Fujisan Hongu Sengen Taisha

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Fujisan Hongū Sengen Taisha (富士山本宮浅間大社) is gesitueerd te Fujinomiya (富士宮市), in de prefectuur Shizuoka (静岡県). Het is bekend als het hoofdkwartier van de 1300 Asama-schrijnen (浅間神社) die in Japan gelegen zijn.[1] Sakanōe-no-Tamuramaro (坂上田村麻呂), die over het land Emishi (蝦夷) heerste, had het schrijn in 806 laten bouwen en was in 1604 door Tokugawa Ieyasu herbouwd.[2] In deze schrijn wordt de berg Fuji aanboden, de hoogste berg in Japan. De godheid van het schrijn is de prinses Konohanasakuya-hime (木花開耶姫, 木花咲耶姫 of 木花開耶姫). Deze schrijn staat in voor bescherming tegen natuurrampen, een vlotte geboorte, navigatie, vissen, agricultuur en weven.

Fujisan Hongū Sengen Taisha

Situering en uitzicht

De gebouwen

Tokugawa Ieyasu (徳川家康) liet het complex herbouwen in 1604 als een teken van dank. Het binnenschrijn, het buitenschrijn en de torenpoort zijn de enige originele gebouwen van vele andere structuren die overbleven na de grote aardbevingen van 1633 en 1854.

Het binnenschrijn telt twee verdiepingen en is ongeveer veertien meter hoog. Op 27 mei in 1907 was het gebouw aangewezen als erfgoed onder de wet om oude tempels en schrijnen te bewaren. Sindsdien werd het zowel een nationale schat als belangrijk cultureel eigendom van Japan.

Het buitenschrijn is gebouwd in de irimoya-stijl (入母屋造), heeft een oppervlakte van 81 vierkante meter en een dak bedekt met de schors van witte ceder.[3] De torenpoort is dertien meter hoog, zeven meter wijd en vier en een half meter lang. Ook dit dak is bedekt met de schors van witte ceder. Aan elke zijde van de poort staat een standbeeld met inscripties op de rug die aantonen dat ze gemaakt zijn in 1614. De brief die aan de ingang hangt is geschreven door prins Einin (永仁) in 1819.

De omgeving

De omgeving rond het Fujisan Honguu Sengen Taisha is ongeveer 56.000 vierkante meter, met de schrijngebouwen en de torenpoort in het midden. De schrijntuinen zijn gelegen aan elke zijde van de weg van de eerste torii (鳥居) tot aan de Kagami-ike (鏡池). Ongeveer 1500 kerselaars werden er in eer van Konohanasakuya-hime geplant.

Net voor de torenpoort ligt de Kagami-ike, ook bekend als de spiegelvijver. De stenen brug die over de vijver heengaat is gebouwd ter ere van de troonverheffing van keizer Taisho (大正天皇).

Sakura-no-baba (桜の馬場) is een site vol met kerselaars dat dient als de locatie voor het Yabusame-festival (流鏑馬祭) in mei.

Hokotate-ishi (鉾立石) is een steen net voor de torenpoort. Vroeger werden hier twee grote festivals georganiseerd, in april en november, om de komst van de god van Yamamiya-schrijn te herinneren die de Sengen-schrijn bezocht en zijn heilige hellebaard hier liet rusten.

Bij het voorbijgaan van de smalle poort van het Oosten na het bezoeken van de hoofdschrijn, is de Wakutama-pond (湧玉池) zichtbaar. Deze pond wordt ook vermeld in een gedicht geschreven tijdens de Heian-periode (平安時代)[4] door Taira-no-Kanemori (平兼盛). Het water in de pond is de gesmolten sneeuw van Fuji (富士山). Vroeger reinigden de bergbeklimmers van Fuji zich in deze bron vooraleer de berg te beklimmen.

Kantate knoll is een kleine heuvel aan de Wakutama-pond en is beplant met vele azalea’s.

Het pure water uit de Wakutama-pond vormt de stroom van Mitarashi (御手洗). Deze stroom vormt op zich geleidelijk aan de Kanda-rivier (神田川), die de schrijn scheidt van de nabij liggende stad.

