ExportPagina

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken

ExportModern

De geschiedenis van Japan tot aan de Taika-hervormingen (645)

Inleiding

Inleiding

Het primitieve japan

Kofun (古墳)-periode (eind derde eeuw-midden zesde eeuw.)

Vanaf het midden van de derde eeuw na Christus beginnen de leden van de heersende elite in de vlakte van Yamato hoge aarden tumuli op te richten. In een halve eeuw verspreidt deze praktijk zich tot in Noord-Kyūshū. Hun verschijning luidt het begin van de Kofun-periode in. De grafheuvels en hun rijke inhoud getuigen van een elite van aristocratische krijgslieden die de macht hadden om over een dichtbevolkt platteland te regeren en te leven van de landbouwopbrengsten van het gebied onder hun controle. In deze tijd kunnen we reeds gewagen van een Japans volk dat als zodanig identificeerbaar is.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Vorming van de vroege japanse staat Yamato (300-645)

De specifieke staatsstructuur van Yamato

De koning als vredestichter

Erkenning van China's suzereiniteit

De tumulibouwers van de derde-vierde eeuw na Christus waren verantwoordelijk voor de eerste vorm van politieke eenmaking van Japan. De militaire elite onder leiding van het clanhoofd (uji no kami 氏の上) oefende ten opzichte van de andere clanleden een steeds groter wordende macht en gezag uit, en ook tussen de verschillende clans onderling groeiden rivaliteit en strijd. Als gevolg daarvan werden de verhoudingen van dominantie en onderworpenheid steeds nadrukkelijker. Uit de behoefte om hun macht te bestendigen groeide stilaan een vorm van staatsstructuur. Reeds in de eerste eeuw na Christus was er onder de meer dan honderd "rijken" van Noord-Kyūshū een rijk Na (奴国), wiens "koning" een gezant zond naar het hof te Luo-yang. In ruil voor de erkenning van de Chinese suzereiniteit kreeg hij van de Han-keizer een gouden zegel met de inscriptie “Koning van Na in het land van Wa onder de Han” (gemeld in de Hou-Han shu 後漢書). (Het zegel werd overigens tijdens de Edo-periode op het eiland Shikanoshima (志賀島) weergevonden). Deze Chinese titel verhoogde uiteraard het gezag van de koning van Na.

Himiko (卑弥呼)

De vele rijkjes streefden naar gebiedsuitbreiding en kwamen steeds vaker met elkaar in botsing. Door een proces van eliminatie en annexatie bleven slechts enkele grotere rijken over. Eén daarvan was het rijk van Yamato (of Yamatai 邪馬台国), dat tot ontwikkeling kwam in de eerste helft van de derde eeuw en vermeld wordt in de Chinese dynastieke geschiedenis Wei-zhi (魏志). Volgens deze bron omvatte het rijk van Yamato 28 kleinere staatjes. Het werd geregeerd door een mannelijke vorst, maar na jaren van strijd kwamen de machthebbers overeen Himiko, een vrouw, tot koning uit te roepen. Zij was een soort sjamaan, bekleed met religieus, sacerdotaal gezag en fungeerde als vredestichter. De feitelijke macht berustte bij haar broer.

Hieruit blijkt dat er nog geen mannelijk erfrecht op de troon bestond en dat de Yamato-staat een confederatie van clans was, waarvan de clanhoofden in gemeenschappelijk overleg over de troonopvolging beslisten. Om de staat samen te houden was sacerdotaal gezag nog belangrijker dan politieke en militaire macht. Dat de koning bovendien een vrouw is, wijst op de nawerking van de matriarchale clanmaatschappij. Haar gezag was evenwel niet voldoende. Om de stabiliteit te verzekeren in een maatschappij waarin de koning en de edelen (taijin 大人) in toenemende mate het gewone volk (geko 下戸) en de slaven domineerden, was er behoefte aan controleorganen, zoals leger en politie. Degenen die de controle uitoefenden waren niet-productief. Zij dienden bijgevolg onderhouden te worden door het heffen van belastingen. Het beheer over deze instellingen (leger, beheer, belastingsdienst) werd overgelaten aan Himiko's broer, die dus optrad als een soort regent. In 239 zond Himeko een gezant naar Luo-yang, toentertijd de hoofdstad van de Wei-dynastie, met als geschenken slaven en weefsels. In ruil kreeg zij de titel van “koning van Wa”, alsmede giften van zijde, goud, zwaarden en spiegels. De koningstitel verhoogde uiteraard haar gezag ten aanzien van de andere clanhoofden.

Van oudsher bestaat er discussie over de precieze ligging van de Yamato-staat: was het Noord-Kyūshū of de Yamato-vlakte in de Kinai-regio? Zoveel is zeker, dat er in dit laatste gebied vanaf het midden van de derde eeuw een staat tot ontwikkeling kwam die beantwoordt aan het signalement van Yamato of Yamatai dat hierboven gegeven werd. Tegen het midden van de vierde eeuw strekte zijn gezag zich uit van Noord-Kyūshū in het westen tot de Kantō-vlakte in het oosten. De legende van Yamato Takeru no Mikoto (日本武尊・倭建命) zou een weerspiegeling van die historische werkelijkheid zijn.

Interventie in Korea

In het midden van de vierde eeuw drong het gezag van Yamato door tot in Zuid-Korea, waar een kolonie, Mimana (任那) genaamd, gesticht werd. Vervolgens sloot het een verbond met het Koreaanse rijk Paekche (百済, Japans: Kudara), gericht tegen de twee andere rijken op het schiereiland, met name Silla (新羅, Japans: Shiragi) en Koguryŏ (Chinees: Gao-ju-li; Japans: Kōkuri 高句麗). In deze tijd stond het noordelijke deel van China onder niet-Chinese (zogenaamde barbaarse) heerschappij. Als gevolg daarvan had China zijn invloed in het Koreaanse schiereiland verloren. Yamato maakte hier dankbaar gebruik van om er zijn eigen macht en invloedssfeer uit te breiden. In de traditie van de koning van Na erkende het de suzereiniteit van de Chinese keizer om in ruil daarvoor de titel van koning te krijgen met gezag over Zuidelijk Korea. In de Songshu (宋書), de dynastieke geschiedenis van de Liu-Song (劉宋; 420-479), is sprake van vijf koningen van Wa, die de Song-keizer verzochten om de titel van militair gezagvoerder over de zes staten: Wa (= Japan), Kudara, Silla, Mimana, Qin-Han (秦韓) en Mu-Han (慕韓), met bovendien de titel van generalissimo, beschermer van het oosten, en die van koning van Wa.

De periode van de vijf koningen (vijfde eeuw) valt samen met het toppunt van de Japanse macht in Korea. In die tijd werden vele technici, ambachtslieden en handwerkslieden als slaaf naar Japan meegevoerd. Ook ontgonnen de Japanners ijzererts in Zuid-Korea, wat een sterke toename van de ijzerproductie tot gevolg had. Nieuwe technieken en voorwerpen deden hun intrede in Japan. Zo ook ondermeer de rekenkunde en het schrift. De koning maakte gebruik van een Koreaan om zijn officiële brieven aan de Chinese keizer in het klassiek Chinees op te stellen. De Nihonshoki (日本書紀, Kronieken van Japan) verhaalt dat tijdens de regering van keizer ōjin (応神; geïdentificeerd met de eerste van de vijf koningen) de kroonprins van een geleerde, Wani (王仁) genaamd en afkomstig uit het Koreaanse rijk Kudara, onderricht kreeg in de Analecta (Lun-yü 論語) van Confucius.

Tumuli en haniwa (埴輪)

Uit de Yamato-staat, die in de derde eeuw ontstaan was als een confederatie van clanhoofden, was in de loop van meer dan een eeuw van binnenlandse en buitenlandse oorlogen, een vrij machtig rijk gegroeid, bestuurd door een erfelijk en mannelijk vorst, die ōkimi (大君), groot vorst, genoemd werd, in contrast tot andere clanhoofden die als kimi (君), vorst, werden aangeduid. De meest indrukwekkende getuigenis van de macht van deze vorsten zijn de reeds vermelde tumuli, die vooral in de vijfde eeuw een grote bloei kenden. Dit waren kunstmatige heuvels, vierkant aan de ene kant, rond aan de andere, die het graf van een vorst bevatten en door één of meerdere grachten en wallen omringd waren. Rond de grafheuvel werden beelden van aardewerk opgesteld die krijgers, boeren, dieren, huizen, boten of gebruiksvoorwerpen voorstellen (haniwa 埴輪). In het graf zelf treft men, naast allerlei ijzeren gereedschap, vaak een bronzen spiegel, juwelen van jade (magatama 曲玉) en een zwaard van ijzer aan. Dit zijn juist de drie soorten voorwerpen die later de drie heilige voorwerpen van het Japanse keizerschap zullen worden. Zij werden in China aangekocht in ruil voor slaven.

Interpretatie van de mythologie

De Japanse bronnen

De Japanse bronnen die over deze periode handelen dateren uit de achtste eeuw en zijn dus van veel latere datum dan de Chinese en bovendien hoofdzakelijk van mythologische en legendarische aard. Deze mythen en legenden verhalen over het begin van de wereld en de afstamming der goden tot aan de eerste keizer Jinmu (神武), afstammeling van de zonnegodin. Deze verhalen bevatten een kern van waarheid. Zij weerspiegelen het historische feit van een machtige clan in Yamato, geleid door de chef van de stamlijn van de zonnegodin, die haar hegemonie vestigt over het kernland van Japan.

De clan (uji 氏)

De Yamato-hegemonie was op bijzondere wijze gestructureerd. Aan het hoofd stond de leider van de stamlijn die rechtstreeks van de zonnegodin afstamde. Om hem heen was een groep van families geschaard die nauw met elkaar verwant waren en als geheel de clan (uji) van de zonnegodin vormden. De heersende clan werd gesteund door een grote groep van dienende clans. Deze clans vormden de bovenlaag van de maatschappij. Zij hingen af van een substratum van gemeenschappen van gewone werkers (be 部) die gegroepeerd waren volgens buurt of beroep. De derde sociale groep waren de slaven (yakko 奴), gehecht aan de huishoudens van de uji.

Religie

De religie speelde een belangrijke rol omdat ze de maatschappelijke structuur wettigde in bovennatuurlijke termen. De leider van de stamlijn van de zonnegodin bood, dankzij de werkzaamheid van deze laatste, het hele land bescherming, terwijl de leiders van de vazal-clans door hun meer gelokaliseerde clan-goden, plaatselijke bescherming boden en zodoende hun recht lieten gelden op plaatselijke heerschappij. Dat recht was ingebed in de eredienst aan die respectieve goden. Regering en eredienst waren één, en er was maar één woord (matsurigoto 政) voor beide begrippen.

De sociale structuur, de politieke organisatie en de godsdienst van de vroege Yamato-staat (tweede tot vijfde eeuw) zijn typisch voor het Japanse volk en op het continent waren geen vergelijkbare praktijken aanwezig. Deze structuur vormde de matrijs voor alle latere vormen van maatschappelijke organisatie, ondanks de sterker wordende Chinese invloed vanaf de zesde eeuw.

De Yamato-staat en de stijgende Chinese invloed

De Yamato-hiërarchie in gevaar

Interne spanningen tussen de leidende clans

Hoewel de Japanners in 562 uit Mimana verdreven werden, hielden de intense contacten met het continent aan. Binnenlands beginnen nieuwe clans aan invloed te winnen of verwerven in afgelegen gebieden een grote mate van autonomie. Hierdoor komen ze in botsing met de Yamato-clan die er juist naar streefde de federatie van clans om te buigen tot een meer gecentraliseerde staatsstructuur. De clanleider eiste meer abstracte en absolute prerogatieven voor zich op en een nieuw systeem van titels en rangen werd uitgewerkt. Bovendien vergrootte de heersende clan haar economische macht door annexatie van nieuwe be.

Het boeddhisme en zijn politieke implicaties

Het groeiende antagonisme leidde tot een eerste confrontatie naar aanleiding van de officiële introductie van het boeddhisme in Japan (in 538 na Christus). De strijd werd geformuleerd in termen van superioriteit van de Boeddha over de autochtone shintō (神道)-goden, de kami, maar dit was de façade waarachter de Soga (蘇我), een vrij recente zijtak van de Yamato-clan, de traditionele elite van de macht poogde te verdringen. De strijd werd beslecht in 587 ten voordele van de Soga-clan, die nu de touwtjes in handen nam. Hij zette een vrouwelijke heerser op de troon, Suiko (推古), en benoemde Shōtoku Taishi (聖徳太子) tot regent.

China als institutioneel voorbeeld

Shōtoku Taishi

Hoewel gehuwd met een Soga-dame, stelde Shōtoku Taishi (574-622) alles in het werk om de belangen van de heersende clan te vrijwaren. Daartoe poogde hij de Yamato-staatsstructuur om te bouwen tot een gecentraliseerde bureaucratie in dienst van een soevereine heerser naar het model van de Chinese dynastieën Sui (隋 589-618) en de Tang (唐 618-907).

In 603 kondigde hij een nieuw systeem van hofrangen af en in 604 vaardigde hij een code van 17 artikelen (Jūshichijō no Kenpō, 十七条憲法) uit, waarin hij een nieuwe politieke ethiek formuleerde op basis van het Chinese confucianisme. Het boeddhisme werd sterk bevorderd als een kracht die kon bijdragen tot de consolidatie van de eenheid van de staat.

Staatsgreep

Shōtoku Taishi's werk werd verdergezet door een factie van clans onder leiding van Naka no Ōe (中大兄). In 645 plegen ze een staatsgreep en kondigen ze het Edict van de Grote Hervorming (Taika no Kaishin 大化の改新) af. Dit moest het land organiseren op Chinese leest met aan het hoofd de soevereine keizer. Het duurde evenwel tot de regering van keizer Tenmu (天武, regeerde van 672 tot 686) voor dit programma in de praktijk gebracht kon worden. Binnen enkele decennia had Japan zijn eerste permanente hoofdstad Heijōkyō (平城京) met een heuse burgerlijke bureaucratie en een geheel van codes en reglementen.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Bureaucratische eenheidsstaat naar Chinees voorbeeld (645-784)

De Taika-hervormingen (645-710)

Staat en maatschappij in Yamato

Politieke organisatie

De ōkimi (大君) van de Yamato-staat is aanvankelijk slechts een primus inter pares onder enkele andere clanhoofden (kimi 君). Met de machtigsten onder hen deelt hij zijn macht. Op een niveau lager in de oligarchische machtsstructuur vindt men dan de minder machtige clanhoofden, die op erfelijke basis één of andere specifieke sector van de uitvoerende macht en de daarmee gepaard gaande rang aan het hof toegewezen krijgen. Zo staan de clans van de ōtomo (大伴) en de Mononobe (物部) in voor het leger, de Nakatomi (中臣) en de Inbe (忌部) voor het Shintō-ritueel en de Soga voor financiële aangelegenheden. Naarmate de staatszaken gecompliceerder worden en de staat zijn macht weet uit te breiden, winnen deze clans met specifieke uitvoerende taken meer en meer aan macht: zij beginnen de machtige clans die tradioneel de macht met de ōkimi delen, geleidelijk in de schaduw te stellen.

Vanaf de vijfde eeuw begint de ōkimi ook meer absolute prerogatieven voor zichzelf op te eisen. Hij noemt zichzelf nu sumeramikoto (天皇) en begint de andere clanhoofden (kimi) als zijn ambtenaren te beschouwen. Hij kent hen eretitels of rangen (kabane 姓) toe. De hoogste rangen (atai 直, sukune 宿禰, mahito 真人 en ason 朝臣) zijn voorbehouden voor de clanhoofden die direct verwant waren met de clan van de ōkimi. Omi (臣) duidde ver verwante clanhoofden aan, terwijl muraji (連) de hoogste rang onder de niet-verwante vazalclans was. Deze clanhoofden waren vertegenwoordigd in een soort staatsraad en later werden er zelfs een soort staatsministers (ōomi 大臣 en ōmuraji 大連) aangesteld.

De groeiende macht van de ōkimi uit zich ook in zijn grotere greep op de provinciën. Het land wordt onderverdeeld in provinciën (kuni 国), die min of meer samenvallen met het machtsgebied van de plaatselijke clan, en de clanhoofden krijgen de titel van kuni no miyatsuko (国の造; dienaar van het hof in de provincie), alsof zij door het hof aangestelde ambtenaren zijn.

Zo worden zowel de aan het hof verbonden clans als de in de provinciën gevestigde clans geïntegreerd in een systeem van kabane, terwijl zij uiteraard verder nog hun karakter van uji, d.i. van historisch gegroeide sociaal-economische eenheid bewaren. Dit is een overgangsfase. Geleidelijk zal het uji-karakter afzwakken en het karakter van door het hof toegekende rang (dus: het aristocratische karakter) toenemen, tot dit in de Taika-hervormingen zijn institutioneel beslag krijgt. Daarom spreekt men in dit verband van het clan-rang-systeem (shisei seido 氏姓制度).

Politieke structuur vóór de Taika
Centraal gezag ōkimi 大君 + clan van de ōkimi
atai 直 mahito 真人 sukune 宿禰 ason 朝臣
ōomi 大臣 ōmuraji 大連
omi 臣 muraji 連
Regionaal kuni no miyatsuko 国の造

Sociaal-economische structuur

De economische onderbouw van het hof van de ōkimi had haar zwaartepunt in de zogenaamde "graanschuren" (miyake 屯倉). Hierin werd nl. het graan opgeslagen dat geoogst werd op de hofdomeinen (mita 屯田). Deze werden bewerkt door de boeren die erop woonden. Zij werden georganiseerd in een zgn. gilde (be 部), die horig was aan de clan van de ōkimi. Het hof verstrekte hen de nodige landbouwwerktuigen en zaaigranen. Maar ook de clanleden (ujibito 氏人) van andere clans, dus niet-horigen of vrijen (heimin 平民) werden soms onder dwang op de hofdomeinen tewerkgesteld.


Economische structuur vóór de Taika
Hof aristocratische clans uji 氏
mita (miyake) 屯田、屯倉 ambachten clan-domeinen tadokoro 田
tabe 田部 be 部 nashiro, koshiro 名代、子代 clan - be 氏部
slaven slaven slaven slaven


Sociale structuur vóór de Taika
Centrum heersersclan ōkimi
aristocratische clans omi, muraji 臣、連
regio's lokale landadel tomo no miyatsuko 伴造
gilde (be, 部) bemin 部民
huisslaven nuhi 奴婢


Een maatschappij van horigen en slaven

Het gildensysteem heeft veel weg van een slavenmaatschappij.

1) De boeren die in de landbouwgilden (tabe 田部) gegroepeerd waren, werden gerecruteerd uit kleinere plaatselijke clans, werden in hutten op de hofdomeinen ondergebracht en kregen voeding en werktuigen van het hof. Dit statuut is zeer goed te vergelijken met dat van de slaven.

2) De ambachtelijke gilden produceerden met grondstoffen en gereedschap die bezit waren van het hof, en dienden al hun producten aan datzelfde hof af te staan. Zij kregen akkerland van het hof om in hun eigen levensonderhoud te voorzien en konden een eigen gezin stichten. Hun statuut is bijgevolg eerder te vergelijken met de horige.

3) De nashiro en koshiro bestonden uit kleinere lokale clans, die als clan gedwongen werden op de privé-domeinen van de clan van de ōkimi te werken. Deze clans hadden van oudsher hun eigen akkers bewerkt met eigen werktuigen maar kwamen nu als sociale groep in hun geheel in een horige relatie te staan met hun heer, de clan van de ōkimi.

Tijdens de vijfde en zesde eeuw bestond ongeveer 30% van de totale bevolking uit gildeleden, dus horigen of half-slaven, terwijl de huisslaven (nuhi 奴婢), die persoonlijk bezit waren van een clanhoofd nog eens 10% uitmaakten. De overige 60% waren dus zogenaamde clan-leden (ujibito), die gewoonlijk als vrijen (jiyūmin 自由民) omschreven worden. Hun vrijheid was echter zeer gering. Zij werden uitgebuit door het clanhoofd (uji no kami) die tot de hoge clan-aristocratie behoorde of door de provinciale "gouverneur" (kuni no miyatsuko), die hen kon opvorderen als koshiro, nashiro of tabe.

De ambachtelijke producten die vervaardigd werden door de gilden dienden alle aan het hof afgestaan te worden en konden niet vrij verhandeld worden. De werkverdeling tussen de repectievelijke ambachten was niet het gevolg van spontane specialisering maar werd door het hof opgelegd.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Dictatuur van de Soga-clan

Invloed in Korea

De buitenlandse macht en invloed van Yamato waren niet gering. Het had niet alleen zijn machtsbasis in Zuid-Korea, maar het speelde bovendien een actieve rol in de strijd tussen de drie Koreaanse rijken. Kudara (Paekche) was Yamato's traditionele bondgenoot, wellicht omdat het door zijn eigen ligging Japans zeeroute naar China controleerde. Het was echter ook hier dat de grenzen van Yamato's macht vlug duidelijk werden. Toen Kudara's hoofdstad in 475 door Koguryŏ bezet werd, moest Yamato machteloos toezien. Silla zag de zwakte van Japan en viel Mimana binnen, alwaar ook de plaatselijke landadel tekenen van verzet begon te tonen. In 512 zag Yamato zich verplicht op Kudara's eisen in te gaan en vier prefecturen (ken 県) af te staan aan Kudara in ruil voor het gebied dat dit rijk aan Koguryŏ verloren had. In de loop van de zesde eeuw zond Yamato nog verscheidene expedities naar Korea, om zijn vroegere militaire macht te herstellen, doch geeneen werd met succes bekroond. In 562 ging de Japanse basis op het schiereiland definitief verloren.


Opstand van Iwai 磐井: 527-528.

Het verlies van Mimana had zware gevolgen op het binnenlandse vlak. Vooreerst was er het verlies van de Koreaanse werk- en ambachtslieden met hun verder gevorderde technische kennis en vaardigheid, die in belangrijke mate de macht van het Yamato-hof en de heersende clan-aristocratie hadden onderstut. Het hof zelf was verscheurd tussen de factie van de haviken en die van de duiven. Het voorstel om vier prefecturen af te staan aan Kudara was afkomstig van de staatsminister ōtomo no Kanamura 大伴金村 (ōtomo no ōmuraji 大伴大連), een duif. De leider van de haviken was staatsminister Mononobe no Arakabi 物部麁鹿火 (Mononobe no ōmuraji 物部大連), die ōtomo aan de dijk liet zetten en in 527 een Koreaanse expeditie van 60.000 man op de been bracht, gericht tegen het machtige Silla. Dergelijke grootscheepse militaire inspanning kwam uiteraard op de schouders van de plaatselijke landadel en het gewone volk terecht. Voor de gouverneur van Tsukushi 筑紫, Iwai, werd dit echter teveel. Met de steun van de landadel en het volk van Noord-Kyūshū sneed hij de doortocht van het expeditieleger af. Mononobe no Arakabi zag zich verplicht zelf uit te rukken om de rebellen te onderdrukken.


Ontbinding van de shisei-structuur

Onderdrukking van de opstand versterkte de controle van het hof over de plaatselijke clans. Dit kreeg concrete gestalte in de oprichting van vele nieuwe hofdomeinen (mita) in Kyūshū, Sanyō 山陽, Kinki 近畿 en Tōkai 東海. Hoe uitgebreider de staatsgronden werden, hoe belangrijker de financiële instellingen die de inkomsten ervan beheerden. Daarvoor stond de Soga-clan in, die haar machtsbasis vooral had onder de immigranten (klerken, ambtenaren en ambachtslieden). Met hun steun streefde de Soga-clan naar een bureaucratische staatsstructuur ter vervanging van het shisei-systeem. Dit bracht haar in botsing met de vanouds gevestigde clans van de Mononobe (erfelijke generaals) en Nakatomi (specialisten in Shintō-rituelen).

Vanaf het einde van de vijfde eeuw begon de traditionele clanmaatschappij, vooral in de meest ontwikkelde streek, die van Kinai, tekenen van ontbinding te vertonen. Kleinere eenheden, families geleid door een pater familias begonnen zich af te tekenen. Door de ontbinding van de clan, de fundamentele eenheid in de traditionele maatschappijstructuur, zagen de machthebbers zich genoopt een formule te vinden, die toeliet rechtstreeks de families, meer zelfs, de individuen, onder staatscontrole te brengen. Zij waren m.a.w. geconfronteerd met het probleem van het bestuur van een eenheidsstaat in wording die reeds behoorlijk geïntegreerd was, een toestand die vergelijkbaar was met China, hoewel dit laatste land uiteraard een veel grotere en complexere maatschappij had. De traditionele Japanse staatsstructuur, gebaseerd op de sociale eenheid van de clan en gerechtvaardigd door het Shintoïsme, was duidelijk niet meer aangepast aan deze nieuwe eisen. Daarvoor was hij te particularistisch, te veel doordrongen van de geest van de plaatselijke gemeenschap die samengehouden werd door de eredienst aan een plaatselijke Shintō-godheid (kami 神). De Japanse maatschappij had nu behoefte aan een meer universalistische staatsideologie en godsdienst voor de spirituele onderschraging ervan. Die kon zij vinden in China. Dit land had namelijk een sterk uitgewerkte staatstheorie, gebaseerd op drie principes:

1) Dat van de absolute heerser, wiens gezag ethisch wordt verantwoord door het concept van het Hemels Mandaat.

