Gecentraliseerd bestuur
Uit GeschiedenisJapan
Inhoud |
Gecentraliseerd bestuur
Leidraad
De nieuwe regering stelde alles in het werk om een centraal bestuur met de keizer aan het hoofd te vestigen. De uitvoering van dit plan berustte aanvankelijk op twee pijlers: ervoor zorgen dat alle gronden weer publiek bezit van de troon werden en alle inwoners onderdanen van de keizer, afschaffing van het han-systeem ten voordele van nieuwe administratieve eenheden, de prefecturen. Met de invoering van deze nieuwe regionale eenheden werd het gestelde doel grotendeels bereikt, maar er ging een enorme politieke machtsstrijd aan vooraf, die ertoe zou leiden dat de meeste belangrijke functies in de centrale regering gemonopoliseerd werden door figuren afkomstig uit een handvol han, in de eerste plaats Satsuma en Chōshū. De administratieve structuren werden meermaals herzien voor ze hun definitieve vorm kregen. De nationale grenzen werden vastgelegd en met het buitenland werden diplomatieke betrekkingen aangeknoopt.
Teruggave van het land aan de troon, oprichting van de prefecturen
Om een gecentraliseerde staat uit te bouwen, dienden de feodale structuren afgeschaft te worden en diende het programma 'welvarend land- sterk leger' (fukoku kyōhei 富国強兵) uitgevoerd te worden. Ontmanteling van het han-stelsel werd dus een prioriteit. Omdat de Meiji-regering werd geconfronteerd met vele problemen en met diverse belangengroepen, zowel op binnenlands als buitenlands vlak, diende ze zeer omzichtig op te treden. Daarom werden eerst alle gronden genationaliseerd en pas daarna werd het oude han-stelsel ontmanteld.
Hanseki hōkan 版籍奉還
Onder deze term verstaat men het teruggeven van land en grond aan de troon. Vanaf het ogenblik van de Ōsei fukko 王政復古 had het nieuwe bestuur steeds af te rekenen met opstandige groepen en dit bleef zo tot het einde van de Boshin-oorlog. Dit was onder meer te wijten aan het feit dat de han niets wezenlijks wilden veranderen aan de sociale en politieke verhoudingen. Vele boerenopstanden waren gericht tegen lokale daimyō. De feodale structuren stonden een centralisering van het bestuur in de weg. Bovendien raakte de centrale regering verdeeld in een progressieve en een conservatieve (beter gezegd voorzichtige) factie en kreeg ze met ernstige financiële problemen te kampen. In die situatie vormden Ōkubo Toshimichi (1830-1878), Kido Takayoshi (1833-1877), en Itagaki Taisuke, een drukkingsgroep, die samen met politici als Ōkuma Shigenobu 大隈重信 en Soejima Taneomi, de daimyō van Satsuma, Chōshū, Tosa en Hizen 肥前 ervan konden overtuigen hun han en de bevolking over te dragen aan de troon, in uitvoering van de slogan die in die tijd opgeld deed: 'grond aan de troon, volk van de vorst' (ōdo ōmin 王土王民).
In de eerste maand van 1869 namen Shimazu Tadayoshi van Satsuma, Mōri Takachika 毛利敬親 van Chōshū, Yamanouchi Toyonori 山内豊範 van Tosa en Nabeshima Naoyori 鍋島直大 van Hizen als eersten het initiatief om de keizer een petitie aan te bieden, waarin zij hem verzochten hun hanseki hōkan-gebaar te aanvaarden. De meeste andere han volgden hun voorbeeld. Wie weigerde, werd gedwongen minder gunstige voorwaarden te aanvaarden, zodat tegen midden 1869 alle han zowel de jure als de facto eigendom van de troon waren geworden. De ex-daimyō werden door het centrale bestuur aangesteld tot gouverneur van de han, terwijl heel het land administratief werd opgesplitst in 3 fu , 26 ken en 262 han.
Gevolgen van de hanseki hōkan
Dankzij de hanseki hōkan werd alle grond en de bevolking, althans in theorie, bevrijd van de feodale verdrukking door de daimyō. Nu volgden diverse hervormingen die het bestuur op regionaal vlak moesten vereenvoudigen, onder de controle van de centrale administratie:
- De familiestatus als springplank voor een carrière werd afgeschaft.
- Het persoonlijk inkomen van de han-goeverneurs werd vastgelegd op een tiende van het reële inkomen dat zij voordien hadden genoten.
- Het grote onderscheid in rangen werd gereduceerd tot slechts twee : shizoku 士族 en sotsuzoku 卒族.
- Er moest verslag worden uitgebracht over regionale politieke gebeurtenissen en de administratie aan de centrale overheid.
- Het inkomen van de samurai werd sterk gereduceerd.
