Het Christendom tijdens de Meiji-revolutie
Uit GeschiedenisJapan
Inhoud |
Introductie van het Christendom in Japan.
De eerste echte introductie van het Christendom in Japan gebeurde in 1549. Op 15 augustus van dat jaar, vergezelde een missie van 3 Portugese Jezuïeten, onder leiding van Francis Xavier (1506-1552), Portugese handelaars naar Japan. Hij was de eerste die een christelijke missionariespost opzette in Japan.
Het bekeren van de Japanners verliep echter niet vlot. Het grootste probleem waarmee de missionarissen te kampen hadden was dan ook de taal. Zo werden de eerste bijbelteksten vertaald door bekeerde ex-boeddhistische monikken. Deze kenden echter geen overeenstemmende benamingen voor de christelijke termen, en namen dan ook gewoon de boeddistische termen over. Dit kwam natuurlijk zeer verwarrend over voor de Japanners. Na een tijdje zijn ze dan ook overgeschakeld op het gebruik van de Latijnse termen.
Anti-christelijke maatregelen.
Omdat de christelijke invloedssfeer steeds groter werd, vaardigde Hideyoshi Toyotomi in 1587 een edict uit dat alle christenen ertoe dwong het land te verlaten. Echte zware vervolgingen kwamen er echter niet, omdat Hideyoshi afhankelijk was van de Portugezen handel. Zijn opvolger Tokugawa Ieyasu zag zich ook genoodzaakt de christenen te dulden vanwege hun handel. Met de komst van de protestantse Nederlanders en de Engelsen, kreeg Tokugawa meer armruimte om tegen de Christenen te handelen. In 1614 vaardigt hij dan ook het bevel uit dat alle Christenen Japan moeten verlaten. Om aan te tonen dat hij, in tegenstelling tot Hideyoshi, het wel meent, worden in datzelfde jaar reeds 62 Jezuïeten gedeporteerd.
Niet alle Christenen gehoorzaamden echter aan het uitdrijvingsbevel en dus werden er ook harde maatregelen genomen. Zo werden in 1622 51 Christenen geëxecuteerd in Nagasaki; 2 jaar later, werden nog eens 50 Christenen geëxecuteerd in Tokyo. Om het voor de overheid gemakkelijker te maken om Christenen op te sporen, werd in 1629 een wet uitgevaardigd die inhield dat de mensen die een officieel gebouw wensten te betreden, op een afbeelding van Maria of Jesus moestenstappen. Er werd namelijk gedacht dat de mensen die zouden weigeren om deze regel toe te passenwel Christenen moesten zijn. Deze wet, fumie genaamd, heeft stand gehouden tot in 1858.
In 1639 wordt de christelijke invloed fel beperkt door het sluiten van de grenzen van Japan. Zo worden de Portugese en Spaanse handelaars de toegang tot Japan helemaal ontzegd. De enige westerse mogendheid die nog toegang heeft tot Japan is het protestantse Nederland. Om er echter voor te zorgen dat ook zij de bevolking van Japan niet rechtstreeks zouden kunnen beïnvloeden, mogen ze enkel nog aan wal komen op het kunstmatig gemaakte eiland van Deshima.
Het Christendom tijdens de Meiji-periode.
De periode vóór de Meiji-periode was geen gemakkelijke tijd voor de overgebleven Christenen. Er was echter wel een positieve ommekeer te noteren in de denkwijze van de Daimios en de shogun. Door hun verregaande handel met de Nederlanders en de daaruit voortvloeiende industriële vooruitgang van Japan, bleek nl. dat ook handel kon worden gevoerd zonder dat men beïnvloed werd door het culturele en godsdienstige gedachtengoed. Desondanks werden de wetten tegen de Christenen niet opgeheven.
Ondanks het bestaan van deze wetten, was er toch een groep Christenen die zich openlijk bekendmaakte als aanhangers van het Christendom. Deze groep noemd zich de Kakure Kirishitan. Deze groep ontstond kort na de introductie van het Christendom in Japan, en slaagde erin om aan de executies en deportaties te ontkomen. Doordat ze echter zo afgescheiden geleefd hadden, pasten zij nog steeds de christelijke regels toe zoals deze van toepassing warenin de 17de eeuw. Bij gebrek aan boeken hadden zij dan ook de leer mondeling moeten overdragen. Deze groep Christenen was echter zo afgescheiden van de andere groepen dat ze, zelf na de afschaffing van de anti-christelijke wetten, nog altijd geen aansluiting zochten met de romeins-christelijke kerk.
De Kakure Kirishitan hebben zichzelf openbaar gemaakt door het schenden van de begrafenisrituelen. Er werden dan ook mensen van Kakure Kirishitan bij de gouverneur van Nagasaki geroepen. Deze Christenen bleven echter trouw zweren aan God en werden vrijgelaten zonder enige gevolgen. Toen de Kakure Kirishitan echter niet eens meer Boeddhistische monniken toelieten bij de begrafenis, gaf de shogun de gouverneur van Nagasaki opdracht om harder op te treden.