2) Dat van de regering van de keizer door middel van een corps van dienaren of "ministers", die als ambtenaar door de keizer zijn aangesteld.

3) Dat van het bestuur van het hele keizerrijk door middel van onpartijdige en algemeen geldende wetten en voorschriften.

De universalistische godsdienst die in China te vinden was, was het Boeddhisme, dat vooral in de Noordelijke "barbaarse" rijken van de vijfde en de zesde eeuw, een grote bloei kende en daar de functie vervulde van staatsgodsdienst en maatschappelijk cement dat de diverse bevolkingsgroepen samenhoudt.


Staatsgreep van de Soga-clan

Het zal niet verwonderen dat de botsing tussen de progressieve Soga-clan en de conservatieven draaide rond één van deze twee ideologieën, met name rond het Boeddhisme. Het kwam tot een krachtmeting toen aan het hof een debat ontstond over de vraag of de boeddhabeelden die het van het rijk Kudara had gekregen, officieel vereerd moesten worden of niet. Dit kwam neer op de al of niet officiële erkenning van het Boeddhisme. De Mononobe voerden aan dat de toen heersende hongersnoden en epidemieën te wijten waren aan de verering van de "vreemde godheid" (d.i. Boeddha), hetgeen de woede en de wraakzucht van de Shintō-godheden had gewekt. De Soga betoogden dat de Boeddha juist machtiger was dan de Shintō-goden en in staat was het maatschappelijke onheil te verdrijven. Uiteindelijk haalden de progressieve krachten het. In 585 besteeg een keizerlijke prins die langs moederszijde aan de Soga verwant was, de troon als keizer Yōmei 用明 (585-587).

In 587 slaagde Soga no Umako 蘇我馬子 (?-626) erin de Mononobe-clan te vernietigen, en een neef op de troon te zetten, als keizer Sushun 崇峻 (587-592). Umako regeerde met dictatoriale hand en toen Sushun zich verzette, werd hij door een handlanger van Umako vermoord. Op de troon plaatste hij nu een prinses, Suiko 推古 (593-628), terwijl haar neef Umayado no Toyotomimi no miko 厩戸豊聡耳皇子, beter bekend als Shōtoku Taishi 聖徳太子 (574-622), in 593 werd aangesteld als regent.

Shōtoku Taishi

Gedurende de volgende drie decennia regeerden Umako en Shōtoku Taishi met absolute macht. Zij vermeerderden niet alleen de hofdomeinen, vooral in oostelijk Japan, maar zorgden ook voor de uitbreiding van hun eigen privé-domeinen (tadokoro). In beide gevallen stelden zij ta no tsukasa (田の司), d.i. plaatselijke beheerders aan. In het kerngebied van Kinki (of: Kinai) kregen de reeds eerder vermelde kuni no miyatsuko geleidelijk het karakter van uitvoerende, door het hof aangestelde ambtenaren. Ook de structuur van het hof zelf werd gereorganiseerd en volgens meer bureaucratische lijnen uitgebouwd rond de financiële instellingen. De gildehoofden (tomo no miyatsuko) kregen het karakter van administratieve directeurs en de gilden dat van beambten.

Umako en Shōtoko Taishi inspireerden zich voor de reorganisatie van de staatsstructuur op het pas herenigde China, dat van de Sui en de Tang. De Sui-dynastie was er net in geslaagd het hele Chinese territorium na bijna vier eeuwen versplintering te herenigen en een regeringsapparaat uit te bouwen dat uitmuntte door zijn symmetrie en rationaliteit. Een centrale uitvoerende macht uitgebouwd in drie ministeries, plaatselijke besturen afhankelijk van de centrale macht en een ver doorgedreven hoofdelijke belasting waren er de meest opvallende kenmerken van. In dat nieuwe en machtige Chinese eenheidsrijk kende het Boeddhisme een enorme opgang en doordrong in grote mate de Chinese maatschappelijke ideologie.

Voor de leiders van de jonge Japanse eenheidsstaat werd China het lichtende voorbeeld.

Zij bevorderden het Chinese concept van de vorst als keizer met een ethische zending en een bovennatuurlijk mandaat, die regeert via een executief ambtenarenapparaat.

In 603 kondigde Shōtoku Taishi een systeem van 12 hofrangen af, en in 604 de fameuze grondwet in 17 artikelen, gebaseerd op confucianistische beginselen. Nomenclatuur en terminologie in verband met de staats- en maatschappijstructuur werden op Chinese leest geschoeid. En, last but not least, het Boeddhisme werd bevorderd tot quasi-staatsgodsdienst.

De boeddhistische leer leek geknipt om de particularistische mentaliteit van de uji te overstijgen en te fungeren als eenheidsideologie van de aristocratie, en bovendien het gezag van het hof tegenover de regionale clans en het volk te verhogen. Shōtoku Taishi ontvouwde een grootscheeps programma van tempelbouw. Uit Korea ontbood hij talrijke monniken en diverse specialisten in religieuze schilderkunst, beeldhouwkunst en tempelbouw om schitterende tempels op te richten, zoals de Shitennōji 四天王寺, Hōkōji 法興寺, Hōryūji 法隆寺, enz. Door hun architectonische complexiteit, artistieke verfijning en technische volmaaktheid moeten deze bouwwerken in het Japanse cultuurlandschap de aanblik geboden hebben van een Boeddha's paradijs op aarde. De spectaculaire opgang van het Boeddhisme riep een grote artistieke en scholastieke activiteit in het leven.

De regent zelf kreeg van een Koreaans monnik onderricht in de boedhistische geschriften, o.m. die van de Sanron-school (de School der drie stellingen), en gaf later zelf uiteenzettingen over Boeddha's leer aan de keizer. Het dient beklemtoond te worden dat het Boeddhisme dat hier werd gevestigd aristocratisch van inslag was, en dat de tempels staatstempels (kanji 官寺) waren, waartoe het gewone volk zelfs de toegang ontzegd was. Een en ander betekende echter niet dat de eredienst aan de Shintō-goden werd afgeschaft, integendeel. De kami waren immers de voorvaderen van de keizerlijke en aristocratische clans. In deze periode probeerde Japan ook op voet van gelijkheid met China officiële contacten te leggen. De bedoeling ervan was dubbel: 1) via China Silla dwingen om Mimana niet langer bezet te houden. 2) de studie van de Chinese cultuur en staatsbestel te bevorderen. In 607 stuurde Shōtoku Taishi een ambassade naar het Chinese keizerrijk dat net door de Sui-dynastie onder één gezag gebracht was. De leider van het Japanse gezantschap luisterde naar de naam Ono no Imoko 小野妹子. De officiële brief die de gezant bij zich had, begon met de beroemd geworden zin: "De keizer (tenshi 天子) van het land van de opgaande zon schrijft een brief aan de keizer van het land van de ondergaande zon". Volgens de Chinese dynastieke kronieken nam de Chinese keizer aanstoot aan de toon van de brief: alsof de Japanse vorst zich tot een gelijke richtte. Dit belette echter niet dat het jaar erop de Sui-keizer een ambassadeur onder begeleiding van Imoko op tegenbezoek naar Japan stuurde. Bij diens terugkeer naar China werd hij vergezeld door Imoko die andermaal een officiële brief bij zich had. Ditmaal begon hij met de woorden: "de hemelse soeverein(sumera mikoto) van het Oosten groet de doorluchtige keizer van het Westen". Dit is de eerste keer dat de Japanse ōkimi (groot vorst) "hemels soeverein" genoemd wordt. Van die tijd af komt deze benaming meer en meer in voege.

Bij zijn twee overtochten naar China was de Japanse ambassadeur telkens vergezeld van talrijke studenten en monniken die er hun kennis wilden vergroten. Onder hen bevonden zich ook figuren die later een belangrijke rol in de Taika-hervormingen zouden spelen. Het directe politieke doel van de gezantschappen, om door China op voet van gelijkheid behandeld te worden en zo Japans gezag ten opzichte van Silla te vermeerderen, mislukte. Het Sui-hof behandelde Japan namelijk als schatplichtige vazalstaat, zoals het dat trouwens deed met alle naburige staten.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

De Taika-hervorming

Crisistoestand

De politiek van Shōtoku Taishi en Umako had veel van een prestige-politiek, m.a.w. een "imperiale" politiek, zoals geïllustreerd wordt door de bouw van tempels, het ondernemen van militaire campagnes en het sturen van ambassades. Dit putte het volk en de reserves van de staat uit en verscherpte de sociaal-politieke tegenstellingen die aan de basis hadden gelegen van de factiestrijd over de kwestie van de adoptie van het Boeddhisme. Naar het einde van zijn leven toe trok Shōtoku Taishi zich meer en meer uit het politieke leven terug om zich te verdiepen in het Boeddhisme. De aan hem toegeschreven uitspraak: "De wereld is vals, alleen de Boeddha is echt" vat in een notedop zijn wereldvreemde houding samen.

Na de dood van de regent in 622 en van Umako in 626 werd de situatie kritiek, toen door langdurige regenval de oogst mislukte en hongersnood uitbrak. Dood en chaos heersten alom. In de algemene verwarring klampten de mensen zich vast aan een charlatan die in 644 onder het volk opstond. Hij beweerde dat door eer te brengen aan het "insect van het eeuwige leven" (tokoyo no mushi 常世の虫) rijkdom en uiteraard, lang leven verzekerd zouden worden. De eredienst nam extatische vormen aan met drinken en dansen.

De maatschappelijke ontreddering weerspiegelde zich in een verscherpt factionalisme aan het hof. Rond figuren als Naka no ōe (中大兄) en Nakatomi no Kamako 中臣鎌子 (614-669) kristalliseerde zich de oppositie tegen de dictatoriaal regerende Soga-clan. Het bleef echter niet beperkt tot een strijd aan het hof. De verscherpte tegenstellingen waren inherent aan de tot dan geldende maatschappelijke structuur.

Het hele systeem van de gilden, die horig waren aan de keizer, de keizerlijke familie en de aristocratie, moest veranderd worden, want de onderlinge strijd om steeds meer bemin (部民) en steeds meer gronden te verwerven, nam overhand toe. China, onlangs herenigd door de Sui en tot een sterke eenheidsstaat uitgebouwd door de Tang, bood een alternatief. De Tang was een rechtsstaat, met een bureaucratische regeringsstructuur en een éénvormig belastingsstelsel, geregeerd door een absoluut monarch.


Staatsgreep van Taika

In 645 pleegde prins Naka no ōe een staatsgreep. Hij schakelde de leiders van de Soga-clan uit. De vrouwelijke keizer Kōgyoku 皇極 (642-645), moeder van Naka no ōe, deed troonsafstand ten gunste van keizer Kōtoku 孝徳 (645-654). Naka no ōe riep zichzelf uit tot kroonprins en Nakatomi werd eerste minister. Met hun tweeën monopoliseerden ze alle macht. In navolging van het Chinese keizerrijk kondigden zij voor het eerst in de Japanse geschiedenis een jaarperiode (nengō, 年号) af en noemden ze Taika (grote hervorming). Dit is één van de vele symbolische instellingen die in de Chinese traditie het keizerschap schragen. De staatsgreep was inderdaad een bewuste poging om de ōkimi van Japan te herdefiniëren in het licht van de Chinese ideologie van de absolute monarchie. Vanaf dit ogenblik zullen we de heerser van Japan dan ook als keizer aanduiden.

De term Taika was overigens zeer toepasselijk, want er werden een aantal hervormingen doorgevoerd die de Japanse staat een “Chinese aanblik” moesten geven.

1) Vooreerst werden de privé-domeinen van de keizerlijke en aristocratische clans en het systeem van de gilden afgeschaft, met uitzondering van de ambachtelijke gilden die voor het hof werkten. Alle land werd nu staatsbezit (kōchi, 公地) en het hele volk werd staatsonderdaan (kōmin, 公民), d.w.z. bezit van de keizer als belichaming van de staat.

2) Ten tweede werd het hele rijk ingedeeld in administratieve eenheden, provinciën of kuni genaamd, die dan weer verder onderverdeeld werden in commanderieën (gun, 郡) en dorpen (ri, 里).

3) Ten derde werd een uniform belastingstelsel ingevoerd, met verschillende vormen van persoonsbelasting en landbelasting. Er werden bevolkingsregisters aangelegd om een effectieve inning te verzekeren.

Door de hervormingen verloor de heersende klasse haar gronden en horigen, maar niet haar macht als klasse. Niettemin creëerden zij onstabiliteit en onzekerheid die een sterke oppositie in het leven riepen en zelfs tot een opstand aanleiding gaven. De pas gedefinieerde macht van de keizer werd dus niet zonder meer aanvaard. Om zijn gezag te verhogen besloot het hof de Japanse macht in het Koreaanse schiereiland te herstellen. Daar was Japans bondgenoot Kudara te gronde gericht door Silla en haar bondgenoot China. Een machtig leger werd over de plas gestuurd om Kudara te herstellen. Het kwam tot een zeeslag bij Hakusukinoe (白村江の戦い), waarbij de legers van Japan en Kudara verpletterd werden, en Kudara definitief als staat verdween.

Nu het keizerlijk hof van een kale reis was teruggekomen, legde het zich vooral toe op de interne versterking van zijn gezag en prestige. Onder keizer Tenji 天智 (661-671), de vroegere Naka no ōe, werd Japans eerste geschreven wet afgekondigd. Hij was geïnspireerd op de Chinese Code van Zhenguan 貞観 (627-649) en in hoofdzaak opgesteld door Nakatomi. Omdat zij werd afgekondigd vanuit het paleis van ōmi, staat zij bekend als de ōmi-code (ōmi ryō, 近江令). De inhoud ervan is niet overgeleverd.

Toen keizer Tenji stierf (671) ontstond een strijd om de troon. Keizer Kōbun 弘文 (671-672) was hem opgevolgd, maar dat was niet naar de zin van prins Ōama 大海人 (?-686), Tenji's jongere broer. Deze kwam in opstand (opstand van Jinshin 壬申の乱) en versloeg Kōbun, die zelfmoord pleegde. Ōama besteeg de troon als keizer Tenmu 天武 (672-686). Tenmu regeerde met krachtige hand. Hij stelde geen enkele minister aan en regelde alle staatszaken zelf. Zo verhoogde hij het gezag van de keizer op spectaculaire wijze. Hij mag beschouwd worden als de consolidator van de Taika-hervormingen. Onder zijn bewind werd Japan effectief een eenheidsstaat. In 689 vaardigde zijn weduwe en opvolger keizerin Jitō 持統 (686-697) een herziening uit van de ōmi-code. Deze herziening, bekend als de Asuka Kiyomihara-code (飛鳥浄御原律令), lag aan de basis van de Code en de Statuten van Taihō (Taihō ritsuryō; 大宝律令), uitgevaardigd in 702 en van ontzettend grote historische betekenis. Zij vormden het wettelijke kader voor de staatsstructuur tijdens de Nara-periode.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Nara-periode (710-784)

Organisatie van de bureaucratische eenheidsstaat

De staatsstructuur volgens de Taihō Code (Taihō ritsuryō)

Door de Taika-hervormingen werd de uji-elite niet van de kaart geveegd, integendeel. Zij werd omgevormd tot een burgerlijke bureaucratie. Zij ontleende haar macht nu niet langer aan haar militaire sterkte en haar traditionele meesterschap over een plaatselijke gemeenschap, maar aan de centrale staat, die door de keizer gepersonifieerd werd. Hij was de nakomeling van de goden die de wereld geschapen hadden en werd zelf gezien als een mens-geworden godheid (akitsumikami 現つ御神). Het hele volk en het hele land waren zijn bezit en zijn macht stond boven de wetten (ritsuryō), die gemodelleerd waren op die van de Chinese Tang-dynastie. Dat de keizer de belichaming zelve van de staat was komt o.m. tot uiting in het feit dat men toen "mikado" (keizer) schreef met de Chinese karakters voor staat (kokka 国家). De praktische uitoefening van het gezag gebeurde door een door de keizer aangesteld apparaat van ambtenaren, die binnen het kader van de wetten en instellingen een welomschreven bevoegdheid kregen.

De centrale regering was opgesplitst in twee grote delen: enerzijds de Raad voor Godsdienstzaken (Jingikan 神祇官), die voor de eredienst aan de Shintō-goden en het beheer van de Shintō-heiligdommen instond, en anderzijds de Grote Staatsraad (Dajōkan 太政官), verantwoordelijk voor de civiele administratie van de staat, en geleid door een Eerste Minister (Dajōdaijin 太政大臣), één minister van links, Sadaijin 左大臣 genaamd, en één van rechts, Udaijin 右大臣. De ministers hadden toezicht over acht ministeries (shō 省).

Buiten de hoofdstad werd het hele rijksgebied ingedeeld in meer dan 60 provinciën (kuni). De provinciale ambtenaren (kokushi, 国司) werden door de centrale regering voor een termijn van vier jaar benoemd. Zij waren voor alle zaken van administratieve, juridische, militaire en politionele aard bevoegd. De vijf provinciën rond het hoofdstedelijke gebied werden Kinai 畿内 of ook nog Kinki 近畿 genoemd en waren aan een speciaal regime onderworpen. De provincie was verder onderverdeeld in commanderieën (gun of kōri, 郡), bestuurd door commanderie-ambtenaren, gunji 郡司, waar de hoogste de tairyō 大領 en diens adjunct de shōryō 少領 was. Zij werden gewoonlijk uit de klasse van de kuni no miyatsuko (国の造) gerekruteerd, omdat de grenzen van de gun min of meer met de provinciën van vóór de Taika-hervormingen samenvielen. Een dorp (ri 里, later gō, 郷, genoemd) telde 50 gezinnen en het hoofd van het voornaamste gezin werd aangesteld als dorpshoofd, met verantwoordelijkheid voor de belastingen, de politie en de bevolkingsregistratie.

Akitsumikami 現つ御神 (keizer)
Centrale staat Dajōdaijin 太政大臣 (kanselier, eerste minister) Jingikan 神祇官 (ambtenaren voor de godsdienst)
Dajōkan 太政官 (civiele ambtenaren)
Sadaijin 左大 (minister van links Udaijin 右大臣 (minister van rechts)
Acht ministeries (shō 省)
Provincie (kuni 国) Kami 守 (provinciegouverneur)
Kokushi (provinciale ambtenaren, 国司)
Commanderie (gun 郡) Tairyō (shōryō) 大領 (少領)(hoofd van de commanderie)
Gunji – Commanderie-ambtenaren(郡司)
Dorp (ri 里, gō 郷) Dorpshoofd


De staatsmacht werd geschraagd door een militair apparaat dat op conscriptie gebaseerd was. Iedere vrije man (kōmin) tussen 21 en 60 jaar (seitei 正丁, ook: shōtei) was dienstplichtig. Volgens een aflossingssysteem was steeds één derde (later één vierde) van de dienstplichtigen onder de wapenen, hetzij

1) in het provinciale leger, dat onder de bevoegdheid van de provinciegouverneur ressorteerde, en dat verder onderverdeeld was in detachementen, gundan 軍団, bevolen door officieren die uit de gunji-klasse kwamen. 2) in de hoofdstedelijke wacht, die rechtstreeks van de centrale regering afhing. 3) in de grenswacht (sakimori 防人) van Dazaifu (大宰府) in Noord-Kyūshū.

Aangezien Japans militaire rol in Korea nu uitgespeeld was, hadden de legers als voornaamste functie het handhaven van interne orde en gezag. De grenswacht van Dazaifu vormde daar geen uitzondering op. Hij diende voor de onderdrukking van eventuele dissidenten in Kyūshū. Dit blijkt o.m. uit het feit dat de grenswachten gerekruteerd werden uit Oost-Japan, het gebied dat het verst van Kyūshū verwijderd was, zodat men er zeker kon van zijn dat de grenswachten geen banden met de lokale bevolking of haar leiders hadden. De eenheidsstaat was duidelijk nog een eenheidsstaat in wording, en er waren nog gebieden die aan de controle van het centrale gezag ontsnapten of er zich slechts met moeite aan onderwierpen. Japan had nog een "frontier."

De centrale bureaucratie, met aan de top van de piramide de eerste minister werd gemonopoliseerd door de voormalige clan-aristocratie van vóór de Taika, terwijl de gunji onder de voormalige plaatselijke landadel (kuni no miyatsuko) gerekruteerd werden. In overeenstemming met hun ambt kregen ze een rang, die hen recht gaf op land, stipendia in natura (weefsels, landbouwwerktuigen, etc.) en een aantal gezinnen van wie ze belastingen konden innen (fuko 封戸, ook: hōko).

Japan adopteerde nooit het principe van de rekrutering van ambtenaren via een vergelijkend examen. Ambtelijke rangen werden erfelijk en bijgevolg ook de landerijen, stipendia en fuko. In China begon men vanaf de Sui en de Tang-dynastieën in toenemende mate ambtenaren via het examensysteem aan te werven, hoewel het een minderheid bleef. Het was pas veel later, vanaf de Song-dynastie, dat het examen de voornaamste weg naar een carrière in de ambtenarij werd. Door het ontbreken van een examensysteem was er in Japan helemaal geen sociale mobiliteit mogelijk binnen de ambtelijke hiërarchie. Bijgevolg bleef de heersende klasse dezelfde als vóór de Taika-hervormingen. Deze hervormingen brachten dus geen sociale omwenteling, maar gaven aan de macht van de heersende klasse een institutionele en rationele grondslag. Evenmin vond de Chinese notie van het Hemels Mandaat van de keizer ingang in Japan. De Chinese keizer kon ook zijn Hemels Mandaat verliezen en van de troon gestoten worden. De Japanse keizer ontleende zijn legitimiteit aan zijn afstamming van de zonnegodin. Die kon niemand hem afnemen. Dit principe van de afstamming zorgt ervoor dat de keizerlijke clan ononderbroken haar recht op de troon kon en kan handhaven tot in eeuwigheid van dagen.

De eerste permanente hoofdstad

Een uitgebouwd regerings- en ambtenarenapparaat heeft behoefte aan een centrum, een hoofdstad. Tot nog toe had Japan geen permanente hoofdstad. Wanneer een keizer stierf, werd het paleis door de dood bezoedeld en diende het ontruimd te worden. Men ging dus telkens een andere locatie zoeken, met als gevolg dat er nooit een stad omheen het paleis kon groeien. Zonder een permanent centrum is een gecentraliseerde staat onregeerbaar. In 694 werd in Asuka 飛鳥 Fujiwara-kyō 藤原京, een hoofdstad gemodelleerd naar het Chinese Chang-an 長安, in gebruik genomen. Na 14 jaar reeds werd zij verlaten en werd er een nieuwe gebouwd in de streek van Nara 奈良, Heijō-Kyō 平城京 genaamd. Voor het bepalen van de locatie en de inplanting maakte men gebruik van de geomantische techniek van fūsui, in het Westen bekend onder zijn Chinese naam fengshui. Ideale ligging voor een hoofdstad is volgens fengshui een vlakte die in het noorden, oosten en westen door Bergen omgeven is, naar het zuiden openligt en van noord naar zuid door een rivier doorsneden wordt. In 710 werden het hof en de regeringsdiensten er officieel geïnstalleerd. Dit is het officiële begin van de Nara-periode.

De oppervlakte van Heijō-kyō was één vierde van die van Chang-an, maar had voor de rest een gelijkaardig symmetrisch grondplan, te vergelijken met een dambord. In het midden van de noordzijde en naar het zuiden gericht, bevond zich het paleis (daidairi 大内裏), dat dienst deed als keizerlijke residentie en als regeringsgebouw. Het paleis en de andere regeringsgebouwen, zowel als de residenties van de aristocraten waren opgetrokken in Chinese stijl, met roodgeschilderde zuilen, witte muren en met pannen bedekte daken.

De grote tempels van Asuka werden ook geleidelijk ontmanteld en heropgericht in de nieuwe hoofdstad. Van hieruit regeerde de keizer over een gebied dat zich zuidwaarts uitstrekte tot aan Zuid-Kyūshū, en zelfs de eilanden ten zuiden, Iki (壱岐) en Tsushima (対馬), noordwaarts tot aan het huidige Sendai (仙台) en westwaarts tot aan Akita (秋田). Ten noorden daarvan leefden de "barbaren", Emishi of Ezo 蝦夷 genaamd (voorvaderen van de Ainu?). Regelmatig werden expedities georganiseerd die de barbaren steeds verder terugdrongen. Op strategische plaatsen gebouwde palissades (ki/saku 柵) zorgden ervoor dat ze het afgestane gebied niet meer opnieuw zouden heroveren.

