Het Christendom tijdens het Edo-tijdperk
Uit GeschiedenisJapan
Het Christendom in Japan kende aanvankelijk een grote bloei, maar onder het bewind van het Tokugawa-shogunaat kwam hier verandering in. Het Tokugawa-shogunaat ontnam het Christendom de kans om zich verder te ontwikkelen. Deze anti-christelijke ingesteldheid mondde uiteindelijk uit in de vervolging van de christenen in Japan tijdens de Edo-periode.
Inhoud |
Inleiding
Het bestaan van Japan is het eerst bekendgemaakt in Europa onder de naam Zipangu, Chipangu of Cipingu via het boek van Marco Polo. Volgens hem was Japan een groot eiland met onuitputbare schatten van puur goud. De eerste Europeanen die ooit voet aan wal hebben gezet in Japan, waren drie Portugezen genaamd Antonio de Mota, Fransesco Zeimoto en Antonio Peixoto. Jaren daarna bezochten verscheidene Portugese schepen de havens van Kyûshû. Na de confrontatie van de Portugezen op het eiland Tanegashima in 1543, kwamen de Japanners voor het eerst in contact met het Christendom in het jaar 1549 toen de jezuïet Franciscus Xaverius het land betrad. Vele priesters (bateren ・ 伴天連) en broeders (iruman ・ 伊留満) traden in zijn spoor. De bekering van de Japanners verliep allesbehalve vlot door onder andere de taalbarrière ("we zijn als beelden voor hen", zei Franciscus), bovendien was de translatie van de katholieke terminologie uiterst moeilijk in de Japanse taal. Het is dus geen wonder dat Xaverius toen onbewust een paar termen heeft overgenomen uit de boeddhistische terminologie, en hierdoor een paar pijnlijke ervaringen heeft geleden. Voor de naam van God had Xaverius op verzoek van Yajirou, de persoonlijke tolk van Franciscus Xaverius, het woord Dainichi (大日) geadopteerd en gebruikt voor zijn preken. Van één van zijn medemissionarissen, waarschijnlijk broeder Lourenço, leerde hij dat Dainichi, de grote verlichter van de Shingon-sekte, slechts één van de Boeddha’s was naast Shaka en Amida, en dat het idee dat deze naam uitdrukte compleet verschillend was met dat van een persoonlijke God. Om verdere misopvattingen te vermijden, begon Xaverius enkel de transliteratie van het Latijnse woord Deus, "deusu", te gebruiken. Maar de bonzen(1) verklaarden dat de "deusu" van de overzeese priester eigenlijk een "dai-uso" of een grote leugen was. Het kostte dus heel wat jaren voor er een accuraat en algemeen opgenomen christelijke terminologie was gevormd. Na het overwinnen van de taalbarrière kende het Christendom in Japan dankzij Franciscus Xaverius een grote bloei. Ook Oda Nobunaga’s haatgevoelens wegens de bonzen maakte het de christenen er alleen makkelijker op; in één van zijn brieven die gezonden werden door de missionarissen als verslagen van hun werk, werd er gezegd van hem:
"This man seems to have been chosen by God to open and prepare the way for our Holy Faith, without understanding what he is doing, because he not only has little respect for the Kami(2) and the Hotoke(2), whom the Japanese worship with such devotion, but he is furthermore the capital enemy and persecutor of the bonzes, inasmuch as among the various sects many are rich and powerful, and lords of great fortresses and rich territories, and by their opposition they have put him in great straits..."
Gedurende Nobunaga’s bestaan kende het Christendom in de centrale provincies van Japan een grote opgang. Japan telde rond deze tijd ongeveer 150.000 bekeerlingen en meer dan 200 kerken. Het succes kwam echter tot een eind toen de regent Toyotomi Hideyoshi (秀吉) sinds 1597 besloot zijn vroegere politiek over de boeg te gooien en het Christendom begon te vervolgen (切支丹迫害). Het begon eerst met de marteldood op het kruis van zesentwintig priesters en christenen op de Nishizaka heuvel (西坂山) te Nagasaki (長崎). Daarna werden de Christenen over het ganse land uit hun huizen gezet, gefolterd en wreedachtig vermoord. De Tokugawa-shôgun volgde ook dezelfde politiek en verorderde de verbanning van alle priesters in 1614.