Zo verloren de han hun autonomie en werd de centralisering van het bestuur een feit. Toch werd er een prijs betaald voor de onzelfzuchtige daad van de vier machtige han: Satsuma, Chōshū, Tosa en Hizen, die het voorbeeld gegeven hadden. Zij kregen een quasimonopolie over de verdeling der functies in de centrale overheid. Dit noemt men de hanbatsu 藩閥 (letterlijk de han-klieken), een term die slaat op de informele netwerken die bestuurders uit eenzelfde (voormalige) han verbinden en hen in staat stellen met het leeuwendeel van de voornaamste bestuurlijke posten te gaan lopen.
Ontmanteling van de leendomeinen (han), oprichting van de prefecturen (ken) (haihan chiken 廃藩置県)
De gevoelsmatige relatie tussen de han-gouverneurs en hun onderhorigen bleef na de hanseki hōkan sterk feodaal gekleurd. Daarenboven kon het centrale bestuur ook weinig resultaten voorleggen, omdat de regering af te rekenen had met moordaanslagen op regeringsfunctionarissen, frequente boerenopstanden vanwege de misoogsten in 1869, zodat er sociale instabiliteit bleef bestaan.
Om het beginsel dat in de hanseki hōkan besloten lag meer concrete gestalte te geven, besloten Kido Takayoshi, ōkubo Toshimichi en anderen de han volledig af te schaffen. Eerst werd het evenwicht tussen de vier machtigste han verstevigd door in de centrale regering ook onder anderen Saigō Takamori 西郷隆盛(1827-1877) en Itagaki Taisuke 板垣退助 (1836-1919) op te nemen. Om een eventueel verzet van de andere daimyō in de kiem te smoren werd vervolgens een leger van 8.000 rekruten uit Satsuma, Chōshū en Tosa samengesteld, het zogeheten goshinpei 御親兵. Dit kan worden beschouwd als de voorloper van het nieuwe, op conscriptie gebaseerde leger, dat later opgericht zou worden.
Daarna werd in de zesde maand van 1871 het 'Decreet ter afschaffing van de domeinen en de oprichting van de prefecturen' (haihan chiken no mikotonori 廃藩置県の詔) uitgevaardigd. Alle han-gouverneurs werden naar Tōkyō ontboden en ervan op de hoogte gebracht dat de han afgeschaft werden. Zij kregen ontslag als gouverneur. Als compensatie voor de verloren inkomsten kregen zij staatspapieren als schuldbewijs. Nu werden overheidsambtenaren benoemd tot gouverneur. Het land kreeg drie fu 府(Tōkyō, Ōsaka en Kyōto) en 72 ken 県. Alle han-legers werden ontbonden. Deze ingrijpende hervorming werd zonder slag of stoot doorgevoerd. Het bewijst in welke mate het bakufu reeds onherroepelijk tot het verleden ging behoren. Zo werd een stevige basis gelegd voor de bestuurlijke hervormingen die nog moesten komen. De centrale regering was duidelijk geëvolueerd van een alliantie van daimyō naar een meer autocratisch bewind, waarin een handvol voormalige han een sleutelrol speelden. De overheid nam wel een nieuwe en zware schuldenlast op zich: zij nam de schulden van de han over, hetgeen haar opzadelde met een schuldenberg die twintigmaal maal zo hoog lag als haar jaarinkomen.
Bestuurlijke hervormingen
Een van de bekommernissen van de ambtenarij was de hervorming van de eigen geledingen. Het giseikan, opgericht op grond van het seitaisho, onderging al vroeg veranderingen. Het Hoger bureau werd reeds in 1869 afgeschaft. De functies van het Lager bureau werden opnieuw gedefinieerd. De functies van het giseikan werden in 1873 door het Sain 左院(zie verder) opgeslorpt.
Anderzijds werd midden 1869 het Iingikan op hetzelfde niveau gebracht als de Dajōkan, zodat de structuur op die van het ritsuryō-systeem ging lijken. In 1871 werd de Dajōkan onderverdeeld in drie hoven (in 院): het Seiin 正院(het Centrale Hof), het Uin 右院(Hof van Rechts) en het Sain 左院(Hof van Links). Van de Seiin maakten deel uit de kanselier (dajōdaijin), de ministers van Links (sadaijin 左大臣) en van Rechts (udaijin 右大臣), en de raadsheren (sangi 参議). Zij stonden rechtstreeks onder de keizer en vormden het hoogste gezag. Het Sain was belast met wetgevend werk, en was geïnspireerd op het Franse Conseil d'Etat. De leden werden door het Seiin benoemd. Het Uin diende te beraadslagen over wetsvoorstellen en wetten, en had ook een soort toetsende functie. De bevoegdheden van het Uin waren nogal vaag omschreven, en uiteindelijk nam het Seiin de meeste van zijn functies over. De structuren van de centrale overheid kregen dus steeds vastere vorm en algauw bleek dat de belangrijkste posten door ex-samurai uit Satsuma, Chōshū, Tosa en Hizen werden gemonopoliseerd.
Uitbouw van een modern leger
Een stevige ambtelijke structuur was niet voldoende om het nieuwe regime een duurzame fundering te geven. Een modern leger was even onmisbaar.