Nu het prestige van de staat zo gestegen was, moest hij ook een nieuwe naam krijgen. Tot nog toe had men Japan "Yamato" genoemd, omdat Yamato het kerngebied en machtscentrum van de ōkimi was. Het woord "Yamato" werd met de Chinese karakters 倭 of 大和 voorgesteld. "Yamato" als naam voor de staat was niet langer geschikt, omdat de term een te enge geografische associatie had. Bovendien waren de gebruikelijke Chinese karakters denigrerend voor Japan en stamden uit de tijd dat de Chinese keizers het land als een vazalstaat beschouwden. In de brief gericht aan de Sui-keizer Yang-di had de Japanse vorst Suiko 推古 zichzelf "keizer van het land van de opgaande zon" genoemd, en hieruit groeide dan de keuze van de Chinese karakters 日本, door de Japanners als Nihon of Nippon uitgesproken.

Heijō-kyō mocht dan al een kleinere kopie van Chang-an zijn, het had in tegenstelling tot zijn Chinese model geen stadsmuur. Een stadsmuur had twee functies: verdediging tegen indringers van buitenaf en ruimtelijke begrenzing van de stedelijke ruimte, o.m. om het onderscheid met de omliggende boerendorpen te accentueren. In Japan waren er toen geen vreemde indringers die de hoofdstad konden bedreigen, opstanden kwamen altijd van binnenuit. Ten tweede was er in Heijō-kyō geen gewoon vrij volk. Het was een zuiver administratieve en politieke hoofdstad. Op het hoogtepunt van zijn bloei telde de stad ongeveer 200.000 inwoners, maar deze bevolking bestond uitsluitend uit: a) leden van de keizerlijke familie en de aristocratie, de ambtenaren en monniken, b) de talrijke slaven, ambachtslieden en boeren die in het levensonderhoud van hogergenoemde klassen moesten voorzien, alsook c) de vele soldaten uit de provinciën gerekruteerd die dienstdeden in de hoofdstedelijke wacht.

De hoofdstad telde twee staatsmarkten, waar kleding, ijzeren en andere landbouwwerktuigen, aardewerk, papier, inkt, penselen, bezems, schoeisel en zelfs slaven verhandeld werden. De hier verkochte producten waren afkomstig uit in natura geïnde belastingen of kwamen van de ambachtslieden die voor het keizerlijk hof of de grote tempels werkten. De afnemers waren aristocraten, ambtenaren en monniken. Lokale specialiteiten, tot zelfs de landbouwwerktuigen toe werden opgevorderd als opbrengstbelasting (chō 調) en hetzelfde gold voor goud, zilver en koper. Omdat al de producten werden opgezogen, kon de vrije handel maar moeilijk wortelschieten, ook al liet de regering in navolging van China koper- en zilvergeld aanmunten.

De maatschappelijke organisatie

Het volk werd ingedeeld in twee standen: de onvrijen (senmin 賤民) en de vrijen (ryōmin 良民). Het officiële standenonderscheid dateerde van de Taika-hervorming, maar werd opnieuw bevestigd in de Taihō ritsuryō. Onvrij waren 1) De slaven (nuhi 奴婢: staatsslaven en privé-slaven)

2) de huisdienaren (kenin 家人)

3) de ambachtslieden die werkten voor het hof of de centrale administratie (zakko 雑戸).

Deze laatsten waren die categorie van gilden die de Taika-hervormingen onaangeroerd hadden gelaten. De onvrijen maakten ongeveer tien percent van de totale bevolking uit.

De vrije stand omvatte 1) de vroegere clanleden (ujibito) 2) de horigen (bemin) die voor de Taika-hervormingen in gilden georganiseerd waren en in dienst van de grote clans stonden.

In het ritsuryō-bestel was er geen plaats meer voor de clan-structuur zoals hij voor de Taika-hervormingen bestond. Naar Chinees voorbeeld werden alleen de "gezinnen" of "families" (ko 戸) wettelijk erkend als sociale eenheid en rechtstreeks aan het centrale staatsgezag onderworpen. Aan het hoofd van de familie stond de pater familias (koshu 戸主), die "regeerde" over de familie. Deze omvatte niet alleen het gezin van de pater familias en de gezinnen van zijn mannelijke nakomelingen, maar ook de collaterale verwanten en hun respectieve gezinnen. Dit familieconglomeraat (gōko 郷戸) was opgesplitst in kleinere eenheden (bōko 房戸) die één tot drie gezinnen omvatten. Grotere gōko hadden slaven (nuhi) en huisdienaren (kenin).

Sociale stratificatie volgens de Taihō ritsuryō
1. Keizer
2. Centrale aristocratie.

Centrale administratie en topechelons provinciale administratie

3. Lokale aristocratie.

Lagere echelons provinciale administratie en gunji 郡司

4. Vrije onderdanen Ryōmin 良民

= kōmin 公民

= fiscale basis

5. Onvrije onderdanen (賤民)

Nuhi, kenin en zakko

Landverdeling en belastingen

Om de zes jaar hield de regering een volkstelling. Voor ieder mannelijk lid boven de zes jaar werd 2 tan 反 (1 tan = 993 vierkante meter) land en voor ieder vrouwelijk lid boven de zes jaar werd tweederde van die oppervlakte toegekend aan de gōko voor bebouwing. Het stuk land dat op deze wijze aan ieder individu toegekend werd, heette kubunden (口分田). De onvrijen kregen ook land toebedeeld, maar slechts één derde van wat een vrije onderdaan kreeg. Ze konden het echter niet persoonlijk in bezit nemen, maar het kwam in handen van de pater familias aan wie ze toebehoorden, en diende eigenlijk om in hun levensonderhoud te voorzien.

De kubunden werden slechts toegekend voor de levensduur van het individu en moesten na diens dood teruggegeven worden aan de staat, maar voor de woning en het erf werd wel het erfrecht erkend. Men kon geen kubunden weigeren en op het verzuim het te bebouwen of op het verlaten van zijn land stonden strenge straffen. M.a.w. bebouwing van de kubunden was geen recht maar een plicht. Door de staat werd men dus aan de grond gebonden en in overeenstemming met de oppervlakte die een gōko toebedeeld kreeg, moest ze een reeks belastingen opbrengen: nl. de so (租), yō (庸) en de chō (調), om dan nog van de vroondienst of corvee te zwijgen. So was de belasting in rijst en werd evenredig met de oppervlakte kubunden berekend, zodat men het als een soort landbelasting kan beschouwen. Per tan dienden 22 schoven betaald te worden. Yō was oorspronkelijk een vroondienst van 10 dagen per jaar, te vervullen in de hoofdstad in dienst van het hof, maar voor vrije onderdanen die buiten de Kidai-regio woonden, kon zij door katoen vervangen worden. Chō tenslotte is een vorm van opbrengstbelasting, te innen onder de vorm van zijde, katoen en andere artikels die als plaatselijke specialiteiten golden. Yō en chō zijn gepersonaliseerde belastingen, geïnd per lid van de mannelijke bevolking. Het belang verschilde naargelang het ging om een seitei (21-60 jaar), een jitei 次丁 (61-65 j.), of een chūnan 中男 (17-20 j.).

De eerste vorm van vroondienst was de legerdienst. Men was niet minder dan 40 jaar lang dienstplichtig (van 20 tot 60 jaar). Eens in de drie of vier jaar werd men opgeroepen om 60 dagen effectieve dienst te doen. Voor proviand en wapens diende men zelf te zorgen. In het jaar dat men legerdienst deed, was men wel van andere vormen van corvee vrijgesteld. Men kon ook naar Kyūshū gestuurd worden om er drie jaar als grenswacht dienst te doen, ofwel voor een jaar in de hoofdstedelijke wacht ingelijfd te worden. Een tweede vorm van corvee was de zogenaamde zōyō 雑徭 ("corvee allerhande", ook zatsuyō). De provinciale administratie (kokushi) en het commanderie-bestuur (gunji) konden van een chūnan 15 dagen, een seitei 60 dagen en van een jitei 30 dagen per jaar vroondienst eisen. Hierin bestonden vele misbruiken en de plaatselijke besturen stoorden zich niet al te erg aan de wettelijke limieten qua duur.

Daarnaast bestonden nog andere vormen van corvee, o.m. transport van de geïnde goederen naar de hoofdstad en gedwongen tewerkstelling in constructieprojecten in de hoofdstad of op staatslanderijen tegen een lage vergoeding (koeki 雇役).


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Nara-cultuur

De oudste Japanse geschriften

Het ritsuryō-regime als zodanig is één van de schitterendste uitingen van de oude Japanse cultuur. Het betekent immers dat Japan door studie van het Chinese voorbeeld in staat was het primitieve stadium van een maatschappij gestructureerd volgens echte of fictieve bloedverwantschap te overstijgen en een nieuw maatschappelijk en politiek bestel te creëren op basis van universele en rationele principes. Bovendien impliceerde het tevens dat de provinciale bovenklasse de nodige kennis van schrijven en rekenen had om het systeem van de bevolkingsregisters, de landverdeling en de belastingsinning te laten functioneren.

Eén van de voornaamste bijdragen van de aristocratie in de Nara-periode is de uitvinding van een systeem om het Japans te schrijven met Chinese karakters. Dank zij dit schrift konden zij de 4500 gedichten die de Manyōshū (万葉集; gecompileerd ca. 759) telt, optekenen. Om die reden spreekt men van de Manyōgana (万葉仮名; lett. kana van de Manyōshū). In dit systeem worden bepaalde Chinese karakters gebruikt als fonetische symbolen van Japanse klanken en uit deze groep van karakters is naderhand het zuivere kana-alfabet ontwikkeld. De gedichten opgenomen in de Manyōshū dateren voor het grootste gedeelte van rond de achtste eeuw, maar sommige gaan terug tot vóór de Taika-hervormingen. Opvallend is wel dat men er gedichten heeft in opgenomen uit alle lagen van de bevolking, van keizer tot boer. Dit staat in schril contrast met latere bloemlezingen die meestal slechts gedichten van aristocraten en monniken of nonnen bevatten. De gedichten in de Manyōshū beperken zich qua oorsprong niet tot de Kidai-regio, maar ze werden van over heel Japan verzameld. De belangrijkste thema's zijn de liefde en de natuur, maar ook corvee, landarbeid, visie op de wereld en de maatschappij worden wel eens behandeld. De voornaamste dichter die in de collectie is opgenomen is Kakinomoto no Hitomaro 柿本人麻呂 ( ?-705?).

De Manyōshū is de eerste en ook de enige Japanse bloemlezing van poëtische vruchten van het hele volk, door alle grenzen van klassenonderscheid heen. Dit is een concrete getuigenis van het feit dat de kloof die later aristocratie van het gewone volk scheidde, nog niet zo wijd gaapte. Volgens de geest van de ritsuryō waren alle onderdanen van de keizer onderworpen aan dezelfde uniforme wetten en instellingen. Ook al blijft het zeer de vraag in hoeverre dit ideaal in de praktijk werd omgezet, voor enige tijd werkte het blijkbaar toch een vernauwing van de kloof tussen de respectieve standen in de hand.

In het begin van de achtste eeuw werd de eerste officiële geschiedenis van Japan onder keizerlijke auspiciën samengesteld. Het werk werd tijdens de regering van keizer Tenmu begonnen en in 712 voltooid. Hieda no Are稗田阿礼, een man (volgens sommigen een vrouw) met een fenomenaal geheugen, zou op keizerlijk bevel, allerlei overleveringen gememoriseerd hebben en die naderhand aan de ambtenaar ō no Yasumaro 太安万侶 gedicteerd hebben. Deze laatste compileerde en annoteerde vervolgens wat hij genoteerd had en maakte er een boek in drie rollen (hoofdstukken) van. Het is bekend als de Kojiki 古事記 ("Relaas over de zaken van het verleden") en is in een mengsel van oud Japans en Chinees geschreven. Het geldt niet alleen als Japans oudste bewaard gebleven historische geschrift, maar ook als heilig boek en literair werk. In 720 werd de Nihongi 日本紀, ook wel bekend als de Nihonshoki 日本書紀 ("Historisch relaas van Japan") voltooid, ditmaal in grammaticaal Chinees geschreven (maar in het Japans gelezen). Beide historische werken mengen feit en mythe zonder onderscheid door elkaar en herschikken de overleveringen zodanig dat ze overkomen als een rechtvaardiging van het heersende keizershuis en de door de keizer geregeerde staat. Ook het feit zelf van een officiële geschiedenis te laten schrijven droeg bij tot het prestige en de legitimering van de keizerlijke positie. Ook in China was het laten samenstellen van een officiële geschiedenis één van de opdrachten van de keizer.

Kosmopolitisme.

De Nara-aristocratie was ongemeen leergierig en deed enorme inspanningen om zich de continentale cultuur eigen te maken. Tussen 702 en 777 werden niet minder dan zes officiële gezantschappen naar China gestuurd. De overtocht werd gemaakt met een konvooi van meestal vier schepen, waarop ongeveer 400 à 500 man meevoeren. Het merendeel van de opvarenden waren studenten en monniken. De overtocht was uitermate gevaarlijk en veel schepen verdwenen met man en muis in de golven. Het risico woog echter niet op tegen de vruchten die men op het vasteland kon plukken: wetenschap, techniek, kunsten en muziek, het Boeddhisme, haar architectuur, beeldhouwkunst en schilderkunst, de klederdracht, gebruiksvoorwerpen en levensstijl. De Tang-cultuur was erg kosmopolitisch en China onderhield in die tijd culturele contacten met de Indische en Islamitische wereld. Voor Japan betekende leren van China dan ook kennismaken met de wereldcultuur. Niet alleen Chinese monniken zoals Ganjin鑑真 (688-763) kwamen naar Japan, maar ook Indiërs en Perzen deden het afgelegen eilandenrijk aan.

Toch kan men niet zeggen dat de Nara-aristocratie zich werkelijk de Chinese geleerdheid en literatuur eigen wist te maken. Dat bewijst bijvoorbeeld de Kaifūsō 懐風藻, een bloemlezing van door Japanners in het Chinees geschreven gedichten, gecompileerd in 751. Hoe vaardig ook geschreven, het mist de originaliteit van de Japanse werken. Het klassiek Chinees was als het Latijn in Europa tijdens de Middeleeuwen en Renaissance een geleerdentaal. Bovendien sprak vrijwel geen Japanner Chinees. Hun kennis bleef beperkt tot boekengeleerdheid.

Het Boeddhisme

Tijdens de Nara-periode werd het Boeddhisme krachtig bevorderd. De bouw van grote tempels werd uit de schatkist gefinancierd en de kloosters kregen uitgestrekte landgoederen en honderden horigen om het land te bewerken. De keizerlijke bescherming van het Boeddhisme bereikte een hoogtepunt onder keizer Shōmu 聖武 (regeerde 724-749). Vanaf 741 liet hij in iedere provincie een staatstempel (kokubunji 国分寺) en een nonnenklooster (kokubunniji 国分尼寺) oprichten en in de hoofdstad liet hij als bekroning van dit uitgebreide netwerk een monumentale tempel, de Tōdaiji 東大寺 genaamd, bouwen. In dit reusachtige bouwwerk werd een bronzen beeld van Vairocana, de kosmische Boeddha, opgesteld. Het netwerk van provinciale tempels, bekroond met de grootse Tōdaiji, werd zo een replica van de structuur van de wereldlijke macht. De kolossale afmetingen en de schittering van het boeddhabeeld legden getuigenis af van de macht van het keizerlijke hof, en de keizer werd gezien als de aardse tegenhanger van de kosmische macht en uitstraling van de Boeddha. Gebouw en boeddhabeeld zijn een hommage aan het ongemeen verfijnde vakmanschap van de Japanse bouwlieden en bronsgieters van die tijd.

Het Nara-boeddhisme was vóór alles een staatsgodsdienst in de zuivere zin van het woord. Het werd nauwelijks of niet als een persoonlijke heilsleer beleden, maar het diende voor de buitennatuurlijke bescherming van de staatsorde. De monniken deden geen poging om de boeddhistische boodschap onder het volk te brengen. Sterker nog, dit volk mocht zelfs de schitterende "huizen van Boeddha" niet betreden. De prachtige boeddhabeelden en schilderijen die de Nara-tempels nu nog tooien zijn meesterwerken van technische vaardigheid en artistieke expressie. Zij illustreren hoe volkomen de anonieme beeldhouwers en schilders van toen de Chinese artistieke technieken en stijlen onder de knie hadden.

Tussen de boeddhabeelden en de Man’yōshū ligt een wereld van verschil. De iconen zijn een stuk overgeplante continentale cultuur, de bloemlezing is het getuigenis van een eenvoudig, primitief en met de natuur verbonden volk.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

De Ritsuryō-orde van meetaf onvoldragen

Alles blijkt erop te wijzen dat de Ritsuryō-orde van meetaf aan slechts heel onvolkomen ten uitvoer werd gelegd: de macht van de keizer werd nooit echt absoluut; het leger stapte vrij vlug af van de algemene dienstplicht; en de administratie gedoogde vrij vroeg het bestaan van privé-gronden. Bovendien zal de mate van implementatie ook gevarieerd hebben: in het hoofdstedelijke gebied zal de implementatie veel grondiger gebeurd zijn dan in afgelegen provinciën.

De absolute monarchie: een ver doel

Tot aan het begin van de achtste eeuw was de Japanse staat een oligarchie van machtige clans onder de despotische macht van de keizer. Binnen het kabinet, het executieve orgaan van de Dajōkan, konden deze clans echter via overleg en consultatie een inbreng doen in de besluitvorming. Door prinsen van den bloede tot eerste minister te benoemen, poogde de keizer ervoor te zorgen dat dit overlegorgaan niet al te eigenzinnig werd. In tegenstelling tot de aristocratische clans was die van de keizer veel losser gestructureerd. De keizer had immers meerdere gemalinnen en concubines en dus vele nakomelingen. Naarmate de generaties elkaar opvolgden dreven zij meer en meer uit elkaar. Het is daarom beter om in dit geval van de keizerlijke verwantschapsgroep te spreken.

Achter de façade van de bureaucratische eenheidsstaat waren de machtige clans met elkaar in een strijd gewikkeld om zoveel mogelijk macht binnen het kabinet. Als groteoverwinnaar uit de strijd kwam de Fujiwara 藤原-clan. Zij stamde af van Nakatomi no Kamatari 中臣鎌足, die nauw betrokken was geweest bij de Taika-hervormingen. Zijn zoon Fuhito 不比等 was verantwoordelijk voor het opstellen van de Taihō-codes en de herziening ervan, de Yōrō ritsuryō 養老律令 (718), en bracht het tot Minister van Links. In die hoedanigheid domineerde hij het kabinet. Hij slaagde er zelfs in een Fujiwara-dochter aan de keizer uit te huwelijken. Daardoor werd de voogdij van moederskant over de keizer groter dan die van vaderskant. Fuhito's dochter Kōmyōshi 光明子 was de concubine van keizer Shōmu 聖武, maar na zijn dood poogde Fuhito's zoon, Muchimaro 武智麻呂 haar te laten verheffen tot de rang van keizerin-gemalin. Dit stuitte op verzet vanwege de Minister van Rechts Nagayaō長屋王, die zich beriep op de ongeschreven wet dat de keizerin steeds uit de keizerlijke familie diende te komen. Sinds de Taika-hervormingen was zulks inderdaad altijd het geval geweest. Muchimaro beraamde een complot om Nagayaō uit te schakelen en, zodra deze dood was, werd zijn zus inderdaad tot keizerin verheven (729) en werd Muchimaro de leider van het kabinet. Toch is hier nog lang geen sprake van de hegemonie die de Fujiwara- clan in de volgende eeuwen zal uitbouwen. Het ging hier duidelijk om een uitbreiding van de overlegstructuur van de hoge aristocratie, die dus tevens de hoogste ambten monopoliseert en onder elkaar verdeelt. Deze tendens zette zich evenwel niet door. De aristocraten waren te zeer innerlijk verdeeld.

De keizerlijke verwantschapsgroep doet er inmiddels alles aan om haar suprematie te consolideren. Dat verklaart waarom zij de eerste gemalin (kōgō 皇后) steeds binnen de eigen groep probeert te vinden. Dat ging soms erg ver: bijv. keizerin Jitō 持統, die van 686 tot 697 regeerde, was de dochter van keizer Tenji en werd de gemalin van diens jongere broer; haar zoon, Prins Kusakabe 草壁, huwde haar jongere zus etc. Een tweede middel om de macht binnen de eigen groep te houden was de troonsbestijging van keizerlijke gemalinnen. Dit gebeurde wanneer de eigenlijke troonopvolger nog een kind was en vooral wanneer er een dynastiek schisma dreigde. Er waren namelijk twee regels voor de opvolging die met elkaar in conflict waren. Enerzijds was er het gebruik dat een keizer door zijn jongere broer werd opgevolgd. Pas als de zijdelingse lijn van broers uitgeput was, kwam zijn oudste zoon aan de beurt. Anderzijds was er de Chinese praktijk van opvolging van vader op zoon. Het bestaan van deze twee regels leidde ertoe dat er vaak twee troonpretendenten waren en dat het hof het toneel van een hevige opvolgingsstrijd werd. Om de lont uit het kruitvat te halen, besteeg de gemalin dan wel eens de troon... tot het gevaar geweken was. Was dit het geval, dan deed zij troonsafstand. Ook tijdens de Heian- periode bleef de toepassing van beide regels voor de opvolging voor onzekerheid zorgen en bleef troonsafstand het middel om de opvolging "te sturen" in de gewenste richting. Pas later zou de Chinese opvolgingsregel de bovenhand krijgen.

Een geduchte rivaal van de Fujiwara's was de Tachibana 橘-familie. Rond 740 beheerste Tachibana no Moroë 橘諸兄 het kabinet. Fujiwara no Hirotsugu 藤原広嗣, gouverneur van Dazaifu, kwam tegen hem in opstand. De regering slaagde er weliswaar in na twee maanden de opstand te onderdrukken, maar de strijd was daarmee niet gestreden. In 749 had keizer Shōmu troonsafstand gedaan ten gunste van zijn dochter Kōken 孝謙 (regeerde 749-758), wellicht omdat hij naderhand zijn zoon de troon wou laten bestijgen, eerder dan de opvolging aan zijn broer te laten. Zij werd één van de sterkste vrouwelijke keizers in Japans geschiedenis en zeker de meest controversiële.

In 756 nam Fujiwara no Nakamaro藤原仲麻呂, een gunsteling van Kōken, weerwraak en elimineerde Tachibana no Moroë. De ster van de Fujiwara's steeg weer. In 757 werd zelfs een Fujiwara- telg aangesteld als kroonprins. De zoon van Moroë beraamde een samenzwering met het doel de factie van Nakamaro uit te schakelen en een nieuwe keizer op de troon te plaatsen. Het complot lekte uit en werd verijdeld. Nakamaro kon Kōken ertoe bewegen troonsafstand te doen ten gunste van een familielid, bekend als keizer onder de naam Junnin 淳仁 (758-764). Kōken zag echter met lede ogen hoe Nakamaro zijn nauwe band met Junnin misbruikte om alle macht aan het hof naar zich toe te halen. Zij wist zo te manoeuvreren dat Nakamaro en Junnin in 764 een opstand beraamden. Dit gaf haar de gelegenheid om de "rebellen" uit te schakelen: eerstgenoemde werd gedood en de keizer werd naar het eiland Awaji 淡路 verbannen.

Kōken besteeg opnieuw de troon als keizer Shōtoku 称徳 (764-770). Haar gunsteling en volgens geruchten ook haar minnaar, Dōkyō 道鏡 werd Eerste Minister en kreeg de eretitel "Koning van de Dharma" (hōō 法王). Hij fabriceerde zelfs een godsorakel dat hem had medegedeeld dat de keizer troonsafstand moest doen te zijnen gunste. Dit was usurpatie, en een overtreding van de onschendbare regel dat de troon het exclusieve voorrecht van de van oudsher regerende keizerlijke familie was. De hele aristocratie riep schandaal, liet een orakel fabriceren dat troonsafstand ten gunste van een niet-lid van de keizerlijke familie verbood en zette Dōkyō aan de dijk.

Na Shōtoku's dood controleerde Fujiwara no Momokawa 藤原百川 de regering. Hij zette een keizer die hem gunstig gezind was op de troon, Kōnin 光仁 (770-781), en verbande Dōkyō. Tijdens Dōkyō's dictatuur was landontginning verboden geweest, maar nu stond Momokawa weer ontginning toe, schafte de conscriptie af en verving ze door milities (cf. inf.), maatregelen die mede leidden tot de uitholling van het Ritsuryō- systeem.

Uit het voorgaande blijkt hoe de keizerlijke verwantschapsgroep zijn suprematie poogde te consolideren en hoe de andere aristocratische clans zoveel mogelijk de keizer poogden te domineren om hun eigen macht te vermeerderen. Slechts weinig keizers slaagden erin om zich naar het Ritsuryō-ideaal echt als de absolute vorst te profileren, maar er was minstens sprake van een balans tussen keizer en aristocratie, balans die in de Heian-periode duidelijk in de richting van de aristocratie zal overhellen.

