Heian-periode

Uit GeschiedenisJapan

Excursus - Studentenbijdrage

De Heian-periode (平安) is een periode binnen de Japanse geschiedenis die loopt van 794 tot 1185. Ze wordt beschouwd als het hoogtepunt van de hoofse cultuur in Japan en staat bekend om de ongeziene bloei van de kunsten; met name in de literatuur, poëzie en beeldende kunsten. De Heian-periode volgt in de Japanse geschiedenis de Nara-periode op (710-784) en gaat de Kamakura-periode (1185-1333) vooraf.

De Byōdōin-tempel, gebouwd tijdens de Heian-periode

Inhoud

Inleiding

Heian (平安) betekent letterlijk “vrede”, “rust” of “kalmte”. De periode neemt een aanvang met het verhuizen van de hoofdstad naar wat nu het huidige Kyoto heet en eindigt wanneer te Kamakura het Bakufu of Shogunaat gesticht wordt door Minamoto no Yoritomo.

Heian-kyō (平安京): een nieuwe hoofdstad

Keizer Kammu

De Heian-periode neemt een aanvang met het verhuizen van de hoofdstad in 794. Keizer Kammu (桓武) (737-806), de 50ste keizer van Japan, beslist tot de verhuis om verschillende redenen (waaronder de wens aan de inmenging van de kloosterordes te Nara te ontsnappen) en noemt de nieuwe hoofdstad Heian-kyō (平安京), “Hoofdstad van de Vrede”.

Het gebruik van het verhuizen van een hoofdstad werd meermaals uitgevoerd, vaak ook wanneer een hoofdstad op enige wijze ‘bezoedeld’ was door bijvoorbeeld een epidemie, een natuurramp of grote tegenslag. De oude hoofdstad Heijō (平城), het huidige Nara) was bijvoorbeeld nog maar 10 jaar eerder verlaten voor heraanleg in Nagaoka-kyō (長岡京), ten westen van Kyoto, toen Keizer Kammu ziek werd en de architect overleed.

Een nieuwe verhuis drong zich op en dit was zoals steeds een groots ritueel gebeuren. De nieuwe locatie moest aan strikte voorwaarden voldoen bepaald volgens de Chinese Feng Shui-principes. Heian-kyō's locatie werd gekozen als meest gunstige ligging omdat deze langs drie zijden omringd werd door bergen en heuvels, een nabije rivier had in het oosten, een weg naar het westen en een meer in het zuiden.(2)

Net zoals Nara werd ook Heian-kyō aangelegd volgens een dambordpatroon naar Chinees voorbeeld (m.n. de Chinese hoofdstad Chang’an 長安, het huidige Xi’an). De oostelijke en westelijke stadsdelen werden symmetrisch aangelegd en gescheiden door een brede hoofdweg. Het door een diepe gracht omgorde keizerlijke paleis lag bovenaan en naar het zuiden gericht.

Heian-kyō, het huidige Kyoto, zou 4 eeuwen lang het politieke en culturele centrum van het land zijn en zou, al was dat soms slechts in naam, tot 1868 de hoofdstad van Japan blijven.

Politiek

Privé-bezit holt de Keizerlijke macht uit

De keizerlijke macht werd tijdens de Heian-periode bedreigd door de toenemende machtswellust van verscheidene aristocratische clans. Werd tijdens de Nara-tijd dit gevecht nog gevoerd met wapens, in de Heian-tijd beslechtte de aristocratie de strijd met slinkse invloed en complotteren en werd het hof en zijn intriges het speelveld van de macht.

In de tijdens de Nara-periode gevestigde Ritsuryō-orde (律令) werd de nadruk gelegd op een openbaar bestuur en staat. Kortom: “alle inwoners zijn onderdanen van de keizer, alle land is bezit van de staat en de administratie bestuurt het land in naam van de keizer en ten behoeve van de gehele staat.” De Japanse keizer was daarbij in tegenstelling tot de Chinese keizer geen absoluut heerser en was in zeer grote mate afhankelijk van publieke inkomsten (belastingen e.d.).

Tijdens de Heian-periode werd dit Ritsuryō-ideaal echter volledig uitgehold. Privé-belangen en onderlinge connecties kwamen op de voorgrond te staan en verdrongen de eerdere staatsidealen.