Militaire hervormingen
Zie Shizoku (士族) voor het hoofdartikel
In 1869 al begon Ōmura Masujirō 大村益二郎(1824-1869), zowat de minister van Militaire Zaken, de basis te leggen voor een modern leger. Hij schafte de kleine samurai-milities in de han af, verbood het dragen van zwaarden en voerde de algemene dienstplicht in. Deze plannen stuitten op hevig verzet, en ōmura werd vermoord. Zijn plannen werden dan ten uitvoer gebracht door Aritomo Yamagata (山縣 有朋)(1838-1922) en Saigō Tsugumichi 西郷従道(1843-1902, de jongere broer van Saigō Takamori). Beide mannen hadden militaire instellingen in het buitenland bestudeerd. Na de opheffing van de han in 1871 werden alle forten, wapens, en munitie in beslag genomen. Alle soldaten van grote en middelgrote han werden ondergebracht in de vier forten (chindai 鎮台) van Tōkyō, Ōsaka, Sendai en Kokura. Het eerder vermelde goshinpei werd herdoopt tot konoehei 近衛兵 (keizerlijke garde), en alle legers uit kleine han werden ontbonden.
Uitvaardiging van dienstplichtwetten
In het begin van 1873 werd het Decreet op de dienstplicht (Chōhei rei 徴兵令) afgekondigd. In april van dat jaar trad het in voege. Het ging uit van het principe 'alle burgers soldaat' (kokumin kaihei 国民皆兵) en stelde dat alle mannen die de leeftijd van twintig jaar bereikten, dienstplicht moesten vervullen, na recruterings- en selectieproeven. De dienstplicht duurde drie jaar. Gezinshoofden, oudste zonen, overheidsambtenaren, studenten en rijke burgers die meer dan 270 yen belasting betaalden, werden vrijgesteld. De meeste dienstplichtigen waren bijgevolg boerenzonen, wat als een onrechtvaardigheid werd aangevoeld. Deze sowieso al zwaarbelaste klasse werd op die manier nog eens van arbeidskrachten beroofd. Dit leidde tot ongeregeldheden, bekend als de 'bloedbelastingsrellen' (ketsuzei ikki 血税一揆). Om aan de dienstplicht te ontsnappen, nam men soms zijn toevlucht tot het adopteren van erfgenamen en er waren zelfs boekjes in omloop die uitlegden hoe men kon worden afgekeurd. Invoering van de dienstplicht was een zware slag voor de samurai, die hun traditionele bestaansreden en bron van inkomsten zagen verloren gaan.
Structuur van het leger
Na de afkondiging van de dienstplicht bouwde men in Hiroshima en Nagoya nog twee nationale forten bij en begon men ook met de uitbouw van de Zeemacht. Het landleger werd eerst naar Frans model georganiseerd, maar na de afloop van de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) kozen de pragmatische Japanners voor het Pruisische model. In 1885 werden Duitse officieren uitgenodigd om les te geven aan Japanse militaire academies. De Zeemacht was aanvankelijk niets meer dan een samenraapsel van schepen van de voormalige kustwacht van het bakufu. In mei 1872 begon men met de uitbouw van een eigen 'navy' naar Brits model. Die uitbouw verliep zeer traag. In 1879 bedroeg de tonnemaat nog maar 15.000 ton, zodat de Zeemacht feitelijk als een onderdeel van de Landmacht werd beschouwd. In 1878 werd de generale staf (sanbō honbu 参謀本部) opgericht, die onafhankelijk was zowel van de regering als van het ministerie voor Oorlog, en onder rechtstreeks gezag van de keizer stond. Dit specifieke statuut noemde men het tōsuiken 統帥権, het prerogatief van het militaire opperbevel om rechtstreeks met de keizer contact te hebben. De voorgegeven reden voor dit voorrecht was de noodzaak om zaken van militair-strategisch belang geheim te houden, maar op termijn heeft deze instelling wel als een tijdbom gewerkt: zij heeft mede ertoe bijgedragen dat de militairen in de jaren dertig alle macht naar zich toe wisten te halen en het kabinet buiten spel te zetten.
Invoer van een politieapparaat
Reeds in 1871 werd een corps van 3.000 politieagenten aangesteld in de prefectuur Tōkyō om de openbare orde te handhaven. In 1872 werd het corps onder voogdij van het ministerie van Justitie geplaatst. Toen in 1873 het ministerie van Binnenlandse Zaken, naimusho 内務省, werd opgericht, kwam de politie onder zijn voogdij. In 1874 voerde men een onderscheid in tussen de regionale politie in de prefecturen, en de hoofdstedelijke politie, die onder een speciaal departement keishichō 警視庁 werd geplaatst en naar het model van de Parijse prefecturale politie was opgevat. Nog later werd, naar buitenlands model, de politie op nationale schaal gereorganiseerd. Door zijn controle over de politie, vergelijkbaar met een gendarmerie, en zijn voogdij over de handhaving van de openbare orde, werd het ministerie van Binnenlandse Zaken een machtig ministerie.
