar biologische wapens. Op deze manier werd Manshūkoku de thuisbasis van de Japanse overname van China, die in 1937 van start zou gaan. Hieruit vloeide de Tweede Sino-Japanse Oorlog voort.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog in de Stille Oceaan werden industrie en landbouw in Manshūkoku (dat tegen deze periode al het meest geïndustrialiseerde land in Azië was) nog eens extra omhoog gedreven, ten behoeve van de oorlogscampagne van Japan. In de zomer van 1944 werd Manshūkoku gebombardeerd door bommenwerpers van de Verenigde Staten, en op 9 augustus 1945 viel de Sovjet-Unie Manshūkoku binnen. Op 18 augustus werd Pu-yi door de Russen gevangen genomen, en Manshūkoku en de Japanse heerschappij over Mantsjoerije hielden op met bestaan.

Literatuuropgave

  • Beasley, William G.. Japanese Imperialism 1894-1945. New York: Oxford University Press, 1987.
  • Duus, Peter, Myers, Ramon H. en Peattie, Mark R. (red.). The Japanese Informal Empire in China, 1985-1937. Princeton: Princeton University Press, 1989.
  • Frédéric, Louis en Roth, Käthe (vert.). Japan Encyclopedia. Cambridge: Harvard University Press, 2002.
  • Goedertier, Joseph M. A Dictionary of Japanese History. New York: John Weatherhill Inc., 1968.
  • Montgomery, Michael. Imperialist Japan: The Yen to Dominate. New York: St. Martin's Press, 1988.
  • Shively, Donald H. (red.) en McCullough, William H. (red.). The Cambridge History of Japan: Vol. VI. Cambridge: Cambridge University Press, 1988.
  • Vande Walle, Willy en Coppens, Hans. Geschiedenis van het Moderne Japan. Cursus gedoceerd in het kader van het vak ‘Geschiedenis van het Moderne Japan’, Katholieke Universiteit Leuven, Faculteit Letteren, Departement Oosterse en Slavische Studies, Afdeling Japanologie, 2003.
  • Young, Louise. Japan's Total Empire: Manchuria and the Culture of Wartime Imperialism. Berkeley: University of California Press, 1998.
  • An Illustrated Encyclopedia. Tōkyō: Kodansha, 1995.

Externe Links



De inhoud van deze pagina is beschikbaar onder CC-BY-SA/GFDL.