Het Japanse Zwaard

Uit GeschiedenisJapan
(Doorverwezen vanaf Het Japanse Zwaard (日本刀))
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Japanse zwaard (日本刀, nihontō) heeft door de eeuwen heen veel variatie gekend in zowel vorm als functie. Het meest bekende zwaard uit Japan is de Katana (刀, zwaard). Tot de dag van vandaag staat het bekend als een symbool van Japan. Haar bekende, gekromde vorm is het gevolg van een moeilijk en uitgebreid proces.

Japans zwaard

Het traditioneel smeden van een Japans zwaard was en blijft een tijdrovende en kostbare bezigheid die veel geduld en aanleg vereist. De ontwikkelingen die het Japanse zwaard doormaakte werden telkens vanuit stilistische, esthetische, technologische of functionele overwegingen doorgevoerd om aan de eisen van de veranderende samenleving te kunnen voldoen.

“A good sword is the one left in its scabbard” - Japans spreekwoord

Onderdelen van het Japanse Zwaard

Onderdelen katana.jpg

  • Ha = snijlijn
  • Mune = de niet scherpe achterkant ( rug ) van het lemmet van het zwaard
  • Hamon = rand van het gepolijste deel
  • Hi = groef voor gewichtsvermindering of bloedgroef (afhankelijk van de bron)
  • Shinogi = knik naar snijvlak
  • Mono-uchi = slagvlak
  • Yokote = overganslijn naar de punt
  • Kissaki = punt van het zwaard
  • Ha-machi = einde snijvlak
  • Mekugi ana = gat in angel voor de bamboe pin
  • Mei = plaats waar datum van smeden en naam van de smid staan
  • Nagasa = lengte van de kling
  • Mune-machi = einde achterkant ( rug )
  • Nakago = angel van het zwaard
  • Sori = kromming van het zwaard
  • Saya = schede van het zwaard
  • Tsuka = handvat van het zwaard
  • Ito = gevlochten handvat om het heft van het zwaard
  • Fuchi = huls tussen tsuba en ito
  • Kashira = versierde dop op de uiteinde van het heft van het zwaard
  • Menuki = versierselen op het heft van het zwaard
  • Samegawa = roggehuid, om het heft van het zwaard
  • Kurikata = oog aan de saya voor het koord
  • Sageo = koord van het zwaard
  • Koiguchi = ingang van de schede
  • Kojiri = uiteinde van de schede van het zwaard
  • Habaki = kraag tegen de tsuba
  • Seppa = plaatjes aan weerszijden van de tsuba
  • Tsuba = stootplaat
  • Mekugi = bamboe pin die het lemmet in het handvat van het zwaard vasthoudt

Classificatie

De Japanse zwaarden kunnen op verschillende manieren ingedeeld worden.

Volgens Lengte

Een Katana

Men kan de zwaarden categoriseren aan de hand van de lengte van de kling:

Volgens Smeedperiode

De algemene indeling van Japanse zwaarden gebeurt ook vaak volgens hun smeedperiodes.

  • Kotō of Oude zwaardperiode

Heian periode (平安時代) (794-1185), Kamakura periode (鎌倉時代)(1185-1333) en Muromachi periode (室町時代) (1333-1573)

  • Shintō of Nieuwe zwaardperiode

Keichō periode (慶長) (1596-1615), en Kanbun periode (寛文) (1661-1673)

  • Shinshintō of Nieuw-nieuwe zwaardperiode

midden Edo periode (江戸時代) (1781-1876)

  • Gendaitō of Moderne zwaardperiode

late Edo periode tot heden (1877-...)

Volgens Smeedscholen

De classificatie kan ook volgens de smeedscholen gebeuren. In dit geval heeft men het over de vijf scholen of Gokaden. Deze scholen zijn op zich geografisch ingedeeld en genoemd naar hun respectievelijke provincies namelijk Bizen, Mino, Sōshū, Yamato en Yamashiro.

Historische context

Voor de historische context is zowel de volgende text als deze tijdslijn gemaakt.

De tijdslijn laat onder andere toe om foto's en kaarten toe te voegen en is eenvoudig navigeerbaar maar laat niet toe om datums voor Christus aan te duiden. De correcte datum werd dan in de titel van het event gezet.

Kotō of Oude zwaardperiode

Dit is de periode vanaf Heian tot de late Muromachi periode. Toch bestonden er daarvoor reeds zwaarden in Japan.

Jōmon Periode

Tijdens de Japanse neolitische periode (Jōmon periode (縄文時代) van ca. 10 000 – 250 v.Chr.) maakte men gebruik van ruw bewerkte stenen zwaarden die voornamelijk een ceremoniële functie hadden.

