Het Engels-Japans Vriendschapsverdrag van 1854(日英和親条約)

Uit GeschiedenisJapan

Excursus - Studentenbijdrage

Inhoud

Admiraal Sir James Stirling

Admiraal Sir James Stirling wordt op 28 januari 1791 geboren in North Lanakshire, Schotland. Omdat zijn hele familie al in de scheepvaart zat, was het dus niet meer dan normaal dat Stirling uiteindelijk in de Royal Navy terechtkwam.

Al op 12-jarige leeftijd scheepte hij in om te vertrekken naar West-Indië. Daar diende hij onder zijn oom op verschillende schepen en werd er uiteindelijk Vlagluitenant.

In 1812 kreeg hij voor de eerste keer het bevel over een schip tijdens de oorlog van 1812.

In 1826 kreeg hij de opdracht om de kust van West-Australië te onderzoeken. Hij was er zo van onder de indruk dat hij het de moeite vond er een vestiging op te zetten. In 1829 kreeg hij daarvoor de toestemming en stichtte hij de "Swan River Colony".

Van 1854 tot 1856 was Stirling bevelhebber van de vloot van de Britse vestiging in China. In 1854 lukte het hem een verdrag met Japan op te stellen, maar hij werd teruggeroepen omdat hij er niet in geslaagd was de Russische vloot te vernietigen, wat zijn eigenlijke opdracht was (zie verder in dit artikel).

In 1857 werd hij gepromoveerd tot Vice-Admiraal en in 1862 kreeg hij de titel van Admiraal.

Stirling stierf in Surrey op 22 april 1865, hij was toen 74 jaar.

Engels-Japans Vriendschapsverdrag

Korte voorgeschiedenis

Toen in 1852 bekend raakte dat de Amerikanen een expeditie op touw zetten om de isolatie van Japan te doorbreken, nam Groot-Brittannië een afwachtende houding aan. Het was er in geen geval op belust de Amerikanen voor te zijn, integendeel, de Britse regering was van mening dat als het isolement eenmaal doorbroken was, het voor hen veel makkelijker zou zijn om onderhandelingen te voeren met Japan. De enige die vond dat de Britten ook een kans moesten grijpen om een verdrag met Japan af te sluiten was Dr. John Bowring, op dat moment de Britse consul van Kanton. Hij had echter niet de toestemming om te onderhandelen met Japan en moest dus afwachten.

Toen in april 1854 duidelijk werd dat de expeditie van Perry succesvol geweest was, vond Bowring dat het tijd was om iets te ondernemen. Ondertussen had hij de toestemming al gekregen om eventueel met Japan te onderhandelen als er zich een gunstig moment voordeed en hij zeker was dat zijn afwezigheid in China geen erge gevolgen zou hebben. Bowring wou echter niet vertrekken zonder eerst een zeker aantal oorlogsschepen rond zich verzameld te hebben, want dat had uiteindelijk ook de Amerikanen geholpen. Aan Admiraal Sir James Stirling, bevelhebber van de strijdmacht in China, werd de opdracht gegeven om daarvoor te zorgen.

Een maand later was de vloot klaar om te vertrekken, maar een bericht uit Groot-Brittannië verhinderde dat. Eerder dat jaar was een oorlog met Rusland uitgebroken en hoewel die voor het grootste deel in Europa uitgevochten werd, was de hulp van Stirling toch nodig. Een Russische vloot was immers onderweg naar Japan en van Stirling werd verwacht dat hij die in het oog zou houden en indien nodig zou aanvallen. Ook in China waren er problemen. De Britse vestiging werd er bedreigd door de T'aip'ing rebellen en aanwezigheid van Bowring was dus vereist.

De taak van Stirling was nu om de Russische vloot in het oog te houden en indien nodig aan te vallen. Om te verhinderen dat de Russen toegang zouden krijgen tot de Japanse havens, besloot Stirling toch te onderhandelen met Japan.

De onderhandelingen

Stirling kwam met zijn schip "Winchester" aan in de haven van Nagasaki op 7 september 1854, samen met nog 3 andere oorlogsschepen. Om te kunnen onderhandelen had hij een tolk meegebracht, maar deze was eigenlijk niet zo geschikt, want hij beheerste alleen maar de furigana en niet de kanji waarin de meeste officiële documenten werden opgesteld.

De Japanners waren evenmin goed voorzien om in het engels te kunnen communiceren. De enige Japanners die de taal een beetje machtig waren, konden het enkel spreken en antwoord geven op de brieven die Stirling stuurde was dus onmogelijk. De uiteindelijke oplossing was om de brieven eerst in het Nederlands te laten vertalen en daarna in het Japans, wat natuurlijk voor misverstanden zorgde.

