Herziening van de Ongelijke Verdragen
Uit GeschiedenisJapan
Inhoud |
Leidraad
Herziening van de verdragen was noodzakelijk om Japan politiek en economisch meer onafhankelijkheid te geven. Het was een onderneming van lange adem, en het probleem werd op diverse wijzen benaderd. De meest omstreden punten waren het principe van de extraterritorialiteit en de toltarieven. Uiteraard wilden de westerse mogendheden hun verworven rechten niet zomaar prijsgeven. Japan getroostte zich vele inspanningen om het Westen te tonen hoe beschaafd het wel was en hoe betrouwbaar het als bondgenoot kon zijn. Een opvallend, zij het enigszins anekdotisch voorbeeld hiervan was de bouw van de Rokumeikan 鹿鳴館 ('Hal van de Hertenroep').
Tegen de als kruiperig bestempelde houding van de overheid kwam vaak protest van de publieke opinie. Ook werden de pogingen tot overeenkomsten vaak gedwarsboomd door diplomatieke incidenten. Vele malen werden de onderhandelingen hervat en weer afgebroken. De herziening der verdragen was dus allesbehalve een goedkoop diplomatiek succes. Dat het toch lukte was enerzijds te danken aan de toegenomen macht van Japan, vooral op militair vlak, en anderzijds aan het handig uitspelen van de Brits-Russische rivaliteit, die beide partners tot allianties noodzaakte.
Moeizame onderhandelingen
De Ongelijke Verdragen waren afgesloten op het einde van de bakufu-periode door onwetende ambtenaren, die de draagwijdte van hun beslissingen niet beseften, in naam van een onmachtige overheid. De Meiji-regering deed decennialang verwoede pogingen om een gunstige herziening van deze verdragen mogelijk te maken.
Minister van Buitenlandse Zaken Terashima Munenori 寺島宗則.
De delegatie die in 1871 naar de Verenigde Staten en Europa was gereisd onder leiding van Iwakura Tomomi om de verdragen opnieuw ter sprake te brengen, was onverrichter zake teruggekeerd. Terashima Munenori, die Minister van Buitenlandse Zaken werd na Iwakura en Soejima Taneomi, begon in 1876 op zijn beurt onderhandelingen. Hij besefte dat Japan nog niet kon bogen op een moderne en internationaal aanvaarde wetgeving, maar zag in dat alle andere landen protectionistische tolheffingen hadden ingesteld, terwijl Japan slechts zeven tot acht procent van zijn belastinginkomsten uit tolheffingen haalde, ondanks het feit dat de import de export ruim overtrof. Hij wenste het zelfbeschikkingsrecht over deze materie voor Japan te heroveren. Amerika aanvaardde zijn uitleg en tekende een verdrag maar Groot-Brittannië weigerde koppig zijn privileges op te geven. Het weigerde zelfs onderhandelingen te starten. Toen uiteindelijk toch onderhandelingen op gang kwamen, brak het 'Opiumsmokkelincident' uit. Dit noopte de overheid ertoe ook het probleem van de extraterritorialiteit aan te kaarten. Deze Japanse 'impertinentie' deed de onderhandelingen mislukken.
Minister van Buitenlandse Zaken Inoue Kaoru 井上馨.
De volgende Minister van Buitenlandse Zaken legde de nadruk op een fel doorgedreven beleid van europeanisering. Een van zijn meest ophefmakende projecten was de oprichting in 1883 van het bovengenoemde internationaal ontmoetingscentrum, de Hal van de Hertenroep (Rokumeikan 鹿鳴館), waar concerten, bals, verklede danspartijen, e.d. in Europese stijl werden georganiseerd, om te bewijzen dat Japan de Europese cultuur reeds geassimileerd had. De Rokumeikan is typerend voor de mondaine en trendgevoelige sfeer die toen in de Japanse hoofdstad heerste.
Inoue trachtte niet de zelfbeschikking over de toltarieven te heroveren, maar beperkte zich tot het vragen van een optrekking van de maximumtarieven. Zijn grootste bekommernis was het afschaffen van de extraterritorialiteit. In ruil voor de afschaffing stelde hij voor:
- Buitenlanders op te nemen in de Japanse gerechtshoven en buitenlandse rechters inspraak te geven in zaken waarbij buitenlanders betrokken waren.
- Buitenlanders toe te laten zich elders in Japan te vestigen dan in de hun toegewezen gebieden.
Deze compromisvoorstellen werden bekritiseerd door de Franse adviseur de Boissonade en door de ijveraars voor politieke rechten voor het volk. Ook reageerden velen tegen de 'verwerpelijke praktijken' die in de Rokumeikan plaatsvonden, onder andere de Minister voor Landbouw en Handel, de ultra-nationalist Tani Tateki 谷干城. De protesten liepen vaak uit de hand en waren mede aanleiding voor de uitvaardiging van een wet op de openbare veiligheid en orde. Het valt niet te ontkennen dat de ultranationalisten belachelijke voorwendsels inriepen, maar de arrogante en racistische houding van vele buitenlanders was soms stuitend. Een sprekend voorbeeld is het Normanton-incident. Toen dit vaartuig schipbreuk leed, bood de kapitein alleen hulp aan de Britse opvarenden en liet 23 Japanners verdrinken. Door een rechtbank van het Britse consulaat werd de kapitein vrijgesproken en van alle blaam gezuiverd. Japan tekende beroep aan en in extremis werd de kapitein tot 3 maanden gevangenis veroordeeld, maar de flagrante onrechtvaardigheid had de bevolking diep getroffen. Men eiste zelfs de sluiting van het Britse consulaat.