Nu de adel ontoereikend inkomsten kon halen uit openbare ambten, poogden de aristocratische families van Japan zichzelf te verrijken door het vergaren van immense privé-landerijen. De keizer kon, vanwege zijn publieke status, -hij belichaamde het ideaal van de onpartijdige en abstracte staat-, niet meedingen in deze landrace: het simpele feit dat hij in theorie eigenaar was van alle land, verhinderde hem als persoon privé-gronden te bezitten (m.a.w. het was simpelweg niet te verantwoorden openbare gronden voor zichzelf te privatiseren).

Bijgevolg dreigde hij in een niet alleen verarmde maar ook ommuurde positie terecht te komen. Wou de keizer nog enige werkelijke macht in handen houden, dienden er zo snel mogelijk andere, omslachtige manieren van bestuur gevonden te worden. Er zouden in de toekomst drie instellingen van macht zijn: het privé-secretariaat van de keizer (kurōdo-dokoro seiji 蔵人所政治), de regent die bestuurt in naam van de keizer (sekkan-seiji 摂関政治) en het bestuur door een ex-keizer (insei 院政).

De machtsbasis binnen de Ritsuryō-structuur werd dus gaandeweg in zo grote mate uitgehold dat een keizer nog slechts werkelijk kon besturen door geen keizer meer te zijn. Troonsafstand doen en “Teruggetrokken Keizer” of jōkō (上皇) worden, was het enige pad naar privé-bezit en alzo tijdens de Heian-periode het enige pad naar macht.

Het veelvuldig toekennen van zogenaamde decreet-gronden (shōen 荘園 of 庄園,) aan familieleden leidde er in de 9de eeuw toe dat de keizerlijke clan tot één privé-grootgrondbezitter hervormd was. Deze gronden waren volledig vrijgesteld van belasting, inspecties, enz. en alle clans grepen elke kans om hun shōen verder uit te breiden of er zich extra aan te schaffen. Tegen het einde van de 10de eeuw was nagenoeg al het land shōen-land geworden en Japan in een feodale staat veranderd, met in de bovenste laag van de samenleving, de touwtjes stevig in handen houdend, de aristocratie.

De Fujiwara (藤原)

Ten tijde van de Nara-periode werd het ambt van Eerste minister of Kanselier (dajōdaijin) binnen de keizerlijke lijn aan de Fujiwara-clan langs moederszijde toegewezen. Het was langs deze weg dat de Fujiwara familie haar latere hegemonie zou vestigen. De kabane (een eervolle, erfelijke titel) Fujiwara (藤原) werd in 668 door Keizer Tenji toegekend aan Nakatomi no Kamatari voor zijn kwalitatieve leiding tijdens de coup die de Soga’s zou omverwerpen en de Taika-hervorming inluiden.

Zijn tweede zoon Fujiwara no Fuhito (659–720) nam de titel Fujiwara over en gaf hem door aan zijn 4 zonen die elk een eigen tak van Fujiwara’s voortbrachten. Het zou de noordelijke tak (hokke 北家) zijn die later het onbetwiste leiderschap over de clan zou verwerven.

Door vrouwen uit hun familie aan keizers uit te huwelijken wisten de Fujiwara’s hun linie met die van de keizer te vervlechten en zo hun positie aan het hof te versterken. Maar het was Fujiwara no Yoshifusa die hun suprematie vestigde.
Keizer Daigo

Toen in 858 zijn kleinzoon, kind-keizer Seiwa (清和) (regeerperiode 858-876), de keizerlijke troon besteeg wist Yoshifusa deze uitzonderlijke kans te verzilveren door de positie van regent (sesshō 摂政) aan te nemen. Twee aspecten waren hier hoogst onregelmatig; ten eerste was het zeer ongebruikelijk om een kind op de troon te plaatsen en ten tweede was een regent die geen prins van de juiste bloedlinie was zonder precedent.

De opvolging werd verzekerd door Yoshifusa’s aangenomen zoon, Mototsune (基経 836-891) die in 876 het regentschap over de tienjarige keizer Yōzei (陽成 876-884) waarnam. Ook al besluit hij op dit moment de term sesshō te laten vallen en hem door het eufemistische kanpaku (関白) te vervangen; de werkelijke positie van de regent blijft onaangetast. Wanneer keizer Yōzei op volwassen leeftijd protest uitdrukt tegen deze gang van zaken wordt zijn onttroning in scène gezet en een volgzamer prins gevonden.

