Heian-beeldende kunsten
Uit GeschiedenisJapan
Japanse vormtaal: wayō 和様
De beeldende kunsten staan in dienst van de uitbeelding van het boeddhistische wereldbeeld. Voor de tempels en andere oorden van eredienst worden talloze beelden van boeddha's, bodhisattva's, of goden uit het boeddhistische pantheon in hout gesneden, of op hout, papier of zijde geschilderd.
Reeds tijdens de Nara-periode was er een intense activiteit op het vlak van de beeldende kunsten, maar de kunstenaars waren toen nog sterk door Chinese voorbeelden beïnvloed en maakten gebruik van dezelfde materialen en technieken als de Chinezen. In de Heian-periode stappen zij geleidelijk af van materialen die in Japan schaars of afwezig zijn, en gaan die vervangen door hout, een materie die overvloedig aanwezig is. Hout wordt hun medium bij uitstek. Zij gaan bovendien experimenteren met technieken die beter aan het typisch Japanse materiaal aangepast zijn. Het resultaat is een Japanse vormtaal (wayō), die aan een nieuwe esthetiek en sensibiliteit beantwoordt. Het Tantrisme met zijn uitgebreide pantheon en zijn nadruk op symboliek was een grote stimulans voor de vervaardiging van beelden, schilderijen en mandala's. De productie was enorm.
Elegant visioen van het paradijs
De vierhonderd jaren van de Heian-periode waren een tijd van grote stijlveranderingen. Tijdens de negende eeuw, in de kunstgeschiedenis ook wel de Kōnin-Jōgan-periode 弘仁貞観時代 genoemd, snijden de beeldhouwers volumineuze beelden uit één stuk hout. Er gaat een gewijde, strenge en hiëratische sfeer van uit. Tijdens de Fujiwara-periode (10de tot 12de eeuw) zorgt de grote meester Jōchō 定朝, actief in het midden van de elfde eeuw, voor een ingrijpende vernieuwing. Hij maakt zich vrij van de Chinese en Koreaanse invloeden en ontwikkelt een hoofse en verfijnde stijl, bekend als wayō (Japanse stijl). Onder de bescherming van de Fujiwara-familie snijdt hij voor vele tempels in Heian-kyō en omgeving cultusbeelden. Men neemt aan dat hij meer dan honderd sculpturen maakte. In de loop der tijden is vrijwel zijn gehele oeuvre verloren gegaan, behalve de zittende Amida in het Paviljoen van de Feniks in de Byōdōin te Uji 宇治, en de 51 kleine beeldjes van aanbiddende bodhisattva's in hetzelfde paviljoen. Hij zou ook de uitvinder of minstens de pionier van de assemblagetechniek geweest zijn, die juist een veel elegantere en secure vormgeving mogelijk maakte.
Fujiwara no Yorimichi (990-1074), de machtigste persoon in het Japan van zijn tijd, stichtte op één van zijn domeinen de tempel Byōdōin 平等院. Het religieuze complex omvatte onder meer het paviljoen van Amida, dat werd voltooid in 1053 en dat nadien het Paviljoen van de Feniks (Hōōdō 鳳凰堂) werd genoemd. Dit gebouw werd ontworpen als een aardse afspiegeling van het paleis van Amida in zijn Paradijs van het Westen. Dit is de plaats waar de aristocraten, aanhangers van het amidisme, hoopten herboren te worden. Het belangrijkste beeld van het Paviljoen is het (boven vermelde) door Jōchō gesneden monumentale beeld van Amida (H. 283,9 cm). Dit paviljoen was voor Yorimichi een manier om vooruit te lopen op de ontvangst die hij hoopte te krijgen bij de Boeddha Amida op het ogenblik van zijn overlijden. De decoratie van de zaal, in het midden waarvan het beeld van Amida staat, beantwoordt eveneens aan deze hoop. Op de wanden en deuren bevinden zich namelijk geschilderde scènes van het Reine Land in het Westen, zoals de canonieke teksten ze beschrijven.