Afschaffing van de standen
Als een logisch gevolg van de afschaffing van de feodale structuren, deed men pogingen om de oude discriminaties weg te werken. Een nieuwe indeling maakte een onderscheid tussen adel (kazoku 華族), patriciërs (shizoku 士族) en gewone burgers, maar maakte in principe geen onderscheid tussen de burgers en hun rol ten aanzien van de staat. Door deze hervorming werden vooral de samurai, nu shizoku genoemd, benadeeld. Tot nog toe had de Meiji-regering steeds hun inkomen gegarandeerd, maar daarin zou nu verandering komen.
Uiterlijke tekenen van onderscheid vallen weg
Toen de leendomeinen aan de troon teruggegeven werden (hanseki hōkan 藩籍奉還), herzag de overheid het klassenstelsel. Daimyō en hofedelen werden in een nieuwe adel (kazoku) ondergebracht. De samurai, die in een brede scala van rangen onderverdeeld waren, werden nu gewoon patriciërs (shizoku). Door het wegvallen van de han, werd het gewone volk nu ook bevrijd van het traditionele standenstelsel. Boeren, ambachtslieden en handelaars werden alle gewone burgers (heimin 平民). Gewone burgers kregen nu ook het recht een familienaam te hebben en te huwen met iemand uit een hogere klasse.
Om het uiterlijk onderscheid tussen shizoku en heimin kleiner te maken, werd in 1871 het 'Decreet op de haarsnit' (Sanpatsu Rei 散発令) uitgevaardigd, dat de haarsnit vrijliet en de dracht van zwaarden verbood. Omdat dit decreet maar matig opgevolgd werd, diende men in 1876 een strenger decreet uit te vaardigen: het 'Decreet op de afschaffing van de zwaarddracht' (Haitō Rei 廃刀令). Zo werd het zichtbare onderscheid tussen de gewone burgers en de shizoku vrijwel tot nihil herleid. Toch bleek de macht der gewoonte sterker dan de goede intenties. Waarschijnlijk omdat de meeste overheidsambtenaren uit de lagere samurai-stand afkomstig waren, bleef een egalitaire maatschappij een ver ideaal. De adel (kazoku) vormde een klasse van nieuwe bevoorrechten, en was een stut van het keizerlijke autocratische systeem. De patriarchale familieordening bleef onaangeroerd. De eta en hinin, de 'kastelozen', werden nu 'gewone burgers, maar in de praktijk veranderde nauwelijks iets aan hun marginale maatschappelijke positie.
Liquidatie van vaste salarissen en stipendia
De samurai hadden tijdens de Edo-periode een verzekerd inkomen, dat bovendien erfelijk was. Dat betekende dus in wettelijke termen dat de samurai een eeuwige vordering op de han hadden. Door de hanseki hōkan erfde de nationale overheid alle activa en passiva van de han, dus ook de stipendia die de han aan de samurai betaalden. Door de invoering van de dienstplicht verloren de samurai bovendien ook hun (theoretische) maatschappelijke nut. De samenleving deed voortaan geen beroep meer op hen voor de veiligheid en de bescherming van het land en de openbare orde. Het aantal shizoku (de nieuwe naam voor de samurai) bedroeg bij de aanvang van de Meiji-periode ongeveer twee miljoen, verspreid over ca. 400.000 families. Het ging bijgevolg om een belangrijk segment van de maatschappij. De feodale stipendia en salarissen werden vervangen door karoku 家録, die iets lager lagen dan wat onder het bakufu normaal was. Aan vele oudstrijders van de Boshin-oorlog werd een soort beloning of oorlogspensioen gegeven, shōtenroku 賞典禄 genoemd. Het totaal van deze financiële verplichtingen woog zwaar op het jonge regime. Zij slorpten zowat een derde van de staatsuitgaven op. Daarom zocht de overheid naar een middel om die last te verlichten. Zij verklaarde zich bereid de salarissen en stipendia af te kopen. Al wie op het voorstel inging, zou een som uitbetaald krijgen, die overeenkwam met ongeveer vier à zes jaar salaris, maar daarmee zou de overheidsverplichting als voldaan beschouwd worden. De helft van de uitbetaling vond plaats in contant geld, de andere helft in de vorm van staatsobligaties (chitsuroku kōsai shōsho 秩禄公債証書). Het was een weinig voordelig voorstel, vooral voor jongere samurai, zodat slechts een kwart van alle samurai van deze regeling gebruik wenste te maken. Er heerste ook veel achterdocht tegen de staatsobligaties, die veronderstelden dat het regime aan de macht bleef. In 1875 ging de overheid over tot een ingrijpende hervorming van alle door haar gewaarborgde inkomensuitkeringen. Alle salarissen en stipendia, tot op dat ogenblik nog steeds uitgedrukt in maten rijst of in een equivalent van de prijs van rijst, werden voortaan berekend en uitgedrukt in geld, onafhankelijk van de schommelende rijstprijs. Ook de uitkeringen gebeurden voortaan in contant geld, of nog vaker in staatsobligaties (kinroku kōsai shōsho 金禄公債証書). Alleen de vroegere daimyō en de hoge ambtenaren ontvingen nu nog een inkomen waarvan zij en hun gezin konden leven volgens de oude normen. Hoe verarmd de anderen achterbleven, bleek nauwelijks negen jaar later, in 1884. Slechts twintig procent van de samurai bezaten nog dergelijke obligaties. Alle overigen hadden uit geldnood de papieren reeds lang ingewisseld.