Oprichting

Deze schrijn is ook bekend als Ōmiya Sengen Jinja (大宮浅間神社), maar wordt vandaag de dag officieel Fujisan Hongū Sengen Taisha genoemd. Het schrijn is gelegen in de stad Fujinomiya. Zoals vele andere instituties in Japan, combineert deze schrijn zowel de boeddhistische praktijken en leer als shintō. Het werd in begin de negende eeuw opgericht aan de zuidwestelijke voet van Fuji. Het was niet deze schrijn, maar een schrijn in de buurt van Murayama (村山) dat de eerste cult opdroeg aan het beklimmen van Fuji als een religieuze praktijk.

De twaalfde keizer van Japan genaamd Suijin (崇神天皇) plaatste Asama-no-ōkami (浅間の大神) onder bescherming aan de voet van Fuji. Dit is de oorsprong van het schrijn. De vijftigste keizer, [[806–809: Keizer Heizei| Heizei] (平城天皇), liet een nieuwe grote schrijn bouwen op de huidige site te Ōmiya. Sindsdien is deze al voor meer dan 1100 jaar het hoofdschrijn van de meer dan 1300 Sengen-schrijnen te Japan.

Tijdens het Tokugawa-shogunaat (徳川幕府) koos Tokugawa Ieyasu ervoor de Sengen-schrijn te patroniseren. Hij financierde de reconstructie van de hoofdhal omdat de priesters hem hadden gesteund tijdens de slag van Sekigahara (関ヶ原の戦い) in 1600. Iedereen die Fuji wou beklimmen moest vanaf nu eerst langs de Sengen-schrijn gaan.

De plaats waar het schrijn nu gesitueerd is wordt gezien als de hoofdingang tot Fuji.

Conflicten

De ultieme religieuze praktijk was het beklimmen van de berg, meestal via de Yoshida-weg (吉田神道). De pelgrims verbleven in herbergen opengehouden door oshi (御師). [5] Aan elk station werden er hutten opengehouden door de lokale bevolking. De pelgrims stopten aan de Dainichi (大日)-hal, de Yakushi (薬師)-hal en een van de, of beide bronnen van heilig water. De Kinmeisui (goud licht water, 金明水) en de Ginmeisui (zilver licht water, 銀明水) voor ze weer naar beneden gingen.

Naast een religieus, waren deze pelgrimstochten ook een economisch fenomeen. Fujisan Hongū Sengen Taisha en de lokale bevolking zochten naar winst, maar deze zoektocht naar een financiële bron van inkomsten resulteerde in een aantal conflicten.

Subashiri

In 1703 ontstond een conflict tussen drie oshi en een priester van Subashiri enerzijds en Fujisan Hongū Sengen Taisha anderzijds. De oshi en de priester hadden een petitie gestart tegen het schrijn. Ze beweerden dat het schrijn het traditionele recht van de Subashiri inwoners om geld in te zamelen dat geofferd of in de krater gegooid werd in te zamelen tegenging. Fujisan Hongū Sengen Taisha was er ook mee akkoord gegaan dat inwoners van Yoshida twee nieuwe stations mochten plaatsen op de Yakushi-top. Het Bureau van Tempels en Schrijnen (Jisha-bugyō, 寺社奉行) deed een uitspraak in het voordeel van Subashiri. De schrijn moest de toestemming terugtrekken en veertig procent van het geld afstaan.

Gestorven pelgrims

In 1770 ontstond een conflict dat ging over de verantwoordelijkheid van het begraven van pelgrims die op Fuji gestorven waren. Het was een bron van inkomen en de verantwoordelijke kreeg ook de autoriteit over het gebied waar ze ontdekt waren. Op een bepaald punt in het conflict werden de tegenhangers uit Subashiri uit hun hutten in Yoshida gejaagd door de lokale bewoners. In 1779 besloot het Bureau van Tempels en Schrijnen dat het schrijn de verantwoordelijkheid kreeg over de doden en ook over het grondgebied waar ze stierven. Dit grondgebied strekte zich uit van het achtste station tot de hoogste piek van Fuji.