Tokugawa Ieyasu (徳川家康)
Aan de macht
Om de opvolging van zijn zoon Hideyori te garanderen, had Hideyoshi een college opgericht van vijf regenten (go-tairô ・ 五大老), die gekozen werden onder de machtigste daimyô. Deze waren Tokugawa Ieyasu, Maeda Toshiie (前田利家), Uesugi Kagekatsu (上杉影勝), Môri Terumoto en Ukita Hideie (宇喜多秀家). Zij hadden de opdracht de staatszaken te beheren tijdens de minderjarigheid van zijn zoon, en de activiteiten van de vijf commissarissen (go-bugyô ・ 五奉行) te leiden. Hiernaast was er een raad van drie bemiddelaars (chûrô ・ 中老) die moesten optreden in geval van conflicten tussen de tairô en bugyô. Het grootste vertrouwen werd echter geschonken aan Tokugawa Ieyasu, die als hoofd van de tairô werd aangesteld en de algemene administratie toevertrouwd kreeg. Ieyasu was er overigens erg op uit zijn eigen machtspositie te vergroten. Dit realiseerde hij door onder andere een politiek huwelijk te regelen, hetgeen verboden was door Hideyoshi. Hierop werd hij door de bugyô beschuldigd van ontrouw aan Hideyori, met als gevolg dat het land verdeeld werd in twee kampen; een kamp die van Japan terug een door een gespecialiseerde ambtenarij bestuurde staat wenste te maken (bunchiha), en een kamp die voorstander was van een sterk militair gezag (budanha). Ieyasu koos partij voor de budanha. De vijandigheid tussen de beide kampen mondde uiteindelijk uit in de slag van Sekigahara (Sekigahara-no-tatakai ・ 関ヶ原の戦). Na de beslissende veldslag die eindigde met de overwinning van Ieyasu, werd hij de facto heerser over Japan. Om zijn macht nog verder uit te breiden huwelijkte hij in 1602 zijn kleindochter Senhime uit aan de negenjarige Hideyori, waarop vervolgens Ieyasu in 1603 de titel van shôgun kreeg en zich vestigde in Edo. In 1605 trad hij echter af en werd teruggetrokken shôgun (kubô) ten voordele van zijn zoon Hidetada, maar had nog steeds heel wat gezag in alle staatszaken. Ondanks zijn goed uitgekiend plan dreigde er gevaar vanuit de in 1608 meerderjarig geworden Hideyori. Ieyasu had getracht hem te degraderen tot een gewone daimyô, maar toch was Hideyori erin geslaagd heel wat munitie op te slaan en ontevreden daimyô en rônin bij elkaar te sprokkelen. De strijd tussen beide eindigde in 1615 bij de inname van het kasteel van Osaka door de Tokugawa-troepen. Hideyori en zijn moeder kwamen hierbij om, Senhime werd gered en Hideyori’s enige zoon werd onthoofd. Eindelijk verlost van het Toyotomi-huis bouwde Ieyasu nu zijn eigen administratief systeem (bakufu ・ 幕府) uit.
Houding tegenover het Christendom
In tegenstelling tot Oda Nobunaga en Toyotomi Hideyoshi was Ieyasu niet erg gunstig gestemd tegenover de missionarissen. Ondanks zijn wantrouwen tolereerde hij toch hun aanwezigheid om zo de winstgevende handel met Portugal geen schade te berokkenen. Al vlug kreeg Portugal de handelsmonopolie in het Verre Oosten. De Hollanders en Engelsen begonnen echter dit handelsmonopolie te doorbreken, ten gevolge van de christenen in Japan. Niet alleen omdat de tegenstellingen tussen de katholieken en de protestanten hierdoor binnengebracht werden maar ook omdat Ieyasu nu meer kon ondernemen tegen de missionarissen zonder angst de handel te verliezen. Ieyasu probeerde ook rechtstreekse handelbetrekkingen aan te knopen met Spanjaarden in Manila. De onderhandelingen verliepen erg moeilijk omdat men in Manila het “San Felipe”-incident(4) nog niet vergeten was. Daarbij stelden zij als voorwaarden dat ze kerken zouden mogen bouwen, priesters zouden mogen meesturen en dat de Hollanders weggestuurd zouden worden. Alles behalve dat laatste werd hen toegestaan.
