Hanbatsu
Uit GeschiedenisJapan
Inhoud |
Leidraad
De politieke bewustwording groeide en de macht van politieke partijen nam toe. De Hanbatsu-regering die na de Meiji-restauratie redelijk autonoom had kunnen besturen werd steeds meer gedwongen compromissen te sluiten en uiteindelijk kwam er zelfs een met een politieke partij verbonden kabinet tot stand. Itō Hirobumi was de eerste die besefte dat de politieke partijen voortaan het vehikel van de macht waren. Hij vormde een eigen conservatieve partij, de Associatie van Politieke Vrienden, die bereid was de grote lijnen van het regeringsprogramma te steunen.
Satsuma-Chōshū-kabinetten en de politieke partijen
Samenwerking tussen regering en politieke partijen
Na haar overwinning in de Sino-Japanse oorlog moest Japan de bittere pil slikken dat haar door het Westen het grootste deel van de territoriale winst werd ontzegd. De overheid besloot de oorlogsschade waartoe China veroordeeld was te gebruiken voor bewapening en het stimuleren van de nijverheid. Ze had de steun nodig van de politieke partijen om de publieke opinie te overtuigen. De politieke partijen van hun kant, die in enkele jaren nog niets hadden gerealiseerd, zagen hierin een kans om via samenwerking een deel van de reële macht in handen te krijgen. Deze toenadering zorgde ervoor dat de ``tweede fase van parlementair werk aanzienlijk verschilde van de vorige. Onder het tweede Itō-kabinet was er reeds samenwerking geweest met de Jiyūtō自由党(de oude Rikken Jiyūtō立憲自由党), die uitmondde in de benoeming van Itagaki Taisuke tot Minister van Binnenlandse Zaken. Onder het tweede Matsukata-kabinet (1896) nam de Shinpotō 進歩党(de nieuwe naam voor de Kaishintō改進党)deel aan het beleid. ōkuma Shigenobu werd Minister van Buitenlandse Zaken. De reden voor regeringsdeelname was het protest tegen de teruggave van het Liaodong schiereiland, waarmee de Kaishinto niet accoord ging. De Jiyūtō belandde weer in de oppositie. Wegens conflicten met de steeds meer geld eisende militairen, vooral uit Satsuma afkomstig, moest ōkuma ontslag nemen. De Kaishinto trok vervolgens haar steun terug en het Matsukata-kabinet kwam ten val. Het derde Itō-kabinet probeerde de geldhonger van het leger te stillen door nieuwe verhogingen van de grondbelasting. Na amper vijf maanden bracht de steeds sterker wordende oppositie hem ten val. Politieke partijen hadden nu de macht om regeringen te maken of te breken.
Een coalitie-kabinet van politieke partijen
Itō propageerde vervolgens de noodzaak van een overheidsgezinde politieke partij. Omdat zijn ``Senpai Yamagata Aritomo het grondwettelijke transcendentalisme inriep, raakte Itō een tijdlang uit de gratie van zijn Chōshū-factie. Toch kwam er wat later voor het eerst een coalitieregering van politieke partijen aan de macht. Na een fusie van de Jiyūtō en de Shinpotō tot de Kenseitō 憲政党 werd de voorzitter ōkuma Shigenobu premier en Itagaki Minister van Buitenlandse Zaken. Met wat goede wil kan men 1898 beschouwen als het aanbreken van de periode van bestuur door politieke partijen, wat Yamagata Aritomo de teleurgang van de Meiji-revolutie noemde. Omdat de fusie van de partijen van ōkuma en Itagaki niet tot in de puntjes geregeld was, bleek hun kabinet vrij wankel. Niet alle partijcenakels steunden het en er bestonden ernstige meningsverschillen tussen ex-Jiyūtō en Shinpotō leden. De ambtenarij boycotte de uitvoering van besluiten van deze populistische regering en enkele "anti-republikeinse" uitspraken van de Minister van Onderwijs Ozaki Yukio deden zulke hoogoplopende discussies losbarsten dat de Minister ontslag moest nemen. In een lezing tegen de door geld en corruptie beheerste politieke zeden had hij het republikeinse systeem het meest verderfelijke genoemd omdat het de poorten zou openen voor stromannen van de zaibatsu 財閥om de leiding van het land over te nemen. Dit werd door politici van de vroegere Jiyūtō uitgelegd als een goedkeuring van het door de Keizer beheerste bestaande stelsel. Later viel het kabinet en werd de coalitie ontbonden. Beide partijen voeren terug een onafhankelijke koers. De ex-Jiyūtō bleef zich Kenseitō noemen, en de ex-Shinpotō werd de Kensei hontō 憲政本党. Het hele experiment had vier maanden geduurd.
Het kabinet van Yamagata Aritomo
Nu werd de tweede Yamagata-regering gevormd. Hij matigde zijn transcendente standpunt en verbond zich met de Kenseitō. Ondanks zware tegenkanting van onder de crisis gebukt gaande boeren en behoudsgezinde grootgrondbezitters slaagde hij erin de belastingshervorming van Itō door te drukken. Hij wierp een dam op tegen de te verregaande greep van de politieke partijen op de administratie. Zo wou hij de baantjesjagerij doorbreken die was ontstaan in het ōkuma-kabinet. Vele partijleden waren erin geslaagd zich tot ambtenaar te laten benoemen zonder voor de vereiste examens te slagen. Yamagata kon bereiken dat dit onmogelijk werd behalve voor de ministers en enkele uitzonderingen binnen de administratie. Hij vrijwaarde ook de belangen van de militairen door bij wet te laten bepalen dat ook in burgerregeringen de Minister van Oorlog steeds een militair zou zijn (Gunbu daijin gen'eki bukansei 軍部大臣現役武官制). Waarschijnlijk was het niet zijn bedoeling, maar zo kreeg het leger een grote inspraak in de vorming van elke regering. Het kon op elk ogenblik de Minister terugroepen en zo de regering ten val brengen. Deze wet, alsook de politie-wet (Chian keisatsu-hō治安警察法) waren bedoeld om de stilaan toenemende greep van Chōshū op de nationale politiek te bestendigen.
Oprichting van de Associatie van Politieke Vrienden
Itō Hirobumi vond dat de politieke partijen door hun kortzichtige visie de nationale belangen schade toebrachten. Daarom rijpte bij hem het plan een eigen partij met nobeler instelling op te richten. Met Hoshi Toru (1850-1901) een van de populairste leden van de Kenseitō die de politieke kuiperijen om een ministerpost te bemachtigen beu was, stichtte hij in 1900 de Rikken Seiyu Kai 立憲政友会. De bedoelingen van Itō waren niet alleen nobel, maar ook door praktische overwegingen gemotiveerd. Onder de autocratische leiding van de voorzitter, Itō zelf, moest de partij steeds de grote lijnen van het overheidsbeleid steunen. In ruil daarvoor zou de partij steeds het Eerste Ministerschap kunnen opeisen en zelf de regering mogen samenstellen. De partijvoorzitter zou de ministerportefeuilles toewijzen en hoefde geenszins alleen partijleden in zijn kabinet op te nemen. Hierover ontstonden dadelijk controversen, vooral met ambtenaren die zijn partij genegen waren. Toen Itō zijn vierde kabinet samenstelde, liet hij zoveel partijleden in de kou staan dat deze prompt naar de oppositie overliepen en zijn kabinet ten val brachten.