Aftakeling van het conscriptieleger

In 731 reeds maakte de overheid een einde aan de grens-wachten, en in 739 werd, met uitzondering van enkele gebieden (waaronder Kyūshū), het systeem van het conscriptieleger opgeheven. Hoewel men enkele jaren later een poging ondernam om het nieuw leven in te blazen, stapte men in 780 de facto af van het principe van de algemene legerdienst. In 792 schafte keizer Kanmu 桓武 (781-806) de militaire detachementen (gundan) af, uitgezonderd in de provinciën Mutsu 陸奥, Dewa 出羽, Sado 佐渡 en Kyūshū (onder het gezag van Dazaifu). In 826 werden ook de detachementen van Dazaifu afgeschaft. Zij werden vervangen door milities (kondei 健児) die samengesteld waren uit zonen van de commanderie-beambten en andere families met ambtelijke rang. Afschaffing van de conscriptie was een tweede doodsteek voor het Ritsuryō-regime. Dit ging gepaard met de creatie van nieuwe instellingen buiten de Ritsuryō-code zoals bijvoorbeeld die van de kebiishi 検非違使, hetgeen overigens duidelijk maakt dat het hoofdstedelijke leger en de ordehandhaving aan het verzwakken waren.

Vorming van privé-landgoederen

Het belasting- en corveestelsel ingesteld onder het Ritsuryō-regime was ondraaglijk. Bronnen uit de achtste eeuw die het levensniveau van het volk in tien categorieën indelen, plaatsen tussen de 80% en 90% in de laagste categorie, d.i. de categorie van hulpbehoevenden die onverwijld bijstand nodig hebben. Onder deze condities kon de pas gecreëerde maatschappelijke orde moeilijk een lang leven beschoren zijn. Wie aan de eisen van de diverse belastingen niet kon voldoen liet zijn kubunden in de steek en vluchtte. De door de regering opgelegde straffen konden daar niets aan verhelpen. Vluchtelingen zochten hun heil onder de bescherming van de landadel of rijke boeren in andere provinciën en dorpen. Commanderie-beambten (gunji) en dorpshoofden hadden het statuut van vrije burger (kōmin), maar omdat ze veel verwanten, dienaren en slaven hadden, hadden ze ook grote loten kubunden toegewezen gekregen. Bovendien hadden zij als voormalige uji het gezag geërfd van de pre-Taika clanhoofden en waren belast met het toezicht op de uitvoering van de landverdeling en de inning van de belastingen. Door de beste velden voor zichzelf te houden en braakliggende terreinen te ontginnen konden zij steeds verder hun bezit en rijkdom vergroten. Zij hadden behoefte aan veel arbeidskrachten en ontvingen met open armen de boeren die van hun land gevlucht waren.

De provinciegouverneur had de taak de gevluchte boeren te zoeken en ze terug te brengen naar hun landerijen. Doch in de praktijk was dit door het grote aantal gevluchten onmogelijk. Vandaar dat de Nara-regering al vlug toestond dat de vluchtelingen geregistreerd werden in hun nieuwe woongebied en dat ze daar chō, yō en vroondienst opbrachten. De families die de vluchtelingen opnamen, stelden alles in het werk om hen uit het zicht van de overheid te houden en behandelden hen feitelijk als privé-slaven. Maar ook arme boeren die op hun grond bleven, zagen zich genoopt tegen hoge interesten zaaigranen en rijst van de rijkere boeren te lenen en moesten dan hun schulden terugbetalen door in dienst te gaan werken van de schuldeiser. Aristocraten, hoge ambtenaren en kloosters wedijverden met elkaar om land te ontginnen en in teelt te brengen. Eén van de eerste voorwaarden om dit te ondernemen was het bezit van de ijzeren landbouwwerktuigen en deze bezaten hogergenoemde klasse in overvloed. Pas ontgonnen velden waren in principe staatsgrond, maar om de landontginning te stimuleren, erkende de regering het privé-bezit van de grond, eerst voor drie generaties (723) en later voor eeuwig (743). Reeds op het hoogtepunt van het Ritsuryō-regime werd privé-bezit dus weer erkend, hetgeen regelrecht indruiste tegen de beginselen van het systeem zelf. Hierdoor gestimuleerd werden de aristocraten, kloosters, landadel en rijke boeren steeds gulziger in het verwerven van onontgonnen land.

In de loop van de Heian-periode verwierven deze gronden twee belangrijke privileges: vrijstelling van belasting (fuyu 不輸) en onschendbaarheid van het domein (funyū 不入). Op grond van het eerste recht dienden de eigenaars geen belastingen meer aan het provinciale gouvernement te betalen, op grond van het tweede privilege bakenden zij het domein af of verhinderden anderzijds de toegang, zodat het provinciale gouvernement geen controle meer kon uitoefenen op de boeren die hun kubunden gevlucht waren en als horige een onderkomen bij een grootgrondbezitter gezocht hadden. De landgoederen met dergelijk statuut van verregaande autonomie noemt men shōen 荘園.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Heian-periode (794-1185)

Vroege Heian-periode

Inleidende opmerkingen

Om de macht van de oude aristocratie zoals de Ōtomo's en de grote kloosters te verzwakken, kreeg de Fujiwara-clan het gedaan dat het hof de hoofdstad Heijō verliet in 784 en een nieuwe hoofdstad aanlegde in Nagaoka-kyō 長岡京, bewesten Kyōto. Na amper tien jaar verliet het hof deze vestigingsplaats en verhuisde het naar het bekken waarin het huidige Kyōto ligt. Daar bouwde het een nieuwe hoofdstad volgens hetzelfde plan als Heijō-kyō, en noemde haar "Hoofdstad van de Vrede": Heian-kyō 平安京. Dit werd nu voor vier eeuwen het politieke en culturele centrum van Japan. Daarom spreekt men van het Heian-tijdperk. Noemenswaard is dat Japan in deze periode voor het eerst een stedelijke cultuur vorm geeft. Ook al blijven er nog sporen van de uji bestaan, vanaf de tweede helft van de achtste eeuw is de eenheid van politiek en economie de ie. De hoofdstad is een verzameling van stedelijke aristocratie, waartoe ie van diverse maatschappelijke rang of stand behoren, ambtenaren, en een reeks overheidsdiensten. De hoofdstad is niet alleen het politieke centrum, maar heeft ook een overweldigend gewicht op het maatschappelijk en economisch gebied.

In zijn ideale opvatting beoogt het Ritsuryō-systeem een politieke en maatschappelijke ordening volgens uniforme en algemeen geldende regels. Alle inwoners zijn onderdanen van de keizer, alle land is bezit van de staat, en de administratie bestuurt het land in naam van de keizer ten behoeve van de hele staat. "Openbaar" en "staat" zijn hier de sleutelwoorden. Als we nu echter de evolutie van de instellingen tijdens de Heian-periode moeten karakteriseren, dan zijn er geen betere adjectieven te bedenken dan "privé" en "particulier": de keizerlijke macht wordt "geprivatiseerd", de administratie wordt particulier en grote gedeelten van het grondbezit eveneens. Omdat sommige Japanse geschiedschrijvers de neiging hadden en hebben om het Ritsuryō-systeem als de norm te beschouwen, hebben zij de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen tijdens de Heian-periode vaak als "afwijkingen", zelfs "aberraties" beschreven. Dat heeft vaak te maken met een te idealistische inschatting van het Ritsuryō-systeem zelf. In de ogen van marxistisch geïnspireerde historici kunnen de algemeen geldende, objectieve wetten van het Ritsuryō-systeem en de negatie van privé-bezit de illusie wekken dat een zeker egalitaristisch principe aan de basis ervan lag en ook het vermeende "kosmopolitisme" spreekt hen daarin aan. In de ogen van "nationalistisch" denkende geschiedschrijvers is het dan weer de idee van een absolute keizer dat hen aantrekt. Op al deze punten scoort de Heian-periode inderdaad heel laag, maar daarin ligt nu juist het kenmerkende van deze tijd. De Heian-maatschappij is er een van rangen en standen en de politieke macht wordt er verdeeld onder enkele aristocratische families met pedigree en bezit. Of het daarom zoveel slechter was voor het gewone volk, is niet meteen duidelijk. Ongeacht de theoretische verdiensten van de Ritsuryō-code, was de periode dat ze volop van kracht was ook allesbehalve weldadig voor het gros der boeren. Zo er al van enige gelijkheid onder de boeren (de kōmin) sprake was, was het gelijkheid in ellende.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

macht en gezag worden gescheiden

De administratieve structuur van het Ritsuryō-systeem blijft overeind als zodanig, en vertegenwoordigt dus het gezag. Er gaat echter hoe langer hoe minder macht van uit. Keizer, hoofdstedelijke aristocratie en provinciale ambtenaren negeren bijgevolg de structuur en zoeken zelfs naar parallelle circuits om macht te verwerven.

Keizerlijke macht "geprivatiseerd"

In het vorige hoofdstuk hebben wij reeds meegemaakt hoe moeilijk de keizer het had om zich naar het beeld van de Chinese keizer als een absoluut vorst te affirmeren. De keizer was het symbool van het openbare gezag en was in hoge mate afhankelijk van publieke inkomsten (belastingen). De grote aristocratische clans zochten en vonden middelen om hun eigen rijkdom en bezit te vermeerderen buiten het ambtelijke (publieke) systeem om. Zij maakten gebruik van het feit dat de nationalisering van het land niet voltooid was, om uitgestrekte privé-landgoederen te verwerven. Als de belichaming van een onpartijdige en abstracte staat kon de keizer zich niet met de jacht op privé-belangen inlaten. Hij kon moeilijk staatsgrond voor zichzelf privatiseren.

De Ritsuryō-staat had vele van de traditionele functies van de uji overgenomen, maar de uji zelf als sociale eenheid was diep geworteld en zeker niet uitgeroeid. Hoewel hij structurele en functionele veranderingen onderging, bleef de uji een grote politieke en maatschappelijke rol spelen. Tijdens de Nara-periode kon de keizer zich nog behoorlijk handhaven, maar in de Heian-periode kon hij niet optornen tegen de groeiende macht en rijkdom van de aristocratische clans, in de eerste plaats de Fujiwara-clan. Privé-belangen en privé-invloed vraten de keizerlijke macht steeds verder aan. De openbare macht deemsterde weg en werd verkaveld onder enkele aristocratische clans ("return to familial authority", noemt J.W. Hall dat). Om beter met die clans in macht en rijkdom te kunnen wedijveren, moest de keizer zich ook een gelijkaardige familiale machtsbasis zien te verwerven. Hij moest dus ook gronden zien te verwerven, een eigen privé-administratie creëren en een netwerk van cliënten uitbouwen. Hij moest dus meedoen aan de uitholling van de Ritsuryō-orde, aan de privatisering en het nastreven van het particuliere belang.

Aangezien de keizer de belichaming van de staat is, hoort zijn macht "publiek" te zijn. Omdat echter tijdens de Heian-periode het hele publieke systeem (Ritsuryō) uitgehold wordt, is het niet langer geschikt als kanaal voor de werkelijke uitoefening van zijn macht. De hoogste politieke macht wordt uitgeoefend in drie "afwijkende vormen", die elkaar chronologisch opvolgen:

1) keizerlijk bestuur vanuit het privé-secretariaat van de keizer (kurōdo-dokoro seiji 蔵人所政治). 2) bestuur door de regent in naam van de keizer (sekkan seiji 摂関政治). 3) bestuur door de ex-keizer (insei 院政)

Punten 2) en 3) komen verder aan bod.

Het was keizer Saga 嵯峨 (regeerde 809-823) die een privé-secretariaat (kurōdo-dokoro) creëerde. Dit was een instelling die niet in de code van het Ritsuryō-systeem voorzien was. Later evolueerde het wel tot een officieel keizerlijk bureau. Het moest vertrouwelijke documenten opstellen zonder dat zij in handen vielen van een rivaliserende kliek en edicten van de keizer uitvaardigen. De ambtenaren die hier tewerk gesteld werden waren geen staatsbeambten, maar de persoonlijke bedienden van de keizer. Zij behoorden ook niet tot de toplaag van de aristocratie.

De gunji onder druk

Het Ritsuryō-systeem was een ambitieus plan. Het wilde de staat op een rationele en eenvormige manier organiseren, zonder daarbij evenwel het eigenbelang van de opstellers ervan uit het oog te verliezen. De geschiedschrijving heeft de neiging het Ritsuryō-systeem voor te stellen als een radicale breuk met het verleden en dat was het op papier inderdaad ook. Het is echter tot op zekere hoogte een wettelijke fictie gebleven. De architecten van het systeem dienden al vrij vlug met de politieke en sociale werkelijkheid een compromis te sluiten. De commanderie-beambten (gunji) werden door de centrale overheid benoemd, maar waren in de praktijk de erfgenamen van de kuni no miyatsuko, dus lokale machthebbers (gōzoku 豪族). In theorie oefende de regering haar benoemingsprerogatief uit, in de praktijk had het veel weg van de bevestiging van een bestaande toestand.

Het Ritsuryō-systeem staat of valt met het goede functioneren van zijn laagste echelon, dat direct bij de onderdanen aansluit: de commanderie. Wat was de verhouding tussen de provincie en de commanderie in het Ritsuryō-systeem? Het feitelijke bestuur van het platteland lijkt vooral in handen van de commanderie geweest te zijn, terwijl de provinciale administratie vooral toezicht hield en voor de verbinding met de centrale bureaucratie zorgde:

- Het was de commanderie die de registers voor de respectieve belastingen bijhield, de belastingen inde en ze opsloeg in schuren.

- De status van gunji was sedert 811 weer erfelijk geworden. Het traditionele gezag van de gunji maakte hen de meest geschikte personen om recht te spreken binnen de commanderie.

- Volgens de Ritsuryō was privé-bezit van wapens verboden. Alle wapens moesten ingeleverd worden bij het provinciale gouvernement, maar in de praktijk werden ze bij de gunji opgeslagen.


- De productie van ambachtelijke producten bestemd voor het provinciale gouvernement en de centrale regering werd door de gunji gecontroleerd. Zij stonden ook in grote mate in voor het transport ervan naar de zetel van het provinciale gouvernement en naar de hoofdstad.

- Shintō-rituelen en boeddhistische tempels stonden onder de bescherming van de gunji.

In de tweede helft van de negende eeuw komt de gunji-klasse onder zware druk van de hoofdstedelijke aristocratie. Zij worden cliënten van de machtige aristocratische clans. Afgevaardigden van de aristocratie gaan ter plaatse belastingen (chōyōbutsu 調庸物) voorafnemen voor hun opdrachtgever, beredderen zelf processen en dergelijke. Kortom zij plaatsen zich tussen gunji en kokushi en bedienen eerst zichzelf voordat de staat zijn (rechtmatige) deel kan opeisen. De top van de bureaucratische hiërarchie pleegt dus obstructie van het systeem waarvan ze zelf de leiding heeft. Het provinciale gouvernement verzet zich tegen deze praktijken en appelleert aan de centrale regering om de zaak recht te trekken. Een spectaculaire toename van geschillen vanaf het einde van de negende eeuw is er het gevolg van. De centrale bureaucratie kan het werk niet aan en geeft de praktische afhandeling van de geschillen in handen van het provinciale gouvernement zelf.

In de provinciën neemt het particularisme toe

Daarnaast probeert het provinciale gouvernement ook door structurele wijzigingen aan de veranderende omstandigheden het hoofd te bieden. Het gaat meer en meer de hierboven beschreven functies van de gunji overnemen. Tijdens de negende en tiende eeuw verloor het provinciale gouvernement niet zozeer zijn macht, integendeel, het versterkte hem ten nadele van de gunji, maar het handelde autonomer dan voorheen, en week daardoor in wezen af van zijn door de Ritsuryō omschreven missie. Zo ging in de behandeling van geschillen meer en meer het gewoonterecht van de provincie primeren over de Ritsuryō.

In 820, 869 en 907 werden kyaku 格 uitgevaardigd. Dit zijn aanpassingen van de Ritsuryō. Rond diezelfde tijden werden ook shiki 式, een soort concrete uitvoeringsbesluiten uitgevaardigd. Dit wijst erop dat de wetboeken aangepast dienden te worden. Zowel het hof, de centrale aristocratie als de provinciale gouvernementen gingen steeds meer op grond van deze aanpassingen en plaatselijk gewoonterecht besturen. Dit wil niet zeggen dat de code van Yōrō (Yōrōryō) als zodanig afgeschaft werd, maar de overheid miste de macht of de wil om een nieuwe code op te stellen. De kebiishi baseerden zich op gewoonterecht, ook het provinciale gouvernement ging meer en meer op het plaatselijke gewoonterecht overschakelen. De kokushi gingen trouwens meer en meer eigenhandig beslissen.

Theoretisch diende om de zes jaar een nieuw landregister aangelegd te worden met het oog op de herverdeling van de kubunden. In 880 werd nog een landherverdeling doorgevoerd, maar dat werd de laatste. Vanaf het begin van de tiende eeuw worden geen nieuwe landregisters meer aangelegd. Men vult alleen nog de wijzigingen aan. De landherverdeling ging hand in hand met de bevolkingsregistratie (zōseki 造籍). Het verval van het ene had automatisch het verval van het andere als gevolg. Dit betekent kortom dat de kōmin gestadig afnamen. Ook hier blijkt dus het onvermogen om de Ritsuryō up-to-date te houden.

Reeds onder het Ritsuryō-systeem zelf beschikten de bestuurders van het provinciale gouvernement over uitgebreide bevoegdheden. Zij mochten akkers voor eigen rekening laten bebouwen en kregen daarvoor arbeiders (jiriki 事力) toegewezen. Bovendien maakten zij, wederrechtelijk weliswaar, gebruik van vroondienst. Zij sloten huwelijken met de plaatselijke gōzoku en versterkten ook op die wijze hun macht en invloed. Vanaf de negende eeuw begint de tendens zich af te tekenen dat provinciale ambtenaren zich in de plaatselijke maatschappij integreren en er zich permanent vestigen. De centrale regering poogde dit herhaalde malen te verbieden, maar vruchteloos.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

spectaculaire groei van de privé-landgoederen (9e en 10de eeuw)

Inhoud

De hoofdstedelijke aristocratie verwerft uitgestrekte landeigendommen

In de negende eeuw kan de hoofdstedelijke aristocratie niet meer van de salarissen van de staat leven en gaat dus op zoek naar andere bronnen van inkomsten. De Ritsuryō-code zelf had die mogelijkheid opengelaten: in zijn bekommernis om de landontginning te stimuleren voorzag de wet dat pas ontgonnen braakland privé- eigendom mocht worden. Dit is de oorsprong van de zogenaamde shōen. Het bleef evenwel niet bij ontginning van braakland, ook door annexatie en privatisering van kubunden zwollen de oppervlakten aan. Arbeidskrachten konden gemakkelijk gerekruteerd worden onder de kōmin die hun landerijen verlaten hadden, op den dool waren, of samen met hun kubunden tot een shōen toetraden. Anderzijds verbonden de gōzoku en rijke boeren zich met de hoofdstedelijke aristocratie en beheerden de shōen voor hun meesters of schonken hun grond aan de aristocratische families in ruil voor allerlei vormen van bescherming. Zij werden dus hun cliënten. Vanaf het midden van de negende eeuw verwerven deze shōen immuniteit voor fiscale controle.

Er zijn meerdere landregisters (ōtabumi 大田文) bewaard. Zij geven een opsomming van alle shōen in de provincie waarop ze betrekking hebben. Zij laten ons toe te oordelen over de uitgestrektheid van deze domeinen. Zij illustreren ook hoe elke provincie een mozaïek was van publiek land en allerlei soorten van privé-gronden.

De hoge aristocratie had dus twee bronnen van inkomsten: de bestaande die ze van de Ritsuryō-staat kreeg, maar die aan het afnemen was en een nieuwe: de shōen. De midden en lagere aristocratie daarentegen was afhankelijk van haar salaris. Wilde de midden-aristocratie overleven als bevoorrechte klasse dan moest ze een ambt in het provinciale gouvernement aanvaarden. In een volgende fase vestigden zij zich definitief op het platteland.

Privatisering bij keizerlijk decreet

De keizer zelf kon geen privé-grond hebben, hij was immers de theoretische eigenaar van alle land, maar zijn familieleden konden des te beter eigenaar worden. Als de keizer echter troonsafstand deed en "Afgetreden Keizer" (jōkō 上皇) werd, kreeg hij ook het recht op privé-bezit van landgoed. Land dat bij decreet van de keizer toegekend wordt aan de keizerlijke familie als privé-domein noemt men "decreet-land" (chokushi-den 勅旨田).

Vanaf het begin van de negende eeuw begon de oppervlakte decreet-land zeer snel te groeien. Dit soort land genoot vrijheid van landbelasting en werd door boeren bewerkt in vroondienst. Tegen het einde van de negende eeuw slaagden de aristocratische en monastieke landgoederen erin, naar analogie van de keizerlijke privé-domeinen, eveneens belastingsvrijheid te verwerven. Aangezien de aristocratie de regering uitmaakte, was het niet zo moeilijk voor de landeigenaars die van dezelfde aristocratie deel uitmaakten, dit privilege te verwerven. Voor de ontginning en het beheer van de landgoederen diende men beroep te doen op de gunji en landadel, die de plaatselijke boerenbevolking konden mobiliseren voor vroondienst. De eigenaar kon onmogelijk in voldoende aantal slaven vanuit het hoofdstedelijke gebied naar het landgoed sturen, dat soms veraf in de provinciën gelegen was. De dagelijkse bedrijfsleiding van het landgoed werd meestal toevertrouwd aan een gunji of iemand van de plaatselijke landadel, die de functie kreeg van "kastelein" (shōchō 荘長).

Tsukuda 佃 (land onder direct beheer) en staatspachtland

Eén gedeelte van het landgoed werd direct beheerd door de landheer (ryōshu 領主) en werd tsukuda genoemd. Het werd bebouwd door slaven en horigen die op het land woonden. De rest van het land, jishiden 地子田 genaamd, werd verpacht aan pachters, tato 田堵 genoemd. Dit waren boeren die ook vaak nog kubunden en privé-grond hadden, en dus een grotere mate van onafhankelijkheid tegenover de kastelein. Zij sloten trouwens jaarlijks een soort van contract met de kastelein af. Tot op zekere hoogte kunnen wij dus spreken van wederzijdse rechten en plichten. Eénmaal het principe van het publieke land doorbroken en privé-bezit van landgoederen erkend, werd ook het "rang-land" (iden 位田), toegekend aan ambtenaren in overeenstemming met hun ambtelijke rang, het "ambten-land" (shikiden 職田), toegekend volgens de ambtelijke functie, en het "verdienste-land" (kōden 功田), toegekend voor bijzondere diensten aan de staat, geleidelijk aan geprivatiseerd en werden de hōko noch min noch meer horigen van de land-eigenaar. Voor bovengenoemde drie categorieën van ambtelijk land werden bovendien de beste akkers genomen. Heel vaak verwierf de eigenaar dan nog chokushiden-status voor die akkers. Het gevolg was dat voor de vrije boeren, dus de categorie van kubunden-land alleen nog minderwaardige grond overbleef. De boeren konden vaak op dit soort land niet meer genoeg belastingen opbrengen en de staat geraakte daardoor in financiële ademnood.

Naar analogie van de tsukuda ging de regering vanaf het midden van de negende eeuw over tot het creëren van direct beheerde landerijen, waarop "vrije boeren" onder dwang werden tewerkgesteld, in ruil voor proviand en een hongerloon. Daar bovenop werden ze wel vrijgesteld van yō 庸 en chō 調, maar moesten toch nog so 租 betalen voor hun eigen kubunden. In 846 werd het aantal dagen zōyō verminderd tot 20 dagen per jaar en werd de aanslagvoet voor de so verhoogd. We merken dus duidelijk een verschuiving naar de so als basis van de fiscaliteit. De hele structuur van de kubunden raakte zo uitgehold. In 902 ondernam de regering een laatste wanhopige poging om ze te herstellen, maar de klok was niet meer terug te draaien.

In plaats van een persoonsbelasting op basis van een bevolkingsregister schakelde de regering over op een landbelasting op basis van een kadaster. Hoe groot of hoe klein het land ook was, degene onder wiens naam het geregistreerd was, was landbelasting (so) en andere vormen van belasting en corvee verschuldigd. Registratie van land onder iemands naam versterkte het recht van de naamdrager op dat land. In de wettelijke terminologie van die tijd heette dat recht trouwens "naam"-recht (myō 名). De naamdrager was de myōshu (名主) en het land met dergelijke status was een naam-land (myōden 名田). Dit proces van registratie gebeurde geleidelijk en is te situeren in de tiende-elfde eeuw. Dit wijzigde in belangrijke mate de verhouding van de staat tot de onderdanen, die nu meer en meer te vergelijken was met de relatie tussen een feodale landheer en horige pachter. Sommige van de myōshu konden echter hun naam-land door ontginning en beslaglegging op verlaten akkers uitbreiden en zelfs slaven (genin) tewerkstellen op hun land.

