Financiële en economische hervormingen
Uit GeschiedenisJapan
Inhoud |
Financiële en economische hervormingen
Leidraad
Niet alleen de creatie van een gecentraliseerde politieke structuur, maar evenzeer de modernisering van de economie plaatste de nieuwe regering voor een enorme opgave. Door een hervorming van de grondbelasting zorgde de overheid voor stabiele inkomsten. Daarnaast trof ze maatregelen om een modern kapitalisme te ontwikkelen. Zij zorgde voor aangepaste bestuurlijke instellingen, maakte het muntstelsel één, en moderniseerde de transport- en communicatiemiddelen. In verband met de Seinan-rebellie gaf ze teveel papiergeld uit, waardoor een enorme inflatie ontstond. De drastische ingrepen van de regering om de inflatie te bestrijden, zorgden dan weer voor een deflatie. Om de verliezen die zo gemaakt werden te dekken, ging de regering over tot het privatiseren van overheidsbedrijven. De verkoop van deze bedrijven zorgde voor een nauwe band tussen handelaars, industriëlen en overheid. Dit alles ging ten koste van de landbouw, waarin maar weinig geïnvesteerd werd.
Hervorming van de grondbelasting en boerenopstanden
Het opdoeken van het oude Bakufu-Han-stelsel leidde tot een hervorming van het grondbezit en van de grondbelastingen. De weerslag hiervan was groot, zowel op de modernisering van de economie, als op de levensstandaard van de boerenbevolking, die zeer zware lasten te torsen kreeg. Frequente opstanden waren er het gevolg van.
Hervorming van de grondbelasting
De jaarlijkse belasting waarop de overheid recht had, volstond niet om haar grote uitgaven te dekken. Bovendien verliep de inning volgens feodale methoden, die geen rekening hielden met de opbrengst van de oogst. Verscheidene alternatieven werden overwogen om tot stabielere inkomsten te komen. Uit de vele voorstellen om het grondbezit te liberaliseren, koos men in 1871 het chiken 地券systeem. Dit waren certificaten waarmee de grondeigenaars hun eigendomsrecht konden bewijzen. In 1871 werd de Tahata eitai baibai no kinrei 田畑永代売買禁令afgeschaft, een wet die van kracht was sedert het begin van de Tokugawa-periode en die de koop en verkoop van grond voor altijd verbood. Voortaan kon grond vrij gekocht en verkocht worden, weliswaar via een ingewikkeld systeem van opbod dat door de overheid werd gecontroleerd. Het systeem was niet waterdicht en werd al snel afgeschaft. In 1871 werd er een definitieve grondbelastingshervorming doorgevoerd, die de grenzen van de lokale overheid precies omschreef. Deze Chiso kaisei jōrei 地租改正条例bepaalde onder meer het volgende:
De aanslagbasis was niet langer de geschatte opbrengst, maar de grondprijs.
De aanslagvoet werden vastgelegd op 3 procent en schommelde niet meer mee met de voorspoedige of rampspoedige oogsten.
Belastingen moesten in geld betaald worden en niet langer in natura.
De grondeigenaar werd belastingplichtig en niet langer de pachter of de feitelijke gebruiker van het land.
De regionale grondbelasting mocht niet meer dan een derde van de opbrengst bedragen.
De wet bleef vrijwel zonder gevolg, totdat een bureau werd opgericht, de Chiso kaisei jimu-kyoku 地租改正事務局, dat erop diende toe te zien dat er adequate belastingsinspecties kwamen (het werd opgeheven in 1881). Na veelvuldige boerenopstanden werd de aanslagvoet teruggeschroefd tot 2,5 procent. Uit de grondbelasting kon de regering nu op betrekkelijk stabiele wijze 80 procent van haar inkomsten betrekken. De relaties tussen eigenaar en pachter werden er echter niet beter op. De belastingen werden gewoon doorgerekend naar de pachter, zonder dat de traditionele vorderingen verlicht werden. Toen de rijstprijzen stegen, werden de winsten voor de grondeigenaars enorm. Binnen de boerenklasse groeide de kloof tussen de rijke eigenaars en de arme pachters. Alle voordelen van de nieuwe wetten kwamen ten goede aan de eigenaars.