Rond 300 v.Chr. werd de vroege Japanse Jōmon-populatie geconfronteerd met de komst van een nieuw, verfijnder volk via Kyūshū. Er nam een versmelting tussen de beide volkeren plaats. Men spreekt vanaf dan van de Yayoi-periode (弥生時代) (200 v.Chr. - 300 n.Chr.).

Yayoi Periode

Tijdens de Yayoi periode werden tal van nieuwigheden door de plaatselijke bevolking overgenomen zoals rijstteelt, het pottenbakkerswiel, de introductie van het paard en de bronsbewerking. De kennis voor de precieze samenstelling en bewerking van de bronslegeringen was beperkt. Japan bezat ook slechts een aantal plaatsen waar men ijzererts ontginnen kon, wat snel leidde tot de invoer van Chinese en Koreaanse ertsen. Er wordt verondersteld dat de eerste metalen zwaarden vanuit China en Korea geïmporteerd waren of vervaardigd door in Japan gevestigde Chinese en Koreaanse zwaardsmeden. Zij vonden er gauw een geschikte afzetmarkt voor hun producten en ambachtelijke kennis.

De vroege zwaarden of chokutō (直刀) waren allen recht, tweesnijdend en breed naar Chinees en Koreaans voorbeeld. Zij werden hoofdzakelijk uit ijzer gesmeden.

Nara Periode

De staat werd tijdens de Nara periode (奈良時代) (710-784 n.Chr.) gecentraliseerd en gepersonificeerd door de keizer die hiervoor beroep deed op zijn goddelijke afstamming. De eigenlijke uitoefening van het gezag, de administratie en de landsindeling werden de taak van de uitvoerende regering. Het volk moest belastingen betalen, gemeenschapsdienst verrichten en verplichte legerdienst uitzitten.

Men gebruikte nog steeds het rechte zwaard met stangvormige kling of chokutō.

Tijdens de Nara periode overtrof het vakmanschap van de Japanse zwaardsmeden al snel de techniek van hun Chinese en Koreaanse leermeesters. Dit vakmanschap uitte zich in een groot aantal ingenieuze verbeteringen.

Zo werd het lemmet gebogen zodat het zwaard beter geschikt werd voor een snijdende beweging in plaats van een stekende beweging. Deze verandering wordt aan de smid Amakuni Yasutsuna (天國安綱) toegeschreven. Daar bovenop vonden de Japanse smeden de ideale metaalcombinatie, een amalgatie van verschillende soorten staal.

Tamahagane

Een zwaard gesmeed uit één soort staal bezit maximale hardheid maar zal ondanks haar scherpheid snel breken. Een zwaard van zacht staal wordt snel bot en zal snel buigen. Een staalcombinatie daarentegen zorgde ervoor dat de kern van het zwaard een maximale hardheid bezat, zijn snijkanten lang scherp bleven en het geheel toch genoeg veerkracht behield (tegen het breken). De Japanse smeden maakten gebruik van speciaal ijzererts, tamahagane (玉鋼) of juwelenstaal genaamd. Om de kwaliteit van het erts en de zuiverheid te verhogen werd de kitae-vouwtechniek ontwikkeld.

Heian Periode

De vorm en de kromming (sori) hangen nauw samen met het gebruik en de productie van het zwaard. Deze wordt dan weer bepaald door de tijdsperiode. De Heian periode (平安時代) (794-1185 n.Chr.) was een woelige periode van onaflatende strijd. De politieke macht en het bezit bevond zich in geringe mate in de hoofdstad waar de aristocratie verbleef terwijl de eigenlijke bestuurlijke macht en het beheer in handen kwam van plaatselijke ambtenaren en gouverneurs. Dit had een versnippering van het landgoed en de domeinen tot gevolg. De vrede werd verder verstoord door epidemieën, hongersnood en de groeiende ontevredenheid bij het volk dat moest opdraaien voor de laaiend hoge staatsuitgaven.

De behoefte aan een eigen defensie zorgde voor een groeiend aantal privé-milities (gewapende korpsen) en protesteerende krijgersbendes. De verscheuring werd verder aangewakkerd door interne rivaliteit en onderlinge twist.

Een nieuwe opkomende klasse landheren boden hun diensten (orde handhaven) aan in ruil voor het directe beheer van de landgoederen. Hierop volgde vanaf de tiende eeuw een periode van rust en rijkdom. Een rijke hoofse cultuur met een verfijnde levensstijl ontwikkelde zich geleidelijk aan. Het zwaard kreeg meer en meer een symbolische waarde.

De vijf scholen of Gokuden werden opgericht. De lange zwaarden of tachi (太刀) werden gebruikt door de adelijke heren. Zij werden met de snede naar beneden door de obi (帯) of gordel gedragen. Ze vertegenwoordigden sociale macht, economische rijkdom, de feodale deugden, trouw en wederdienst. Dit blijkt uit de overdadige versiering en lange kling die ongeschikt was voor directe confrontaties.

