Hayashi Razan
Uit GeschiedenisJapan
Hayashi Razan (1583-1657) was een Japanse neo-confucianistische filosoof die vooral bekend werd door het stichten van zijn eigen school, de Shoheiko. Samen met Fujiwara Seika zorgde hij ervoor dat het Confucianisme, vooral aan het hof, aan belang won. Verder verzamelde en schreef hij een enorme oeuvre aan boeken.
Inhoud |
Biografie
Hayashi Razan 林羅山 (1583-1657) werd geboren in Kyoto in 1583, als lid van de familie van rōnin Hayashi Nobukatsu. Gedurende het grootste deel van zijn leven verkeerde Japan dus in een toestand van rust en vrede, die eigen is aan de Tokugawa- of Edo-periode (1603-1868). Op twaalfjarige leeftijd deed hij zijn intrede in de Kennin-ji , een van de grootste Zen-kloosters van de Renzaï school in Kyoto. Daar kwam hij voor het eerst in contact met het Confucianisme en werd zijn interesse voor de neo-confucianistische idealen opgewekt. Hij kreeg er onderricht van de leermeesters in de Kiyohara-traditie. Naast de verplichte Chinese, traditionele en neo-confucianistische werken die hij daar moest bestuderen, hield hij zich in zijn vrije tijd bezig met het lezen van de Vijf Klassieken [1] en de Vier Boeken [2]. Het was de Chinese filosoof Zhu Xi (1130–1200) die bij deze boeken aantekeningen had gemaakt en zo hele theoriën had opgesteld. Veel (neo-)confucianisten, waaronder Razan, baseerden hun ideologie onder andere op deze verzamelingen. Razans filosofie[3] vertoont dus veel gelijkenissen met het Confucianisme. In 1597 zou Razan in de Kennin-ji normaal tot priester gewijd moeten worden, maar hij besloot afstand te nemen van het boeddhisme en zich meer op zijn politiek carrière te richten. Vanaf dit punt is hij zich heel vijandig beginnen op te stellen tegenover het boeddhisme en heeft hij er alles aan gedaan om het te bestrijden. Tegelijkertijd deed hij verwoedde pogingen om het Confucianisme te promoten en te populariseren. Met het oprichten van de Shōheikō, zijn eigen confucianistische school, is hij daar glansrijk in geslaagd.
Omwille van zijn intense studie van het Confucianisme las hij ook enorme hoeveelheden boeken en teksten. Zijn liefde voor literatuur en lectuur ging zo ver dat hij de meest interessante werken kopieerde, of liet kopiëren. Die werken werden, samen met de werken die hij zelf geschreven had, in zijn persoonlijk bibliotheek bewaard. Zijn bijdrage daarbij valt niet te onderschatten; hij schreef werken over geschiedenis, literatuur, het Shintō, Confucianisme, enz. Toen die bibliotheek samen met een groot deel van zijn collectie in vlammen opging tijdens een grote brand in Edo (1657), begaf ook Hayashi Razan het en stierf hij op 74-jarige leeftijd.
Politieke carrière
Toen Hayashi Razan in 1597 met het boeddhisme brak en dus uit de Zen-tempel stapte, maakte hij wel handig gebruik van het contact met zijn voormalige leermeesters. Zij zouden hem immers kunnen voorstellen aan de befaamde Funabashi Hidekata 船橋秀賢 (1575-1614), één van de bekendste geleerden aan het hof, die met zowel de keizer als de shōgun in contact kwam. Razan wou Hidekata's leerling worden en aan de hand van diens connecties zijn carrière bevorderen. Tot zijn grote teleurstelling weigerde deze zijn voorstel.
Maar hij liet zich niet van zijn stuk brengen en probeerde hetzelfde te doen, ditmaal bij Fujiwara Seika 藤原惺窩 (1561-1619). Er was Seika namelijk al meermaals gevraagd in dienst van het Bakufu te treden, maar deze wenste onafhankelijk te blijven en weigerde dus keer op keer. In tegenstelling tot Hidekata, wou Seika Razan wel als leerling. Seika stelde hem in 1605 zelfs voor aan de shōgun Tokugawa Ieyasu 徳川 家康 (1543-1616). Deze laatste was zo onder de indruk van Razans opleiding, dat hij hem in 1607 voor een proeftijd in dienst nam. Aan het keizerlijk hof moest Razan wel gehoorzamen aan enkele regels. Zo moest hij bijvoorbeeld zijn hoofd kaalscheren en ook een boeddhistische naam aannemen. Razan koos voor de naam Dōshun.
Onder Tokugawa Ieyasu en Tokugawa Hidetaka
Onder de shōguns Tokugawa Ieyasu 徳川 家康 (1543-1616) en Tokugawa Hidetada 徳川 秀忠 (1579-1632) had hij geen noemenswaardige positie. Zijn werk beperkte zich immers tot het uitvoeren van enkele onbelangrijke administratieve taken. Hij stelde bijvoorbeeld enkele documenten in verband met internationale handel op en tevens een 3-voudige eed voor de daimyō's die hun trouw aan Ieyasu beloofden. Razan ondervond in die periode veel last van boeddhistische rivalen, zoals Ishin Suden 以心 崇伝 (1569-1633) en Tenkai 天海 (1536-1643)[4].
Onder Tokugawa Iemitsu
In de periode van 1611 tot 1623 kreeg hij geen enkele belangrijke opdracht, wat hem ontzettende ergerde en resulteerde in een klaagbrief aan zijn meester Seika. In 1623, onder de tweede zoon van Hidetaka, verbeterde zijn positie enigszins; zijn status was nu vergelijkbaar met die van een monnik, bediende of dokter.