Reconversie van de shizoku
De samurai, die hun emolumenten, hun politieke en sociale functie en status verloren hadden, moesten trachten zich te integreren in de veranderde maatschappij en aan een zinnige broodwinning zien te komen. Een klein percentage slaagde erin zich te recycleren en werd ambtenaar, militair, politieagent of leraar. Sommigen begonnen een succesrijke zakencarrière, maar het merendeel dat zich als handelaar of landbouwer vestigde, mislukte deerlijk. De overheid trof tal van maatregelen om deze klasse zoet te houden en haar herscholingskansen te bieden. In 1870 kregen samurai die grond wilden ontginnen belastingsvoordelen. In 1874 werden 850.000 hectaren overheidsgronden verkocht, voornamelijk aan gewezen samurai en 20.000 hectaren onvruchtbare gronden gratis ter beschikking gesteld. In 1876 kregen de staatsobligaties garanties van de pas opgerichte Japanse nationale bank, zodat het feitelijk bankobligaties werden. Deze maatregel moest de betrokkenen geruststellen. Velen hadden immers gevreesd dat het nieuwe regime geen stand zou houden. In 1879 kwamen er tewerkstellingsubsidies. Deze werden echter na een jaar afgeschaft wegens te talrijke failissementen. Deze maatregelen, die tevens bedoeld waren om de industriële capaciteit en productie op te drijven, droegen er veel toe bij dat het ongenoegen van de voormalige samurai gesust werd. De verpaupering van deze sociale laag bleef niettemin aanhouden. Dit gaf aanleiding tot uitzichtloze opstanden, maar ook tot het ontstaan van politieke bewegingen, zo onder andere de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten (Jiyū Minken Undō 自由民権運動).
Opstanden van misnoegde shizoku
Kleinere opstanden
Vele voormalige samurai weten hun afgenomen welstand en gedaalde status, terecht of ten onrechte, aan het door Satsuma en Chōshū gemonopoliseerde centrale bestuur. De ontevredenheid richtte zich dan ook vooral tegen deze twee voormalige leendomeinen. Bovendien zorgde ook het verzoenende open beleid tegenover het buitenland voor veel wrevel onder die samurai die onder het motto jōi hadden meegeholpen aan de omverwerping van het bakufu. Uiteindelijk werd de terugtrekking van enkele ministers en raadsleden uit de centrale regering omwille van hun standpunt omtrent het Korea-dispuut (zie verder) de concrete aanleiding voor enkele opstanden.
In 1874 brak een opstand uit met aan het hoofd Etō Shinpei 江藤新平, de leider van een groep nationalistische samurai uit Saga, die ontevreden waren over het besluit Korea niet aan te vallen. Deze Saga-rebellie (Saga no ran 佐賀の乱) werd vrij gemakkelijk onderdrukt en Etō werd onthoofd. Later volgde er een opstand in Kumamoto als reactie tegen het verbod om zwaarden te dragen en de omzetting van salarissen en stipendia in staatsobligaties. Ook deze zogenaamde jinpūren 神風連 onder leiding van Ōtaguro Tomo'o 大田黒伴雄(1835-1876) werden vrij gemakkelijk onderdrukt. Vermelden we nog de Hagi-rebellie (Hagi no ran 萩の乱) onder leiding van Maebara Issei 前原一誠, die eveneens snel de kop werd ingedrukt.
Seinan-opstand
Zie Seinan-rebellie voor het hoofdartikel
In 1873 spraken Saigō Takamori, Soejima Taneomi, Gotō Shōjirō, Itagaki Taisuke en anderen zich uit voor oorlog met Korea, omdat dit land weigerde diplomatieke betrekkingen aan te knopen met Japan. Iwakura Tomomi, Kido Takayoshi, Ōkubo Toshimichi en medestanders waren daartegen gekant en insisteerden dat de interne problemen voorrang verdienden. Saigō en zijn medestanders namen daarop ontslag uit de regering. Bij zijn terugkeer in Kagoshima in februari 1877, riep Saigō Takamori op tot rebellie tegen de overheid. Deze opstand, bekend als de Seinan-rebellie (Seinan no ran 西南の乱), werd door het moderne staatsleger meedogenloos neergeslagen. Het was de laatste opstand van mistevreden samurai.