Het buigen van de kling werd doorgezet en de samurai (侍) (militaire edelen) gingen het zwaard met de snede naar boven in hun riem dragen. De bloei van het boeddhisme gaf een extra dimensie mee aan het zwaard dankzij haar prominente rol in de esoterische traditie of mikkyō (密教). Ondanks het feit dat het zwaard nooit echt als het belangrijkste wapen voor oorlogsvoering beschouwd werd (maar wel de pijl-boog, de speer en later het geweer) kreeg het de meest spirituele invulling omdat het de krijger zijn persoonlijkste wapen was.

De meeste zwaarden waren sierlijk en licht, hadden een brede kling en toegespitste punt, met een diepe kromming (vooral ter hoogte van het handvat of de koshisori; toegepast door alle scholen) en een lengte van zo'n 80 centimeter. Zij konden zeer eenvoudig door behulp van slechts één hand getrokken worden terwijl men met de andere hand de teugels van het paard vasthield.

Kamakura Periode

In het begin van de Kamakura periode (鎌倉時代) (1185-1333) werden de zwaarden verbreed en verzwaard. De evolutie was een noodzakelijk gevolg van de ontwikkeling van verstevigde harnassen en het steigende aantal gevechten. Het ging om een kromming waarvan het dieptepunt zich eerder in het midden van de kling bevond, de toriisori. Dit was ook de periode bij uitstek waarin de Japanse smeedkunst haar absolute hoogtepunt bereikte.

In de Nambokuchō periode (南北朝時代) (1336-1392) beschikte men over brede, lange (soms meer dan 1 meter) zwaarden met weinig rugkromming. Om het hanteren te vergemakkelijken en de essentiële snelheid nodig bij het trekken en de aanval te verkrijgen, werden de zwaarden zeer dun gesmeed en van groeven voorzien. De Nambokuchō periode is van belang omdat het toenmalige zwaard als model diende voor de latere zwaarden of katana (刀).

Muromachi Periode

Tijdens de Muromachi periode (室町時代) (1333-1573) werd de strijdwijze te paard verdrongen door de infanterie. Men ging dus logischerwijze geheel andere eisen aan het gebruik en de vorm van het zwaard stellen. Het zwaard werd opnieuw ingekort tot ongeveer 60 centimeter dat over een kromming beschikte ter hoogte van de punt, de sakisori. Dit liet de strijders toe hun zwaarden bliksemsnel met één hand te trekken.

Men ging de katana samen met de wakizashi met de snede naar boven in de gordel dragen. Deze draagwijze geeft men aan als de daishō (大小). Verder wordt de Muromachi periode gekenmerkt door een groot aantal bloedige (burger)oorlogen. De vraag naar zwaarden steeg en de kwaliteit daalde na de overgang op massaproduktie of kazu uchimono. De functionaliteit werd topprioriteit. De geweldige scherpte van deze zwaarden wordt alom door beoefenaars van Iaidō (居合道) (de kunst van het zwaardtrekken) geprezen. Een zwaard van de meestersmid Kanemoto kliefde, volgens een militaire instructiefilm uit W.O.II, de loop van een Browning.30 (een luchtgekoeld machinegeweer) in tweeën.

Shintō of Nieuwe zwaardperiode

De komst van Oda Nobunaga (織田 信長) (1534-1582) luidde een periode van komende vrede in die door zijn opvolgers Toyotomi Hideyoshi (豊臣秀吉) (1536-1598) en Tokugawa Ieyasu (徳川 家康) (1542-1616) geconsolideerd werd. Het zwaard werd nu openlijk geassocieërd met de macht van de mannelijke krijgersklasse of de samurai. Het dragen ervan werd uitsluitend aan samurai toegstaan hoewel iedereen het zich in vroeger tijden mocht veroorloven.

Dit was deels het resultaat van de strikte klassenscheiding of shinōkōsho (士農工商) (in krijgers, boeren, ambachtslui en handelaars) en de katana gari (刀狩) of zwaardenjacht die volgde onder Toyotomi Hideyoshi.

De vraag naar mooie zwaarden als kunstobject steeg maar de kennis en geheimen van de grootmeesters waren helaas grotendeels verloren gegaan in de turbulentie van de oorlogsjaren. Daarbij kwam nog de verandering in de samenstelling van de nieuwe zwaarden onder invloed van buitenlandse technieken. Dankzij de volharding en zoektocht van een handvol traditionalistische smeden die de oude fabricagemethoden bestudeerden, brak een nieuwe bloeiperiode aan.