Pachters in de shōen

De totale ontbinding van het kubunden-systeem veroorzaakte ook een wijziging in de structuur van de shōen. Daar waar de tsukuda, het land rechtstreeks bebouwd door de slaven van de landheer, oorspronkelijk ongeveer 20% van de shōen-landerijen omvatte, nam dit vanaf de tiende eeuw snel af en werd bijna volledig verpacht. Het recht van de pachters (tato) op de verbouwing van het land werd uitgesproken en evolueerde tot dat van "myō", geregistreerd recht. Wij hebben trouwens het bestaan van het pachtcontract reeds vermeld. Aan deze nieuwe structuur waren de oude shōen niet aangepast en ze verdwenen dan ook geleidelijk. Een tempel als de Tōdaiji bijv. bezat in het begin van de negende eeuw, shōen over het hele land verspreid, die samen goed waren voor een oppervlakte van 3460 chōbu 町歩 (±3430 hectaren). In de tiende eeuw bleven daar nog slechts 212 chōbu (±210 hectaren) van over.

Samenvatting

Achtste eeuw:

Reeds tijdens de achtste eeuw ontstond er een vrij grote kloof tussen de boeren onderling: sommigen verliezen hun land en degraderen tot slaaf, anderen verrijken zich en stellen slaven te werk. Parallel daarmee ontstaan grote privé-domeinen, in het bezit van aristocratische families en kloosters, door het ontginnen van braakliggend land.

Negende eeuw:

Tijdens de negende eeuw ontpopt de keizerlijke clan zich eveneens tot een privé-grootgrondbezitter door de instelling van "decreet-land". Dit land genoot reeds vrijstelling van belasting. Tegen het eind van de negende eeuw gold deze fiscale immuniteit eveneens voor aristocratische privé-landgoederen.

Tiende eeuw:

De shōen hadden aanvankelijk twee typen van uitbating: enerzijds directe, d.m.v. slaven (op de tsukuda) en anderzijds verpachting. De staat bootste de directe uitbating na en versterkte daardoor nog zijn karakter van privé-grootgrondbezitter naast de andere aristocratische landeigenaars. Omdat de tato vaak gedurende meerdere generaties een stuk grond bebouwden, begonnen zij in weerwil van het theoretisch althans in de tijd beperkte pachtcontract, geleidelijk een verworven recht op het hun verpachte land te hebben. Zo ontstond een erfpachtrecht. Dit betekent dat pachtland op de naam (myō) van een pachter geregistreerd werd. Boeren met dergelijk statuut werden myōshu genoemd.

In deze periode kende de landbouw een spectaculaire stijging van de productiviteit, door verbetering van de landbouw-technologie. Het aantal verbouwde gewassen nam toe en collectief georganiseerde arbeid, in de vorm van onderlinge bedrijfshulp (yui 結い) tussen kleine boeren nam buitengewoon toe. Dit was vooral het geval voor het planten en oogsten van de rijst. De boeren verwierven een grotere onafhankelijkheid dan onder het Ritsuryō-régime (toen waren ze eigenlijk een soort slaven van de staat) en hadden meer arbeidsmotivering dan voor corvee. De band tussen boer en land werd sterker en ook de slaven konden hun status verbeteren. Ze hadden nu het recht een eigen gezin te stichten. Deze status is wellicht het best te vergelijken met die van de horige pachter in de westerse Middeleeuwen.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Midden en late Heian: de aristocratische monarchie

opstanden van Masakado en Sumitomo

In de algemeen aanvaarde voorstelling van de politieke geschiedenis van de Heian-periode wordt de periode van regenten beheerst door de onderlinge strijd die de diverse takken van de Fujiwara-clan onder elkaar voeren om de suprematie, terwijl in de daaropvolgende periode de afgetreden keizers een autocratisch bewind voeren. Binnen het kader van dat bewind leidt de rivaliteit tussen de clans van de Minamoto en de Taira, groepen van krijgers, in toenemende mate tot gewapende botsingen. Deze standaardvoorstelling verliest uit het oog dat de strijd binnen de keizerlijke clan om de opvolging een cruciale rol speelt, en eigenlijk de rode draad vormt die doorheen deze hele periode van midden en late Heian loopt.

De ontbinding van de Ritsuryō-orde en de gelijklopende ontwikkeling van de shōen hadden een enorme weerslag op de politieke structuur en de macht van de troon. Reeds ten tijde van de verplaatsing van de hoofdstad naar Heian-kyō begon zij een deel van haar militaire macht in te boeten, en rond het midden van de negende eeuw had zij alle feitelijke controle over de landadel verloren. Overal maakten bandieten de streken onveilig en in het midden van de tiende eeuw braken gelijktijdig twee opstanden uit: die van Fujiwara no Sumitomo 藤原純友 in West-Japan en die van Taira no Masakado 平将門 in Oost-Japan. Beide figuren stamden uit families van voormalige provinciale ambtenaren, nakomelingen van hoge aristocratie, maar gerusticeerd, in de plaatselijke maatschappij geïntegreerd en leider van een militie (tō 党).

Sumitomo was een jō 掾, d.i. een provinciaal ambtenaar van de derde rang, in de provincie Iyo 伊予. Hij had zich in de plaatselijke maatschappij geïntegreerd en werd leider van een tō. Daarnaast voegden ook roversbenden zich bij zijn leger. In 936 kwam hij in opstand. O.m. met een vloot van meer dan 1000 schepen bestormde hij de zetel van het provinciale gouvernement en maakte zich meester van publieke en privé-goederen. Op een bepaald moment stootte hij zelfs door tot Dazaifu. Pas in 941 werd hij uitgeschakeld door de tsuibushi 追捕使 van Sanyōdō 山陽道.

Masakado was een telg van de Taira-clan. Vele van zijn naaste verwanten waren provinciale ambtenaar in Shimōsa 下総 en Hitachi 常陸. Op jonge leeftijd trad hij in dienst van Fujiwara no Tadahira 藤原忠平 in de hoop carrière te kunnen maken als kebiishi. Hij werd echter als een boerenkinkel behandeld, en gefrustreerd keerde hij naar zijn geboortestreek terug. Hij liet akkers bebouwen (eiden 営田) en bouwde een militie (tō) uit. Hij raakte verwikkeld in een strijd tegen andere clanleden of andere landadel om gebiedsbezit. Toen de centrale regering zich begon te mengen in zijn strijd, kwam hij openlijk in opstand (939). Hij beriep zich op het voorbeeld van Yelü Abaoji, de leider van de Khitan, die in Noord-China een nieuwe dynastie had gesticht, Liao genaamd.

Op een bepaald ogenblik bezette Masakado de gouvernementszetels van de provincies Hitachi, Shimōsa en Kazusa 上総. Hij vestigde zijn machtsbasis in de provincie Shimōsa, waar hij de titel aannam van "Nieuw soeverein" (Shinnō 新皇). Zijn rijk duurde echter maar drie maanden. Nog voor het door het hof uitgestuurde expeditieleger ter plaatse was, werd hij verslagen en gedood door de legers van Taira no Sadamori 平貞盛 en Fujiwara no Hidesato 藤原秀郷, beiden telgen van gerusticeerde adel.

De twee opstanden hadden de centrale macht niet echt doen wankelen, maar het feit dat de regering een beroep had moeten doen op legers van voormalige kokushi, gerusticeerde adel, gemilitariseerde landadel, om Masakado's opstand te onderdrukken, was een veeg teken aan de wand.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

suprematie van de Fujiwara

Fujiwara's monopoliseren het regentschap (sekkan seiji)

  1. DOORVERWIJZING Fujiwara-clan

Tijdens de Nara-periode wist de keizer ondanks de evidente ondergraving van de Ritsuryō-orde heel wat macht te bewaren. Ook een machtig politicus als Nakamaro vormde geen echt alternatief voor het keizerlijk gezag, maar probeerde eerder zich ermee te identificeren. Hij bezette de post van Eerste Minister of Kanselier (dajōdaijin). Door deze post voor de familie aan moederszijde van de keizer (gaiseki 外戚) op te eisen, legde hij wel de basis voor de latere hegemonie van de Fujiwara. Hij bepaalde als het ware de vorm waaronder zijn familie haar hegemonie zou vestigen. Ook in het begin van de Heian-periode regeerden de keizers nog persoonlijk en met sterke hand, zoals bijvoorbeeld Kōnin en Kanmu. Vanaf Kanmu werden ook vele prinsen van den bloede als onderdaan (shin 臣) geregistreerd en vervulden hoge ambten. Zij vormden samen met de oude voorname geslachten zoals de ōtomo, Ki, Tachibana, een geducht tegenwicht voor de Fujiwara. Zij versterkten met andere woorden de invloed van vaderszijde van de keizer.

De strijd onder de aristocratische clans aan het hof duurde inmiddels onverminderd voort. De strijd werd niet meer, zoals tijdens de Nara-periode, gevoerd met de wapens - want daarvoor waren een eigen militaire macht of goede connecties met de gemilitariseerde landadel nodig en de Heian-aristocratie had geen van beide - maar van intrige en samenwerking aan het hof. De Fujiwara-clan zette haar opgang verder. De clan was lang in vier met elkaar wedijverende "takken" verdeeld geweest, maar in de eerste helft van de negende eeuw kon de noordelijke tak (hokke 北家) het onbetwiste leiderschap over de clan verwerven. Yoshifusa 良房 (804-872) was de eigenlijke grondlegger van de Fujiwara-overheersing. Hij huwelijkte een Fujiwara-vrouw aan twee opeenvolgende keizers uit en wist zo zijn relatie als gaiseki stevig te vestigen. Hij was de eerste sedert Nakamaro die het tot Kanselier bracht. Onder hem bekleedde zijn jongere broer de functie van Minister van Rechts, maar daarnaast waren er in het kabinet niet minder dan vijf Minamoto's. Zij waren de jongere broers van keizer Ninmyō 仁明 en hielden de balans tussen de keizerlijke clan en de gaiseki in evenwicht. Yoshifusa gebruikte echter zijn positie van Kanselier om een gooi naar de macht te wagen. Toen de kind-keizer Seiwa 清和, zijn kleinzoon (regeerde 858-876), op de troon kwam, maakte hij van deze uitzonderlijke toestand, m.n. de minderjarigheid van de keizer, gebruik om regent (sesshō 摂政) te worden. Nu was hij niet langer de belangrijkste minister van de keizer maar zijn plaatsvervanger. De intronisatie van een kind was op zichzelf al onregelmatig, maar werkelijk zonder voorgaande was in elk geval het feit dat iemand die geen prins van den bloede was, het regentschap waarnam.

In 876 wordt Yoshifusa's aangenomen zoon, Mototsune 基経 (836-891), regent (sesshō) van de tienjarige keizer Yōzei 陽成 (876-884). In 884 dient hij zijn ontslag in als sesshō en wordt voor het eerst kanpaku 関白, een eufemistische term die het regentschap over een meerderjarige keizer moet camoufleren. Wanneer de volwassen geworden keizer Yōzei van Mototsune vervreemdt, werkt hij achter de schermen en zorgt ervoor dat de keizer afgezet wordt en door een gedweeër prins opgevolgd wordt.

Vanaf dit ogenblik kan men spreken van een quasi-monopolie van de Fujiwara-clan op de beide regententitels. Gecombineerd met het voorrecht gades te leveren aan de keizer en de keizerlijke prinsen zorgde dit quasi-monopolie ervoor dat de Fujiwara's een dictatoriale greep op de troon hadden, zonder ze daarom ooit te moeten usurperen. Daarmee begon een tijdperk van aristocratische monarchie, dat zijn hoogtepunt bereikte in de elfde eeuw onder de regenten Michinaga 道長 (966-1027) en diens zoon Yorimichi 頼通 (992-1074). Michinaga slaagde erin zijn dochters aan maar liefst vier keizers en één kroonprins uit te huwelijken. Een buitengewone verstrengeling van zijn familie met de keizerlijke clan.

Het “goede bestuur” van de Engi-Tenryaku-periode

Niet alle keizers legden zich daar goedschiks bij neer. Na de dood van Mototsune stelde de toenmalige keizer Uda 宇多 geen kanpaku aan een probeerde hij in de persoon van de minister Sugawara no Michizane 菅原道真 (845-903) een tegenwicht tegen de Fujiwara's te creëren. Ook zijn opvolger keizer Daigo 醍醐 (897-930) stelde geen kanpaku aan een probeerde de Ritsuryō-orde te herstellen, d.w.z. probeerde persoonlijk te regeren (shinsei 親政). De twee volgende keizers Suzaku 朱雀 (reg. 930-946) en Murakami 村上 (reg. 946-967) zetten dit streven verder. Omdat de regeringsperiode van keizer Daigo bekend staat als Engi 延喜 (901-923) en die van keizer Murakami als Tenryaku 天暦 (947-957) spreekt men van het “goede bestuur” van de Engi-Tenryaku-periode (Engi-Tenryaku no chi 延喜天暦の治). Dit is een term van lof in de stijl van de Chinese geschiedschrijving, maar de twee voornoemde opstanden tonen aan dat het eerder een lofwaardige poging is geweest dan een reëel succes. Cultureel was het wel een periode van bloei: de op keizerlijk bevel samengestelde bloemlezing van gedichten Kokinshū 古今集 (of Kokin-wakashū 古今和歌集) en het compendium van wetteksten en verordeningen Engi-shiki 延喜式 werden tijdens de regering van Daigo gecompileerd.

Ook al waren de Fujiwara's dan voor enige tijd geen regenten meer, ze bleven toch de hoogste posten aan het hof bekleden. Onder keizer Daigo was het clanhoofd van de Fujiwara's, Tokihira 時平, Minister van Links. Door een complot op het getouw te zetten slaagde hij erin zijn grote rivaal, de Minister van Rechts Sugawara no Michizane te laten verbannen naar Dazaifu. Dit was het begin van een reeks zuiveringsacties op het hoogste niveau, die doorgingen tot 969, het jaar waarin Fujiwara no Saneyori 藤原実頼, regent van keizer Reizei 冷泉 (950-1011; reg. 967-969), de Minister van Links, Minamoto no Taka'aki 源高明, uitschakelde. Vanaf dit moment regeerden de Fujiwara's gedurende ongeveer één volle eeuw als onbewiste meesters.

Nieuwe regeringsstijl

Hun politieke opgang en beheersing van de openbare macht brachten fundamentele veranderingen in de stijl van regeren mee. Door de uitholling en verbrokkeling van de Ritsuryō-orde was de macht gedecentraliseerd geworden. De aristocratie en grote kloosters waren in de woorden van de Japanoloog Edwin O. Reischauer de "veelvoudige erfgenamen van de oude gecentraliseerde staat" geworden. Daardoor dienden zij een brede waaier van administratieve en beheersfuncties zelf waar te nemen. Dit leidde tot de ontwikkeling van een soort familiale administratie, die veel gelijkenis vertoonde met de interne beheersorganen van de uji vóór de Taika-hervormingen. De Fujiwara-clan had ook een dergelijke goed georganiseerde familiale administratie en wanneer zij de publieke macht ging domineren, beschouwde zij dit doodgewoon als een verlengstuk van haar familiale bestuursaangelegenheden. Een besluit (kudashibumi 下文) afkomstig uit haar familiaal administratief bureau (mandokoro 政所) had kracht van decreet. Het keizerlijk hof zelf werd dan gedegradeerd tot een ceremonieel centrum. Omdat de Fujiwara-regenten ook de hoogste officiële ambten bezetten, was deze vorm van privé-regering helemaal geïntegreerd in het wettelijke kader van hun verantwoordelijkheid. Weinigen vóór of na hen hebben deze krachttoer herhaald: zonder zweem van usurpatie of wederrechtelijkheid opklimmen tot een positie van dictatoriale macht. Daarnaast waren zij nog de grootste "beschermers" (honjo 本所) van shōen overal in het land, en dit bracht ontzaglijke inkomsten op. Hun rijkdom en macht groeiden tot fabelachtige proporties onder de regenten Michinaga 道長 (966-1027) en diens zoon Yorimichi 頼通 (992-1074).

Eén van de meest opvallende kenmerken van het aristocratische regime is de totale afwezigheid van een politiek-ethisch principe, zoals dat bijvoorbeeld door de Ritsuryō belichaamd werd, ook al was er in de praktijk weinig verschil tussen de uitbuiting van de Nara-aristocratie en die van de Heian-aristocratie. Maar deze laatste gaf zich geheel over aan een decadente en overgeësthetiseerde levensstijl en had niets meer van de bezieling en pioniersgeest van de Nara-aristocratie. Zij bouwde luxueuze residenties en tempels en bracht haar tijd door met feesten en gala-bijeenkomsten. Zij sloot zich volledig in zichzelf op en had geen politieke of maatschappelijke visie. De gezantschappen naar de Tang werden in 894 stopgezet op voorstel van Sugawara no Michizane, omwille van de chaos die toen in China heerste en het al te grote risico van de overtocht.

Buitenlandse betrekkingen

Het feit dat niemand tegen dit voorstel noemenswaardig protest aantekende, wijst er volgens vele historici op dat de belangstelling voor het buitenland, voor nieuwe ontwikkelingen en gedachten was weggeëbd. Zij zien er een uiting in van de blinde zelfgenoegzaamheid van de hoofse aristocratie. Dat is een oordeel dat op zijn minst afgezwakt dient te worden. Om te beginnen was er in China geen waardig aanspreekpunt meer. De Tang-dynastie lag op apegapen, en haar rijk viel uiteen. Er was geen keizerlijk hof meer die naam waardig dat een Japanse missie op de geëigende manier kon ontvangen. Ten tweede, en mede als gevolg van deze omstandigheden, gingen monniken nu optreden als tussenpersoon in de relaties van staat tot staat tussen Japan en China. In de tiende trokken diverse monniken, met de officiële toelating van de keizer en de steun van de Fujiwara's op pelgrimstocht naar China. Op uitnodiging van de kloostergemeenschap op de berg Tiantai 天台 trok Nichien 日延, een monnik van de tempel Enryakuji, op pelgrimstocht naar dat grote centrum van het Chinese boeddhisme. Hij maakte de overtocht op het schip van de Chinese handelaar Jiang Chengxün 蒋承勲 en had een audiëntie met de vorst van de staat Wuyüe 呉越, één van de successiestaten die een deel van het uiteengevallen Tang-rijk geërfd had. Van de vorst van Wuyüe kreeg hij een purperen habijt, een teken van waardigheid, en hij leerde er ook de nieuwe kalender. Na een vierjarig verblijf keerde Nichien naar Japan terug. Twee jaar later bracht een gezant van Wuyüe een tegenbezoek aan Japan. Na 935 kwam de Chinese handelaar Jiang Chengxün meerdere malen naar Japan met geschenken van de vorst van Wuyüe. Hoewel de keizer ze niet aannam, deden de ministers van de Fujiwara dat wel. Zij stuurden ook een bedankingsbrief en tegengeschenken terug naar China, zodat wij toch van een soort diplomatieke relaties mogen spreken. Wuyüe werd in 978 door de in 960 gestichte Song-dynastie (Noordelijke Song 960-1127; Zuidelijke Song 1127-1279) geannexeerd, die het grootste deel van het Chinese rijksgebied weer onder één gezag wist te brengen. De Chinese dynastie moest nu wel een machtige (zogenaamd barbaarse) buur naast zich dulden in het noorden van China.

Met de nieuwe Chinese dynastie legde Japan weer contacten door middel van boeddhistische monniken die op pelgrimstocht naar het vasteland trokken. Chōnen 奝然, een monnik van de Tendai-strekking vertrok in 983 met de toelating van keizer En'yû 円融 en de financiële steun van de Fujiwara's naar China. Hij bezocht de boeddhistische centra op de berg Tiantai 天台 en de berg Wutai 五台 (in de provincie Shanxi), en had een audiëntie met de Song-keizer Taizong. De monnik vertelde over goud en andere typische Japanse voortbrengselen, en bood de Chinese keizer een chronologische lijst van de Japanse keizers aan. De Chinese keizer was naar verluidt erg onder de indruk van het feit dat de Japanse kroon het exclusieve bezit was van één en dezelfde dynastie door de tijden heen, een fenomeen dat uiteraard in scherp contrast stond met de veelvuldige dynastieke wissels in de Chinese geschiedenis.

Chônen keerde naar Japan terug met een merkwaardig beeld van de Buddha Shakyamuni, dat nog steeds in de tempel Seiryōji 清涼寺vereerd wordt, en een gedrukte boeddhistische canon. De aanwinst van het beeld en de canon gaf een injectie aan de sfeer van Reine Land devotie die toen in Japan aan het opkomen was. In diezelfde periode stuurde Genshin 源信 een exemplaar van zijn monumentale compilatie Ôjōyōshû 往生要集 mee met de kapitein van een Chinees handelsschip naar China. In 1003 reisde Jakushō shōnin 寂昭上人, een leerling van Genshin, naar China en verbleef er tot aan zijn dood. Hij voerde een correspondentie met Michinaga, die in zijn brieven naar de monnik zichzelf "minister van links van Japan" noemde, hetgeen suggereert dat hij die correspondentie zag als een onderdeel van de "diplomatieke" betrekkingen met China. Zijn zoon en opvolger als clanhoofd Yorimichi was minder actief op het diplomatieke front, maar zijn beschermeling de monnik Jōjin 成尋 speelde wel een belangrijke rol in de betrekkingen tussen Japan en China. In 1072 trok deze Tendai-monnik naar China, weliswaar zonder de officiële toelating van de regerende keizer gekregen te hebben. Nadat hij op bedevaart naar het gebergte Wutai geweest was om er te bidden voor het zieleheil van de gestorven keizer Go-reizei, werd hij in audiëntie ontvangen bij de Song-keizer Shenzong 神宗. Deze wenste diplomatieke betrekkingen met Japan aan te knopen en overhandigde met dat doel een officiële brief aan Jōjin. In 1073 namen de discipelen van Jōjin deze brief terug mee naar Japan. Het Japanse hof verkeerde toen echter in een onstabiele toestand en het Japanse antwoord liet tot 1077 op zich wachten. Het beperkte zich bovendien tot beleefde formules en gaf geen blijk van reële belangstelling voor het aanknopen van officiële betrekkingen. De thuisbasis liet dus Jōjin in China in de kou staan. De monnik, die inmiddels het vertrouwen van de Chinese keizer gewonnen had, bleef in zijn gastland en stierf er ook. Hij liet echter een uitvoerig reisverslag achter dat een onschatbare bron van informatie bevat over het toenmalige China en zijn reis daarheen.

Handelscontacten bleven echter wel bestaan. Chinese handelaars brachten overigens regelmatig producten mee uit China, die aan het keizerlijke hof werden "aangeboden," en daar als exotica met grote belangstelling werden ontvangen. De Chinese goederen werden betaald met goud, dat gewonnen werd in de provincie Mutsu. Bezit van het goud was dus van het grootste belang voor het hof en vormde de materiële basis voor zijn internationale betrekkingen. Controle over de verafgelegen provincie Mutsu was dan ook een prioriteit van het hof in Heian-kyō. Deze praktijk droeg bij tot de mythe dat Japan het land van goud was, waar we ook een echo van vinden in het verslag van Marco Polo. Andere Japanse producten die in China een gretige afzetmarkt vonden waren parels en kwik.

Het blijft niettemin waar dat de aristocratie veel meer had kunnen halen uit deze relaties met het vasteland. Ze had een zeker gebrek aan ondernemingszin, hetgeen haar politieke positie heel wankel maakte. Zij kon die handhaven zolang de klasse van landheren en myōshu nog niet het stadium van cohesie bereikt had en her en der versnipperd bleef over het land.

De wapens spreken: Taira en Minamoto manifesteren zich

De klok van de geschiedenis tikte verder. In de eerste helft van de elfde eeuw, hoogtepunt van de Fujiwara-macht, vormden de boeren in de centrale provinciën legerbenden, die strijd leverden met het provinciale bestuur, zijn wanbeleid aankloegen bij de centrale regering en weerstand boden tegen de verhoging van de pachtrente (nengu 年貢). Deze benden van gewapende boeren werden in milities of associaties van krijgers (bushidan 武士団) georganiseerd door leden van de Taira en Minamoto-clans die er de leiding over namen.

Na de onderdrukking van de opstand van Masakado was de macht van de Taira in Oost-Japan verzwakt, terwijl die van de Minamoto in belangrijke mate was toegenomen. Bij twee gelegenheden konden zij hun macht gevoelig uitbreiden.