Gevolgen van de Seinan-rebellie
Vanwege de grote overwinning die het leger behaalde op de opstandelingen, werd het zelfs bij de meest verblinde radicalen duidelijk dat geweld geen oplossing bood. Voortaan zouden dissidenten de overheid niet langer trachten met het zwaard maar met het woord en ideeën aan te vallen. Voortaan kreeg de regering af te rekenen met een reëel politiek verzet, dat zich concretiseerde in de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten (Jiyū Minken Undō 自由民権運動). Een neveneffect van de opstand was de financiële aderlating die de regering had geleden om hem neer te slaan. Ze had hiervoor veel geld uitgegeven dat niet gedekt en dus niet converteerbaar was. Dit veroorzaakte een grote inflatie.
Buitenlandse betrekkingen in de vroege Meiji-periode
Harmonische opening van het land en hernieuwde buitenlandse betrekkingen
Europa en de Verenigde Staten beweerden dat ze de evolutie in Japan als neutrale buitenstaanders volgden, wat ten dele waar was. Toch hielden ze met argusogen de houding van het jonge Meiji-regime in de gaten, want een aantal fervente jōi-aanhangers maakten er deel van uit. Om buitenlandse inmenging, ja zelfs interventie, te voorkomen, proclameerde de nieuwe regering, tegelijk met het herstel van de traditionele keizerlijke prerogatieven inzake bestuur, dat Japan zijn isolement opgaf en dat het een goede verstandhouding met de buitenlandse mogendheden zou nastreven. In overeenstemming met deze verklaring werd in 1871 al een bureau voor Buitenlandse Zaken (Gaimukan 外務官) opgericht, dat een jaar later werd gepromoveerd tot Dienst voor Buitenlandse Zaken (Gaikoku jimu-kyoku 外国事務局) en nog in hetzelfde jaar tot een heus ministerie (Gaimushō 外務省). Vanaf 1872 stuurde Japan consuls naar landen waarmee relaties bestonden, met andere woorden waarmee verdragen waren afgesloten.
De Iwakura-missie
In 1872 kwam de herziening van de vriendschaps- en handelsverdragen (Tsūshō jōyaku no kaisei 通商条約の改正) bovenaan de politieke agenda van het nieuwe regime te staan. De regering besloot om een diplomatieke delegatie onder leiding van Iwakura Tomomi 岩倉具視 naar de Verenigde Staten en Europa te sturen, om er de instellingen en de cultuur te bestuderen, maar ook om voorbereidende onderhandelingen in verband met de herziening van de verdragen te beginnen. Enkele invloedrijke leden uit de regering, zoals Kido Takayoshi, ōkubo Toshimichi en Itō Hirobumi maakten ook deel uit van het gezantschap. Voor hun vertrek dwongen zij de thuisblijvende regering te beloven in hun afwezigheid geen nieuwe bestuurlijke initiatieven te nemen en de opheffing van de han keurig af te werken. Het beloftenprogramma omvatte 12 punten. Eind 1871 vertrok de delegatie uit Yokohama naar de Verenigde Staten. Voorbereidende besprekingen inzake de herziening der verdragen werden niet zonder moeilijkheden afgewerkt. Vervolgens ging de reis naar Europa. Pas in september 1873 keerde de delegatie terug. Deze reis, de opgedane ervaringen en de gelegde contacten betekenden een enorme stimulus voor het later gevoerde beleid. Pas nu beseften de regeringsleiders goed welke binnenlandse hervormingen nodig waren om gunstige verdragshervormingen te kunnen bedingen. Een interessant detail is dat er vijf vrouwen mee vertrokken met de delegatie, die als studenten in het buitenland bleven. Onder hen bevond zich Tsuda Umeko 津田梅子, de latere stichtster van de school Tsuda Eigaku-juku 津田英学塾.
Vastleggen van de noordergrens
Op het einde van het bakufu was in het Japans-Russische verdrag bepaald dat het eiland Uruppu 得撫島 en alle eilanden ten noorden daarvan als Russisch beschouwd werden, terwijl Sachalin werd opgedeeld en alle eilanden ten zuiden van Uruppu, Etorofu 択捉島 incluis, onbetwistbaar deel uitmaakten van Japan. Na de Krimoorlog (1853-56) drong Rusland dieper door in Sachalin, terwijl Japan na de slag om het Goryōkaku-fort een commissaris voor Ontwikkeling (kaitakushi 開拓使) aanstelde, die belast werd met de ontwikkeling van Hokkaidō en Sachalin. Hierdoor ontstond een nieuw grensgeschil omtrent Sachalin. Geplaagd door financiële problemen, maar zeker ook onder zachte dwang van de Verenigde Staten en Engeland, volgde de Japanse regering het advies van de commissaris voor Ontwikkeling, Kuroda Kiyotaka 黒田清隆(1840-1900) om Sachalin aan de Russen af te staan. In 1874 vertrok een delegatie van onderhandelaars naar Rusland om de zaak op te lossen. In 1875 werd het 'Verdrag over de Ruil van de Koerilen tegen Sachalin' (Chishima Karafuto kōkan jōyaku 千島樺太交換条約) gesloten. De Koerilen werden Japans en Sachalin Russisch.