De zwaarden uit de Shintō periode hebben een breed en bijna evenwichtig lemmet in de Keichō Shintō stijl. Hun lengte bedraagt ca. 70 centimeter en ze vertonen weinig kromming. Zij zijn iets dikker dan de zwaarden uit de Nambokuchō periode en werden vaak van de nodige inscripties en handtekeningen voorzien op de angel of nakago van het zwaard.

Shinshintō of Nieuw-nieuwe zwaardperiode

De zeventiende eeuw bracht vele meestersmeden voort en een nieuwe stijl; de Kanbun Shintō stijl. De kling werd breed, weinig kromming, taps toelopend naar de punt toe en had een gemiddelde lengte van 73 centimeter.

Deze periode werd gevolgd door een afname van de vraag naar zwaarden. Pas vanaf 1780 werd er nieuw leven geblazen in de zwaardsmeedkunst door de intensieve studie van oude,vergaan gewaande smeedmethoden onder leiding van Suishinshi Masahide. Men was weer in staat alle stijlen na te bootsen. Naast Masahide bracht de Shinshintō-periode nog enkele andere beroemde smeden voort, met name Naotane, Kyomaro, Sa Yukihide en Motohira.

Gendaitō of Moderne zwaardperiode

Het begin van de moderne Japanse staat vanaf 1867 betekende het naderende einde voor het zwaard. In 1876 werd het Decreet op de Afschaffing van de Zwaarddracht of de haitō rei afgekondigd. In grote lijnen werd het dragen van zwaarden voor alle standen verboden. De zwaarden die hierna gemaakt werden, noemt men gendaitō of hedendaagse zwaarden. De Japanse officieren vervingen hun zwaarden door westerse sabels. Het zwaard verloor haar prominente plaats in de nieuwe staat.

Het bovenstaande idee werd tijdens de Japanse imperialistische expansie aan de kant geschoven. Het zwaard werd in ere hersteld maar werd voor de onderdrukten het symbool van lijden, uitbuiting en moord. De markt werd ook overspoeld door fabriekszwaarden. Deze laatsten werden op een westerse wijze gefabriceerd uit één stuk metaal waarvan 95,22-98,12% ijzer en met een koolstofgehalte van meer dan 1%. Om een zekere flexibiliteit te bekomen vermengde men het harde ijzer met silicium, koper, mangaan, wolfram en zelfs titanium. Zij werden in olie gehard in plaats van in water. Het nadeel is dat een groot gedeelte van de typische schoonheid eigen aan de Japanse zwaarden niet aanwezig is op de machinaal vervaardigde exemplaren.

Na W.O.II werden ze in grote aantallen naar het buitenland gescheept door leden van de winnende troepen. Zij werden bewaard als bewijs van de geallieerde overwinning en de nederlaag van het Japanse leger.

Vanaf 1960 verloren de meeste zwaarden hun utilitaire waarde. Zij worden sindsdien als collectiestukken aanzien en zijn tot op heden de uiting van de rijkdom en esthetische smaak van de eigenaar. Traditioneel vervaardigde exemplaren kosten dan ook een klein fortuin. Verder neemt het zwaard een steeds grotere plaats in de popcultuur (gevechtsport, ceremonie, film, manga (漫画), muziek, Japanse tatoeage of irezumi (入れ墨), yakuza (やくざ), literatuur en (アニメ)).

Het traditionele smeedproces

Het maken van het perfecte zwaard is over de hele wereld een belangrijke zoektocht geweest. Smeden van eender welke cultuur of tijdsperiode zochten naar de perfecte techniek om het perfecte zwaard te vormen. Zo moet een zwaard hard genoeg zijn om een scherp lemmet te hebben en goed te kunnen slagen of snijden maar ook zwacht genoeg zijn om schokken te kunnen absorberen (en dus niet na de eerste slag te breken).

De Japanse smeden merkten, net als in Europa en het Oosten, al snel op dat de zwaarden die enkel uit ijzer bestonden snel bot werden en gemakkelijk bogen. Om dit tegen te gaan gingen de smeden op zoek naar nieuwe technieken om de kwaliteit van het metaal te verbeteren. Ze ontdekten dat er een inorme verbetering optrad wanneer men het ijzer herhaaldelijk verhitte en welde. Hierdoor bekwam men, via het oxidatie-proces van koolstof, staal van een bemerkelijk hogere kwaliteit.

In dat opzocht had Japan wel een groot nadeel ten opzicht van Europa; het ijzer (dat nodig is om staal mee te maken) dat in Japan gevonden werd was bijna zo goed als nutteloos. Maar dit was geen onoverkoombare horde. Ze moesten slechts op zoek gaan naar het beste ijzer en dit verfijnen tot het perfect was om het beste staal van te maken; tamahagane.

Tamahagane

Het smeden van een katana is een lang en zorgvuldig proces. Het begint bij het maken van Tamahagane, de metaalsoort die gebruikt wordt in het maken van een katana. Tamahagane is een uitzonderlijk zeldzame metaalsoort.

