Grondwet en parlement

Uit GeschiedenisJapan

Inhoud

Uitvaardiging van een grondwet en oprichting van een parlement

Als reactie op de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten nam de regering uiteindelijk het besluit een grondwet uit te vaardigen. Ze wilde er wel alles aan doen opdat de positie van de machthebbers zo min mogelijk aangetast zou worden en de Keizer een onaantastbare plaats zou bekleden. Itō Hirobumi bestudeerde in Europa verschillende grondwettelijke systemen. Besloten werd dat het Pruisische model het meest aangepast was aan de Japanse behoeften. Het voorbereidende werk verliep in het geheim en in 1889 werd de Grondwet van het Groot Japanse Keizerrijk uitgevaardigd. Pas dan werd bekend dat de inhoud van deze grondwet als een geschenk van de keizer beschouwd werd.

Voorbereidselen voor het uitvaardigen van een grondwet

De Genrōin

In 1875 had de overheid het Hof van Links (Sain 左院) en het Hof van Rechts (Uin 右院) afgeschaft en vervangen door de Genrōin 元老院, dat nu als hoogste wetgevende orgaan dienstdeed. Binnen dit orgaan werden Gotō Shōjirō, Katsu Kaishū 勝海舟, en Katō Hiroyuki, een jurist die de absolute macht van de keizer als ideale bestuursvorm voor Japan beschouwde, belast met de leiding van een studiegroep die de grondwet moest voorbereiden. In 1880 hadden zij een voorstel klaar, maar het werd door Iwakura Tomomi niet ontvankelijk verklaard. Hij wenste de legerleiding alleen onder de controle van de keizer te houden.

De studiereizen van Itō Hirobumi

De overheid besloot Itō Hirobumi naar Europa te sturen om enkele grondwettelijke modellen te bestuderen. Met hem reisden ook Itō Miyoji 伊藤巳代治 uit Nagasaki, en Hirata Tōsuke 平田東助 af. Vlak voor hun afreid verklaarde de meest invloedrijke politicus van de regering, Iwakura Tomomi, dat de Pruisische grondwet hem de meest geschikte leek, zodat Itō vooral zijn licht ging opsteken aan Duitse en Oostenrijkse universiteiten. In Berlijn leerde hij van professor Rudolf von Gneist (1816-1895) voor- en nadelen van een grondwet en de stelregel dat de regering er vooral moest voor zorgen dat ze nooit buiten spel kon gezet worden. Handig hiertoe was bijvoorbeeld de regel dat indien de begroting niet aangenomen raakte, die van het vorige jaar dan automatisch overgenomen werd. Van Lorenz von Stein in Wenen leerde Itō de werking van de Pruisische grondwet in een stelsel waar de keizer ook soeverein was. Na de terugkeer van Itō werd een bureau opgericht dat moest onderzoeken hoe de Pruisische grondwet het best aan de Japanse situatie kon worden aangepast.