Boerenopstanden
Al kunnen we niet beweren dat de overheid het boerenbedrijf veronachtzaamde, de egoïstische toepassing van de nieuwe wetten door de grondeigenaars leidde in elk geval tot een verslechtering van de levensstandaard der boeren. Het naasten1.1 door de overheid van de gronden van collectief nut, de iriaichi 入会地, was de druppel die de emmer deed overlopen. Deze gemene gronden waren betrekkelijk waardeloze terreinen, waar elke familie van de gemeenschap wel gratis brandhout, mest, water, enz. kon vinden. De nationalisering was een ramp voor de kleine boeren en landarbeiders. Op korte termijn breidde de overheid haar grondbezit spectaculair uit. Bij het begin van de Meiji-periode waren nauwelijks twee procent van het grondgebied staatsgrond, in 1881 was dat al 31 procent, en in 1890 maar liefst 63 procent. De vele belastende maatregelen: dienstplicht, belastingen, dwingelandij van grondeigenaars, gaven aanleiding tot verspreide opstanden, die weinig gecoördineerd verliepen en meestal tegen de verkeerde gezagsdragers gericht waren, zodat ze nooit de stabiliteit van het nieuwe regime bedreigden. In 1869 kende men het meeste opstanden, 42 in totaal, nadien namen ze af tot in 1876 een opstand zich verspreidde vanuit Haragi en Mie naar andere prefecturen Nara, Gifu, Aichi, .... De voornaamste eis, een verlaging van de belastingdruk, werd uiteindelijk ingewilligd, zoals hoger beschreven.
Invoering van het moderne kapitalisme
Naast de centralisering van de politieke macht was het stimuleren van handel en nijverheid (shokusan kōgyō 殖産興業) een topprioriteit voor de nieuwe overheid. "Een welvarend land met een sterk leger was immers haar doelstelling. Aanmoedigingspremies en andere overheidsinitiatieven waren erop gericht om de feodale industriële structuren te vervangen en de slappe ondernemingslust aan te moedigen. Aldus ontstaat in Japan een modern kapitalisme onder bescherming van de overheid. Haar maatregelen wierpen vruchten af. Her en der ontstonden door de overheid geleide fabrieken, een modern transport- en wegennet, een modern bankwezen, enz.
Afschaffing van feodale economische structuren
Feodale instellingen, die een vrije nationale distributie en communicatie in de weg stonden, werden radicaal afgeschaft. Zo verdwenen alle privileges van de gilden en geldschieters (kabu nakama 株仲間), evenals de handelsmonopolies van de Han, na een voorstel van Yuri Kimimasa in 1868, dat bekend is als de Shōhō taii 商法大意(Krachtlijnen van het handelswezen). In 1872 kregen boeren, edelen en samurai het recht handel te drijven. Uiteindelijk werden in 1871 en 1872 de belemmeringen in verband met de teeltkeuze en de vrije verkoop van grond opgeheven.
Overheidsinstellingen die de economische ontwikkeling begeleiden
Reeds in het voorjaar van 1868 richtte de regering het Shōhōshi 商法司 op, een overheidsdienst die de afschaffing van de feodale economische structuren moest uitvoeren. Begin 1869 werd deze dienst omgedoopt tot Tsūsōshi 通商司en kwam hij onder de voogdij van ōkubo Toshimichi. Onder zijn leiding werd de greep van de overheid op handel, distributie en distributiekanalen geïnstitutionaliseerd. Er ontstond een kliek van machtige industriëlen die in nauwe samenwerking met de overheid de industriële en mercantiele politiek zou uitstippelen en uitvoeren. Zij staan bekend als de "Politieke handelaars (seishō 政商). In 1870 werd dit instituut opgeslorpt door het pas opgerichte Ministerie voor Industrie. Het verdere beleid tot stimulering van handel en nijverheid werd toevertrouwd aan Itō Hirobumi de eerste Minister voor Industrie.
Overheidsbedrijven
Naast de invoer van westerse machines en technieken en de modernisering van de voormalige Han- en Bakufu-bedrijven (b.v. de mijnen van Sado, Ikuno, Miyake; de scheepswerven van Yokosuka, Hyōgo, Nagasaki; de munitiefabriek van Meguro; de fabrieken van legermateriaal in ōsaka en Tōkyō; de spinnerijen van Sakai, enz.) richtte de overheid modelfabrieken op met de opbrengst van de landbouwbelastingen. De bedoeling was op lange termijn de afhankelijkheid van de import te verminderen, de steeds groeiende buitenlandse schulden terug te dringen en te ontkomen aan de situatie van een halve kolonie. Deze modelfabrieken waren geconcentreerd op de textiel- en de militaire sector. Door het ontbreken van technische know-how deed men in het begin intensief beroep op Westerse specialisten, terwijl aan briljante jonge elementen studiereizen en studiebeurzen voor het buitenland werden aangeboden.