De eerste gelegenheid was de zogenaamde “Eerste Oorlog van negen jaar” (Zen-kunen no eki 前九年の役), die duurde van 1051 tot 1062. De bevelhebber van de provincie Mutsu, Abe no Yoritoki 安倍頼時 (?-1057) en zijn zoon kwamen in opstand tegen het provinciebestuur. Het hof gaf Minamoto no Yoriyoshi 源頼義 (988-1075) bevel om de opstand neer te slaan. De tweede gelegenheid was de zogenaamde “Tweede Oorlog van drie jaar” (Go-sannen no eki 後三年の役), die duurde van 1083 tot 1087, gestreden in hetzelfde gebied. Yoriyoshi's zoon Yoshiie 義家 (1039-1106) sloeg toen een opstand van de Kiyohara 清原-familie neer. Het Minamoto-leger was telkens samengesteld uit myōshu die in hun gebied woonden of zich onder hun bescherming geplaatst hadden. Als gevolg van de gestegen macht waren er vele landheren en boeren die hun land onder de bescherming plaatsten van Yoshiie.Gelijktijdig met deze evolutie was een tak van de Taira die in Iga 伊賀, de streek van Ise 伊勢, zijn machtsbasis had, zijn invloed aan het uitbreiden over Kinai en de Westelijke proviciën en de bushi van deze gebieden onder zijn gezag aan het brengen.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

meervoudig privé-bezit

Meervoudig privé-bezit en cliëntelisme

Vanaf het einde van de negende eeuw, parallel met het ontstaan van de myōshu en de fiscale immuniteit die de centrale aristocratie voor haar landgoederen verwierf, ontstond het gebruik waarbij de plaatselijke landadel haar landgoederen in naam overdroeg aan een machtige aristocratische grootgrondbezitter om eveneens fiscale immuniteit te verwerven. De eigenaar fungeerde dan voortaan als een soort waarnemende beheerder van de shōen (shōkan 荘官) voor de afwezige grootgrondbezitter (ryōke 領家). Deze eigenaar kon desgevallend zijn bezittingen nog eens nominaal overdragen aan een nog machtiger beschermheer (honjo). Dit was dan iemand die een zeer hoge positie en rang had aan het hof (zoals de Fujiwara) en een soort ultieme garantie van wettelijkheid bood. In ruil voor het nominale eigendomsrecht verstrekte de machtige ryōke bescherming aan de voormalige landheer ten opzichte van de provinciale gouverneur. In ruil daarvoor kreeg de ryōke jaarlijkse belasting in rijst en het recht op vroondienst van de pachters van de shōen (myōshu). De bezitsstructuur van de shōen was dus meerledig en kan als volgt voorgesteld worden:

Niveau: Hoofdstedelijke aristocratie
Honjo (beschermheer) 本所
Ryōke (grootgrondbezitter) 領家
Niveau: Landgoed: shōen 荘園
Shōkan (beheerder, voormalige bezitter, ryōshu) 荘官、領主
Shōmin 荘民 Myōshu (geregistreerde pachters) 名主

genin (slaven) 下人

Elke van de niveaus in deze hiërarchie had bepaalde rechten en bepaalde plichten, die vastgelegd waren in zgn. shiki 職. De ryōshu had ryōshiki 領職, dat de aard van het eigendomsrecht beschreef en de categorieën en quota van de rechten zoals het pachtrecht (nengu), het productierecht (kajishi 加地子) en het dienstrecht (kuji 公事) bepaalde. Ieder niveau van eigenaars had door de shiki recht op een gedeelte van de productie van het hele landgoed. Dit is een belangrijk onderscheid met de toestand in Europa tijdens de Middeleeuwen, waar de landheren de hele opbrengst kregen van welbepaalde landerijen of domeinen. De shiki omschreven ook de rechten van de boeren, zodat de term uiteindelijk synoniem werd van landeigendom onder één of andere vorm.

Particuliere verbintenissen.

De machtsverhouding tussen honjo, ryōke en shōkan aan de ene kant en myōshu aan de andere kant, kan gelijkgesteld worden met die van de landheer tot horige pachter, maar aan de andere kant waren er ook myōshu die zelf genin (slaven) onder zich hadden en deze myōshu werden vaak zelf shōen-beheerder (shōkan). Afgezien daarvan kan men als algemene regel stellen dat de machtsverhoudingen tussen de verschillende eigenaarsniveaus niet gedefinieerd waren onder de vorm van universele wetten, maar het resultaat waren van persoonlijke verbintenissen, en dat een bepaalde status in de hiërarchie niet bezoldigd werd met een officieel salaris, dat uit de belastingen werd gehaald, maar met rechten op het land. De boer in een shōen was dus niet langer onderworpen aan een onpersoonlijke bureaucratie die een waaier van uniforme aanslagvoeten hanteerde, maar hij stond in een bepaald persoonlijk verband ten opzichte van zijn overste, aan wie hij bepaalde rechten verschuldigd was in ruil voor bescherming. De politieke en maatschappelijke structuur keerde dus terug naar een vorm van patrimonialisme.

Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

militarisering van het platteland

Drie fenomenen hebben een belangrijke rol gespeeld in de militarisering van de provinciën: de vorming van zaichō kanjin 在庁官人, de willekeur van de zuryō 受領, en de "afwezige gouverneur" (yōnin 遥任).

Zaichō kanjin en zuryō.

Een militaire aristocratie als de voornaamste pijler van het bestuur van het platteland was niet voorzien in de Ritsuryō. De hoofdstedelijke aristocratie liet echter geleidelijk haar greep op de provinciën verslappen. Bestuur over een rijksgebied liet haar koud en zij verkoos (privé-) bezit over zijn samenstellende delen. Dit betekende niet dat alle publieke land verdween, maar binnen elke provincie werden grote brokken land privé-bezit. Het hele land vertoonde zo de aanblik van een mozaïek van publieke domeinen (kokugaryō 国衙領) en privé-domeinen (shōen), onder het gezag van resp. gouverneurs en landeigenaars, die alle in de aristocratische en religieuze elite van de hoofdstad te vinden waren. Aan de top van het bezit waren er dus alleen edelen en hoge clerus. Privatisering van land verzekerde een grotere stroom van inkomsten dan het publieke ambt hen kon bieden.

Aangezien de aristocratische eigenaars in de hoofdstad verbleven, dienden zij hun bezittingen te laten besturen door plaatselijke ambtenaren. Zaichō kanjin 在庁官人 was de naam die gegeven werd aan de plaatselijke ambtenaren in dienst van het provinciale gouvernement (kokuga 国衙). De functie van gouverneur was in de tijd beperkt, maar de functies van de plaatselijke ambtenaren werden geleidelijk erfelijk. Hoewel zij uitgebreide bevoegdheden op het vlak van belastinginning en politiecontrole kregen, bleven zij voor hun promoties en verlenging van mandaten afhankelijk van de centrale elite. Er tekende zich dus een diepgaande scheiding af tussen bezit en beheer, gezag en macht. Bezit en gezag waren het monopolie van de hoofdstedelijke elite, beheer en macht berustten bij de plaatselijke leiders. Hieruit groeide een duurzame dyarchie, en het duurde bijzonder lang vooraleer de militaire elite werkelijk haar eigen gang ging. De hiërarchie, waarin het centrum de provinciën domineerde, was zo diep ingeworteld, dat de krijgerselite een parallel machtscentrum diende te bouwen om haar reële militaire macht ook in politieke om te zetten en zelfs dan, bleef de keizerlijke bureaucratie overeind en bleef ze het formele kader waarin het militaire bestuur, het Bakufu 幕府 opereerde. Het is pas met de val van het Kamakura-Bakufu dat het Heian-patroon van politiek bestuur ten einde komt.

Omdat de provinciën wegdreven van de centrale controle viel het feitelijke leiderschap dus in handen van de plaatselijke elite. Zij putte haar gezag echter uit haar oude stamboom die haar afstamming terugvoerde tot de hoofdstedelijke elite. Zo bleef er een zekere band tussen de provinciën en het centrum. Dank zij haar traditionele gezag als provinciale ambtenaar kon zij bovendien de kern worden van tō die uit gōzoku waren samengesteld. Dank zij deze milities konden de voormalige kokushi hun controle en uitpersing van de omliggende boeren versterken, weerstand bieden aan de controle van kokushi en gunji en uiteraard de confrontatie aangaan met rivaliserende milities. Het prototype van die milities was te vinden in de milities die de kokushi zelf erop nahielden. De tō waren ook de oorzaak van de toenemende onveiligheid in hoofdstad en provinciën.

Een bijzondere rol in dit opzicht speelden de zuryō 受領. Dit waren carrièregouverneurs, die van provincie naar provincie werden gestuurd om voor hun opdrachtgever, de Fujiwara of een teruggetreden keizer, orde op zaken te gaan stellen. Zij werden uit de Taira of Minamoto gerekruteerd, en werden aan het hoofd van een of meerdere provincies (chigyōkoku 知行国, genaamd) gesteld.

Krijgersbenden.

De shōen had weliswaar fiscale immuniteit verworven, maar de boeren (shōmin) bleven wettelijk onderdanen van de troon en waren dus corvee verschuldigd, in theorie aan de troon, in praktijk aan haar provinciale vertegenwoordigers, d.w.z. de gouverneur en diens ambtenaren. Omdat het publieke land steeds verder aangevreten werd door de shōen, stelde de provinciale administratie alles in het werk om het verloren gegane land terug te winnen en de shōmin op te vorderen voor corvee, dus weer kōmin te maken. Dit stuitte op heftige weerstand van de shōen-beheerder en zijn medewerkers. Het wederzijdse antagonisme nam gestadig toe tot het in het midden van de tiende eeuw regelmatig tot gewelddadige botsingen kwam. Benden boeren (hyakushō 百姓), d.w.z. myōshu, bestormden o.l.v. gunji (commanderiebeambten) de zetel van de provinciale administratie (kokuga).

Het meest bekende incident in dit verband is dat, waarbij commanderie-ambtenaren en boeren in de provincie Owari 尾張, drie jaar lang een actie voeren tegen de gouverneur Fujiwara no Motonaga 藤原元命, en zijn onderdrukking en uitbuiting aan de kaak stellen. Als gevolg van het aanhoudend verzet onder de shōkan-klasse en boerenklasse tegen de provinciale administratie verkregen de shōen vanaf de elfde eeuw het voorrecht van onschendbaarheid (funyū), hetgeen betekende dat de provinciale ambtenaren niet langer de shōen konden betreden om inspectie uit te voeren en corvee op te leggen aan de boeren. Eens het zover was, had de shōen een virtuele autonomie t.o.v. de centrale regering. Ironisch is wel dat de onschendbaarheid hen werd verleend door de hoogste centrale bureaucratie.

De sterken onder de shōkan-klasse en myōshu-klasse waren dus in een voortdurende strijd gewikkeld, tegen de provinciale autoriteiten en ook onderling, zodat ze in toenemende mate gemilitariseerd werden. Ze organiseerden de eigen clanleden en hun onderdanen (kleine myōshu en slaven) in gewapende milities (rōdō 郎等). Op die manier groeiden ze uit tot lokale, en later regionale landheren (ryōshu).

Het publieke land dat overbleef en dus onder controle stond van de provinciale administratie (kokugaryō) maakte een gelijkaardige evolutie mee. Het verwerd ook tot een soort shōen. De provinciale ambtenaren waren niet langer het uitvoerende orgaan van het centrale gezag, maar de plaatselijke beheerders van het domein waar de regering de beschermer (honjo) van was. De hoogste ambtenaar, de gouverneur (kami 長官) bleef trouwens permanent in de hoofdstad (yōnin, lett. benoeming van verre) en bestuurde zijn domein via gevolmachtigden (mokudai 目代 of rusudokorodai 留守所代, genaamd). Van de inkomsten uit zijn domein (provincie) kon de gouverneur een comfortabel en verfijnd leven leiden in de hoofdstad. De gevolmachtigden waren dan plaatselijke landedelen of leden van de centrale aristocratie, maar dan van middenniveau en lager. Zij leidden de provinciale administratie ter plaatse en vestigden zich permanent in de provinciën. En net zoals de beheerders evolueerden ze tot echte militaire landheren. Meer zelfs, ze hadden meestal nog grotere gebieden onder hun bestuur, en waren toch nog altijd bekleed met het gezag van de provinciale ambtenaar. Het is dan ook uit deze klasse dat de grote leiders van de benden krijgers (bushi) voortkomen. De machtigsten waren de Taira-clan en de Minamoto-clan.

Deze twee machtige bushi-clans hadden een merkwaardige ontstaansgeschiedenis. In de Nara-periode was het hof voortdurend verscheurd door interne rivaliteit en twisten tussen de vele prinsen van keizerlijken bloede die elk de troon voor zich opeisten. Om dit tegen te gaan had men het gebruik geïntroduceerd om overtollige leden van de keizerlijke familie te degraderen tot onderdanen en hun familienamen te geven. Volgens dit precedent had een nakomeling van keizer Kanmu, prins Takamochi, in 889 de familienaam Taira gekregen, en was als vice-gouverneur van Kazusa zich gaan vestigen in het gebied. Zijn nakomelingen groeiden uit tot een machtige bushi-clan in het Kantō-gebied. De Minamoto stamden af van keizer Seiwa. De clan ging terug op Minamoto no Mitsunaka die in de tweede helft van de tiende eeuw gouverneur van de province Settsu 摂津 werd. Zij groeiden eerst uit tot een machtige bushi-clan in het Kinai-gebied. In de eerste helft van de elfde eeuw breidden zij hun macht ook uit tot de Kantō-regio en maakten zelfs de Taira tot hun vazallen. Maar van de weeromstuit kwam de Taira-clan van Ise tot grote macht in West-Japan en verdrong de Minamoto.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

de afgetreden keizers

Aftreden om te regeren

Ondertussen kreeg de hoofdstedelijke aristocratie en met name de Fujiwara-clan, meer en meer tegenwind, vooral van de kant van de provinciale ambtenaren, die in toenemende mate met opstandige eigenaars (ryōshu) en pachters (myōshu) te maken kregen, terwijl de regenten als "beschermers" (honjo) royaal van de inkomsten van de shōen konden leven. Het ongeluk wilde bovendien dat de Fujiwara-dochters die aan de keizer als gade werden opgedrongen, geen mannelijke opvolger baarden. Het gevolg was dat in 1068 een keizer op de troon kwam die niet door een Fujiwara-prinses was gebaard: Go-Sanjō 後三条 (1034-1073; reg. 1068-1072). Dit klinkt radicaler dan het in feite was, want beide ouders van Go-Sanjō waren kleinkinderen van Michinaga, maar zijn moeder was de dochter van keizer Sanjō en dus technisch gesproken geen Fujiwara-prinses.

Hier maakten de tegenstanders van de Fujiwara's, geleid door de klasse van de provinciale bestuurders, dankbaar gebruik van om zich rond de keizer te scharen en een zuivering van de shōen te plannen. De keizer was echter verplicht voor iedere beslissing de regent en de ministers te raadplegen. Hij was dus aan handen en voeten gebonden. Keizer Shirakawa 白河 (op de troon van 1072-1086, ex-keizer van 1086-1129) wist die handicap meesterlijk te omzeilen: in 1086 trad hij af, zette zijn zoon Horikawa op de troon en nam zelf de status van "ex-keizer" (jōkō 上皇) aan. Het merkwaardige aan deze actie is dat hij er niet toe leidt dat de afgetreden keizer zich ver van alle politiek houdt, integendeel. Hij blijft nog steeds hoofd van de keizerlijke clan, en in die positie bevoogdt hij de regerende keizer, die nog een kind is. Aangezien hij de vader van de minderjarige keizer is, kan hij de rol van de regent ook terugdringen. Tijdens de periode van de suprematie van de Fujiwara-regenten, gebeurde de opvolging vaak van oudere broer op jongere broer, zodat de troonsopvolging niet in rechte lijn van vader op zoon ging. Om die rechtlijnigheid van opvolging veilig te stellen trad keizer Shirakawa af. In wezen is deze procedure van aftreden dus bedoeld om de troon in dezelfde tak van de keizerlijke clan te houden. Als dit al als een overwinning gezien kan worden, is het toch een zeer bescheidene. De Fujiwara's hadden zoveel van hun dochters aan de keizerlijke clan uitgehuwelijkt dat beide clans in een uitgebreid net van bloedververwantschap verweven zaten. Bovendien was er een sterke tendens om met verwanten te huwen om de macht "in de familie te houden", een praktijk die ook in de hand gewerkt werd door het sterke standenbewustzijn. De keizerlijke clan en de hoogste rangen der aristocratie waakten er angstvallig over alleen met hun gelijken te huwen. Het onvermijdelijke gevolg was een neiging tot inteelt. Opvallend is ook de lage levensverwachting van deze keizerlijke telgen en hun gades. Hoewel dit in de eerste plaats wel aan de algemeen lage levensstandaard en het primitieve niveau van de geneeskunde te wijten geweest zal zijn, kan de neiging tot inteelt de vroegtijdige sterfte in de hand gewerkt hebben. Het is in elk geval opvallend hoeveel keizers een vroegtijdige dood sterven in deze tijd. De strijd die zich aan het hof afspeelt is bijgevolg niet zozeer tussen de keizerlijke clan en de Fujiwara-clan in biologische zin, maar eerder tussen twee beginselen: aan de ene kant dat van de keizer als absolute vorst, heerser over alle land, aan de andere kant dat van de aristocratische clans, die hun eigen macht en bezit willen uitbreiden en versterken. Die twee beginselen worden belichaamd door enerzijds de keizer en anderzijds de regent. De rivaliteit was structureel en men vond overigens leden van de Fujiwara in beide kampen. Wanneer een keizer de troon besteeg (of meerderjarig werd, indien hij al als kind op de troon zat), placht hij een zogenaamd "nieuw regime" (shinsei 新制) af te kondigen. Daarin maakte hij melding van de afschaffing van shōen, het symbool bij uitstek van het privé-bezit in handen van de aristocratie. Een keizer die de troon besteeg, wilde met een schone lei beginnen, en dat betekende naast vele andere dingen de afschaffing van privé-bezit. Daarmee bevestigde hij het oeroude principe dat de keizer eigenaar is van alle land. Hoewel dat in toenemende mate niet meer dan een vrome wens was, bleef het het belangrijkste richtsnoer voor het keizerlijke handelen tijdens de Heian-periode. Het "nieuwe regime" dat uitgevaardigd werd maakte deel uit van de kyakushiki-hō 格式法, de wetgeving in de Heian-periode, die als een amendering en uitbreiding van de Ritsuryō moet gezien worden. Het "nieuwe regime" was steevast doordrongen van het grote Confuciaanse ideaal van het "deugdzame bestuur" (tokusei 徳政): dat is een bestuur dat met een schone lei begint, dat vernieuwt door naar het verleden terug te grijpen.

In zijn paleis (in 院), dat door zijn eigen paleiswacht bewaakt werd, richtte Shirakawa zijn eigen administratie in (in no chō 院庁) en bemande ze met zijn vertrouwelingen, mensen uit de klasse van de provinciale administratie. Dit is het begin van het zogenaamde "In-bestuur" (insei 院政), dat duurde van 1086 tot 1185. Keizers Toba 鳥羽 en Go-Shirakawa 後白河 volgden zijn voorbeeld. Alle drie probeerden als absolute vorsten te regeren en slaagden daar ook tot op zekere hoogte in. Zij vaardigden officiële besluiten uit die meer gezag hadden dan die van de keizerlijke regering zelf. Het In-bestuur voerde een zuivering van alle domeinen door, door shōen met ongeldige documenten af te schaffen. De maatregel was in de eerste plaats gericht tegen de Fujiwara's. De geconfisceerde domeinen werden omgevormd tot zogenaamde chigyōkoku 知行国, dit waren provinciën waarvan de inkomsten voor een bepaalde termijn toegekend werden aan de keizerlijke familie of de hoge aristocratie uit hoofde van hun officieel ambt, (ter vervanging van de stipendia voor ambtenaren onder het Ritsuryō-regime.)

Van dienaars tot meesters

De Fujiwara-regenten hadden de gewoonte om beroep te doen op de krijgers (bushidan) van de Minamoto-clan als hun "dienaars" (samurai 侍). Toen de "ex-keizers" het voor het zeggen hadden kozen zij als hun samurai of persoonlijke garde krijgers van de Taira-clan. Naarmate de samenleving verder gemilitariseerd werd, wonnen de krijgsbenden aan belang en werkten zich meer en meer op de voorgrond. Bij de dood van ex-keizer Toba (leefde van 1103 tot 1156), brak er een machtsstrijd uit tussen enerzijds diens tweede zoon en regerend keizer Go-Shirakawa en de regent Fujiwara no Tadamichi en anderzijds de ex-keizer Sutoku 崇徳 (leefde van 1119 tot 1164) en de Minister van Links Fujiwara no Yorinaga 藤原頼長. Sutoku en Yorinaga deden een beroep op de legers van Minamoto no Tameyoshi 源為義 en van Taira no Tadamasa 平忠正, neef van Taira no Kiyomori 平清盛, terwijl de andere partij gesteund werd door Minamoto no Yoshitomo 源為朝 en Taira no Kiyomori. In één dag werd de strijd beslecht in het voordeel van de keizer en regent. Deze gebeurtenis is bekend als het Hōgen-incident (Hōgen no ran 保元の乱). Sutoku werd verbannen, Yorinaga stierf aan de opgelopen verwondingen en Minamoto no Tameyoshi werd door zijn zoon Yoshitomo gedood. Toch was dit voor de keizer en regent slechts een Pyrrusoverwinning. De echte overwinnaars waren de leiders van de krijgsbenden en dan vooral Taira no Kiyomori (1118-1181). Keizer Go-Shirakawa gaf hem een belangrijke positie aan het hof en zijn macht groeide gestaag. Dit was helemaal niet naar de zin van Minamoto no Yoshitomo 源義朝 die in 1159 tijdens de afwezigheid van Taira no Kiyomori een staatsgreep beraamde. Toen deze van het gebeuren op de hoogte werd gebracht, snelde hij naar de hoofdstad terug en versloeg de samenzweerders (“Heiji-incident”, Heiji no ran 平治の乱). Yoshitomo vluchtte naar het oosten maar werd onderweg vermoord. Zijn 13-jarige zoon Yoritomo 頼朝 werd naar Izu 伊豆 verbannen.

Suprematie van de Taira

De twee voornoemde incidenten brachten een zware slag aan de Minamoto toe en legden de grondslag voor de alleenheerschappij van de Taira. In 1167, nauwelijks acht jaar later, werd Kiyomori tot Kanselier (daijōdaijin) benoemd en kregen zijn familieleden eveneens belangrijke posten toebedeeld. De Taira-clan probeerde in alle opzichten in de voetsporen van de Fujiwara-clan te treden. Slechts drie maanden nadat hij tot Kanselier benoemd was, plaatste hij een prins op de troon (keizer Takakura 高倉) die geboren was uit de unie van keizer Go-Shirakawa en de jongere zus van zijn vrouw, en drong de nieuwe keizer zijn eigen zus als concubine op.

Ook op economisch vlak was er veel gelijkenis tussen de Taira en de Fujiwara. De Taira bezat meer dan 500 shōen in het gebied van de hoofdstedelijke provinciën en West-Japan, en had meer dan 30 provinciën als chigyōkoku. Een halve eeuw eerder nog had de aristocratie neergekeken op de onbeschaafde en ruwe krijgers van de Taira. Nu bekleedden zij de hoogste posities in het land. Deze ommezwaai weerspiegelde en bevestigde de totaal gewijzigde machtsverhoudingen die zich reeds gedurende meer dan een eeuw in de Japanse samenleving aan het aftekenen waren.

Het Taira-bewind vormt de overgang van de oude keizerlijke staat naar de middeleeuwse feodale staat, die in de eerste plaats gekenmerkt wordt door de suprematie van de militaire klasse. In de chigyōkoku stelde Kiyomori plaatselijke krijgsadel als provinciale ambtenaren aan en zelfs in een gedeelte van de shōen van de aristocratie benoemde hij zijn militaire vazallen tot "rentmeester" (jitō 地頭). Deze ambtenaar stond in voor het beheer van het landgoed en de inning der belastingen. Dit wijst duidelijk op Kiyomori's consistente pogingen om de machtsstructuur rond leden van de militaire klasse te doen kristalliseren.

De Genpei-oorlogen

  1. DOORVERWIJZING Genpei-oorlogen

De alleenheerschappij van de Taira bleef niet onbetwist. Het verzet kristalliseerde zich rond de aartsrivalen van de Taira, de Minamoto. In 1180 bracht Minamoto no Yoritomo (1147-1199), destijds naar Izu verbannen, in diezelfde streek een leger op de been om tegen de Taira ten strijde te trekken. Eén voor één sloten krijgsbenden uit de Kantō-streek zich bij hem aan. Hij was nu de onbetwiste regionale leider van Kantō, en bouwde in zijn hoofdkwartier te Kamakura 鎌倉 een heuse administratie uit.

Centraal hierin stond het "Bureau der Krijgslieden" (samurai-dokoro 侍所), dat met de controle over de vazallen (gokenin 御家人) belast was. Dit waren soms machtige krijgers, die op hun beurt gezag uitoefenden over talrijke ondergeschikte krijgslieden en uitgestrekte landerijen bezaten. Als vazal stonden zij in een persoonlijk verband van trouw en dienstbaarheid tegenover de heer van Kamakura. Zij hadden de plicht mee te doen aan de militaire campagnes van hun heer. In ruil daarvoor garandeerde hij hun recht van bezit over hun landerijen. Hadden zij bijzondere verdiensten op hun actief, dan kregen zij als speciale gunst de inkomsten van een shōen-beheerder (shōkan) e.d.