Institutionele hervormingen

De overheid paste haar instellingen zo goed mogelijk aan de komende grondwet aan. De keizer kreeg een aantal bestuurlijke prerogatieven, terwijl politici van Satsuma en Chōshū stormliepen om sleutelposities in bestuur en administratie in te nemen. In 1884 hervormde de overheid de rangen van de adel. De oude hofadel, voorname samurai-families en mensen die zich in het nieuwe bewind uitzonderlijk verdienstelijk gemaakt hadden, werden erin opgenomen. Vijf hofrangen werden ingesteld: hertog (kōshaku 公爵), markies (kōshaku 侯爵), graaf (hakushaku 伯爵), burgraaf (shiskaku 子爵), baron (danshaku 男爵). Het was in feite een kunstmatig systeem zonder enige traditie, maar deze nieuwe adel mocht in de nog op te richten Nationale Vergadering (Kokkai 国会), meer bepaald in het Hogerhuis zetelen (vgl. het Engelse House of Lords). Als beschermers van de keizerlijke belangen zouden ze een tegenwicht vormen tegen het Lagerhuis, waarin de verkozenen des volks zouden zetelen. Het hoeft ons niet te verwonderen dat bij de nieuwbakken adel vele mensen uit Satsuma, Chōshū, Tosa en Hizen voorkwamen. In 1885 schakelde men over van het Dajōkan-stelsel naar het kabinetsstelsel, met de bedoeling de besluitvorming beter te stroomlijnen en de verantwoordelijkheid en bevoegdheid van de bewindslieden beter te omschrijven. Alle kabinetsleden waren persoonlijk verantwoordelijk voor een ministerie en stonden onder het toezicht van de eerste minister. Men stelde een organiek en deontologisch reglement voor ambtenaren op en men voerde een examenstelsel in voor benoemingen en promoties. Itō Hirobumi werd de eerste premier van Japan. Onder hem stonden tien ministers, vier uit Satsuma, vier uit Chōshū, één uit Tosa en één voormalig bakufu-ambtenaar. Er kwam niemand van de traditionele adel in voor. Los van het kabinet werd een minister van Binnen (naidaijin 内大臣) aangesteld, die het Staatszegel en het Keizerlijk Zegel bewaarde en de raad van Keizerlijke Adviseurs voorzat. Eveneens buiten het kabinet stond de minister van het Keizershuis (kunaidaijin 宮内大臣), die aan het hoofd stond van het ministerie voor het Keizershuis (kunaishō 宮内省 ). Deze beide ministers waren uitsluitend verantwoording aan de keizer verschuldigd. Zij stonden daardoor min of meer op voet van gelijkheid met de eerste minister. Itō Hirobumi cumuleerde aanvankelijk beide functies. Aritomo Yamagata (山縣 有朋) werd de eerste minister van Binnenlandse Zaken (naimudaijin 内務大臣). De Minister van Binnenlandse Zaken was de belangrijkste kabinetsfunctie op die van de eerste minister na. De begroting van het kunaishō stond los van de nationale begroting en telkens wanneer de gelegenheid zich voordeed, werd de dotatie aan het Keizershuis vergroot. De Geheime Raad (Sūmitsuin 枢密院) werd gesticht in 1888, aanvankelijk met het doel advies te geven over het ontwerp van grondwet en het ontwerp van de wet op het keizershuis. De raad vergaderde in aanwezigheid van de keizer en werd om advies gevraagd over wetsontwerpen en ontwerpen van decreet, in het bijzonder om ze aan de grondwet te toetsen. De leden ervan werden door de keizer aangesteld. Ook hier was Itō Hirobumi de eerste voorzitter. De raadslieden werden gekozen uit oudere en ervaren politici en overheidsambtenaren. De Geheime Raad was in principe de hoogste raadgevende instantie van de keizer en stond geheel los van de uitvoerende macht. In de praktijk komt men echter steeds dezelfde figuren tegen, die nu eens in de Geheime Raad zetelen en daarna weer een post in het kabinet bekleden. De Geheime Raad was dus, net als het kabinet, het jachtterrein van de hanbatsu 藩閥, van Chōshū, Satsuma, Tosa en Hizen. Er bestond dus een grote vervlechting tussen beide instanties. De Geheime Raad waakte erover dat de keizer geen privileges prijs diende te geven en dat het status-quo tussen de hanbatsu in de machtsverdeling behouden bleef. Verder deed hij er alles aan om de macht van de politieke partijen te fnuiken. Als later het kabinet door de politieke partijen samengesteld zal worden, zal het herhaaldelijk met de Geheime Raad botsen.