Keizer Uda (宇多) (867-931) stelt na het overlijden van Mototsune even geen nieuwe regent aan en daarna weten keizer Daigo (醍醐)(897-930), keizer Suzaku (朱雀) (reg. 930-946) en keizer Murakami (村上)(reg. 946-967) het tij nog even tegen te houden en zonder regenten te regeren. Hun bestuur staat bekend als het “goede bestuur” van de Engi-Tenryaku-periode]] (Engi-Tenryaku no chi 延喜天暦の治).

Maar aangezien het grootste deel van de hoge posities aan het hof nog steeds door leden van de Fujiwara-familie bekleed werd, wisten deze al snel via complotten en zuiveringsacties de macht blijvend naar zich toe te trekken. Gedurende deze periode is de greep die de Fujiwara-clan had op de Japanse troon dictatoriaal en absoluut: zij konden naar believen keizers kronen en terug afzetten. Zij zouden deze macht voor minstens een eeuw niet afgeven.

De boeren bewapenen zich

Aangezien de aristocratie continu in de hoofdstad verbleef, diende zij te delegeren en het dagdagelijks bestuur van haar domeinen aan plaatselijke vertegenwoordigers over te laten. Ten eerste, om al hun landerijen te bewaken en plaatselijke onenigheden in de kiem te smoren had de landadel gewapend voetvolk nodig, en veel. Daarnaast was er een tweede drijvende kracht achter de bewapening van het platteland: de ongecontroleerde jacht op meer shōen-domeinen had als gevolg dat er steeds minder publiek land overschoot. Maar de boeren (shōmin 荘民) waren als onderdanen nog steeds corvee verschuldigd aan de troon (of beter: aan haar plaatselijke vertegenwoordigers) op die publieke domeinen. De boeren hiervoor in realiteit opvorderen bleek echter een doorn in het oog van de (nu talrijke) privé-domeinen.

De onderlinge animositeit steeg ten top en gewapende boerenbendes (hyakushō 百姓) bestormden de zetels van de plaatselijke administratie. Het kwam niet alleen steeds vaker tot een gewelddadig treffen tussen de plaatselijke autoriteiten en de boerenmilities, maar daarnaast begonnen landheren ook onderling hun geschillen met wederzijds bewapende bendes te beslechten. De plaatselijke privé-domeineigenaren of domeinbeheerders verwerden gaandeweg tot echte militaire landheren met hun eigen persoonlijke milities. De krijgersklasse kwam op, en dit zou later de Kamakura-periode inluiden: een tijd waarin het zwaard de taal van de macht sprak.

Het In-bestuur (Insei 院政)

De Fujiwara kregen na een geslaagde machtsovername aan het keizerlijke hof al snel de wind van voren. Vooral de plaatselijke autoriteiten hadden er genoeg van; de hoofdstedelijke aristocratie leefde, van de rijkelijke opbrengsten van de shōen, in een wereld van pure, verfijnde schoonheid en opper-cultuur terwijl op het platteland het onderlinge antagonisme hoogtij vierde. Verschillende andere families roken hun kans en wachtten geduldig af.

Het lot scheen hen toe te lachen toen de Fujiwara-vrouwen, waarmee de keizers verplichte huwelijken sloten, geen zonen baarden. Er kwam na bijna honderd jaar voor het eerst weer een keizer op de troon die geen Fujiwara-prinses als moeder had. Deze buitenkans lieten de vijanden van de Fujiwara’s niet aan zich voorbijgaan: de nieuwe keizer zou besturen en niet als een stroman voor de Fujiwara. Er diende enkel nog een omweg gevonden te worden langs het regentschap en het keizerlijk privé-secretariaat. De meesterlijke zet was het volgende: keizer Shirakawa (白 河 ) (reg. 1072-1086, jōkō 1086-1129) deed troonsafstand en zou als “ex-keizer” of jōkō (上皇) regeren met een eigen kabinet rond zich. De volgende twee keizers: keizer Toba (鳥羽) en keizer Go-Shirakawa (後白河) hielden het gestelde voorbeeld aan en men noemt dit het zogenaamde in-bestuur (insei 院政, lett: ‘teruggetrokken leven’) van 1086 tot 1185.