Allereerst wordt er een grote kleien constructie gemaakt. Dit wordt de tatara genoemd. Als deze constructie eenmaal klaar is, zal de smelter een vuur van houtskool starten en wachten tot deze op de juiste temperatuur is. Eens het vuur de juiste temperatuur heeft zal de smelter ijzerzand toevoegen, ook gekend als satetsu. De volgende 72 uur zullen er constant lagen van opgebrand houtskool en ijzerzand toegevoegd worden.

Als dit proces klaar is, breken ze de klei en nemen ze het staal eruit. Dit wordt dan naar de zwaardsmid gebracht en het smeed proces kan beginnen.

Kort gesteld is tamahagane een onreine staalsoort met een koolstofpercentage variërend van ca. 0,6 tot 1,5 bekomen na het smelten van ijzerzand of satetsu.

Smeed proces

De zwaardsmid zal het aangekregen staal breken en de verschillende koolstof lagen scheiden. De laagste koolstof laag wordt hocho-tetsu genoemd. Dit wordt gebruikt om de shingane(kernstaal) van het zwaard te maken.

Door gebruik te maken van strenge smeed methodes kan men het staal hard of zacht smeden. Dit doet men door het staal keer op keer te looien; hoe meer plooien, hoe harder het staal. Het plooien verwijderd onzuiverheden en de afwisselende lagen combineren hardheid met vervormbaarheid om taaiheid te verkrijgen. Dit proces kan vele jaren duren. Meestal worden deze metalen enkel aan een meester-zwaardsmid verkocht door hun zeldzaamheid.

De katana bestaat steeds uit een kern van zacht staal en een rand van hard staal (met soms een snijkant van verenstaal, wat er tussenin zit).

Het smeed proces eindigt met de afwerking en het poleisten van het zwaard. Hieronder wordt het hele proces in meer detail uitgelegd.

Het smeden

De smid kiest zorgvuldig de te bewerken blokken van drie soorten tamahagane uit die in de gewenste volgorde gestapeld worden. Het smitsvuur werkte vroeger in een tatara of rechthoekige klei-oven (120 centimeter hoog, 360 centimeter lang en 120 centimeter breed) met speciale houtskool dat noch zwavel noch fosfor bevat.

Men verhit eerst het ijzer aan zeer hoge temperaturen tot het witheet wordt en een groot gedeelte van de verontreinigingen verbrand wordt. Hierdoor onstaat aan de oppervlakte een vloeibare laag waarmee men twee oppervlaktes aan elkaar kan wellen of vuurlassen. Terwijl de buitenstructuur geopend wordt, homogeniseert de hoeveelheid koolstof op het oppervlak tot zo'n 0,6-0,7%. De arbeidsintensieve handeling is van groot belang om de nodige hardheid te bekomen.

Het ijzer wordt gehamerd en gevouwen zodat de koolstof houdende laag in het midden komt te liggen. Deze behandeling wordt herhaald tot men de gewenste hardheid bekomt:

  • 15 maal vouwen: harde staalsoort (meer dan 16 000 lagen)
  • 8-10 maal vouwen: verenstaal
  • 5-7 maal vouwen: zachte staalsoort

De meest gebruikte constructie is de sanmai awase. De kern van het zwaard wordt gevormd uit zacht staal (5 maal vouwen), de snijkanten uit verenstaal (7 maal vouwen) en de zijkanten uit hard staal (15 maal vouwen). Er bestaan uiteraard andere constructies maar de principes (zachte kern, harde zijkant) van de sanmai awase worden bij elk ervan behouden. Zo bekomt men aan de snijdende kant een [1] van 60 Rockwell en aan de gekromde rug een staalhardheid van 40 Rockwell.

Door het staal herhaaldelijk te vouwen verkrijgt men een fijn patroon aan de oppervlakte of huid (hada) van het zwaard dat pas na de polijsting duidelijk zichtbaar wordt:

  • mokume hada: houtnerfpatroon met bellenpatroon
  • itame hada: houtnerf met cirkelpatroon
  • masame hada: verticaal lijnenpatroon
  • ayasugi hada: regelmatig golfpatroon

Na het wellen wordt het stuk staal uitgerekt tot de gewenste lengte. De moeilijkheid ligt in het gelijk verdelen van de dikte van de lagen, wat uiteraard groot vakmanschap vereist. De smid brengt het zwaard in de eigenlijke vorm. De kling wordt ruw gepolijst. Men onderscheidt al duidelijk een afgelijnd profiel, de punt, de snede, de angel en een vlak oppervlak.