Inoue werkte in een periode van toenemende xenofobie. Na een voorbereidende onderhandelingsronde in 1885 zouden zijn voorstellen in 1886 bekrachtigd worden. Door het uitlekken van zijn voorstellen en de reactie van de beledigde bevolking geraakte hij in politiek isolement. Hij moest de conferentie uitstellen tot 1887 en uiteindelijk zag hij zich genoodzaakt onder druk van de publieke opinie en de militairen ontslag te nemen, zodat zijn plan nooit uitgevoerd werd.
Minister van Buitenlandse Zaken Ōkuma Shigenobu 大隈重信.
Zijn opvolger had ongeveer dezelfde doelstelling, maar legde andere accenten voor de verwezenlijking ervan. Om de extraterritorialiteit te doen afschaffen, liet hij eerst de Ongelijke Verdragen naar de letter toepassen, waardoor hij zowel ultranationalisten en xenofoben als de buitenlanders ervan kon overtuigen dat deze wetten onredelijk waren.
Hij benoemde westerse rechters in het Ministerie van Justitie, liet wetsvoorstellen ontwerpen die de buitenlanders een grotere bewegingsvrijheid in geheel Japan garandeerden en de aankoop van grond mogelijk maakten. Dankzij deze tegemoetkomingen kon hij gunstige onderhandelingen voeren met Mexico in 1888, en met de Verenigde Staten, Duitsland en Rusland in 1889. Met Mexico werd overigens het eerste Gelijke Verdrag gesloten in november 1889.
De inhoud en reikwijdte van de nieuwe verdragen werd gepubliceerd in de London Times en raakte bekend bij het brede publiek in Japan. Vanuit nationalistische hoek kwam er enorm protest tegen wat de uitverkoop van Japan werd genoemd. In toepassing van de pas uitgevaardigde nieuwe grondwet kon de benoeming van buitenlandse rechters ongrondwettelijk worden verklaard. Er werd een aanslag op Ōkuma gepleegd door een lid van de ultranationalistische groepering Gen'yōsha 玄洋社. Ōkuma verloor een been bij de aanslag en diende af te treden.
Minister van Buitenlandse Zaken Aoki Shūzō 青木周造.
Zijn opvolger stelde zich tot doel de verdragen te herzien vooraleer het eerste parlement zou gevormd worden. Het compromis dat hij uitwerkte was minder verregaand dan dat van Ōkuma. In ruil voor de afschaffing van de extraterritorialiteit en het recht autonoom tolrechten te heffen, stond hij buitenlanders verblijfsrecht in geheel Japan toe. Hij wees echter eigendomsrechten voor buitenlanders van de hand, evenals de benoeming van buitenlandse rechters, en de verplichting om regelmatig rapport uit te brengen over de voortgang van de modernisering van de wetgeving. Paradoxaal genoeg verklaarde Groot-Brittannië nu wel met het nochtans schrale aanbod akkoord te gaan. De reden hiervoor was van geopolitieke aard. Het hoopte Japan tot bondgenoot te kunnen maken tegen het Russische Keizerrijk, dat aan een zuidwaartse expansie richting China bezig was. Er was ook een economische reden. Merkend dat het moderne kapitalisme in Japan vorm begon te krijgen, hoopten de Britten ook buiten de voor buitenlanders toegankelijke gebieden vaste voet aan de grond te krijgen, vooral als leverancier van technische knowhow.
Het sluiten van het verdrag leek nog maar een formaliteit, toen plots het Ôtsu-incident plaatsvond (zie verder). Het veroorzaakte het ontslag van de regering. De nieuwe minister Enomoto Takeaki slaagde er niet in Aoki's plan af te werken, omdat ook de regering-Matsukata al snel viel.
Ultiem succes
Minister van Buitenlandse Zaken Mutsu Munemitsu 陸奥宗光.
Toen Mutsu Munemitsu Minister van Buitenlandse Zaken werd in het tweede kabinet Itō, liet hij zijn adviseur een plan uitwerken, waarover hij met elke mogendheid afzonderlijk ging onderhandelen. Hij benoemde Aoki Shūzō tot ambassadeur in Londen en belastte hem met de onderhandelingen. De tegenstand in Japan werd resoluut de kop ingedrukt. Het parlement werd zelfs tot tweemaal toe ontbonden. De onderhandelingen verliepen voorspoedig en vlak voor het uitbreken van de Sino-Japanse Oorlog werd in juli 1894 het Japans-Britse Verdrag voor Handel en Zeevaart (Nichi-Ei tsūshō kōkai jōyaku 日英通商航海条約) geratificeerd, waarin de algehele afschaffing van de extraterritorialiteit werd overeengekomen. Een oude Japanse wensdroom ging in vervulling. Groot-Brittannië en Japan bleven bevriende naties, Japan mocht zijn invoerrechten verhogen, en de Britten mochten zich voortaan in heel Japan vestigen. De Verenigde Staten en vijftien andere westerse landen volgden vrij snel het Britse voorbeeld, vooral na de overwinning van Japan op China. Reeds in 1897 was de verdragsaanpassing door de meeste landen toegestaan. Alle verdragen traden in werking in 1899.
Minister van Buitenlandse Zaken Komura Jutarō 小村寿太郎.
Nu de eerste kaap omzeild was, bleef er nog de kwestie van de tolrechten. Minister Komura Jutarō slaagde er in 1911 in, na de Japanse overwinning op Rusland, om ook dit probleem op te lossen. In nauwelijks vijftig jaar tijd was Japan er dus in geslaagd volledige soevereiniteit te verwerven en respect van het buitenland afdwingen. De laatste details, zoals de aanspraak op het eeuwige eigendomsrecht van ambassadeterreinen, werden pas in 1925 definitief geregeld, toen eindelijk de Wet betreffende het recht van buitenlanders op grondbezit door de Diet goedgekeurd werd.