Het Korea-dispuut: Seikan-ron 征韓論
Zie Seikan Ron voor het hoofdartikel
Nadat Japan was gedwongen zijn isolement op te geven, bleef Korea een van de buitenwereld geïsoleerd land. De laatste diplomatieke delegatie van Korea naar Japan dateerde van 1811. Japan, dat zich wellicht reeds meer ontwikkeld voelde en een bevoorrecht plaatsje nastreefde, verzocht reeds in 1870 om vriendschappelijke relaties aan te knopen. Het verzoek werd afgewezen door de vader van de Koreaanse koning, de daiinkun 大院君. Het gevolg was dat reeds vroeg in de Meiji-periode, deels met de bedoeling de verongelijkte samurai een uitlaatklep te bieden buiten het moederland, de theorie opgang maakte dat Japan zijn invloed en autoriteit buiten zijn eigen grenzen en met name in Korea moest laten gelden. Een van de voorstanders van deze visie was Kido Takayoshi. Het politieke debat omtrent een militaire campagne tegen Korea heet Seikan-ron 征韓論. Toen in 1873 de minister van Buitenlandse Zaken, Soejima Taneomi, nog eens aandrong op het aanknopen van betrekkingen en de Koreanen andermaal het verzoek afwezen omdat Japan een 'wetteloos land' (muhō no kuni 無法の国) was, was dit olie op het vuur. Itagaki Taisuke, Gotō Shōjirō, ōkuma Shigenobu, Etō Shinpei en nog enkele andere samurai en raadsleden van de centrale overheid, vooral afkomstig uit Tosa en Hizen, besloten in het geheim Saigō Takamori als gevolmachtigd onderhandelaar naar Korea te sturen, in theorie om een laatste onderhandelingsronde te voeren, maar in feite om de Koreanen te provoceren tot het gebruik van militair geweld. Hun hoop was het op die manier het sussende beleid ten aanzien van Korea van de door de Satsuma- en Chōshū-kliek beheerste regering te doorkruisen en een nationale consensus te smeden rond het Koreaanse probleem. Omdat op dit ogenblik de voornaamste politici uit de Satsuma en Chōshū met de Iwakura-missie in het buitenland vertoefden (zie hoger), leek dit plan een kans op slagen te maken. De delegatie kwam evenwel in september 1873 naar Japan terug. De regering raakte al snel diep verscheurd in twee kampen, de 'thuisblijvers'(rusu-ha 留守派) en de 'buitenlandvaarders' (gaiyū-ha 外遊派). De eersten wensten Korea aan te vallen, de anderen het binnenlandse bestuur te consolideren. Anti-Koreaanse gevoelens waren zeker ook te vinden bij de tweede groep, maar de discussie ging over prioriteiten en evolueerde al snel tot een krachtmeting tussen de toonaangevende han. Uiteindelijk won de visie van Satsuma en Chōshū het van Tosa en Hizen en de Korea-invasie werd van de agenda gevoerd. Een aantal vooraanstaande politici, waaronder de charismatische Saigō Takamori, besloten zich uit de politiek terug te trekken en terug te keren naar hun thuisland. Dit betekende voor de Meiji-regering de eerste grote scheur in de nationale eenheid. In de regering werd Ōkubo Toshimichi nu de sterke man.
De ontsluiting van Korea
Ook na het beslechten van het Korea-dispuut probeerde de Japanse regering regelmatig de Koreanen tot inschikkelijkheid te bewegen, tot ze uiteindelijk kon profiteren van een politieke beweging in Korea die de grenzen wou openstellen. In september 1875 werd een Japans oorlogsschip gestuurd naar het estuarium van de Han-rivier. Daar lag een fort op een klein eiland Kanghwa-do (Kōka-tō 江華島 in het Japans). Op provocerende manoeuvers van het schip reageerden de Koreanen met kanonvuur. Daarop veroverden de Japanners het fort. Dit Kanghwa-do incident werd de aanleiding om een onderhandelingsmissie, onder leiding van Kuroda Kiyotaka, naar Korea te sturen, die uitdraaide op een militaire opmars naar de Koreaanse hoofdstad. Daardoor werd Korea verplicht een Ongelijk Verdrag af te sluiten, het Kōka jōyaku 江華条約 of Nit-Chō shūkō jōki 日朝修好条規. De belangrijkste bepalingen waren de volgende: in principe werd Korea een onafhankelijk en neutraal land. Japan verloste Korea van zijn tribuutrelatie met China. Pusan, Inch'ôn en Wônsan werden havens toegankelijk voor de Japanse handel. Diplomatieke relaties werden aangeknoopt en consuls uitgewisseld. In de geopende havens kwamen consulaten en handelsmissies. Dit was duidelijk een Ongelijk Verdrag, zoals Japan er zelf amper vijftien jaar eerder had moeten slikken. Het lag aan de basis van de verdere Japanse inmenging in Korea.