De harding

Het lemmet wordt bedekt met een dik mengsel van klei, houtskool, water, as en andere ingrediënten (yakibatsuchi). Het kleimengsel wordt in lagen van verschillende diktes aangebracht. De rug van het zwaard wordt van een dikkere laag voorzien dan de snede of een gedeelte langs de snede wordt gedeeltelijk of volledig verwijdert. De hoeveelheid en de manier waarop het mengsel weggeschraapt wordt, bepaalt het patroon van de geharde snede of hamon.

Na het drogen van de klei wordt het zwaard tot de gewenste temperatuur verhit in een verduisterde smidse, hetgeen de smid toelaat aan de hand van het gekleurde staal een oordeel te vellen. Tijdens het bakken vinden een paar belangrijke chemische processen plaats. Men heeft het dan vooral over de veranderingen van de kristalstructuren binnen het metaal zelf.

Het zwaard wordt meteen, na het bereiken van de kritische temperatuur, in gereinigd water gedompeld. De dun bedekte laag staal koelt logischerwijs sneller af. Bijgevolg wordt de maximale hardheid op die plaatsen behouden door de verandering van austeniet naar martensiet (zacht naar hard staal). Onder de dik bedekte lagen bekomt men een taai doch veerkrachtig staal door de vorming van ferriet en perliet.

Het gehele proces laat ook toe gemakkelijker de kromming van de rug te vormen. De gebakken kleilaag wodt verwijderd en het zwaard gescherpt op een wetsteen. Grote aandacht wordt besteed aan de punt of kissaki en de snijdende overgang ervan in de kling of de monouchi. Er wordt ervoor gezorgd dat de gereedschapsstalen snede ook langs de snijkant van de kissaki loopt. De kling van het zwaard wordt uiteraard gecontroleerd op mogelijke smeedfouten of kizu.

Na de minutieuze inspectie wordt de angel of nakago gevijld en van de meester zijn signatuur (eventueel de fabricatiedatum en horimono of gegraveerde godheden) voorzien voor het overgedragen wordt aan een professionele polijster. De nakago is van twee gaatjes voorzien waardoor bamboepennen of mekugi steken ter fixatie van het handvat. De harding zorgt naast een zichtbare verandering van het metaaloppervlak voor een waaier aan esthetische effecten in het randpatroon.

De groeven die zich aan beide zijkanten van de kling bevinden, worden aangebracht om sterkte, structurele integriteit en lichtheid te behouden. In tegenstelling tot de wijdverspreide mythe, dienen de aangebrachte groeven niet als gleuf om eventueel bloed gemakkelijk in één handomdraai te laten wegvloeien. Ze laten de krijger ook toe te zien of kling en snijrichting perfect gelijk lopen.

De polijsting

De polijsting legt alle facetten van het zwaard bloot. Het geeft de verplichte karakteristieke vorm en eigenschappen weer die bij onprofessionele aanpak gedeeltelijk of al dan niet volledig te niet kunnen worden gedaan. Dit kan enkel op de Japanse wijze bekomen worden, waarbij men in tegenstelling tot de westerse polijstingswijze de oppervlakte van het zwaard “openwerkt”.

Het polijsten begint met grove stenen (“vormen” van het zwaard) en eindigt met het gebruik van fijne schilfers (accentueren en detaileren van de oppervlaktepatronen). Er zijn twee methodes: de sashikomi- en de keshō-methode.

Men kan de sashikomi-methode het best vergelijken met de natuurlijke schoonheid van een onopgemaakt vrouwengezicht waarvan alle schoonheid tussen de jihada (gedeelte tussen het randpatroon en de richel op de zijkant van de kling) en de yakiba (geharde snede) genuanceerd is.

De keshō-methode is vergelijkbaar met het kunstig opgemaakte gezicht van de verfijnde geisha (芸者). Men bedoelt dat het contrast tussen de jihada en de yakiba overduidelijk zichtbaar is door het natekenen van de yakiba met grovere steenschilfers.

Algemeen wordt aangenomen dat men in een eerste fase het zwaard over grotere, grovere stenen heen beweegt om de rug te verstevigen. De jihada wordt gekleurd door een watten rolletje dat een mengeling bevat van fijn gefilterd ijzeroxide en plantaardige olie.

In de latere fases wordt de yakiba manueel afgewerkt met zeer dunne met papier versterkte schilfers. Deze worden met de duim over het zwaard gestreken tot het bekomen van de zo bewonderde zilverwitte matte glans.

Tenslotte volgt het bruneren (drukpolijsten) met de bruneernaald. Na deze behandeling vertonen de shinogiji (deel tussen de richel en de rug van het zwaard) en de mune (de rug zelf) een hoogglanzend oppervlak. De nioi-lijn langs de hamon wordt getekend en zichtbaar als het zwaard tegen het licht in wordt bekeken samen met de nie-deeltjes (“spiegeltjes” langs/in de hamon). Deze en veel meer karakteristieken worden enkel door een geoefend oog en kennis van zaken onderscheidbaar.