Nadat de Minamoto-legers bij de rivier Fujikawa 富士川 de Taira-legers een eerste nederlaag hadden toegebracht, kwamen overal in Japan krijgsbenden tegen de Taira in opstand. Tot overmaat van ramp stierf Kiyomori in 1181. Nu waren de Taira zonder sterk leiderschap. In 1183 vielen Minamoto-legers o.l.v. Yoshinaka 義仲 Kyōto binnen en vluchtten de Taira met de kind-keizer Antoku安徳 (leefde van 1178 tot 1185) naar het westen. De listige Go-Shirakawa probeerde nu tweedracht te zaaien onder de Minamoto en zette Yoritomo op tegen Yoshinaka, die zich in de hoofdstad misdragen had. Yoritomo stuurde zijn twee jongere broers Noriyori 範頼 en Yoshitsune 義経 uit als generaals om Yoshinaka te straffen. Hijzelf bleef ondertussen in zijn thuisbasis Kamakura, waar hij de institutionele basis van zijn gezag verder uitbouwde. In 1184 richtte hij het "Bureau der Documenten" (Kumonjo 公文所) op, dat alle documenten i.v.m. bezit, pachtrenten e.d. controleerde en alle zaken van financiële en algemene aard beheerde. Om geschillen tussen zijn vazallen op te lossen creëerde hij een "Gerechtelijk Bureau" (Monchūjo 問注所).

In 1184 versloeg Yoshitsune Yoshinaka. Dadelijk daarna startte hij een grootscheepse campagne tegen de Taira, die hij in meerdere veld- en zeeslagen versloeg, tot hij ze in 1185 in de zeeslag bij Dan no Ura 壇ノ浦 definitief vernietigde. Nu zette Go-Shirakawa Yoshitsune op tegen Yoritomo, en gaf de eerste het bevel de laatste uit te schakelen. Yoshitsune slaagde er echter niet in voldoende aanhangers rond zich te verzamelen om tegen Yoritomo ten strijde te trekken. Met een klein groepje van aanhangers moest hij zelfs onderduiken. Yoritomo dwong de keizer nu het bevel om te keren en hem te gelasten met het uitschakelen van Yoshitsune. Bovendien erkende de keizer het recht van Yoritomo om in de provinciën politiecommissarissen (tsuibushi later herdoopt tot shugo 守護) en rentmeesters (jitō) aan te stellen, zogezegd om de rebel Yoshitsune en zijn trawanten op te sporen.

De politiecommissarissen hadden als taak de orde en de wet in de provinciën te handhaven en het gezag te voeren over de paleiswacht, die werkte volgens een roterend systeem en die samengesteld was uit de provinciale vazallen van Yoritomo. Hij benoemde zijn trouwste generaals op deze posten. De rentmeesters (jitō) waren in oorsprong een groep van shōen-beheerders (shōkan), maar nu werden zij in alle provinciën aangesteld, zowel op publieke domeinen als op shōen. Zij moesten in de eerste plaats graanbelastingen inzamelen die dienden voor de proviandering van de troepen. Naderhand breidden zij hun bevoegdheid tot het handhaven van de orde en het beheer van de landerijen uit. Vanuit een zuiver wettelijk standpunt gezien werden de provinciale ambtenaren (kokushi) en de rechten van beschermers (honjo) en grootgrondbezitters (ryōke) niet afgeschaft, maar alle vitale functies gingen geleidelijk over in handen van de rentmeesters (jitō). Aangezien deze personen vazallen waren van de heer van Kamakura, betekende zulks de facto dat deze laatste indirect het hele rijk controleerde via zijn eigen instellingen, die parallel bestonden naast de traditionele keizerlijke staatsstructuur. Dit is een bijzonder kenmerk van de Japanse middeleeuwse geschiedenis. Omdat de parallelle machtsstructuur uitging van een militaire leider, in casu Yoritomo, (die naderhand de titel kreeg van opperbevelhebber of shōgun) spreekt men van "Bakufu" 幕府, wat in oorsprong “legerhoofdkwartier” betekent, maar hier een uitgebreide betekenis krijgt: nl. militair bestuur over Japan.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Heian-cultuur

Heian Cultuur - Algemene Kenmerken

De twee meest opvallende kenmerken van de Heian-cultuur zijn haar hoofse karakter en haar toenemende onafhankelijkheid ten overstaan van het Chinese voorbeeld. Het ware echter eenzijdig de Heian-cultuur in haar geheel onder die twee aspecten te willen onderbrengen. Dat het hoofse karakter zo opvalt is gedeeltelijk toe te schrijven aan het feit dat wij het beste geïnformeerd zijn over de hoofse kringen en de hoofdstedelijke aristocratie. Dat het er daarbuiten heel wat minder hoofs aan toe ging, staat buiten kijf, alleen hebben wij veel minder bronnen over die andere maatschappelijke groepen. Bovendien was op het gebied van cultuur de aristocratie uiteraard de meest productieve maatschappelijke groep. Wij mogen bijgevolg niet uit het oog verliezen dat wij in feite over de cultuur van een heel klein segment van de toenmalige Japanse bevolking aan het spreken zijn.

Evenmin mag men uit de voorgaande karakterisering afleiden dat Japan de Chinese cultuur over boord gooide. Niets is minder waar, en het ware bovendien ook niet mogelijk geweest, net zomin als de West-Europese cultuur denkbaar is zonder de Grieks-Romeinse en Joods-Christelijke erfenis. De negende eeuw was trouwens een periode van intense sinofilie. Wat wij echter bedoelen, is dat de leidende maatschappelijke groep, degenen die geletterd waren, minder en minder de Chinese cultuur als norm hanteren. Ook al is de klei van Chinese oorsprong, zij boetseren er een beeld naar eigen gelijkenis mee. Zij ontwikkelen een andere literaire en artistieke smaak dan de Chinezen, vervlechten elementen van Chinese oorsprong met inheemse tradities en, wellicht het belangrijkste van allemaal, gaan voor bepaalde vormen van literaire expressie de Japanse taal gebruiken.

Er heerste een eigenaardige en, het weze gezegd, gebrekkige vorm van tweetaligheid onder de Japanse aristocratische bevolkingslaag. Eigenaardig, omdat zij zich nooit van het Chinees als gesproken communicatiemiddel bediende. Het Chinees was een geleerde schrijftaal, in nog grotere mate dan het Latijn tijdens onze Middeleeuwen en Renaissance. Voor de Japanners was het nooit een levende taal, en daarom kenden de meesten haar maar gebrekkig. Iedereen sprak dus altijd Japans, maar deze taal werd tijdens de Nara-periode niet adequaat geacht als algemene schrijftaal. Vanaf de Heian-periode echter neemt het gebruik van het Japans als middel tot literaire expressie spectaculair toe. Dit hield niet in het minste verband met de uitvinding van een reeks eenvoudige symbolen voor het weergeven van de Japanse klanken, het welbekende kana 仮名 (tweede helft 9de eeuw).

Ook hier moeten wij weer waarschuwen voor veralgemening. Het Japans verdrong het klassiek Chinees als schrijftaal niet. Dit laatste bleef de taal van veel administratieve stukken, van de meeste godsdienstige teksten, van alles wat toen als wetenschap kon doorgaan, en in het algemeen van de mannenwereld en het publieke leven, hoewel hier dadelijk aan toegevoegd dient te worden dat het vaak een verjapanste vorm van klassiek Chinees (hentai kanbun 変体漢文) was. Het waren vooral vrouwen die zich, bij gebrek aan kennis van het Chinees, van het Japans gingen bedienen, en omdat zij geen publieke rol van betekenis speelden, schreven zij privé-dagboeken en een soort romaneske verhalen, die opvallen door hun poëtische zegging en verbluffende psychologische diepgang. Met de toenemende verspreiding van het Boeddhisme onder de bevolking groeide ook daar de nood aan teksten in de "volkstaal."


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

het boeddhisme

De Nara-clerus verliest haar monopolie

Het boeddhisme tijdens de Nara-periode was in hoofdzaak een staatsaangelegenheid. Vanaf het begin van de zevende eeuw werden boeddhistische rituelen in de oorspronkelijk shintoïstische hofceremonieën geïncorporeerd. De kokubunji 国分寺 speelden een belangrijke rol in het consolideren van de politieke eenmaking. Nara telde een aantal grote tempels, waar alleen telgen van aristocratische families intraden, en die grote rijkdom en economische macht hadden. Het waren centra van exegetische studie en geleerdheid in het algemeen. Zij specialiseerden zich in bepaalde strekkingen van de boeddhistische "theologie". Daarom spreekt men vaak van "scholen". Traditioneel onderscheidt men er zes.

De verplaatsing van de hoofdstad in 794 naar Heian-kyō had een grote impact op de boeddhistische "kerk". De Nara-scholen kregen verbod mee te verhuizen en verloren hun monopolie. Twee nieuwe scholen (of: sekten) zagen het levenslicht: de door Saichō 最澄 (767-822) gestichte Tendai-school 天台宗 en de Shingon-school 真言宗, gesticht door Kūkai 空海 (774-835). Beide stichters maakten, onafhankelijk van elkaar, een studiereis naar China om er de boeddhistische doctrine grondig te bestuderen. De Chinese hoofdstad Chang-an 長安 en enkele grote monastieke centra golden als een soort Rome voor de Japanse boeddhisten. Na hun terugkeer bouwden zij hun hoofdkwartier op een berg: Saichō op de berg Hieizan 比叡山, nabij de hoofdstad, Kūkai op de berg Kōyasan 高野山. Beide patriarchen genoten de bescherming van het hof, omdat zij met hun magische rituelen en gebeden van de Boeddha's rust en vrede over het land afsmeekten.

Beide scholen staan een syncretistische visie op de boeddhistische leer voor. Zij bedachten beide een alomvattend systeem, waarin opvattingen en leerstellingen van alle strekkingen, zowel boeddhistische als niet-boeddhistische, opgenomen konden worden. Deze denksystemen vormden naderhand nog de theoretische grondslag voor een versmelting van het boeddhisme met het inheemse Shintō. Shingon is de Japanse versie van het Tantrisme, het esoterische Boeddhisme, maar ook Tendai is er bijzonder sterk door beïnvloed.

Tendai

Tendai is de Japanse vorm van het Chinese Tiantai 天台, de naam van een berg in China, waar zich het centrum van een boeddhistische sekte bevond die haar naam aan die berg ontleende. Hier was het dat Saichō ging studeren en dat hij talrijke geschriften verzamelde die hij naderhand naar Japan meenam. Het bekende Lotus-sūtra is de belangrijkste schriftuur voor Tendai. Volgens Saichō waren de diverse boeddhistische doctrines slechts ogenschijnlijk met elkaar in tegenspraak. In laatste instantie waren zij alle uitdrukking van de ene waarheid.

Eén van Saichō's belangrijkste verwezenlijkingen was de instelling van eigen uit de Mâhâyâna-traditie afkomstige orderegels om novices te wijden in zijn eigen klooster op de berg Hieizan, onafhankelijk van de klerikale bureaucatie van de oudere Nara-scholen. Tot dan toe waren alle Japanse priesters gewijd geworden volgens de orderegels van het Hînayâna, op het wijdingsplatform van Nara. Door herhaalde remonstranties vanwege de Nara-clerus hield de regering haar goedkeuring lange tijd in en het was slechts bij zijn dood dat Saichō's wijdingsplatform erkend werd. Van dat ogenblik af is het Tendai-centrum op de berg Hieizan uitgegroeid tot het Mekka van het Japanse Boeddhisme. Het is dan ook niet toevallig dat de drie belangrijkste stromingen van de Kamakura-periode (1185-1333) – de sekten van het Reine Land, de Zen-sekten en de Nichiren-sekte – uit deze school voortgesproten zijn.

De Tendai-sekte maakte, zoals de Shingon-secte, gebruik van esoterische riten met magisch karakter, maar haar voornaamste bijdrage tot de geschiedenis van het Japanse Boeddhisme was doctrinair en filosofisch. De centrale leerstelling van het Tendai-denken is de theorie van de hongaku hōmon 本覚法門: de verlichting is niet iets dat moet gerealiseerd worden door geleidelijke overwinning van onze gehechtheid aan wat uiteindelijk illusoire fenomenen zijn, maar iets dat moet ontdekt worden als in onszelf aangeboren.


Shingon

Het woord shingon is een vertaling van de Sanskrietterm mantra d.i. de belichaming in klank van een goddelijke kracht, die in staat is om geestelijke en wereldlijke effecten te sorteren. Deze vorm van Boeddhisme is afgeleid van het Tantrisme. In zijn jeugd legde Kūkai zich toe op de studie van Confucianisme en Taoïsme, maar hij bleef onbevredigd, tot hij uiteindelijk het antwoord op zijn metafysische vragen in het Boeddhisme vond. Deze zoektocht leidde hem naar China waar hij in de hoofdstad van de Tang, Chang-an de persoonlijke discipel werd van de zevende patriarch van het Tantrisme Hui-guo 惠果. Hij was zo briljant dat hij zelfs door zijn Chinese meester als zijn opvolger, de achtste patriarch van de tantristische traditie, werd aangewezen.

Kūkai werkte een synthese uit waarin hij alle boeddhistische en niet-boeddhistische leerstellingen samenvatte in tien trappen, gaande van rudimentair religieus bewustzijn tot de volmaakte staat van zelfvoltooiing in het tantristische Boeddhisme. Volgens het Tantrisme is de absolute waarheid symbolisch aanwezig in alle fenomenen, waarvan drie bij uitstek: de mantra, de mandala en de mudrâ. Een mantra is een soort litanie waaraan magische krachten toegeschreven worden. Met mandala bedoelt Kūkai een schematische voorstelling van de ware orde van het universum in de vorm van boeddhistische beeltenissen of symbolen daarvan. Mudrâ is de naam voor een reeks van rituele handgebaren die een bepaalde religieuze waarheid symbolisch voorstellen. Een ander belangrijk leerpunt van Kūkai is de gedachte dat de mens intrinsiek in staat is door de genade van Mahâvairocana en door eigen inspanning deel te hebben aan de absolute realiteit van Mahâvairocana, de kosmische belichaming van de waarheid, hetgeen dan vertaald wordt in het motto: "Verlicht worden in dit bestaan zelve".

Synthese van shintoïsme en boeddhisme

Het waren de syntheses van Saichō en Kūkai die de theoretische grondslag vormden van het Shintoïstisch-boeddhistische syncretisme, dat culmineerde in de theorie van de Honji-suijaku 本地垂迹 (de manifestatie van het oorspronkelijke noumenon). Volgens deze theorie zijn de shintoïstische kami secundaire manifestaties van bepaalde Boeddha's en Bodhisattva's. Shingon verdeelde het universum in twee delen, voorgesteld door de twee mandala's, de diamant-sfeer en de matrix-sfeer genaamd. Shintoïstische goden werden beschouwd als behorende tot de twee pantheons van deze mandala's. Dit syncretisme wordt Ryōbu-shintō 両部神道 genoemd.

Tendai van zijn kant stelde dat Shintoïsme en Boeddhisme oorspronkelijk één en hetzelfde waren, en dit concept werd Sannō-ichijitsu-shintō 山王一実神道 genoemd. Zowel Saichō als Kūkai vonden het normaal om Shintoïstische goden en Boeddha te vereren in hetzelfde heiligdom. Later zouden Shintoïstische scholastici de theorie van de Honji-suijaku omkeren en beweren dat de kami het originele noumenon waren en de Boeddha's en Bodhisattva's de secundaire manifestatie.


Hergeboorte in het Paradijs

In China, Korea en Japan beleefde de leer van het Reine Land en vooral die van het "Reine Land van het Westerse Paradijs van Amida 阿弥陀" een uitzonderlijke populariteit. Deze leer, ook aanvaard door de Tendai-sekte, oefende een bijzondere aantrekkingskracht uit op de aristocratie tijdens de Heian-periode. In dit milieu aspireerde men ernaar om het (aangename) leven op aarde te kunnen voortzetten in de andere wereld. De kunstwerken van het Reine Land van Amida, waarvan het Paviljoen van de Feniks in de Byōdōin te Uji het beste voorbeeld is, geven vorm aan de wens van de heersende intelligentsia, die de sfeer van een dergelijk paradijs niet alleen wilde creëren maar ook zelf proeven. Tijdens de tweede helft van de Heian-periode breidde deze leer zich ook naar de volksklassen uit. Ze werd vooral gepropageerd door rondreizende monniken. Ze zal uiteindelijk tijdens de Kamakura-periode leiden tot de stichting van de Sekte van het Reine Land en de Ware Sekte van het Reine Land (Jōdoshū 浄土宗 en Jōdo-shinshū 浄土真宗).


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Heian-literatuur

Vrouwen schrijven in het Japans

Tijdens de Heian-periode neemt de literatuur een hoge vlucht. Terwijl het Chinees of een verjapanste versie ervan door mannen gebezigd wordt voor het schrijven van non-fiction, officiële documenten, dagboeken en sociale kritiek, maken hooggeboren dames gebruik van het Japans om zich onledig te houden met het schrijven van fictie, privé-dagboeken en analyses van het innerlijke en emotionele leven. De meeste door mannen geschreven geschriften hebben voor ons alleen nog maar historisch belang. Veel van de door vrouwen in kana te boek gestelde beschrijvingen en ontboezemingen bleken van zo'n hoog literair gehalte te zijn, dat ze ook nog de gesofisticeerde lezer van de twintigste eeuw in de ban weten te houden.

Veruit het belangrijkste literaire werk uit de Heian-periode is het lange romaneske verhaal getiteld Genji-Monogatari 源氏物語, geschreven door Murasaki Shikibu 紫式部, een verre achternicht van Fujiwara no Michinaga. Zij behoorde bijgevolg tot een familie met een ontzagwekkende traditie van geleerde studies, en artistieke en literaire activiteit. Waarschijnlijk meer dan de helft van alle dichters en schrijvers uit de tijd van Murasaki Shikibu waren met de Fujiwara's verwant. De Fujiwara-clan was, buiten de keizerlijke clan, de belangrijkste van het land. Omdat die zo uitgebreid was, bestond er binnen de clan zelf een gedifferentieerde hiërarchie. Murasaki Shikibu was afkomstig van een jongere tak van de familie, die tot het tweede niveau van de hofadel behoorde. Haar vader bekleedde enkele eerder bescheidene ambten in de hoofdstad en was tweemaal provinciaal gouverneur. Hij was ambitieus en zag erop toe dat zijn kinderen een goede opvoeding genoten. Hij gaf zijn zoon een grondige opleiding in de Chinese klassieken.

De mannenwereld en vrouwenwereld waren helemaal gescheiden. Hofdames behoorden weliswaar tot de heersende klasse, maar waren totaal van de macht uitgesloten. Zij waren ook totaal van de mannenwereld en de buitenwereld afgesloten. De grenzen van het hof waren de grenzen van haar wereld. Door haar administratieve taken had de mannelijke aristocratie nog contact met de niet-adellijke buitenwereld. Vrouwen niet. In de vrouwenliteratuur van de Heian-periode komt dan ook zelden of niet een personage van lage afkomst voor. Men vindt er evenmin beschrijvingen van de politieke en sociale toestanden in de provinciën, noch van de landschappen of de levensstijl en de gevoelswereld van het gewone volk.

Voor een meisje was te veel kennis van het Klassiek Chinees geen troef, integendeel. Het werd als ongepast en onvrouwelijk beschouwd. Het rollenpatroon werd tot in de taal doorgetrokken. Dit weerhield Murasaki Shikibu er echter niet van om Chinees van haar broer te leren. Om Chinese boeken te kunnen lezen moest zij de afkeuring van andere hofdames en kamermeiden trotseren. Uit anekdotes blijkt zelfs dat sommige mannen een afkeer hadden van vrouwen die Chinese termen in hun taalgebruik opnamen, want dat vonden zij onvrouwelijk.

Thematiek van Genji Monogatari

  1. DOORVERWIJZEN Genji-Monogatari


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Heian-beeldende kunsten

Japanse vormtaal: wayō 和様

De beeldende kunsten staan in dienst van de uitbeelding van het boeddhistische wereldbeeld. Voor de tempels en andere oorden van eredienst worden talloze beelden van boeddha's, bodhisattva's, of goden uit het boeddhistische pantheon in hout gesneden, of op hout, papier of zijde geschilderd.

Reeds tijdens de Nara-periode was er een intense activiteit op het vlak van de beeldende kunsten, maar de kunstenaars waren toen nog sterk door Chinese voorbeelden beïnvloed en maakten gebruik van dezelfde materialen en technieken als de Chinezen. In de Heian-periode stappen zij geleidelijk af van materialen die in Japan schaars of afwezig zijn, en gaan die vervangen door hout, een materie die overvloedig aanwezig is. Hout wordt hun medium bij uitstek. Zij gaan bovendien experimenteren met technieken die beter aan het typisch Japanse materiaal aangepast zijn. Het resultaat is een Japanse vormtaal (wayō), die aan een nieuwe esthetiek en sensibiliteit beantwoordt. Het Tantrisme met zijn uitgebreide pantheon en zijn nadruk op symboliek was een grote stimulans voor de vervaardiging van beelden, schilderijen en mandala's. De productie was enorm.

Elegant visioen van het paradijs

De vierhonderd jaren van de Heian-periode waren een tijd van grote stijlveranderingen. Tijdens de negende eeuw, in de kunstgeschiedenis ook wel de Kōnin-Jōgan-periode 弘仁貞観時代 genoemd, snijden de beeldhouwers volumineuze beelden uit één stuk hout. Er gaat een gewijde, strenge en hiëratische sfeer van uit. Tijdens de Fujiwara-periode (10de tot 12de eeuw) zorgt de grote meester Jōchō 定朝, actief in het midden van de elfde eeuw, voor een ingrijpende vernieuwing. Hij maakt zich vrij van de Chinese en Koreaanse invloeden en ontwikkelt een hoofse en verfijnde stijl, bekend als wayō (Japanse stijl). Onder de bescherming van de Fujiwara-familie snijdt hij voor vele tempels in Heian-kyō en omgeving cultusbeelden. Men neemt aan dat hij meer dan honderd sculpturen maakte. In de loop der tijden is vrijwel zijn gehele oeuvre verloren gegaan, behalve de zittende Amida in het Paviljoen van de Feniks in de Byōdōin te Uji 宇治, en de 51 kleine beeldjes van aanbiddende bodhisattva's in hetzelfde paviljoen. Hij zou ook de uitvinder of minstens de pionier van de assemblagetechniek geweest zijn, die juist een veel elegantere en secure vormgeving mogelijk maakte.

Fujiwara no Yorimichi (990-1074), de machtigste persoon in het Japan van zijn tijd, stichtte op één van zijn domeinen de tempel Byōdōin 平等院. Het religieuze complex omvatte onder meer het paviljoen van Amida, dat werd voltooid in 1053 en dat nadien het Paviljoen van de Feniks (Hōōdō 鳳凰堂) werd genoemd. Dit gebouw werd ontworpen als een aardse afspiegeling van het paleis van Amida in zijn Paradijs van het Westen. Dit is de plaats waar de aristocraten, aanhangers van het amidisme, hoopten herboren te worden. Het belangrijkste beeld van het Paviljoen is het (boven vermelde) door Jōchō gesneden monumentale beeld van Amida (H. 283,9 cm). Dit paviljoen was voor Yorimichi een manier om vooruit te lopen op de ontvangst die hij hoopte te krijgen bij de Boeddha Amida op het ogenblik van zijn overlijden. De decoratie van de zaal, in het midden waarvan het beeld van Amida staat, beantwoordt eveneens aan deze hoop. Op de wanden en deuren bevinden zich namelijk geschilderde scènes van het Reine Land in het Westen, zoals de canonieke teksten ze beschrijven.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Kamakura-periode (1185-1333)

Inleiding

De periode tussen de laatste decennia van de twaalfde eeuw en de tweede helft van de zestiende eeuw noemen de historici de Japanse Middeleeuwen. Dit is het tijdperk van de samurai of bushi, de krijgersklasse. Haar macht wordt zo groot dat zij in staat zijn een militair bestuur in het leven te roepen. Dat gebeurt voor het eerst op het einde van de twaalfde eeuw, wanneer een militair leider te Kamakura 鎌倉 het zogenaamde bakufu 幕府 (letterlijk: militair hoofdkwartier) opricht (1192). Later zal er nog een bakufu opgericht worden, te Kyōto, in de wijk Muromachi 室町 en te Edo 江戸.

Het bakufu te Kamakura kon het land niet op eigen houtje regeren. Het diende nog tot op zekere hoogte zijn macht met het keizerlijk hof te Kyōto te delen, een toestand die men als een dyarchie kan bestempelen. Het bakufu dat de Ashikaga 足利-familie in 1336 te Kyōto stichtte, hoefde zich nog nauwelijks om de wensen van het hof te bekreunen. Vanaf de eerste helft van de vijftiende eeuw beheerste de krijgersklasse in verregaande mate het openbare leven. Het keizerlijke gezag werd bijna volledig door het bakufu gemanipuleerd en diende in de eerste plaats om de macht van deze laatste te wettigen. Het door de Tokugawa 徳川 in 1600 gestichte bakufu was de bekroning van de macht van de krijgersklasse. Het keizerlijk hof komt, op enkele incidenten na, niet meer in het verhaal voor. Het hof eet uit de hand van het bakufu.