Toenemende vijandigheid tegenover het Christendom
Ieyasu was een fervent aanhanger van de boeddhistische jôdo shû waardoor het boeddhisme aan kracht en prestige won. Het boeddhisme ging zich ook steeds vijandiger gaan gedragen tegen het Christendom. Ieyasu volgde in zijn politiek tegenover de christenen vooral de raad van de zen-monnik Sûden (嵩伝, 1569-1633), die één van de belangrijkste aanstokers van de vervolging zou worden. Naast Sûden begon ook het neo-confucianisme zich af te zetten tegen het Christendom. Het neo-confucianisten hadden moeite met het feit dat het Christendom de trouw aan God boven alles plaatste, in tegenstelling tot de deugd en de ouderliefde. Het confucianisme werd door de Tokugawa gebruikt als ethische basis voor het feodaal systeem. De belangrijkste onder hen was Hayashi Razan of Dôshun, die een bittere oppositie voerde tegen de christenen. Het shintoïsme kende een heropleving; oude gebruiken werden ondermeer hersteld. De jezuïeten kregen het door deze gelijktijdige heropleving van zowel boeddhisme, confucianisme als shintoïsme, erg moeilijk om het hoofd boven water te houden.
Vervolgingsedicten van Ieyasu
Zoals reeds eerder vermeld probeerde het Tokugawa shogunaat de handel met onder andere Portugal te bevorderen, waardoor het Christendom in Japan nog meer openbloeide. Maar naarmate de buitenlanders langer in Japan verbleven, begon Tokugawa Ieyasu en zijn opvolgers de vreemdelingen steeds meer als een bedreiging voor hun eigen machtspositie te zien:
- Ten eerste werden de samurai buiten het plaatje gezet dankzij de aanwezigheid van vuurwapens. De shôguns hoopten dit probleem op te lossen door de samurai naast hun politietaak een administratieve taak te geven.
- Ten tweede predikte het Christendom zaken die geheel indruisten tegen het Japanse denken en beschouwden de machthebbers de christenen meer en meer als onbetrouwbaar en dus gevaarlijk.
Volgens het Heilige Geloof was iedereen elkaars gelijke, wat helemaal indruiste tegen de algemene opvattingen in Japan hierover. Ook het idee van het begaan van zondes was de Japanners vreemd en het geloof in één god konden velen maar moeilijk bevatten. Vooral dat laatste was voor Tokugawa Ieyasu een reden om het christendom te verbieden. Hij kon niet accepteren dat mensen volgens de katholieke leer eerst verantwoording schuldig waren aan God, dan aan de Paus en dan pas aan de Japanse keizer. Een derde reden waarom de shôgun de Europeanen met steeds meer argwaan bekeken was de angst voor kolonisatie. In de omgeving van Japan werden al landen zoals Indonesië en de Filippijnen gekoloniseerd. Ook dit zou een risico kunnen betekenen voor de machtspositie van het shogunaat. Tot slot was er de angst dat Japanse geleerden westerse denkbeelden over staatsbestuur zouden overnemen. Waar in Europa het feodale systeem had afgedaan en plaats maakte voor republikeinse ideeën enerzijds (de Nederlanden) en sympathieën voor een absolute monarchie anderzijds (Frankrijk), hadden de Tokugawa's de feodale bureaucratie ingevoerd. Zij waren bang dat de intellectuelen samen met de burgerij een republiek wilden uitroepen of de macht van de keizer wilden herstellen. Men had het edict van Ieyasu, in tegenstellig tot het edict van Hideyoshi langzaam aan voelen aankomen. Het vervolgingsedict kwam tot stand in 27 januari 1614. Het wantrouwen van Ieyasu tegen het Christendom was, naast de bovenvermelde punten, ook geleidelijk aan gegroeid door de vijandigheid van raadgevers zoals de zen-monnik Sûden, de confucianist Hayashi Razan en de Engelse kapitein William Adams. Zij lieten allen geen kans liggen om het Christendom in een slecht daglicht te plaatsen. Uiteindelijk besloot Ieyasu dat het Christendom een slechte en illigale godsdienst was die geen nut had voor de Japanners. Onvermijdelijk volgde dan ook het edict waarin de Christenen hun geloof moesten afzweren of het land moesten verlaten. 141 priesters, onder wie ook Japanners, werden te Kibachi op het eiland Kyûshû samengebracht, waar ze gedwongen werden aan boord te gaan van vijf jonken, die Macao en Manila tot bestemming hadden. Zo gingen ze in ballingschap. 