De Taira (平)

Nu hadden deze “ex-keizers” natuurlijk een persoonlijke garde of samoerai (侍) nodig, en hiervoor deden zij een beroep op de krijgers van de Taira-clan (平). De militarisering van de samenleving tijdens de Heian-tijd had echter als gevolg dat samoerai en gewapende bendes steeds aan belang wonnen en al snel wisten de Taira dit feit in hun voordeel aan te wenden.

Na het Hōgen-incident (Hōgen no ran 保元の乱), een machtsstrijd tussen de 3 posities van macht (regent, huidige keizer en ex-keizer), werd met de hulp van de Taira de strijd in het voordeel van keizer Go-Shirakawa beslecht. Daarna schonk deze laatste de Taira als beloning hoge posities aan het hof, o.a. die van kanselier (daijōdaijin, een positie vroeger voorbehouden aan de Fujiwara-tak). Deze nieuwe Taira-kanselier zou echter al na enkele maanden het keizerschap terug herleiden tot een lege instantie en voor zijn eigen clan de volledige macht opeisen. Het Taira-bewind zou het oude keizerlijke Japan de middeleeuwen binnenleiden en het tot een feodale krijgersstaat zien veranderen.

Einde van de Heian-tijd

Tegen het einde van de 12de eeuw kwam het verzet tegen de overheersing van de Taira-clan onder aanmoediging van hun aartsvijanden de Minamoto’s tot een hoogtepunt in de Genpei (源平)-oorlogen. De leider van het verzet, Minamoto no Yoritomo (源頼朝) (1147-1199) wist een enorme steun aan krijgsbendes te verzamelen en luidde zo een nieuwe tijd in. Te Kamakura sticht hij het Bakufu (幕府, de term betekent oorspronkelijk legerkwartier, maar dient hier begrepen te worden als de militaire leiding over geheel Japan.) of Shogunaat. Minamoto no Yoritomo wordt zelf de eerste Shōgun, de positie die de volgende 700 jaar hèt centrum van de macht in Japan zal blijven.


Cultuur

De ons overgeleverde cultuur van het Japan tijdens de Heian-tijd staat gelijk aan hoofsheid en verfijning. Dit is ook de tijd waarin een voorzichtige onafhankelijkheid van het Chinese model gaandeweg omgezet wordt in een ware eigen identiteit.

Murasaki Shikibu

Literatuur

Het is tijdens de Heian-periode, een tijd van opperste culturele verfijning dat Murasaki Shikibu (紫式部) het beroemde Genji no Monogatari (源氏物語), of ‘Verhaal van Prins Genji’ schrijft en Sei Shōnagon (清少納言) haar even gelauwerde Makura no Sōshi (枕草子) of “Hoofdkussenboek”. Opvallend is dat het de dames zijn die in deze tijd met de eer gaan lopen, ondanks dat het hen niet toegestaan was in het hentai kanbun (変体漢文) te schrijven; nl. het schrijven van Japans met Chinese schrifttekens. Dit voorrecht was expliciet voorbehouden aan de mannen van hoge stand en de geestelijkheid, maar het zijn de vrouwen uit de Heian-periode die met het gebruik van het moderne kana-schriftsysteem (仮名) tijdens de tweede helft van de 9de eeuw een nieuwe tijding inluiden en klassieke literaire meesterwerken afleveren.

Het belang van poëzie tijdens de Heian-tijd kan nauwelijks overschat worden. Men schreef over:

  • reiservaringen,
  • intieme gevoelens, (Het communicatiemiddel bij uitstek voor een koppel dat een nauwere band wenste aan te gaan, was poëzie. Dit dmv het wederzijds uitwisselen van gedichten die de gevoelens van de schenker trachtten over te brengen.)
  • relaties, familieleven, het hofleven,
  • levenservaringen. (Vaak spelen natuurfenomenen als metafoor voor gevoelens of natuurbeschouwingen ter uitdrukking van denkbeelden in de Japanse poëzie een grote rol.)

Er werd enkel geschreven over het mooie, de etherische schoonheid of de waaier van menselijke gevoelens. Oorlog en geweld werden niet als betamelijke onderwerpen gezien, en humor en satire werden eveneens niet gebruikt. We dienen bij het proberen interpreteren van deze poëzie in gedachten te houden dat er aan het Heian-hof slechts enkele honderden aristocraten verbleven, die hun poëzie voornamelijk voor elkaar schreven. Zij beschikten over een gelijkaardige achtergrond en opleiding, hun leefwereld en denkraam was hetzelfde. Een summiere hint was destijds genoeg om de toehoorder te bereiken. Nu, is de afstand soms groter en moeilijker te overbruggen.