Reformatie van de landtaks

Tegen het einde van 1870 eiste de imperiale staat dat tempels en schrijnen de gronden die ze taksvrij mochten gebruiken tijdens de Tokugawa-periode moesten teruggeven.[6] De enige uitzondering waren de gronden waar rituelen plaatsvonden. Bepaalde percelen werden toegekend aan lokale landbouwers. Bossen en andere stukken grond zonder een duidelijke titel werden door de staat ingenomen. Tijdens deze periode streefden de priesters niet naar een exclusieve titel omdat ze zo in een goed beeld zouden staan bij de overheid en om hun instituties te beschermen van de hoge taksen. In 1873 vond een landtaksreformatie plaats, dat duidde dat zelfs de gebieden waar rituelen plaatsvonden staatseigendom werden. De politiek tijdens de Meiji-periode (明治時代) had een groot effect op het Sengen-schrijn. Het verloor ongeveer de helft van zijn eigendommen aan de voet van de berg, het grootste deel bebost. 10288 tsubo (坪)(34053 vierkante meter) werden overgebracht naar de staat en de overige 9777 tsubo (32362 vierkante meter) werden tot de ‘omgeving’ van het schrijn benoemd, die ook ingeschreven werden als staatsgrond. Niet alleen de belangrijkste gebieden van het schrijn, maar ook de krater en de top van Fuji werden officieel staatseigendom. Het schrijn werkte ernaar toe om de controle over zowel de top als de voet van de berg terug te winnen, maar schrijnen waren publiek dus zou het ideologisch geen steek gehouden hebben moesten ze van de gronden privaat domein willen maken.

Sengen-schrijn wou status, rijkdom en macht in de politieke hiërarchie. Ze spraken vaak de staat aan om de grenzen van hun hoofdeigendommen uit te breiden en de top en krater terug bij hun eigendom toe te voegen. Uiteindelijk werden in 1899 alle gronden die boven het achtste station lagen terug toegekend aan het schrijn. Een paar jaar eerder, in 1896, werd het schrijn van een nationale schrijn gepromoveerd naar een groot imperialistisch schrijn.

Vanaf dat moment wouden de priesters alles herstellen tot zoals het was voor de hervormingen. Het was tijdens het jaar 1900 dat het ministerie besliste om de verkoop van wouden en velden, die eerder van schrijnen en tempels waren afgenomen, toe te staan. In 1932 telde Sengen-schrijn terug 17440 tsubo (57726 vierkante meter).

De strijd om Fuji

Na de tweede wereldoorlog werd een strikte scheiding tussen shinto en staat verplicht. Dit om te voorkomen dat de overheid aan bepaalde doctrines en instituties de voorkeur zou geven. Het was toen volgens het SCAP ook beter om een ultranationalistische religie die had bijgedragen tot de oorlog en zijn gevolgen, te ontmantelen. [7] Het belastinggeld en de publieke eigendommen mochten niet meer gebruikt worden door eender welke religieuze institutie of door andere instituties die niet onder de controle van de staat stonden. Sommige organisaties verwelkomden deze splitsing enthousiast en anderen waren bezorgd dat de connecties met de overheid zich zouden tonen als een daling in macht en invloed. Vele tempels en schrijnen stonden al op het punt hun titel te verliezen door de wet die enkele weken ervoor was ingevoerd. De staat had alle landbouwgrond opgekocht over heel Japan, buiten Hokkaidō (北海道).

De voor- en tegenstanders

Toen de discussie plaatsvond over het feit dat Fuji nu het eigendom moest zijn van Sengen-schrijn of van de staat ging deze niet alleen over een religieus voorwerp maar over een symbool van een volledige natie. Verschillende groepen met uiteenlopende interesses betoogden zodat de piek van Fuji in publieke handen zou blijven. Ook de discussie tussen Yamanashi- (山梨県) en Shizuoka-prefectuur (静岡県) speelde hierin een belangrijke rol. De ‘All Japan Tourism Association’ en de ‘Japan Nature Preservation Association’ sloten zich aan bij Yamanashi, die het verkeerd vond dat Fuji geprivatiseerd zou worden. Alhoewel Fuji het goddelijk lichaam was voor Sengen-schrijn hadden ze volgens hen de berg niet nodig om het te aanbeden. Deze groepen dienden petities in tegen het schrijn aangevuld met het argument dat Fuji recentelijk meer gebruikt werd voor recreatie en niet meer voor religieuze doeleinden.