37 priesters konden het niet over hun hart krijgen om hun christenen achter te laten en slaagden erin zich te verbergen en in het geheim achter te blijven. Japanse christenen die weigerden hun geloof af te zweren, werden noodgedwongen verbannen naar Tsugaru, waar ze als uitschot werden behandeld. De opvolger en tevens de zoon van Ieyasu voerde een nog strengere politiek en bleek geen voorstander te zijn van buitenlandse handel. Na het uitvaardigen van een nieuwe edict begonnen vanaf 1622 de grote vervolgingen, waarbij opgepakte christenen een snelle en pijnloze dood wel konden vergeten. Deze vervolgingen waren echter vooral politiek geïnspireerd, het shogunaat wou een stabiel en welvarend regime en schakelde bijgevolg alle mogelijke elementen uit die deze doelstellingen zou kunnen dwarsbomen.
Tokugawa Iemitsu (徳川家光)
Anti-christelijke terreur
Na de dood van Hidetada in 1623, werd hij als shôgun opgevolgd door Iemitsu, die de vervolging opkrikte tot een hoger niveau en uiteindelijk zou overgaan tot de sluiting van het land. Dat hij het meende was te blijken uit de gebeurtenis in Edo; 50 christenen werden gedood op de brandstapel. In 1624 stierven meer dan 200 mensen voor hun geloof. De anti-christelijke terreur veroorzaakte een schokgolf doorheen het hele land, bovendien werden er beloningen uitgeloofd voor degene die meer informatie kon verschaffen die kon leiden tot de aanhouding van christenen. Doordat de christenen standvast in hun God geloofden gingen de autoriteiten vanaf 1627 over tot langdurige martelpraktijken om zo de christenen afvallig te laten worden. Tot de vele marteltechnieken behoorde “de put” (ana tsurushi ・ 穴吊); men werd als een rol stof ingepakt en vervolgens in een put vol vuiligheid gehangen, hierdoor vertraagde de bloedcirculatie. Eén hand werd vrij gelaten zodat er een teken kon gegeven worden als men wenste afvallig te worden. Opdat men op die manier zou sterven, opende men gaatjes achter de oren en zorgde men ervoor dat het bloed druppel per druppel zou wegvloeien. Een andere optie waren de sulferbronnen van Unzen, waar men heet water over de naakte christenen goot. Naar schatting zouden er zo’n 3000 christenen de marteldood gestorven zijn.
Shimabara-revolte (島原の乱)
In 1637 brak er in Shimabara een opstand uit, bekend als de Shimabara-Amakusa-ikki. De muiterij in Shimabara bestond uit een groep Japanse boeren, hoofdzakelijk Christenen. In de eerste plaats was de revolte van sociaal-economische aard; erg hoge belastingen en een strenge onderdrukking van de daimyô van Shimabara en Amakusa deden op den duur de emmer overlopen. Daar de bevolking in deze gebieden grotendeels bevolkt was met christenen, kreeg de opstand al vlug een christelijke aard. De aanleiding was in feite een incident; de dochter van een belangrijke boer werd aangerand en mishandeld door een aantal ambtenaren. Samen met enkele vrienden vermoordde de boer de ambtenaren. Een domino-effect nam plaats; dorp na dorp sloot zich bij de groep aan en het duurde niet lang voor een algemene opstand werd gecreëerd. Tot de opstand behoorden ongeveer 23000 boeren en rônin, die woonden in Shimabara en de nabijgelegen Amakusa-eilanden onder het leiderschap van Masuda Shirô Tokisada (益田四郎時貞), meestal gekend als Amakusa Shiro (天草四郎), die de christennaam Jerome gebruikte. Beide gebieden waren belangrijke werkgebieden van de missionarissen gedurende het bestaan van de vorige daimyô Konishi Yukinaga. In een poging de opstand neer te slaan, zond de gouverneur van Nagasaki, Terazawa Hirotaka, een leger van 3000 samurai naar Amakusa. De strijd werd echter beslecht ten voordele van de rebellen die de slag wonnen op 27 december 1637 met 2800 slachtoffers langs beide zijden tot gevolg. Overlevenden trokken zich terug naar Nagasaki en de gouverneur vroeg het shôgunaat om versterking. De opstandelingen namen een verlaten kasteel in Hara (hara-no-jô ・ 原城) in, waar ze allen in vertoefden toen ze hoorden dat de overheid nog een leger zou sturen. De eerste aanval van het overheidsleger werd afgeslagen. In een tweede aanval werd hun generaal Itakura Shigamasa gedood. Matsudaira Nobutsuna werd als nieuwe aanvoerder aangesteld. Hij begon een uithongeringsslag door het kasteel volledig te omsingelen. De opstandelingen kwamen in munitie-en voedselnood. Uiteindelijk werd het kasteel na drie dagen strijd door de overheidstroepen overmeesterd; de rebellen werden tot de laatste man vermoord.