De ziel van het zwaard

Shintō

Al vroeg in de geschiedenis maakte men in Japan zwaarden om ceremoniële doeleinden. Het idee omtrent het magische aspect van het zwaard en de symbolische macht werden versterkt in de Kojiki (古事記) (Aantekeningen van Oude Dingen) (712 n.Chr.; oudste bestaande kroniek van Japan met mythisch-shintoïstische genealogie van de keizerlijke familie) en de Nihonshoki (日本書紀 ) (Kronieken van Japan) (720 n.Chr.; geschiedenisbeschrijving in Chinese trant en legitimatie van de heerschappij).

Volgens de legendes schonk de kleinzoon van de zonnegodin (天照),) (瓊瓊杵尊, na de stichting van het Japanse rijk drie regalia of de Sanshu no jingi(三種の神器) (symbolen van keizerlijke autoriteit) aan de eerste Japanse keizer (神武天皇).

Het betrof de bronzen spiegel Yata no kagami (八咫鏡), de jaden ketting Yasakani no magatama (八尺瓊曲玉) en het beroemde zwaard Ame no murakumo no tsurugi (天叢雲剣) of het Zwaard van de Hemelse Wolken. Er wordt vaak naar verwezen met de populaire benaming Kusanagi no tsurugi (草薙の剣), het Grasmaaiend Zwaard of Slangenzwaard.

De shinōkōshō en de katana gari vormen de hoeksteen van de idee rond de bezieling van het zwaard omdat samurai en zwaard van dan als één beschouwd werden. Het zwaard werd de ziel van de strijder die het voor eeuwig moest koesteren en beschermen. Een krijger die zijn zwaard verloor of brak werd zijn fouten nooit vergeven of van zijn schande ontdaan. Hij zou nooit meer “heel” worden.

Filosofische Handboeken

Er zijn veel overblijfsels van de spirituele inbrenging die het boeddhisme uit de Heian periode met zich meebracht. Het zwaard diende het geestelijke verlengstuk van de arm en kracht van de bewapende te zijn. De zwaardvechters gingen hun vaardigheden tot de perfectie verheffen en hun kunst vanuit een meer filosofische hoek benaderen en toelichten in een reeks zen gerelateerde werken, bijvoorbeeld Het mysterieuze verslag van onverzettelijke wijsheid door de Rinzai (臨済宗)-monnik Takuan Sōhō (沢庵 宗彭) (1573-1645), Go Rin no Sho (Boek van de vijf ringen) door Musashi (宮本 武蔵) (1584-1945) en Hagakure (葉隠). Het boek van de samurai door Tsunetomo (1659-1719), Zen en de Oosterse martiale kunsten door Deshimaru (1914-1982).

Het zijn technische handleidingen aangevuld met spirituele adviezen om het puur fysieke te overstijgen en dus niet over militaire strategie-mogelijkheden zoals die in Tzu's (孫子) (544-496 v.Chr.) boek Sūnzĭ Bīngfǎ (孫子兵法) (De kunst van het oorlogvoeren). Deze gedachten primeren vandaag de dag nog in de beoefening van kendō (剣道) (de Leer van de Weg van het zwaard) dat uit de feodale Japanse krijgerstraditie stamt.

Het Smeden

Het gehele productieproces van het zwaard neemt weken in beslag en gaat gepaard met een aantal rituele reinigingen en handelingen. De smid zal afzien van het nuttigen van vlees, alcoholische substanties en geslachtgemeenschap. Het smeden zelf wordt als een rituele handeling beschouwd. Het shintoïstische concept van reinheid manifesteert zich in de dagelijkse rituele wassingen.

Zwaarden die vervaardigd worden door ware smeedkunstenaars overschrijden het statuut van object of gereedschap. Zij worden gepersonificeerd en zijn doordrongen van een eigen “ziel” (soms zelfs een eigen “wil”, een verborgen leven) of een essentie van de persoonlijkheid van de smeder. De samurai moest daarom streven naar een staat zonder gedachte of munen.

Dit is een oud zen-begrip dat men niet moet verwarren met de satori of verlichting. De strijder moest zich ervan bewust zijn dat de weg die hij bewandelde steevast eindigde met zijn dood. Sterven hoorde smetteloos en eervol te geschieden. Eenmaal hij dit aanvaard had, moest hij dit alles loslaten voor hij zich in de strijd stortte.

De bezielde zwaarden noemt men meitō. Een zwaard werd als “levengevend” beschouwd wanneer het toebehoorde aan een meester die de bushi no nasake of het vermogen van de krijger bezat. Een zwaard werd slechtmoedig en verwoestend wanneer het in verkeerde handen terecht kwam of omwille van boosaardige redenen gesmeden werd. Dit wordt het best geïllusteerd door de verhalen waarin Masamune en Muramasa elkaars zwaarden vergelijken.