Toen in 1868 de Meiji-revolutie uitbrak, bracht deze echter niet onmiddellijk verandering in de manier waarop de Christenen werden behandeld. De situatie verergerde zelfs. In juni van 1868 werd aangekondigd dat er 4100 Christenen zouden worden gedeporteerd uit Japan. In juli van dat jaar werden de eerste 114 Christenen reeds gedeporteerd. Dit tot grote ergernis van de buitenlandse consuls, die dan ook protest indienden. In eerste instantie wer hieraan geen gehoor gegeven door de Meiji-regering en de deportaties gingen dan ook gewoon door. Uiteindelijk werden de buitenlandse consuls wel aanhoord en werd er afgesproken dat in 1869 de gevangengenomen Christenen zouden worden vrijgelaten.
Toen in 1870 echter een massadeportatie van maar liefst 1400 Christenen plaatsvond was dit ontoelaatbaar voor de buitenlandse mogendheden. Er werd dan ook in Tokyo een conferentie gehouden tussen de Meiji-afgevaardigden en afgezanten van buitenlandse regeringen. De buitenlandse regeringen trachttenop dit congres om de begrippen van godsdienstvrijheid en menselijkheid naar voor te brengen. De Meiji-regering beschouwde het principe van godsdienstvrijheid echter als een rechtstreekse bedreiging voor de staat en wees dat voorstel dan ook af. Van verdere deportaties zou evenwel worden afgezien.
Dat deze belofte niet nageleefd werd, bleek in 1871. Toen werden er nog eens 60 Christenen uit de streek van Nagasaki gedeporteerd. Dit feit had echter wel erge gevolgen voor een Japanse buitenlandse missie die onder leiding stond van de toenmalige prins Wakura. Doordat de deportatie door de wereldpers vermeld werd, kreeg deze missie, die tot doel had de handelsverdragen te laten herzien, veel tegenwind. De Westerse wereld kampte zich zo sterk tegen de deportaties, dat het zelfs tot een klein incident kwam tussen het Japans gezantschap en het gewone volk in Brussel. Toen het Japans gezelschap in Berlijn aankwam, namen ze onmiddellijk contact op met de Japanse regering om een totale stopzetting van de deportaties te bekomen. Japan had namelijk ingezien dat acties tegen de Christenen hun politieke missies in gevaar zou brengen.
In het jaar 1873 beval de keizer dat alle gedeporteerden weer toegang moesten krijgen tot Japan. Op 14 maart van 1873 werd dan eindelijk een decreet uitgevaardigd dat het einde betekende voorde vervolging van de Christenen. Godsdienstvrijheid was echter nog steeds niet toegestaan en het Shintoïsme bleef dan ook gewoon de staatsgodsdienst.
Echte godsdienstvrijheid kwam er pas in 1879, toen dit in de grondwet werd opgenomen met de volgende formulering: "Japanse onderdanen hebben godsdienstvrijheid, voor zover dit de openbare rust niet verstoort en met hun plichten als Japanse onderdanen overeenkomt."
De invloed van het Christendom na de Meiji-periode.
Ondanks het toestaan van de godsdienstvrijheid en het feit dat het Shintoïsme niet meer de officiële staatsgodsdienst was, kende de verspreiding van het Christendom weing succes in Japan. Dit was enerzijds te wijten aan de in het verleden doorgevoerde vervolgingen die bij de mensen een negatief beeld hadden achtergelaten en anderzijds aan de problematiek van de communicatie. Om het Christendom te verspreiden, besloten de christenen dan ook om een reeds in Europa met succes beproefde tactiek toe te passen nl. scholing. In de periode volgdend op de verklaring van de godsdienstvrijheid werden er bijgevolg meerdere christelijke scholen opgericht, zoals bijvoorbeeld: Rikkyo University in Tokyo (1974), Doshisha University in Kyoto (1975), Nanzan University in Nagoya (1916), enz. Dit resulteerde in een situatie waarbij de christenen als gelijken werden aanzien en dus werd het eenvoudiger om het communicatieprobleem aan te pakken. In 1880 verscheen de eerste volledige Protestantse bijbelvertaling. De eerste uitgave van de volledige vertaling van de Katholieke bijbel verscheen pas in 1910.
Om het christelijk imago verder gunstig uit te bouwen, verleenden de christelijke instanties hun steun aan een groot aantal sociale en medische projecten. Zij waren actief betrokken bij het oprichten en/of steunen van ziekenhuizen, weeshuizen en sanatoria. Zelfs nu wordt dit soort instellingen nog vaak geassocieerd met het Christendom.
Ook op politiek vlak waren er vele christenen actief: zo waren de stichters van de Sociaal-Democratische Partij o.a. christenen. Ook de Japanse Unie van de Boeren werd gesticht door twee christenen. Door interne strubbelingen in die partijen, ging er echter veel van hun oorspronkelijke christelijke basis verloren.
Als conclusie geldt dat, ondanks alle inspanningen, het Christendom toch nog altijd aanzien wordt als een "buitenlandse" godsdienst. Ook de cijfers bewijzen dit: in 1990 was slechts 1% van de Japanse bevolking christen. Het is dan ook duidelijk dat het Christendom, als het meer aanhangers wil hebben in Japan, zich meer zal moeten integreren en aanpassen aan de Japanse cultuur.
Bronvermelding
- Gössman, Elisabeth, Het Christendom in Japan: religieus verleden, profane toekomst, Brand: Hilversum, 1967.
- Higashibaba, Ikuo, Christianity in early modern Japan, Leiden: Brill, 2001.
- Japan: an illustrated encyclopedia, Tōkyō: Kodansha, 1993.