De supporters van Sengen-schrijn benadrukten de lange periode dat het verbonden was met Fuji, en dat er in de hoofdhal van het schrijn geen centrale religieuze voorwerpen waren, maar dat in de plaats er een uitzicht was op de berg zelf. Zowel het Tokugawa-shogunaat als de gouverneur van Shizuoka in 1899, hadden de grond van het achtste station tot de top aan hen toegekend. De top mocht dan wel een deel zijn van het park maar dit betekende voor hen niet dat het staatseigendom mocht worden.

1952: Yamanashi en Shizuoka

In 1952 werd uiteindelijk beslist dat enkel de religieus belangrijke gronden aan Sengen-schrijn toegekend mochten worden. Het ging hier over de twee sites met de sub-schrijnen en de twee bronnen van heilig water. De overige gronden werden staatseigendom.

De hoofdpriester Satō (神主の佐藤) accepteerde niets tot de top ook in zijn macht lag. Hij ging verder met het bediscussiëren van de zaak met politica en bureaucraten. Enkele maanden nadat Japan terug onafhankelijk geworden was, in 1952, bezochten enkele comitéleden het schrijn om hun beslissing te herzien. Twee maanden later werd het gebied vanaf het achtste station tot en met de top eigendom van het schrijn, met uitzonderingen van enkele percelen waar bijvoorbeeld het weerstation stond aan het schrijn toegeschreven. Deze beslissing zorgde ervoor dat in tegenstelling tot de verwachtingen, een politiek duel ontstond dat nog vele jaren zou duren.

De meest dramatische dag van deze discussie was 5 februari 1953. De tegenstanders uit Yamanashi, inclusief de hoofdkoppen van de oshi uit Fujiyoshida (富士吉田), paradeerden met hun mikoshi (神輿) in de vorm van Fuji eerst naar Shinbashi en daarna naar het ministerie van financiën. Demonstranten hadden het ministerie binnengestormd als de politiemannen hen niet hadden tegengehouden. De leider van deze opstand was de gouverneur van Yamanashi, die gedetermineerd was Fuji uit de handen van Shizuoka te houden. Het gebied van het achtste station tot aan de top was nooit toegewezen geweest aan een prefectuur. Dat het gebied toegewezen werd aan Sengen-schrijn betekende ook dat het onder de controle van Shizuoka terecht kwam. Het was niet alleen een provinciale discussie maar ook de winst die gemaakt kon worden door het toerisme en de nationale trots dreven hen in hun acties. De druk steeg en een comité van twaalf leden werd gevormd, waar vragen gesteld en commentaar gegeven werd om uiteindelijk tot een beslissing te komen. De geallieerde bezetting eindigde in 1952, en het was nog niet zeker hoe de democratie zou evolueren in Japan. De discussie over Fuji werd gestreden tussen degene die een vooroorlogse situatie wouden herbeleven en degenen die wensten voor een democratische maatschappij gebaseerd op seculaire principes.

Op 6 februari 1954 werd beslist dat Fuji in staatshanden moest blijven. Het was niet nodig voor het schrijn om het lichaam van de god te bezitten, net zoals niemand de zon in zijn bezit heeft. Het schrijn gaf toe dat er duizend Sengen-schrijnen waren over Japan verspreid maar bleef erbij dat hun situatie uniek was, omdat zowel het Tokugawa-shogunaat als de imperiale overheid hun macht hadden erkend.

1962: De uiteindelijke beslissing

De juristen uit Nagoya beslisten in 1962 dat, behalve bepaalde percelen grond zoals het weerstation en telecommunicatiecentrales, alles terug moest zoals het was beslist door het Tokugawa-shogunaat. Alle grond boven het achtste station van Fuji was het legitieme eigendom van Sengen-schrijn. De overheid tijdens de Meiji-periode schreef het land in als staatseigendom, maar het was onder de controle van het schrijn.[8] Deze beslissing veroorzaakte geen opstanden zoals die in 1953. Yamanashi was druk bezig met investeren in een weg die naar het vijfde station op Fuji leed. Het duurde nog dertig jaar voor Sengen-schrijn een akte van levering kreeg van het ministerie van financiën. Dit omdat het gebied nog in Shizuoka, nog in Yamanashi gelegen was. Voor het schrijn maakte het niet uit zolang zij de controle kregen. In december 2004 kregen ze uiteindelijk de akte van levering.