De grondwet van het Grote Japanse Keizerrijk

Uitvaardiging

Om op basis van de bevindingen van Itō Hirobumi de definitieve redactie van de grondwet op te stellen, werd een werkgroep in het leven geroepen. Hiervan maakten, naast Itō, ook uit Itō Miyoji en Kaneko Kentarō 金子堅太郎, die rechten had gestudeerd in Harvard, deel uit. Als adviseurs kozen ze Albert Mosse (1846-1925) en Karl Roesler (1834-1894), die ook een belangrijke rol speelde bij het tot stand komen van de eerste Japanse handelswetgeving. De besprekingen werden in het grootste geheim gevoerd, opdat niets zou uitlekken naar de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten. Hun voorstel was pas klaar nadat het kabinetstelsel was ingevoerd. In 1889, op 11 februari, volgens de Nihonshoki de verjaardag van de troonsbestijging van de legendarische eerste keizer Jinmu, onder het eerste ministerschap van Kuroda Kiyotaka, werd de nieuwe grondwet afgekondigd. Op dezelfde dag werd de wet op het keizershuis (Kōshitsu tenpan 皇室典範) uitgevaardigd, waarin de troonsopvolging, het protocol bij de troonsbestijging, de opleiding van de kroonprins en enkele andere beschikkingen omtrent de keizerlijke soevereiniteit waren vastgelegd. Hij werd in 1947 grondig herzien. De Meiji-grondwet, officieel de 'de grondwet van het Grote Japanse Keizerrijk' genoemd, werd voorgesteld als een geschenk van de keizer aan zijn volk (kintei kenpô 欽定憲法), en niet als de uitdrukking van de soevereine wil van dat volk.

Inhoud en strekking

De Japanse grondwet bewijst dat er geen sprake is van imitatie. De hervormers inspireerden zich op wat bruikbaar was en pasten het creatief in hun eigen systeem in. Naar de letter geïnterpreteerd, garandeerde de grondwet aan de keizer op grond van zijn goddelijke afkomst verregaande prerogatieven op het wetgevende, uitvoerende en rechterlijke vlak, ook al zou hij daar in de praktijk geen gebruik van maken. Hij had het recht ministers van Staat, hoge ambtenaren en het opperbevel van het leger te benoemen. Alleen hij kon oorlogsverklaringen, vredesovereenkomsten en internationale verdragen bekrachtigen. Het Hogerhuis, waarin edelen en door de keizer benoemde vertegenwoordigers zetelden, stond op gelijke voet met het Lagerhuis. Het kabinet was wettelijk geen verantwoording verschuldigd aan het parlement. Het werd beschouwd als een orgaan dat boven de partijpolitieke bindingen stond, en alleen tegenover de keizer verantwoording moest afleggen. Dit noemt men een chōzen naikaku 超然内閣 (transcendent kabinet, kabinet boven de partijen), in tegenstelling tot een seitō naikaku 政党内閣 (partijkabinet), dat tegenwoordig gebruikelijk is en dat zich tegenover het parlement (als vertegenwoordiging van het volk) moet verantwoorden. Daardoor was de regering steeds in staat om in crisissituaties op keizerlijk bevel wetten uit te vaardigen of in te trekken zonder het parlement te consulteren. Het parlement heette Teikoku gikai 帝国議会 of Keizerlijke Vergadering. Het was een stelsel met twee kamers: een door het volk verkozen Lagerhuis of Kamer van Volksvertegenwoordigers en een door de Keizer benoemd Hogerhuis of Kamer van Edelen. In theorie bezaten beide gelijke macht, maar die reikten niet verder dan adviesrecht inzake wetsvoorstellen en het budget. Alle wetsvoorstellen werden na beraad in de Geheime Raad aan de keizer voorgelegd, die een beslissing nam. De keizer had ook het recht het parlement bijeen te roepen, zittingen op te schorten of het parlement te ontbinden. Het volk werd in de grondwet shinmin 臣民(onderdanen) genoemd. Het had dus in theorie geen soevereiniteit. De fundamentele rechten werden gewaarborgd, maar vaag omschreven. De volksvergadering had niet het recht om een voorstel tot grondwetswijziging in te dienen. Dat had alleen de keizer. Niettemin waren in de grondwet de meeste burgerlijke, liberale en politieke vrijheden die men in westerse grondwetten vond, vervat, zoals:

  • formele scheiding der machten;
  • het recht van het volk op participatie in de besluitvorming;
  • duidelijke omschrijving van de functies van de Nationale Vergadering;
  • rechtspraak op basis van wetcodices;
  • onaantastbaarheid van het privé-eigendom, vrijheid van godsdienst, vrijheid van meningsuiting, vrijheid van pers, vergaderen, partijvorming, enz. dat alles weliswaar binnen de grenzen van de wet.

De redactie van de tekst was evenwel zo vaag dat de invulling ervan door bijzondere wetten steeds de zogenaamde rechten van het volk kon inperken.

Redactie en afkondiging van diverse wetboeken

Japan beschikte, naast de grondwet, over weinig moderne wetgeving. Opdat de regering op voet van gelijkheid met het buitenland over de opheffing van de Ongelijke Verdragen zou kunnen onderhandelen, werd werk gemaakt van de redactie en uitvaardiging van moderne wetboeken.

Het strafrecht

Reeds in 1870 hadden de Meiji-leiders een nieuwe strafwet uitgevaardigd: de Shinritsu kōryō 新律綱領, nog geïnspireerd op de strafwetcodes en gebruiken van Ming 明- en Qing-China. Dit was echter nog geen moderne humane wetgeving. Er werd bijvoorbeeld onderscheid gemaakt tussen mensen van verschillende rang en stand, en lijfstraffen en foltering bleven tot op zekere hoogte behouden. In 1873 werd de wet herzien en werden de barbaarse kantjes ervan afgeschaft, bijvoorbeeld kruisiging en tentoonstelling van gehangenen tot lang na hun dood. In 1880 werd de Franse jurist Gustave de Boissonade (1825-1910) in dienst genomen als regeringsadviseur om naar westers model een strafwet (keihō 刑法) en een wet inzake strafrechterlijke procedures (chizaihō 治罪法) te helpen uitwerken. Hij liet foltering om bekentenissen af te dwingen afschaffen. Onder Duitse invloed werden sommige van zijn overige inzichten later teruggeschroefd. In 1889 kwam er een wetgeving op de werking van de rechtbanken en werd de wet inzake strafrechtelijke procedure grondig herzien.

Burgerlijk recht

Op advies van de Boissonade was in 1890 een ontwerp van burgerlijk wetboek (minpō 民法) klaar, dat drie jaar later na kleine herzieningen van kracht werd. De Franse invloed kwam tot uiting in de nadruk op het individu, maar dit hield een grote bedreiging in voor het autoritaire Japanse familiestelsel. De traditie kende immers een bijzondere positie toe aan de pater familias, die de familie in al haar vertakkingen domineerde en onder wiens verantwoordelijkheid alle bezittingen vielen. De erfenis en het gezag kwamen traditiegetrouw aan de oudste zoon toe. In dit stelsel werden meisjes en jongere zonen ongelijk behandeld. Conservatieven wensten dit systeem niet op te geven, en er brak een hevig politiek dispuut uit over het burgerlijk wetboek. De uitvaardiging van het vierde en vijfde deel van het burgerlijk wetboek (familierecht en erfenisrecht) liep daardoor grote vertraging op. Pas na een herziening door een groep conservatieve Japanse juristen, waarvan een deel in het Hogerhuis zetelde, werden ze aanvaard. De rechten van het familiehoofd werden gevrijwaard en de traditionele erfenisregels bleven behouden.

Handelsrecht

Het handelsrecht kwam tot stand op grond van adviezen van Roesler en trad in voege in 1891. Wegens technische onvolkomenheden werd het herzien en in 1899 in een definitieve vorm gegoten.