De overheid bleef aandacht besteden aan haar voornaamste bron van inkomsten, de landbouw. Grote aandacht ging naar de ontwikkeling van Hokkaidō, waarbij zeker ook militair-strategische motieven meespeelden. In 1869 reeds werd een Commissaris voor Ontwikkeling aangesteld. Kuroda Kiyotaka (zie hoger) liet extensieve landbouwmethodes uit Amerika invoeren. De Amerikaan Horace Capron(1804- 1885) werd uitgenodigd om in Sapporo een landbouwschool op te richten om de nieuwe technieken te onderwijzen, de Sapporo Gakkō 札幌学校. Hieruit groeide later de universiteit van Hokkaidō. Bij deze enorme inspanningen en investeringen om Hokkaido te "nipponiseren werd zoveel mogelijk beroep gedaan op een "kolonistenleger (Tonden-hei 屯田兵) van "nutteloze ex-samurai. Dezen werden vooral ingezet in politionele functies en bij het werk op experimentele landbouwstations.
Creatie van een modern financieel en monetair wezen
De hervorming van het monetaire stelsel verliep als volgt. Op het einde van de Edo-periode waren er drie officiële munteenheden: goud (kin 金), zilver (gin 銀), en sen of zeni (銭), een honderdste van een yen. Daarnaast bestonden er nog meer dan 1800 lokale munten die door de Han werden uitgegeven, zowel van metaal als van papier. Na de openstelling van de grenzen raakten ook Westerse munten in omloop. Er was dus geen sprake van een eenvormig en overzichtelijk muntstelsel. In 1868 besloot de overheid de lokale muntstelsels af te schaffen en nieuw papiergeld met gouddekking uit te geven, de Dajōkansatsu 太政官札("Kanseliersbiljetten") genoemd. In 1871 werd het Bureau voor de Munt afgeschaft en werd een nieuwe munt opgericht, de Zōheikyoku 造幣局, dat al snel een nieuwe naam kreeg : Zōheiryō 造幣寮. Twee jaar later werd ook in ōsaka een munt geopend waar werd geslagen, 円, 銭en 厘, met waarden volgens het tiendelige stelsel. Op voorstel van Itō Hirobumi, die dit tijdens zijn verblijf in de V.S. had gemerkt, werd een nieuwe wet uitgevaardigd, de Shinka jōrei 新貨条例, die bepaalde dat alle munten gouddekking moesten hebben. Men slaagde daar pas in 1897 volledig in. Op een goede tien jaar tijd werd het nieuwe papiergeld in omloop gebracht en werden alle oude gouden en zilveren munten ingehouden.
Als onderdeel van de reorganisatie van het financiewezen richtte de overheid in 1869 wisselkantoren op (kawasegaisha 為替会社), waar spaarrekeningen, uitgifte van papiergeld, wisselverrichtingen en geldwisselen tot de opdrachten behoorden. Omdat dit systeem weinig gecentraliseerd was, ging de overheid in 1872 over tot het oprichten van een nationale bank, op basis van de Wet op de nationale bank, de Kokuritsu Ginkō Jōrei 国立銀行条例. Er kwam een grote centrale bank met vier filialen. In 1876 werd die wet aangevuld, zodat het aantal filialen kon uitgebreid worden en privé-banken konden opgericht worden. De bekendste daarvan is de Mitsui-bank 三井銀行. Tegen 1879 waren er in Japan reeds 153 banken.
Ontwikkeling van transport en wegennet
In 1869 werd tussen Tōkyō en Yokohama de eerste telegraafverbinding tot stand gebracht. Van hieruit werd een nationaal netwerk uitgebouwd. Op initiatief van Maejima Hisoka 前島密(1835-1919), een geleerde die in Europa het post- en bankwezen had bestudeerd, werd tevens een postwezen naar Westers model ingevoerd. Vanaf maart 1871 bestonden er regelmatige postverbindingen tussen Tōkyō, ōsaka en Kyōto. Een jaar later bestreken de posterijen reeds heel Japan. In 1877 trad Japan toe tot de internationale Postunie. Verzet vanwege oude vervoersmaatschappijen en koeriersdiensten vermocht niets tegen het efficiënte nationale postwezen.
In september 1872 reed tussen Yokohama en Tōkyō de eerste trein. In 1874 werd de spoorlijn tussen ōsaka en Kōbe, in 1877 die tussen Kyōto en ōsaka en in 1889 de hele Tōkaidō-route geopend. In 1882 werd in Tōkyō een paardetramdienst ingelegd, die vooral vanaf 1900 bijzonder populair werd, mede omwille van de gunstige tarieven. Toen vanaf 1904 de trams elektrisch werden aangedreven, verdwenen de paardentrams. In Kyōto reden reeds in 1895 elektrische trams.
De ontwikkeling van privé-ondernemingen
De opbloei van de privé-ondernemingen vanaf 1877 was een rechtstreeks gevolg van de inflatie en de maatregelen die de overheid daartegen trof. De overheid voerde een strikt uitgavebeleid en verkocht een aantal modeloverheidsbedrijven voor een prikje. Zij kwamen in handen van de industriëlen die nauwe banden met de overheid onderhielden (seishō 政商). In deze periode ontstonden de machtige financiële monopolies die bekend zijn onder de naam zaibatsu 財閥.