Godheid

Konohanasakuya-hime (木花之開耶姫 konohananosakuyahime) is in de Japanse mythologie de bloesemprinses en het teken van een vroeg beginnend leven. Ze is de dochter van de kami van de berg, Ōyamatsumi-no-mikoto, is de belangrijkste kami in de Asama-schrijnen en wordt soms ook in combinatie met haar vader en/of haar zus, Iwanaga-hime (岩永姫), aanbeden.[9] Ze verschijnt in zowel de Kojiki (古事記) als de Nihonshiki (日本書紀) en staat in voor de bescherming tegen vuur.

In beide verhalen is Konohanasakuya-hime de vrouw van de kami Ninigi (ニニギ). Ze ontmoette hem aan zee en ze werden verliefd. Ninigi vroeg aan haar vader, Ōyamatsumi (大山祇), haar hand, maar de vader stelde voor dat hij beter met zijn oudere dochter, Iwanaga-hime, kon trouwen. Desondanks zijn aanbod bleef Ninigi overtuigd van zijn keuze en kon de vader niet anders dan akkoord gaan. Omdat Ninigi de hand van Iwanaga, de steen-kami, weigerde, is de mens geen lang leven gegund zoals die van een lelijke steen, maar een kort leven zoals die van een mooie kersenbloesem.

Konohanasakuya-hime werd zwanger op één nacht tijd. Dat vond Ninigi verdacht en hij dacht dat het kind van een aardse kami was in plaats van een hemelse kami zoals hemzelf. Konohanasakuya-hime was woedend door de beschuldigingen van Ninigi en stapte in een hut die ze vervolgens in brand stak. De kinderen zouden volgens haar niet verwond raken als ze echt de afstammelingen waren van de hemelse kami Ninigi. Drie zonen werden gezond geboren, Hoderi (火照), Hosuseri (火酢芹) en Hōri (火遠理).

Konohanasakuya-hime wordt ook vermeld met de volgende namen: Konohana no sakuya hime (木花之開耶姫), Konohana sakuya hime no mikoto (木花開耶媛之命), Kamuatatsu hime (神吾田津姫), Kamu toyoatatsu hime (神豊吾田津媛) en Kamu atakāshitsu hime (神吾田鹿葦津姫).

Festivals

Er worden elk jaar meer dan zestig festivals gehouden aan dit schrijn. Enkele voorbeelden hiervan zijn het setsubun-festival (節分), het rijst plant festival, … [10] De belangrijkste worden hieronder verder uitgewerkt.

Yabusame-festival

De Shogun Yoritomo (源頼朝) bracht in 1193 grote aantallen van zijn bedienden naar de voet van Fuji voor militaire training en demonstraties van zijn macht. Hij liet er ruiters, die aan het boogschieten waren, een show geven. Dit is uitgegroeid tot het jaarlijkse yabusame-festival (流鏑馬). Dit festival gaat elk jaar in mei door. Op vijf mei wordt de show gegeven waarna de deelnemers, waaronder priesters, kinderen en mensen verkleed in samoerai (侍), op zestig paarden rijden en paraderen langs de hoofdstraten van de stad. Ten slotte volgt er nog een ceremonie aan Sakura-no-baba.

Opening en sluiting van het klimseizoen

Het klimseizoen duurt van elf juli tot en met eenendertig augustus. Vier dagen voor de start van het seizoen bidden priesters voor de bescherming van de klimmers die naar de top trekken, gevolgd door verschillende rituelen zoals de purificatieceremonie. Op zeven september, na de sluiting van het klimseizoen, bedanken de priesters de god voor de bescherming die hij geboden heeft.

Fujiyoshida vuurfestival

Het Fujiyoshida vuurfestival (Yoshida no Himatsuri, 吉田の火祭り) begint op zesentwintig augustus. Het krijgt een enorme steun van de gemeenschap van Fujiyoshida en wordt al vijfhonderd jaar georganiseerd door dezelfde families.