Het eerste parlement

Om de werking van het eerste parlement (van 1890 tot het uitbreken van de Sino-Japanse oorlog in 1894) te begrijpen, moeten we twee principes voor ogen houden: het transcendentalisme en de hanbatsu, met nog steeds Satsuma en Chōshū in de hoofdrollen.

De eerste landelijke verkiezingen

In 1890 vonden op basis van de nieuwe grondwet verkiezingen plaats om volksvertegenwoordigers af te vaardigen naar het parlement. Algemeen stemrecht was nog onbekend, alleen mannen boven de 25 jaar die meer dan 15 yen belasting per jaar betaalden, mochten stemmen. In de praktijk betekende dit dat alleen grootgrondbezitters aan deze norm voldeden, nauwelijks meer dan 1 procent van de bevolking, 450.000 kiezers. Voor elke verkiesbare plaats waren er gemiddeld 2,5 kandidaten en 93 procent van de stemgerechtigden bracht zijn stem uit. De overgrote meerderheid der verkozenen kwamen uit twee partijen: Jiyū-tō en Rikken Kaishin-tō, soms in één adem Mintō 民党 genoemd. Vooral gewezen samurai en welvarende boeren, meestal uit Tosa en Hizen, werden verkozen. Op Hokkaidō en Okinawa was er nog geen stemrecht. In het Hogerhuis werden afgevaardigden van de hoge adel, industriëlen en ambtenaren uit de centrale bureaucratie, na voordracht door hun achterban, benoemd door de keizer.

De Keizerlijke Vergadering (Teikoku gikai 帝国議会)

De volksvertegenwoordigers kwamen energiek voor hun belangen op, maar op allerlei manieren werden ze tegengewerkt: zittingen werden gesloten, stemmingen gemanipuleerd, parlementsleden werden omgekocht, en soms werd het parlement ontbonden door keizerlijke tussenkomst. Bij de eerste zitting (1890-1891) had de Rikken Jiyū-tō, gevormd vlak voor de verkiezingen door de fusie van de Daidō Kurabu en de Aikoku Kōtō, 130 leden in het parlement. De Rikken Kaishin-tō had er 41. Beide partijen hadden samen de absolute meerderheid (171 op 300) tegenover de kleinere conservatieve partijen. De eerste debatten draaiden vooral rond de eis om de regering 10 procent te doen besparen op haar begroting. Door het omkopen van een deel der Jiyū-tō-parlementsleden werd deze eis gesmoord. Tijdens de tweede en de derde zitting begon het er toch naar uit te zien dat de regering zou moeten snoeien in haar militaire uitgaven. De uit Satsuma afkomstige minister van Marine Kabayama Sukenori 樺山資紀 schold in een ophefmakende verklaring de oppositie uit. Hij schreef alle Japanse voorspoed toe aan het wijze beleid van Satsuma en Chōshū. Hierop werd het parlement door de keizer ontbonden. De daaropvolgende verkiezingen werden door de uit Chōshū afkomstige minister van Binnenlandse Zaken Shinagawa Yajirō 品川弥二郎 niet alleen bemoeilijkt maar zelfs vervalst, onder andere door het inschakelen van rijkswacht en politie als verkiezingscontroleurs. Het kon niet verhinderen dat de progressieve partijen een klinkende overwinning behaalden. De derde zitting werd vooral gekenmerkt door kritiek op het kabinet van Matsukata Masayoshi, geformeerd op basis van de vervalste campagne. Shinagawa werd tot ontslag gedwongen. Omdat in de vierde zitting de volkspartijen het budget voor de bouw van oorlogsbodems trachtten te verlagen, ontbond de keizer opnieuw het parlement. Hij financierde het plan zelf en hield een solidariteitspremie van 10 procent in op de wedden van de ambtenaren. Om dezelfde reden werden ook de vijfde en de zesde zitting gesloten.