Kledingstijl aan het hof

Tijdens de Heian-tijd leefde er aan het hof een uitgesproken voorliefde voor exquise kunstvormen en subtiele schoonheid; bij zoveel moois kon kledingstijl natuurlijk niet achterblijven: zowel de waaier aan kleuren, talrijke combinaties als stoffentexturen werden tot in de puntjes uitgedacht en verzorgd.

De kledij van de vrouwelijke hofdames wordt vaak jūni hitoe (十二一重 lett: “12 lagen”) genoemd. De naam lijkt aan een oude legende ontsproten: hierin probeerde een hofdame een kind-keizer van de verdrinkingsdood te redden, maar verdronk daarbij jammer genoeg zelf. Het verhaal zegt dat “de 12 ongevoerde lagen van haar gewaad haar de diepte introkken”. Indien er een kern van waarheid in dit verhaal zou zitten, was het vast zomer toen het betreurenswaardige incident gebeurde, want ongevoerde gewaden werden sowieso enkel in de meest drukkende, hete dagen gedragen. Daarenboven, met slechts 12 lagen, is dit nog een bescheiden Heian-gewaad, daar het absoluut niet ongewoon was 20-40 lagen stof te dragen. Daarbij kon de specifieke kleurschakering, of de manier waarop gordel of hoofdtooi gedragen werd een subtiele boodschap uitzenden.

Niet enkel de vrouwen uit de Heian-tijd gingen onder zovele lagen stof gebukt, ook de mannen droegen gelijkaardige gewaden waaronder zij ook nog hakama (袴) droegen: een soort wijdvallende broeken. De mannelijke leden van het Heian-hof waren namelijk niet de latere, robuuste krijgers uit de Kamakura-periode, maar hanteerden vaak liever de pen of waaier (een onmisbaar accessoire) dan het zwaard. Hun kledij was bedacht op rustige, contemplatieve bezigheden zoals bijvoorbeeld: het nachtelijk bezichtigen van de maan, vanop terrassen de uitgebreide paleistuinen en seizoensgebonden natuurfenomenen beschouwen en poëzie schrijven, en hun kledij diende zodoende ook niet bijzonder handig of praktisch van aard te zijn.

De oorsprong, van het dragen van zovele lagen stof, kan uit China overgewaaid zijn, doch in China ging men nooit verder dan 9 lagen. Het waarom, is waarschijnlijk klimaatsgebonden; de Japanse architectuur had zich door de jaren heen ontwikkeld van de oorspronkelijke paalwoningen tot uitgebreide paleizen. Op het zeer vochtige en warme zomerklimaat afgestemd, konden de meeste ruimtes volledig geopend worden door simpelweg de dunne wanden open te schuiven om een verfrissende bries binnen te laten. Tijdens de strenge winters werd dit hemelse, verluchte zomerpaleis echter ijskoud en erg tochtig. Vermits wol pas in de 18de eeuw Japan binnengevoerd werd, bleek het dragen van vele lagen boven elkaar de beste oplossing. In 1074 kwamen er echter wetten op het dragen van zovele lagen kledij en werd dit beperkt tot maximum 5.

Beeldende Kunsten

Nyoirin Kannon, de Bodhisattva van Mededogen

Tijdens de Heian-periode zal men in Japan voor het eerst werkelijk afstand nemen van het Chinese voorbeeld en een eigen visuele stijl ontwikkelen. Men gaat qua vormgeving, onderwerp en materialen steeds meer vanuit de eigen visie en plaatselijke mogelijkheden vertrekken. Men verwerft zodoende een nieuwe en vooral Japanse vormtaal of wayō (和様). Vermits er tijdens de Heian-tijd een ware Boeddhistische opleving is, zijn de overgeleverde onderwerpen vaak goden of heiligen, dit in de vorm van beeldhouwkunst uit hout en prachtige tempelschilderingen. Zo bijvoorbeeld ook de muurschildering van Nyoirin Kannon, de Bodhisattva van Mededogen, met het Wens-vervullend Juweel en het Magische Wiel, uit de 12de eeuw.