Het festival is gebaseerd op het verhaal van de kami Konohanasakuya-hime wiens kinderen waren geboren in het midden van vuur. De vlammen gemaakt door de fakkels op het vuurfestival representeren het vuur dat Konohanasakuya-hime heeft gestart om haar onschuld te bewijzen. Het festival wordt dan ook niet alleen maar georganiseerd om uitbarstingen van Fuji tegen te gaan maar ook om een vlotte bevalling te verzekeren.

Het vuurfestival wordt ook Chinka Taisai (鎮火大祭) genoemd, wat zoveel betekent als ‘Het festival om het vuur te doven’ of het festival dat ervoor zorgt dat Fuji nog een jaar niet uitbarst.

Konohanasakuya-hime moet uit haar huis gehaald worden en wordt rondgedragen door de straten van Fujiyoshida zodat ze de belangen van de stad leert en zo de keuze kan maken of ze de stad spaart van een uitbarsting of niet. De ziel van de kami wordt overgedragen van de schrijn naar een mikoshi (神輿 of 御輿) en wordt dan gedragen door de straten van Fujiyoshida door dertig sterke mannen.[11] Als deze procedures niet gevolgd worden, dan stijgt de kans dat Fuji uitbarst.

De eerste mikoshi dat rondgedragen wordt op het festival is de myōjin-mikoshi (明神神輿), wat betekent ‘het schrijn van de grote god’ en is een miniatuurversie van een schrijn. De tweede is een replica van de berg Fuji, ōyama- (御山神輿) of mikage-mikoshi (御影神輿) genaamd. Het weegt 1 ton. De myojin-mikoshi gaat altijd voor op de ōyama-mikoshi. Zijn dragers stoppen in totaal drie keer om hem op de grond te gooien. Dit gebeurt om de band tussen de dragers te versterken, om het publiek op te vrolijken en Fuji te plezieren.

De climax van het dragen van de mikoshi gebeurt als de myojin-mikoshi in het Kamiyoshida (上吉田) community center binnengaat. Daar is een rustplaats voor de twee mikoshi voorbereid.

Herfstfestival

Dit evenement werd het grootste festival genoemd rond de periode 1577-1650 en werd in zowel april, september als november georganiseerd. Vandaag de dag gaat het alleen maar in november door. Het herfstfestival duurt drie dagen en is het grootste festival in de regio van Oost-Shizuoka.

Voetnoten

  1. Een Asama-schrijn, ook wel Sengen-schrijn genoemd, is een Shinto-heiligdom dat zich toespitst op het aanbidden van de kami van vulkanen en specifiek die van de vulkaan Fuji.
  2. Het huidige Kantō en Tohoku
  3. East Asian hip-and-gable roof
  4. van 794 tot 1185
  5. quasi-priesterlijke figuren die ook als gids dienst deden.
  6. of Edo-periode (江戸時代), van 1603 tot 1868
  7. Het SCAP staat voor Supreme Commander for the Allied Powers, en is een titel die generaal Douglas MacArthur droeg.
  8. van 1868 tot 1912
  9. een kami (神) is het Japans voor God, maar is ook een verzamelnaam voor alle bovennatuurlijke krachten en wezens
  10. Het setsubun-festival wordt elk jaar georganiseerd om boze geesten te verjagen door bonen naar de bezoekers te gooien.
  11. een draagbare schrijn

Bronnen

Boeken

  • Edwin Bernbaum, Sacred Mountains of the World, (Californië: University of California Press, 1998), 317p
  • Merel Molenaar en Chris Uhlenbeck, Mount Fuji: sacred mountain of Japan, (Leiden: Hotei publishing, 2000), 125p
  • Kati Neubauer, Mt. Fuji - religion and tourism, (Duitsland: GRIN Verlag, 2009), 11p

Artikels

  • Mt. Fuji: The Iconic Journey, Reiho Fuji – Fujiyoshida City News, 130, July – August , 2012
  • Bernstein A., Whose Fuji?: Religion, Region and State in the Fight for a National Symbol, Monumenta Nipponica, Volume 63, Nummer 1, Lente 2008, p51-99

Internet