Aanzwellende inflatie
Zoals hoger aangegeven, had de overheid enorme bedragen uitgegeven om haar beleid te realiseren. Bovendien had de nationale bank teveel niet-converteerbaar papiergeld uitgegeven. Vooral na de Seinan-rebellie werd Japan geconfronteerd met een enorme inflatie. Mede door de daling van de export, zorgde ze voor grote financiële problemen voor de overheid en grote prijsstijgingen.
Het soberheidsbeleid van Matsukata Masayoshi
De Minister van Financiën, Matsukata Masayoshi 松方正義(1835-1924) voerde een streng soberheidsbeleid. Hij verhoogde de belastingen en zette de hakbijl in de overheidsuitgaven. Voorts ontwierp hij een volledig door de overheid gecontroleerde centrale bank, de Bank van Japan (Nihon ginkō 日本銀行), die als enige het recht had geld uit te geven en die al het niet converteerbare in omloop zijnde papiergeld moest inzamelen.
Resultaten van het Matsukata-beleid
De prijzen stabiliseerden zich, de uitvoer nam weer toe en het metaalgeld groeide in belang en hoeveelheid. Bovendien werd na de oprichting van de Bank van Japan de vroegere Nationale Bank geprivatiseerd. In 1899 ging ze bankroet. Door het strakke overheidsbeleid brak er nu een periode van deflatie aan, bekend als de Matsukata-deflatie. De daaraan inherente prijsdalingen veroorzaakten het faillissement van talloze kleine ondernemingen, terwijl ook op het platteland de tegenstellingen tussen arm en rijk toenamen. Kleine eigenaars konden de belastingen niet meer betalen en zagen zich genoodzaakt hun gronden te verkopen, terwijl de grootgrondbezitters hun eigendom konden uitbreiden met relatief goedkope gronden.
Privatisering van de modelfabrieken
Om een gezond financieel beleid te voeren, besloot de overheid de modelfabrieken te privatiseren. Vanaf 1884 werden ze één na één overgelaten aan de seishō. Daar al deze bedrijven, behalve de militaire toeleveringsbedrijven, verlieslatend waren, werden ze tegen gunstige voorwaarden van de hand gedaan. Omdat ze weinig investeringen vergden, leverden de meeste van deze bedrijven, eenmaal in privé-handen, snel winst op. Zo groeide het privé-kapitalisme spectaculair.
Groei der privé-ondernemingen
Naarmate de overheid privatiseerde, groeide de appetijt bij de privé- ondernemers tot uitbreiding en modernisering. De hervorming van het financiewezen, de mogelijkheid om te lenen van de staat, de goedkope arbeidskrachten (vooral verarmde boeren), het stimulerend beleid van de overheid en de toename van de technische mogelijkheden, schiepen de voorwaarden voor een grote bloei van de privé-ondernemingen. In 1873 ontstond de eerste grote privé-onderneming, de Katakura spinnerij, in 1874 de suikerraffinaderij van ōsaka, in 1875 een weefgetouwenfabriek, enz. De Japanse spoorwegmaatschappij (Nippon tetsudō-gaisha 日本鉄道会社) begon winst te maken vanaf 1881. Het bedrijf was opgericht door de uitgifte van obligaties, gefinancierd door kazoku en shizoku. Privé-spoorwegen waren erg in trek bij privé-investeerders. In 1891 opende deze Japanse spoorwegmaatschappij een lijn tussen Tōkyō en Aomori en in 1901 opende de Sanyō tetsudō-gaisha 山陽鉄道会社een lijn tussen Kōbe en Shimonoseki.
Iwasaki Yataro 岩崎弥太郎 uit Tosa stichtte in 1870 een firma voor zeetransport en scheepvaart, de Kujuku shōkai 九上商会, die in 1873 werd herdoopt tot de Mitsubishi shōkai 三菱商会. In 1875 richtte hij de Mitsubishi-stoomvaartmaatschappij op die onder de bescherming van de overheid een grote bloei kende. Onder de vorm van een 50-50 participatie richtten Mitsui 三井en de overheid een concurrerende transportmaatschappij op, die ervoor zorgde dat de prijzen sterk gingen dalen. Tegen 1885 zaten beide maatschappijen diep in de rode cijfers en werden ze na overheidsbemiddeling gedwongen te fusioneren. Zo ontstond de Japanse pakketbootmaatschappij (Nihon yusen gaisha 日本郵船会社). In de Kansai-streek fusioneerden een aantal kleine bedrijfjes die het transport in de Japanse Binnenzee verzorgden en vormden de ōsaka shōsen kaisha 大阪商船会社.