De relaties met China
Na de val van het Edo-bakufu wilde het nieuwe bewind met China officiële betrekkingen aanknopen. Date Munenari 伊達宗城 en Yanagihara Sakimitsu 柳原前光 werden afgevaardigd als gevolmachtigde onderhandelaars. De bedoeling was ook hier een voordelig verdrag af te sluiten, maar Japan had de politieke behendigheid en de militaire macht van China onderschat. In 1871 sloot de delegatie te Tiānjīn 天津 een vrijwel rechtvaardige overeenkomst met de Chinese onderhandelaar Li Hóngzhāng (Ri Kōshō 李鴻章 in het Japans). Dit Nis-Shin shūkō jōki 日清修好条規 bepaalde onder meer:
- beide landen zouden havens openstellen voor de handel;
- burgers bleven onder de jurisdictie van het moederland (in Korea gold dit alleen voor de Japanners).
Ondanks dit goede, althans gelijkwaardige, verdrag ontstonden later geschillen met China aangaande Taiwan (Formosa), de Ryūkyū-eilanden en Korea.
In 1871 leden enkele inwoners van de Ryūkyū-eilanden schipbreuk op Taiwan en werden er vermoord. Op het Japanse protest wees China elke verantwoordelijkheid van de hand door te verklaren dat Taiwan niet kon gerekend worden tot de Chinese beschaafde wereld (kagai no chi 化外の地), ondanks de soevereiniteit van China over het eiland. In 1873 overkwam een schip uit Okayama hetzelfde. Hierop ondernam Saigō Tsugumichi, luitenant-generaal van het Japanse landleger, een invasie met een leger van 3.650 soldaten, hoofdzakelijk afkomstig van het fort van Kumamoto. Hij deed dat tegen de aarzeling van de centrale overheid in, die internationale verwikkelingen vreesde. De bezetting leidde bijna tot een Japans-Chinese oorlog. Om dat gevaar te bezweren, onderhandelde Ōkubo Toshimichi als gevolmachtigd minister met de Chinezen. Mede dankzij de bemiddeling van de Britse ambassadeur in China, Wade, sleepten de Japanners een grote diplomatieke overwinning in de wacht. De Chinezen gaven Japan gelijk, beloofden smartegeld te betalen voor de vermoorde schipbreukelingen en een schadeloosstelling voor de militaire onkosten.
Aan het einde van de Edo-periode viel de Ryūkyū-archipel onder de gedeelde soevereiniteit van China en Japan. De nieuwe overheid wilde aan deze dubbelzinnige status een einde maken. Bij het afschaffen van de han werd aan de autoriteiten van Kagoshima gevraagd een onderzoek in te stellen naar de situatie op de Ryūkyū en in oktober 1872 werd van deze eilanden een Japanse provincie gemaakt onder direct beheer van Kagoshima. De Chinezen erkenden deze annexatie niet. De zaak bleef een diplomatiek twistpunt, tot Japan in 1874 als onderdeel van de militaire campagne tegen Taiwan de Ryūkyū onder rechtstreekse voogdij van het ministerie van Binnenlandse Zaken bracht. In 1879 stuurde Japan er weer troepen naartoe en doopte het gebied om tot de prefectuur Okinawa. Via ex-president Ulysses Grant trachtten de Verenigde Staten tevergeefs te bemiddelen. Pas in 1894, na de overwinning in de Sino-Japanse Oorlog, werd Okinawa formeel door China erkend als Japans grondgebied. In 1871 werd de vroegere koning van de Ryūkyū, Shōtai 尚泰, verplicht zich in Tōkyō te vestigen, waar hij wel de prerogatieven van de adel genoot. Bewegingen voor zelfstandigheid van de eilanden, zoals die van Shabana Noboru 謝花昇, werden neergeslagen. Het probleem kreeg pas in 1920 een definitieve, voor Japan bevredigende, oplossing, toen in Okinawa de grondbelasting werd ingevoerd en het recht op parlementaire vertegenwoordiging werd erkend.
De Ogasawara-eilanden worden officieel Japans
Deze archipel is in het Westen bekend als de Bonin-eilanden. 'Bonin' is afgeleid van het Japans bunin 無人, wat onbewoond betekent. Naar het schijnt werd de archipel ontdekt door ene Ogasawara Sadayori 小笠原貞頼(?-1625). Het bakufu had geen belangstelling voor deze onherbergzame eilanden. In 1830 werden ze geprospecteerd en Perry heeft ze waarschijnlijk aangedaan op zijn tocht naar Japan. Geen land deed moeite om er zijn vlag te planten. Toen Japan in 1876 de Britten en de Amerikanen ervan op de hoogte bracht dat het deze eilanden als Japans grondgebied beschouwde, kwam hierop geen reactie. Zo werden deze eilanden vanzelf Japans grondgebied.