Boeddhisme

Bij de verplaatsing van de hoofdstad naar Heian-kyō in 794 werd het de machtige Nara-kloosterordes niet toegestaan mee te verhuizen. Dit was een bewuste tactische zet om hun monopolie te breken en het zou hen uiteindelijk dan ook versnipperen. Twee nieuwe strekkingen ontstonden:


Standbeeld van Kūkai bij de Zaigaji-tempel‎

De Tendai-school (天台宗)

De bezieler van de Tendai-school, Saichō (最澄) (767-822), deed zijn inspiratie op in China. De Chinese hoofdstad Chang’an (長安) was te beschouwen als het toenmalige Mekka van de boeddhistische leer. De naam Tendai ontleent Saichō van het Chinese Tiantai (天台); de naam van een berg in China waar Saichō bij een boeddhistische school verbleef en studeerde. Hij vestigde zijn eigen godsdienstig centrum op de Japanse berg Hieizan (比叡山), nabij Heian-kyō, een retraite-plek die eeuwenlang het Japanse Boeddhisme zou domineren. Uit de Tendai-stroming zouden later nog 3 belangrijke scholen voortkomen: de sekten van het Reine Land, de Zen-sekten en de Nichiren-sekte.

De Shingon-school (真言宗 )

De stichter van de Shingon-school haalde zijn inspiratie eveneens uit China en de grootdenker Kūkai (空海) (774-835) vestigde zijn eigen spirituele uitvalsbasis vervolgens op de berg Kōyasan (高野山). Kūkai was een genie die reeds op jonge leeftijd het Confucianisme en Taoïsme bestudeerde, en in zijn latere leven ook binnen het Chinese Tantrisme een hoge positie wist te bemachtigen. Hij werkte een tien-trappen-schema uit waarin alle godsdienstige leerstellingen vervat waren, van lager niveau naar hoger. Kūkai zag eerst en vooral de volmaakte zelfvoltooiing van het Tantrische Boeddhisme als het hoogste ideaal en de tweede pijler van zijn leer drukt zich uit in het motto: “Verlicht worden in dit bestaan zelve.”

Boeddhisme en Shintō (神道)

Merkwaardig genoeg bleef het animistische Shintō (神道) levenskrachtig tijdens deze boeddhistische populariteitsboom: dit werd vooral bereikt door een gedachte van synthese eerder dan antithese. Het Shintō-godendom kreeg een plaats toegewezen binnen het grotere geheel van het Boeddhistische parthenon en dit ging zo ver dat men vaak Boeddha en de Shintō-natuurgoden in hetzelfde heiligdom vereerde.

In latere tijden zouden Shintō-theologen de rangorde weliswaar omkeren en het Shintō-godendom als het opperste bestempelen, doch de traditie van wederzijds respect en tolerantie was gezet. Dit godsdienstige pluralisme in Japan zou aanhouden: zelfs nu antwoorden de meeste Japanners, wanneer naar hun godsdienstige overtuiging gevraagd, tweeledig; ze beschouwen zichzelf zowel als Boeddhist als Shintō-gelovige. Dit zeer begrijpelijk daar de twee elkaar niet echt uitsluiten en ergens zelfs aanvullen: Shintō is de godsdienst van het leven zelf: trouwpartijen, seizoensvieringen en natuurverering, terwijl het Boeddhisme de taak van het begeleiden na de dood (begrafenisrituelen bijv.) en verdere zielsmateries (zoals reïncarnatie) voor zijn rekening neemt.

Bronnen

Colleges & syllabi

  • Vande Walle, Willy. Geschiedenis van Japan tot 1868, cursus en colleges gedoceerd voor de Katholieke Universiteit Leuven, academiejaar 2006-2007.
  • Hellemans, Karel. Inleiding tot de Japanse cultuur, cursus en colleges gedoceerd voor de Katholieke Universiteit Leuven, academiejaar 2005-2006.

Boeken

  • Shively, Donald H. & McCullough, William H. The Cambridge history of Japan. 2 : Heian Japan. Cambridge University press, 1999.
  • Sawa, Takaaki. Art in Japanese esoteric Buddhism. New York: Weatherhill, 1972.

Internet

Lectuurtips

Een bibliografie van werken over de Heian en andere periodes uit de Japanse geschiedenis is hier te vinden.