Toen Stirling aankwam, liet hij onmiddelijk een brief zenden naar de Bugyô (奉行) waarin stond dat gedurende de oorlog met Rusland, de Britse schepen geregeld gebruik zouden maken van de Japanse havens ten gevolge van de oorlog met Rusland. De brief vermeldde ook dat Stirling eerst wou weten wat de Japanse houding was inzake de oorlog tussen Rusland en Japan en beloofde daar rekening mee te houden. De admiraal stelde zich dus heel vriendelijk op tegenover Japan, maar toen de vertaalde versie de Bugyô bereikte, was de inhoud helemaal veranderd. Nu kwam het er op neer dat de Britten toegang tot de Japanse havens eisten.

Japan zat nu dus met een dilemma. Het wou de Britten niet zomaar hun zin geven, want dat zou hun relatie met Rusland slechter maken. Aan de andere kant konden ze het verzoek van de Britten niet zomaar weigeren, want dan zouden ze aangevallen worden. Daarom besloten ze om de Britten toestemming te geven voor het gebruik van de havens van Nagasaki en Hakodate. Als dat niet voldoende zou blijken, zou de haven van Shimoda ook nog geopend worden.

Ondertussen werd Stirling nogal ongeduldig omdat hij maar niets hoorde van de Bugyô en hij zei dat als er niet snel een antwoord kwam, hij zelf aan land zou komen en naar Edo zou gaan om te horen hoe het zat.

Dit maakte de Japanners bang en ze vroegen hem nog even geduld te hebben. Op 3 oktober zou er een eerste ontmoeting komen tussen de Admiraal en de Bugyô. Daarna kwamen er nog enkele onderhandelingen en werd er een voorlopig verdrag opgesteld. Door het taalproblemen tussen beide partijen en de Japanners dus niet goed begrepen wat Stirling hen nu eigenlijk vroeg, werd hem een soortgelijk gedrag aangeboden als dat van Perry.

Het uiteindelijke verdrag

Op 14 oktober 1854 kwam Stirling aan land voor de laatste onderhandeling. Het voorlopig opgestelde verdrag telde nu 6 artikels met de volgende inhoud:

  • Artikel 1 hield in dat Groot-Brittannië toegang kreeg tot de havens van Hakodate en Nagasaki voor reparaties en het bevoorraden van de schepen.
  • Artikel 2 vermeldde de data wanneer de havens moesten opengesteld worden en wanneer er controle zou uitgevoerd worden of de Britse schepen zich hielden aan de gewoontes van de havens.
  • Artikel 3 verbood de Britse schepen om andere Japanse havens te gebruiken, behalve als een schip in nood was.
  • Artikel 4 zei dat de Britten zich zouden aanpassen aan de Japanse wetten. Als een van de matrozen een wet overtrad, zou deze gestraft worden door zijn eigen kapitein. (Of dit ook andere gevolgen zou hebben zoals bijvoorbeeld het sluiten van de havens werd nergens vermeld.)
  • Artikel 5 was de clausule van de meest begunstigde natie. In een brief had Stirling uitgelegd aan de Japanners dat deze clausule nodig was, want Groot-Brittannië zou nooit een verdrag goedkeuren als dat hen in een lagere positie dan de VS of andere naties zou brengen.
  • Artikel 6 tenslotte zei dat na het tekenen van het verdrag het nog binnen de 12 maanden moest geratificeerd worden in de haven van Nagasaki. Volgens Stirling was dit een "Europese gewoonte", dus de Japanners hadden daar weinig tegenin te brengen.

De Bugyô was echter nog niet helemaal tevreden over hoe alles verwoord was. Bij artikel 1 wilden ze nog de vermelding dat er een limiet stond op het inslaan van voorraden. Artikel 3 leek hen ook niet echt duidelijk genoeg, maar dat werd uiteindelijk gezien als een nuanceverschil door het gebruik van de verschillende talen. De andere artikels werden aanvaard, maar de Bugyô wou dat er nog een regel bijkwam die zou verhinderen dat er nog wijzigingen konden gebeuren met de overeenkomst. Uiteindelijk werd een artikel 7 toegevoegd waarin stond dat geen enkele officier die naar Japan kwam het verdrag kon veranderen. Dit stuitte op veel kritiek in Groot-Brittannië, men dacht immers dat dit artikel alle toekomstige onderhandelingen onmogelijk zou maken. Het woord "officier" was echter een verkeerde vertaling van de tolk voor het Japanse woord voor de "aanvoerder van een oorlogsschip" en eventueel toekomstige onderhandelingen waren dus wel nog mogelijk. Later op de dag werd het verdrag door beide partijen in hun eigen taal ondertekend.

Dit verdrag werd gezien als een eerste stap om de handel tussen Groot-Brittannië en Japan mogelijk te maken.

Bronnen

  • Beasley, W.G., Great Britain and the opening of Japan 1834 - 1858. 1995, Japan Library, Surrey, p. 87-144
  • Paske-Smith, M., Western barbarians in Japan and Formosa in Tokugawa days 1603-1868. 1968, Paragon Book Reprent Corporation, New York, p. 137-140
  • Cortazzi, H., Victorians in Japan, in and around the Treaty ports. The Athlone Press, London and Atlantic Highlands, p. 4-9