Grote doorbraak
In 1635 was het tij helemaal gekeerd. Hij kreeg namelijk de bevoegdheid om een herziening van de Buke Shohatto [5] te ontwerpen. Daarnaast mocht hij de genealogie van de militaire huizen schrijven, en hij werd ook nog eens aangesteld om de betrekkingen met Korea te onderhouden.
Zijn succes bleef toenemen. In 1644 mocht hij zelfs de namen van de tijdperken bepalen, een taak die tot dan toe enkel door traditionele confucianisten uitgevoerd mocht worden. Het absoluut hoogtepunt in zijn carrière was echter in 1656, toen hij als officiële neo-confucianistische leraar van het Bakufu de 15-jarige Tokugawa Ietsuna 徳川 家綱 (1641-1680) over de Ta hsüeh [6] les gaf.
De Shōheikō
Razan had in 1614 zijn eerste poging gedaan tot het oprichten van een confucianistische school. Hij had immers steun gevraagd aan de shōgun Ieyasu, maar deze had het te druk met de belegering van Oosaka. Daarenboven zorgde zijn afzijdige houding ten opzichte van het boeddhisme ervoor dat Ieyasu hem niet erg gunstig gestemd was.
In 1630 had hij meer geluk, en kreeg hij van de shōgun een stuk grond in Shinobu ga Oka te Ueno in Edo. In 1632 werd daar reeds een tempel op gebouwd, die dienst deed als centrum van de Zhu Xi-doctrine. Deze tempel was zo belangrijk dat de confucianistische raadsheren, waaronder de feodale heren en die van het Bakufu, daar werden opgeleid.
In 1663 gaf Ietsuna de school een nieuwe naam: Kabun-kan ('Hal der vele kunsten'). De kleinzoon van Razan, Hayashi Shunsai, werd aangesteld als Kobun-in. Dat betekent zoveel als de verantwoordelijke voor de vele kunsten.
In 1690 gaf Tokugawa Tsunayoshi 1646-1709 het bevel de school te verplaatsen naar Yushima in Edo en ook hij gaf de school en nieuwe naam: Seido ('Zaal der wijzen'). Ondertussen was de rol van de school uitgegroeid tot universiteit van het Bakufu. Hayashi Hoko werd aangesteld tot rector. De Seido bleef de hele Tokugawa periode lang onder het gezag van de Hayashi-familie. In deze periode kent het Confucianisme aan het hof een hoogtepunt. Dat uitte zich onder andere in het feit dat de shōgun en daimyō's vanaf dan de lente- en herfstceremonie's bijwoonden.
Onder invloed van de Kansei (寛政)-hervormingen (1787-1793), had het Bakufu een grotere macht over de universiteit. Oorspronkelijk werden uit alle klassen leerlingen aanvaard, maar vanaf 1789 mochten enkel leden van het gevolg van de shōgun nog toetreden. Daarnaast stelde het Bakufu ook het leerplan op en had ze de bevoegdheid over de administratieve en financiële aangelegenheden. In 1790 wijzigde de naam van de universiteit nog maar eens tot Shōheizaka gakumon-jō, of kortweg: Shōheikō. Vanaf 1797 stond de universiteit volledig in dienst van het Bakufu. Er werd van de universiteit en haar ideologie gebruik gemaakt om de macht van het Bakufu te verantwoorden.
Na de dood van Hayashi Hoko in 1732 daalde het niveau van de universiteit drastisch. Alle inspanningen van het Bakufu ten spijt, heeft de universiteit haar niveau nooit meer kunnen opkrikken.
Een greep uit zijn bewaarde werken
Politieke werken met betrekking tot de shōgun en de keizer
- Henchō hennen-roku ('Chronologie van ons land') (1643)
- Honchō tsugan ('Spiegel van ons land') (1670)
Filosofische werken
- Shukonshō ('Beknopte versie van het lente-onderricht')
- Santokushō ('Selectie over de drie deugden')
- Shintō denju ('Overlevering van de weg der goden')
Aantekeningen bij de klassieken
- Daikgaku genkai ('Eenvoudige verklaring van de grote leer')
Inleidende werken over het confucianisme
- Seiki jigi genkai ('Eenvoudige verklaring van de begrippen geaardheid en principe')
Voetnoten
- ↑
- ShiJing (Shih Ching): Boek van de Oden
- LiJi (Li Chi): Boek van de Riten
- Yi Jing (I Ching): Boek van de Veranderingen
- ShuJing (Shu Ching): Boek van de Annalen
- Chun Chiu: Boek van de Lente en herfstannalen en de werken van Confucius
- ↑
- Lunyu (Lun Yu): Analecten van Confucius
- Menzi: leer van Mencius
- Daxue (Ta Hsueh): Groot leerstuk
- Zhongyong (Chung Yung) (Doctrine van het Centrale Midden)
- ↑ Omdat een degelijke achtergrond van het Confucianisme vereisd is om Razans leer te kunnen begrijpen, gaan we er hier niet verder op in. Geïnteresseerden kunnen altijd een beroep doen op de onderstaande bronnen voor meer informatie.
- ↑ Beiden waren religieuze raadgevers van de shōguns.
- ↑ gedragsregels voor de militaire families
- ↑ één van de Vier Boeken, zie voetnoot 1
Bronvermelding
- Boot, Willem Jan, The adoption and adoptation of Neo-confucianism in Japan: the role of Fujiwara Seika and Hayashi Razan, 1982, Lectura Leiden B.V., 366 pagina's.
- Huyge, Dirk, Hayashi Razan, 1994, KUL. Faculteit letteren. Departement oosterse en slavische studies, 72 pagina's.