Masamune Okazaki en Muramasa Sengo

Masamune Okazaki (正宗) en Sengo Muramasa waren beide gedreven zwaardsmeden uit de late Kamakura en de vroege Muromachi periode. Masamune was vreedzaam en kalm. Muramasa wordt beschreven als bloeddorsrig en mentaal labiel. Beide smeden ontmoetten elkaar aan de rand van een rivier of waterval om hun bedrevenheid in de smeedkunst te bewijzen.

Muramasa stak als eerste zijn beste zwaard in de stroom. Elke langs zwemmende vis, elk voorbij drijvend blad en zelfs de lucht rondom werden door de scherpe snede netjes doormidden gekliefd. De trotse eigenaar trok zijn zwaard terug om plaats te maken voor zijn rivaal. Tot Muramasa's verbazing en groot jolijt slaagde Masamune zijn zwaard er niet in ook maar een pluisje te beschadigen.

Een toeschouwende monnik buigde in bewondering voor de beide meesters en kwam met een verklaring voor het rare gebeuren op de proppen. Beide meesters beschikten over een perfecte smeedtechniek en legendarische scherpte. Het was echter de “ziel” die in elk zwaard vervat zat, dat het merkwaardige tot stand bracht. Het zwaard van Masamune was oprecht, goed en rechtvaardig terwijl de kwaadaardigheid en bloeddorstige aard van Muramasa's exemplaar geen onderscheid maakte tussen vriend of vijand. Het sneed alles met hetzelfde gemak en dezelfde onverschilligheid.

Alhoewel er verschillende versies bestaan van dit verhaal, blijft de achterliggende idee of moraal hetzelfde. Men moet ook niet uit het oog verliezen dat het hier over niets meer dan legendes gaan die op de koop toe vanuit historisch oogpunt onmogelijk zijn. De smeden en hun zwaarden hebben wel bestaan. Feit is ook dat beiden aanzien genoten. Maar Muramasa was nooit de leerling van Masamune geweest en een ontmoeting tussen beide heeft nooit plaats gevonden.

De legendes geven enkel een beeldende verklaring voor het meitō-motief en een mogelijke basis voor de groeiende angst voor de zwaarden van de hand van meester Muramasa. Het ongeluk dat deze “vervloekte” zwaarden meedroegen, leidde in de Edo periode onder de regering van de machtige Tokugawa-familie tot de uiteindelijke verbanning en het strafbaar bezit van bovenstaande.

De eerste (將軍) van Japan Tokugawa Ieyasu, zijn vader Hirotada (松平 広忠) (1526-1549) en diens vader Kiyoyasu (?-1535) vonden de dood na een aanvaring met Muramasa-zwaarden. Tijdens de Meiji restauratie of Meiji ishin (明治維新) (1866-1869), werden de wapens het symbool bij uitstek voor het heersende ongenoegen ten opzichte van de Tokugawa.

Bronnen

Boeken

  • Vande Walle Willy, Coppens Hans. Geschiedenis van Japan voor 1868, Katholieke Universiteit Leuven, 2003.
  • Gemeentekrediet van België, Samurai, catalogus-boek uitgegeven naar aanleiding van de tentoonstelling georganiseerd door het Gemeentekrediet van België, Snoeck-Ducaju & Zoon, Gent, 1984.
  • Nederlandse Tōken Vereniging (1983), De samurai. Japanse krijgslieden, hun zwaarden en zwaardsieraden, Drukkerij de Kempen (Hapert), tweede druk februari 1984.
  • Yamamoto Tsunetomo. Hagakure. Het boek van de samurai, Bres BV (Amsterdam), Nederlandse editie 2001. ISBN 90 6229 071 X
  • Taisen Deshimaru. Zen en de Oosterse martiale kunsten. Een Japanse meester onthult de geheimen van de samurai, De Driehoek (Amsterdam), 1987. ISBN 90 6030 434 9
  • Broderick Jeff, Kendō. Essentiële informatie over training en technieken, Veltman Uitgevers (Utrecht), Nederlandse editie 2005. ISBN 90 5920 329 1
  • Kaufman Stephen F., Musashi's Book of five rings. The definitive interpretation of Miyamoto Musashi's classic book of strategy, Tuttle Publishing, 2004. ISBN 0 8048 3520 9
  • Vande Walle, W. Een geschiedenis van Japan, Acco Leuven, 2009.
  • Kapp, L., Kapp, H., Yoshihara, Y. The craft of the Japanese sword, Kodansha International, 1987.
  • Yumoto, J.M. The Samurai sword: a handbook, Tuttle Publishing, 1958.

Electronische bronnen