Sakoku (鎖国)
Volgens het Shogunaat lagen de westerse katholieken aan de oorzaak van de verspreiding van de opstand en werd de al reeds bestaande verbanning op de Christenen nog versterkt zodat het Christendom in Japan enkel ondergronds kon overleven, de zogenaamde kakure kirishitan (隠切支丹). Het shogunaat voerde van 1640 tot 1853 een politiek genaamd sakoku die voor zo’n 200 jaar zou duren; er kwam een verbod op alle overzeese handel, Japanners mochten Japan niet meer verlaten en Japanners in het buitenland mochten het land niet meer betreden. Enkel Holland en China kregen nog het recht handel te drijven met Japan. Om er echter voor te zorgen dat ook Holland en China de bevolking van Japan niet rechtstreeks zouden kunnen beïnvloeden, mochten ze enkel nog aan wal komen op het kunstmatig gemaakte eiland van Deshima (出島). Zo zou Japan van 1640 tot 1853 vrijwel geheel afgeschermd zijn van buitenlandse invloeden. Door de afsluiting werden ook de omstandigheden gunstiger om de uitroeiing van het Christendom grondig aan te pakken. In 1640 werd een religieuze inquisitieraad opgericht, de kirishitan-shûmon-aratame-yaku (切支丹宗門改役); het was een instelling die werd geleid door een commissaris (kirishitan bugyô ・ 切支丹奉行) en bleef bestaan tot 1792. De hoofdtaak van kirishitan-shûmon-aratame-yaku was het opsporen van verborgen christenen. Daartoe werden verschillende methodes aangewend:
- Kinsei fuda (均整札); borden met prijzen en de overeenkomende rang van de gelovige. Iedere Japanner had namelijk als plicht verborgen christenen aan te geven, en ter aanmoediging werden hiervoor geldbeloningen gebruikt, die de arme boeren zeker niet zouden laten liggen. Deze zogenaamde kinsei fuda werden in de nabijheid van tempels of publieke plaatsen aangebracht.
- Het gonin-gumi (五人組) systeem; vroeger opgericht voor onderlinge hulp en veiligheid, maar werd nu gebruikt om de activiteiten van de mensen te volgen. Het hoofd van elke gonin-gumi (kumichô ・ 組長), die bestond uit een groep van vijf gezinnen, moest nagaan welke religie elk persoon beleed, en christenen aangeven. Indien er een niet-aangegeven christen werd gevonden, onderging de hele groep dezelfde straf
- Trapprenten (fumie ・ 踏絵) waren reeds vanaf 1629 in gebruik. Iedereen werd jaarlijks verplicht zijn voet te zetten op een beeltenis van Christus of Maria; dit betekende het afwijzen van het geloof. Voor christenen was dit moeilijk, daarom keken de ambtenaren vooral hoe de trapper reageerde.
- Het Danna-dera (旦那寺) systeem; iedere familie werd verplicht zich in een boeddhistische tempel in te schrijven, en werd daarvoor automatisch lid van een boeddhistische sekte. Wijzigingen in de samenstelling van de familie moesten ook aan de tempel gemeld worden. Elke klooster en heiligdom werd verplicht registers (shûmon aratame-chô ・ 宗門改帳) aan te leggen van de personen die in hun gebied woonachtig waren.
- “Het christelijk familie-onderzoek” (kirishitan-ruizoku-aratame ・ 切支丹類族改); als opgespoorde christenen hun geloof opgaven, werden zij vrijgelaten, maar daarna nog streng in het oog gehouden. In 1627 werd hiervoor deze instelling opgericht.
In 1853 eisten de Amerikanen dat Japan de havens zou openen voor handel. Toen Japan weigerde, mondde dit uit tot een oorlog die beslecht werd ten voordele van Amerika . Japan moest toegeven en aan het bewind van het huis der Tokugawa kwam een einde.
Kakure kirishitan (隠切支丹)
Kakure kirishitan kan worden vertaald als “verborgen christenen”. Het was een sekte van overgebleven christenen die in het geheim bleven geloven in een verboden godsdienst. Rond het jaar 1641 waren er op z’n minst 300.000 christenen, deze hadden omwille van de grote vervolgingen slechts drie mogelijkheden; afvallig worden, hun geloof verklaren en de vele martelingen ondergaan of zich schuilhouden. De meeste christenen kozen de laatste optie, verborgen hun geloof en gingen ondergronds gaan leven. Sommige christelijke groepen kozen ervoor hun hele gemeenschap te laten emigreren naar afgelegen gebieden, bijvoorbeeld de goto-eilanden, waar het relatief makkelijker was hun geloof verborgen te houden. In elk gehucht (buraku ・ 部落) met verborgen christenen had men een dorpsoudere (chôkata ・ 帳方) die de kalender bijhield, een doper (mizukata ・ 水方), de catechist (oshiekata ・ 教方) die de gebeden en de doctrine aanleerde en een bode (kikikata ・ 聞方) die van deur tot deur aankondigingen bracht die betrekking hadden met feestdagen en dergelijke. De kakure kirishitan aanbaden hun God in verborgen kamertjes in hun huizen en meestal waren de heilige beeldjes zodanig bewerkt, dat het leek dat de christenen een shintoïstische of boeddhistische god aanbaden. In sommige gevallen dreven hun gemeenschappen echter af van het Katholicisme, ze verloren als het ware de betekenis van het geloof. Ook bleven vele van deze gemeenschappen echter niet standhouden vanwege de reeds bovenvermelde strenge controles die gehouden werden doorheen het land. Kakure kirishitan werden ook wel eens hanare kirishitan (離切支丹) genoemd. Deze term verwijst naar de christenen wiens geloof de nationale verbanning overleefde, maar weigerden zich aan te sluiten met de Rooms Katholieke Kerk na de afschaffing van het verbod op het Christendom halfwege de 19e eeuw. Groepen van hanare kirishitan bestaan nog steeds in Japan.
Voetnoten
(1) Japans en Chinees Boeddhapriester
(2) Shintô-goden
(3) Boeddha-goden
(4) 1596: Toyotomi Hideyoshi confisqueert de Spaanse galjoen "San Felipe", het keerpunt van de missies in Japan
Bibliografie
- Cary, Otis, History Of Christianity in Japan: Volume I - Roman Catholic and Greek Orthodox Missions, Curzon Press, 1994 (Heruitgave van de 1909-editie)
- Boxer, C.R., The Christian Century in Japan 1549-1650, University of California Press, 1951
- Vande Walle, Willy, Geschiedenis van Japan tot 1868, katholieke universiteit van Leuven, 2004
- Shûsaku, Endô, Stilte (chinmoku), Emmaüs, 1972
- Jennes, Joseph, History Of The Catholic Church in Japan: From Its Beginnings To The Early Meiji Period (1549-1873), CICM, 1959
- Francis, Adams, History Of Japan: From The Earliest Period To The Present Time, Henry S. King & Co., 1874
- Dehaes, Mimi, Het Christendom in Japan: Een invloedrijk randverschijnsel, 1986
- Cooper, Michael, They Came To Japan: An Anthology of European Reports on Japan, 1543-1640, Thames and Hudson, 1965
- Hellemans, Karel, Inleiding tot de Japanse cultuur, katholieke universiteit van Leuven, 2006