Tijdens de Middeleeuwen evolueren de shōen en de staatsgrond geleidelijk tot leengoederen. Shōen waren geprivatiseerde akkers en erven, die tegen het einde van de twaalfde eeuw de voornaamste inkomstenbron waren voor het keizerlijk hof, de aristocratie en de tempels. Zoals wij reeds uiteengezet hebben, namen ook krijgers deel aan dit privatiseringsproces. Zij wierpen zich op als de bestuurders en managers die ter plaatse ten behoeve van de aristocratie de shōen leidden. Zij breidden ook hun invloed over de staatsakkers uit. In ruil genoten zij van bepaalde rechten op het door hen bestuurde land. Maar op allerlei wettelijke en sluikse manieren vergrootten zij hun aanspraken op dat land. Zo usurpeerden zij steeds meer rechten op het land. Steeds meer staatsgronden werden aan de controle van het burgerlijke gezag in de hoofdstad onttrokken en kregen een status die de shōen benaderde. Shōen waren de ruif waaruit zowel de hoofdstedelijke aristocratie als de plaatselijke krijgersklasse aten, ten nadele van de staat.

Met de stichting van het bakufu te Kamakura ging de usurpatie van rechten op shōen en staatsgronden door krijgers een nieuwe fase in. De staat was niet langer het enige slachtoffer, ook de aristocratie begon er fel onder te lijden. Tijdens de Muromachi-periode ondergingen de shōen en de staatsgronden een transformatie: zij werden leengoederen in handen van de krijgersklasse. De krijgers waren nu regionale en lokale machthebbers.

Hun usurpatie werd nu echt agressief, zodat er tegen het midden van de zestiende eeuw nog maar weinig shōen en staatsgronden meer overbleven.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Consolidatie van de macht van het bakufu

Volledige feodalisering van Japan

De macht ontglipt de Minamoto

Na de vernietiging van de Taira consolideerde Yoritomo stap voor stap zijn macht. Onder het voorwendsel de laatste haarden van Taira-verzet uit te roeien, stelde hij in alle provinciën van Kyūshū politiecommissarissen (sō-tsuibushi 総追捕使) aan. In 1189 schakelde hij zijn jongere broer Yoshitsune uit en in 1192, bij de dood van Go-Shirakawa kreeg hij officieel de titel van ‘shōgun.

De economische grondslagen van het bakufu-regime vertoonden ondanks alles veel gelijkenis met die van de Taira. Enerzijds waren er de shōen die het van de Taira geconfisqueerd had, en de chigyōkoku die Yoritomo in het Kantō-gebied verworven had. Anderzijds waren er de shōen waar hij het recht had rentmeesters (jitō ) te benoemen. Dit systeem verschilt niet wezenlijk van de aristocratische bezitsvorm, zoals die tijdens de Heian-periode was gegroeid. Yoritomo's macht lag in de eerste plaats in het feit dat hij de eigenaars van rechten op land, met name de gemilitariseerde beheerders en naambezitters (myōshu), die praktisch voor de productie instonden, die het volk controleerden en over een militaire macht beschikten, aan zich als zijn vazallen (gokenin) wist te binden.

Na Yoritomo's dood in 1199 ontstond er een machtsstrijd tussen zijn voornaamste vazallen. De familie van zijn weduwe, Hōjō Masako 北条政子 (1157-1225), wist het laken naar zich toe te trekken. Haar vader werd in 1203 regent (shikken 執権) van het Administratief Bureau (kumonjo, later mandokoro genoemd), de hoogste positie in de bakufu-administratie. De Hōjō-familie wist deze positie te monopoliseren tot aan het einde van het Kamakura-bakufu in 1333. De shōgun diende alleen nog als een soort façade en had niet de minste feitelijke macht meer. In 1219 reeds waren alle directe nakomelingen van Yoritomo uitgeschakeld. Een Fujiwara-hoveling, twee jaar oud en vaag met Yoritomo verwant werd uit Kyōto gehaald om als shōgun dienst te doen. Vanaf 1252 waren het prinsen van den bloede die tot "shōgun" benoemd werden. De Hōjō waren nu meer dan ooit heer en meester.

Het Jōkyū-incident (承久の乱)

Keizer Go-Toba 後鳥羽 (1180-1239) deed in 1198, op achttienjarige leeftijd, troonsafstand. Hij koesterde de ambitie om de dyarchie ongedaan te maken. Dit was natuurlijk de droom van elke keizer die met de dyarchie te maken kreeg, maar Go-Toba deed er ook wat aan. Als ex-keizer ontwikkelde hij een koortsachtige activiteit om zijn machtsbasis uit te breiden en hij slaagde daar aardig in ook. Zijn In-no-chō werd de voornaamste instantie van politieke besluitvorming in de hoofdstad, en hij rekruteerde vazallen van het bakufu en andere krijgers voor zijn persoonlijke wacht. In 1221 voelde hij zich sterk genoeg om een confrontatie met het rivaliserende machtscentrum Kamakura aan te gaan. Hij vaardigde een decreet uit dat tot een strafexpeditie tegen de Hōjō opriep. Hij misrekende zich echter schromelijk. Zijn troepen bleken weinig samenhang te hebben en weinig strijdlust, aangezien er ook weinig buit in het vooruitzicht gesteld kon worden. Hij had ook gerekend op een massale mobilisatie van de bushi die geen vazal waren van het Kamakura-bakufu, en de kloostermilities, doch zulks gebeurde niet. De hoofdstedelijke aristocratische eigenaars van de shōen voelden weinig sympathie voor Kamakura dat de rentmeesters aanstelde die steeds meer rechten op hun landgoederen gingen usurperen. Hij kon dus op hun massale steun rekenen, geloofde hij, maar ook zij hielden zich gedeisd. De Hōjō-legers hadden niet de minste moeite om de keizerlijke troepen te verslaan en de hoofdstad te bezetten.

Het incident had belangrijke gevolgen. De regerende keizer werd afgezet en drie ex-keizers, waaronder Go-Toba zelf, werden verbannen. Er werd een Inspecteur-Generaal (tandai 探題) aangesteld met zetel te Rokuhara 六波羅 (Kyōto), die op het keizerlijk paleis toezicht moest houden. Dit ambt werd eveneens door de Hōjō-familie gemonopoliseerd. Voortaan gaven zij zelfs hun zegen over iedere troonsopvolging en iedere verandering van naam van regeringsperiode (nengō ). Bovendien confisqueerden zij ongeveer 3000 landgoederen van de in , de aristocratie en andere medestanders van Go-Toba, en plaatsten ze onder het beheer van rentmeesters (jitō), die gekozen werden onder bakufu -vazallen. Zij kregen een elfde van de oppervlakte van de shōen toegewezen en op deze grond dienden zij geen pachtrente (nengu ) of andere rechten te betalen. Deze fiscaal vrijgestelde gronden (menden 免田) werden de basis van waaruit de rentmeesters steeds verder de shōen gingen aanvreten. Het cijfer 3000, dat uit de historische bron Azuma Kagami (吾妻鏡・東鑑) afkomstig is, is zeer waarschijnlijk overdreven, maar feit is in elk geval dat er een belangrijke verschuiving van de bezitsverhoudingen plaatsgreep.

De Jōei-code

Met de Hōjō kwam in Japan een nieuwe klasse aan de macht. Zij waren niet zoals de Taira of de Minamoto de nakomelingen van een beroemd geslacht, maar stamden van kleine grondbezitters in Izu 伊豆 af. De bushi waren nu de machtigste klasse in Japan. In 1232 vaardigde Hōjō Yasutoki 北条泰時 (1183-1242) een eigen 'grondwet' uit, bekend als de Jōei-code (Jōei Shikimoku 貞永式目). Hij bestond uit 51 artikels die richtlijnen bevatten voor de vazallen die het bakufu dienden. Hij was gebaseerd op het gewoonterecht zoals dat gangbaar was onder de bushi -klasse en mag als de eerste codificatie van samurai-recht aangezien worden.

Een van de voornaamste taken van het bakufu was het beheersen van conflicten tussen zijn vazallen. Het slaagde erin zijn vazallen ervan te weerhouden hun geschillen op het slagveld uit te vechten en zich aan het oordeel van de rechtspraak te onderwerpen. Dit mag als een belangrijke verwezenlijking van het bakufu beschouwd worden.

Typisch Japans is dat de Jōei-code de Taihō-code niet verving. Deze laatste bleef verder kracht van wet hebben voor de civiele ambtenaren, de grote kloosters en de bushi die geen vazal waren van het bakufu. De Jōei-code gold alleen voor de feodale domeinen die onder bakufu-administratie stonden, die dus bestuurd werden door rentmeesters (jitō) en politiecommissarissen (shugo), maar naarmate de macht van de bushi aangroeide, won de Jōei-code ook aan belang en verruimde haar toepassingsveld. Voor geschillen tussen militaire ambtenaren (jitō en shugo) en aristocratische grootgrondbezitters, gingen deze laatsten meer en meer beroep doen op de rechtspraak van het bakufu, daar die van het keizerlijk hof vaak weinig effectief was, of nog, omdat zij volgens de Jōei-code wel een vazal van Kamakura konden aanklagen, maar er zelf niet onder de rechtspraak van vielen. Zo breidde het toepassingsveld van de Jōei-code zich de facto uit.

Feodale staat

De machts- en staatsstructuur van het Kamakura-bakufu verschilde fundamenteel van de keizerlijke eenheidsstaat. Voorheen heerste de monarch door middel van een bureaucratie over elke onderdaan in het land. Nu waren het de plaatselijke grote en kleine eigenaars van rechten op land die, onafhankelijk en zonder inmenging van het centrale gezag, rechtstreeks de boerenbevolking controleerden. De boeren waren alleen verantwoording aan de grondbezitter verschuldigd. Dit kon een aristocratische eigenaar zijn, een vazal van Kamakura, of een als rentmeester aangestelde vazal van hetzelfde Kamakura.

De centrale administratie van het bakufu was niet opgesplitst in uitvoerende ministeries, maar bestond in wezen uit vijf bureaus. Drie ervan waren door Yoritomo ingesteld:

  1. samurai-dokoro 侍所, belast met de militaire en politionele zaken en de controle over de vazallen;
  2. monchū-jo (of monjū-sho 問注所), juridische instelling om geschillen tussen de vazallen te beslechten;
  3. kumon-jo of mandokoro 政所, bureau voor algemeen politieke en financiële zaken, verantwoordelijk voor de uitvaardiging van de meeste edicten van de shōgun. Hōjō Yasutoki, algemeen beschouwd als de grootste regent van de Hōjō creëerde nog het:
  4. hyōjōshū 評定衆 of de Staatsraad, een college van raadgevers dat het hoogste gezag van het bakufu uitoefende. Onder Hōjō Tokiyori 北条時頼 (1227-1263) werd daar in 1249 het volgende bureau aan toegevoegd:
  5. hikitsukeshū 引付衆, het Bureau der Coadjutoren, een instelling belast met het onderzoek van aanklachten, ondergeschikt aan de Staatsraad.

Opvallend is dat rechtspleging veruit de voornaamste functie is van de instellingen van het bakufu. Deze vijf instellingen hadden directe bevoegdheid over de vazallen, dus de bushi die in hun eigen regio optraden als de plaatselijke bestuurder en er direct gezag over de boerenbevolking uitoefenden. Het bakufu was een soort arbitrage-instelling die de vrede en de orde tussen de militaire landheren moest handhaven.

De macht op het lokale vlak, in het dorp, werd gedeeld door de plaatselijke landheer en de rentmeester, maar de twee ambten vielen meestal samen in dezelfde persoon. Hij beschikte over een aantal slaven, maar de overgrote meerderheid van zijn onderdanen waren myōshu-boeren, die hij onder militaire dwang aan hun gronden bond en van wie hij pachtrente (nengu) en corvee opvorderde. Zij hadden dus een horige status. De klasse van de grondbezitters zelf was ook sterk gestratifieerd. Zij stonden in een onderling verband van dienaar en heer, m.a.w. van leenman en leenheer. De leenheer was dan op zijn beurt weer vazal van het bakufu. We hebben hier bijgevolg te maken met een feodale staats-en maatschappijvorm.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Platteland en stad

Het dorp

Onder het regime van het bakufu was het volk dat woonde op de shōen of de vrijwel tot shōen verworden staatsgronden, onderworpen aan meerdere niveaus van bezitters, te beginnen met de rentmeesters (jitō) en shōen-beheerders (shōkan) via de grootgrondbezitters (ryōke) tot aan de beschermers (honjo). Een shōen kon bestaan uit één dorp, meerdere dorpen of slechts een deel van een dorp. Het dorp was een plaatselijke, economische leefgemeenschap, die gegroeid was uit de leefgemeenschap van vóór de Taika-hervormingen. De ontwikkeling van de bevloeiingslandbouw werkte de vorming van hechte gemeenschappen in de hand, omdat irrigatie onderlinge bedrijfshulp en samenwerking vereiste, en de veelvuldige huwelijken binnen het dorp versterkten de onderlinge verwantschap nog. In het midden van het dorp bevond zich de residentie van de rentmeester (jitō) of van de shōen-beheerder (shōkan). In de meeste gevallen waren de jitō of shōkan de oorspronkelijke eigenaars, die nu het ambt van rentmeester voor het bakufu en van beheerder voor de grootgrondbezitter combineerden. Het kwam ook voor dat een vazal van het bakufu uit Oost-Japan rentmeester werd van een landgoed in West-Japan. In vele gevallen was het zo dat de vazal (gokenin), de rentmeester, de beheerder en de oorspronkelijke eigenaar (konponryōshu 根本領主 genaamd) één en dezelfde persoon waren. Zijn residentie omvatte niet alleen een met planken bedekt woonhuis, maar ook hutten voor slaven, veestallen, opslagplaatsen, een smidse, een weefatelier, e.d. Rond het erf lagen akkers, die bewerkt werden door slaven, en die omgeven werden door een omheining. Daarbuiten lagen nog akkers, die bebouwd werden door pachtboeren. Indien de rentmeester en/of beheerder niet de oorspronkelijke eigenaar was, kreeg hij alleen de inkomsten van zoveel land als waar hij statutair recht op had.

Een dorp telde gewoonlijk enkele tientallen families. De bovenste laag van de dorpelingen bestond uit myōshu, die enkele hectaren land en enkele genin (slaven) hadden. Daaronder had men de arme boeren, mōto (ook: mōdo 間人・亡土) en wakizaike 脇在家 genaamd, die een lapje grond pachtten van de rentmeester of een grotere myōshu of zelf zulk een stukje grond ontgonnen hadden. De laagste sport van de maatschappelijke ladder in het dorp werd ingenomen door de genin, een status nagenoeg met die van slaaf te vergelijken. Zij leefden ofwel in hutten op het erf van hun meester of hadden een eigen hut waar zij met hun gezin een armoedig bestaan leidden. Hun meester kon vrij over hen beschikken en hen verkopen als hij dat wou.

Het grootste deel van het akkerland in het dorp was in handen van de myōshu. Zij monopoliseerden ook het recht om deel te nemen aan alle openbare activiteiten, zoals het feest ter ere van de plaatselijke godheid, de waterhuishouding, e.d. De myōshu leverden ook het dorpshoofd. De myōshu-familie werd geleid door de pater familias en omvatte zowel de nakomelingen in rechte lijn als de zijtakken. Qua grootte en structuur stond ze zeer dicht bij de gōko 郷戸, zoals we die onder het ritsuryō-systeem gedefinieerd hebben, maar de zijtakken hadden een grotere graad van onafhankelijkheid dan de toenmalige bōko 房戸. De myōshu vormden weliswaar de bovenste laag van de dorpelingen, toch stonden ze ver beneden de rentmeester en beheerder. Ook al hadden ze één of twee genin, het was in hoofdzaak door eigen arbeid dat ze in hun levensonderhoud dienden te voorzien. Ten opzichte van de krijger (bushi)-klasse waren ze niet meer dan gemeen volk (bonge 凡下).

De groei van de handel

Sommige rentmeesters verkochten de goederen die ze als belasting van de boeren geïnd hadden, en ook grotere myōshu begonnen handel te drijven. Dit gaf aanleiding tot het ontstaan van markten in de omgeving van tempels of op belangrijke kruispunten. Handel was aanvankelijk een nevenactiviteit van rentmeesters en myōshu, maar geleidelijk begonnen sommigen uitsluitend van handel hun beroep te maken. Het gebeurde ook dat de rentmeesters en shōen-beheerders de als belasting geïnde goederen op de markt verkochten en het geld naar de beschermheer en de grootgrondbezitter stuurden.

Deze hoge omes woonde in de hoofdstad, die nu geleidelijk een gedaanteverwisseling onderging en evolueerde van een administratief centrum naar een stad met bloeiende commerciële en ambachtelijke activiteiten. Een zelfde transformatie speelde zich af in steden als Kamakura en Nara.

De stedelijke handelaars en ambachtslieden waren doorgaans afstammelingen van senmin, mensen die in de oudheid als slaaf aan het hof, in aristocratische families en tempels, gediend hadden, ofwel mensen die horige van de eigenaar van een shōen waren. Het is opvallend dat de commerciële en ambachtelijke kwartieren in de stad vooral geconcentreerd zijn rond tempels. Dit houdt enerzijds verband met de grote behoeften van de tempels, omdat er veel bezoekers en pelgrims komen, maar is anderzijds ook te verklaren door het feit dat de tempelslaven en -horigen de eersten waren om onafhankelijk te worden en zich in handelsactiviteiten te lanceren. Dit was mogelijk omdat de tempelslaven veel minder aan het land gebonden waren.

Aangezien de handelaars en ambachtslieden van lagere afkomst waren, werden zij door bushi en aristocratie misprezen, ook al hadden zij behoorlijke rijkdom verzameld. Hun zwakke maatschappelijke positie noopte hen ertoe zich te verenigen in gilden (za 座), die zich onder de bescherming van een kerkelijk of aristocratisch patroon plaatsten. In ruil voor tribuut of corvee zorgde de beschermheer ervoor dat de leden van de gilden geen tol dienden te betalen aan de tolkantoren (sekisho 関所), die de ryōshu (zie verder) overal begonnen op te richten, en dat ze binnen een bepaald gebied het monopolie op de aankoop van grondstoffen en de verkoop van hun artikelen verwierven. Vooral tempels als de Kōfukuji en de Tōdaiji in Nara en het heiligdom van Gion (Gion-jinja 祇園神社) te Kyōto hadden talrijke bloeiende gilden onder hun bescherming.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Bedreiging voor de Hōjō-orde

Interne moeilijkheden

De Jōei-code vormde het wettelijke kader van de onafhankelijke bakufu-administratie, doch was alleen op de gokenin van toepassing. De hovelingen van Kyōto en de bushi die geen gokenin waren, bleven een moeilijk te controleren groep, die steeds een latent gevaar voor de macht van het bakufu inhield. Maar ook in eigen rangen onder de gokenin zelf ontbrak het niet aan dissidenten. Korte tijd na het Jōkyū-incident spanden de Miura 三浦- en Chiba 千葉-clans, twee pijlers van het bakufu, samen met een zijtak van de Hōjō-clan en riepen een hoveling tot shōgun uit. De regent Tokiyori wist de Miura-clan tot revolte te provoceren en vernietigde haar in 1247. Ook daarna echter had de Hōjō-clan regelmatig met samenzweringen rond de shōgun of opstanden van de Inspecteur-Generaal van Rokuhara af te rekenen.

Inmiddels ging de hoofdtak van de Hōjō-clan, de Tokusō 得宗 genaamd, door met steeds meer hoge ambten te monopoliseren. Zij leverde niet alleen de regent maar bezette nu ook alle zetels in de Staatsraad (hyōjōshū) van het bakufu, en ging bovendien meer en meer ambten van politiecommissaris (shugo) in de provinciën bekleden. Eén en ander verhoogde nog het antagonisme van de vazallen.

De omstandigheden maakten het de Hōjō al evenmin makkelijk. Tijdens de dertiende eeuw braken er meerdere grote hongersnoden uit, om nog te zwijgen van aardbevingen en tyfoons. De verpauperde en uitgehongerde boeren werden als slaaf gekocht en verkocht, zodat het bakufu herhaalde malen een verbod op mensenhandel diende uit te vaardigen. Roversbenden maakten het land onveilig en rentmeesters bezondigden zich aan schromeloze uitbuiting.

Externe bedreiging

Alsof dit alles nog niet voldoende was, kreeg het land met twee grootscheepse invasies van de Mongolen af te rekenen, in de jaren 1274 en 1281. In de jaren 1270 was de Mongoolse heerser Qubilai Khan bezig met de verovering van heel China. Als erfgenaam van het Chinese keizerrijk wilde hij dat alle staten die zich destijds als vazal van de Táng bekend hadden en tribuutgezantschappen naar China gestuurd hadden zijn gezag zouden erkennen. Hij adopteerde dus noch min noch meer de Chinese notie van China als het centrum van beschaving omringd door barbaren, die aan de Chinese keizer tribuut komen brengen (de notie Huáyi 華夷: China en barbaren). Via Korea, dat zich al als tribuutstaat aan zijn gezag onderworpen had, stuurde hij een gezantschap naar Japan opdat het zich ook zou komen onderwerpen. De Japanners hadden daar echter geen oor naar, meer zelfs, ze lieten het gezantschap ombrengen. Dat kon Qubilai maar matig waarderen.

In 1274 stuurde hij een armada van meer dan 900 schepen met meer dan 30.000 Mongoolse en Koreaanse troepen naar Japan. Het gros van de invasiemacht kwam aan land in Hakata en Hakozaki in Noord-Kyûshû. Tegen de gesloten slagorde, de gifpijlen en het buskruit van de Mongolen konden de slecht voorbereide Japanse samoerai in principe niet op. Om onverklaarbare redenen echter trokken de invasietroepen zich terug op hun schepen, en de armada verdween weer uit het zicht. Dat Qubilai Khan net op dat ogenblik Japan tot zijn vazalstaat wilde maken, had wellicht ook te maken met zijn ambitie om zijn riviertroepen te versterken. Hij was op dat ogenblik nog volop verwikkeld in een hevige strijd met de Zuidelijke Sòng, dat een sterke vloot had. Hij wilde kennelijk zijn troepenmacht versterken met Koreaanse en Japanse eenheden. Dat de armada na amper een paar dagen weer achter de einder verdwenen was, was een onverwacht succes voor de Japanse verdedigers, maar het bakufu vreesde terecht dat die vloot terug zou keren. Het beval daarom de versterking van de kustgebieden en bracht een gezantschap dat Qubilai Khan in 1275 andermaal naar Japan gestuurd had, ter dood, om duidelijk te maken dat het niet op het Mongoolse verzoek wenste in te gaan. Nadat de Mongolen in 1279 de Zuidelijke Sòng te gronde hadden gericht, begonnen ze een nieuwe invasie van Japan voor te bereiden. Dit keer kon Qubilai Khan ook de legers van de voormalige Zuidelijke Sòng inzetten, naast uiteraard de Mongoolse en de Koreaanse divisies. De nieuwe invasiemacht die in 1281 naar Japan stevende, was ongeveer vijf keer zo groot als die van de eerste invasie. De Japanners waren nu echter beter voorbereid en hun kustverdedigingswerken vormden een deugdelijk obstakel dat de Mongolen verhinderde om zo maar aan land te gaan. De eerste poging tot invasie werd dan ook afgeslagen.

Net toen de Mongolen met de verenigde invasietroepen een nieuwe poging ondernamen, stak een storm op die een groot deel van hun schepen tot zinken bracht of zware averij deed oplopen. De storm had voor de Japanners op geen beter moment kunnen opsteken, het was alsof hij door de goden gezonden was. Daarom noemden zij deze redding brengende storm “goden-storm” (kamikaze). De zwaar gehavende Mongoolse armada diende andermaal de aftocht te blazen. Dit keer bleef ze weg voorgoed. Japanse kunstenaars hebben op gedetailleerde wijze verslag in woord en beeld over de mislukte Mongoolse invasie gebracht. Hun werk vormt een kostbare informatiebron over de bewapening en uitrusting van de Mongoolse en Chinese troepen. Daarin zien we onder meer dat de troepen van Qubilai Khan over brandbommen beschikten en dus gebruik maakten van buskruit.

De schokken van de mislukte invasie bleven echter nog lange tijd nazinderen in het Japanse politieke leven en ondermijnden het gezag van het bakufu in Kamakura. Beide keren werd de Mongoolse armada uit elkaar gedreven door een geweldige storm, zodat Japan van vreemde bezetting gevrijwaard kon blijven, maar de gokenin die zich in de strijd tegen de Mongolen verdienstelijk hadden gemaakt, eisten na afloop van het bakufu een beloning. Aangezien zij echter niets meer gedaan hadden dan hun eigen territoria te beschermen, konden zij niet met nog meer grond beloond worden. Er was immers geen nieuwe grond op de vijand buitgemaakt. Daardoor was het bakufu niet in staat haar feodale plicht na te komen, die erin bestond dat zij de diensten van haar vazallen beloonde. Het gevolg was dat de bushigokenin zowel als niet-gokenin – die onder de oorlog geleden hadden, op eigen krachten compensatie probeerden te verwerven, door grond af te snoepen van publieke domeinen of shōen, en de boeren nog meer uit te zuigen. Zij die er op deze manier in slaagden zich van de oorlogsschade te herstellen, verwierven meteen een veel grotere onafhankelijkheid t.o.v. de honjo, de ryōke en het bakufu. Ze ontpopten zich tot onafhankelijke landheren (ryōshu), en organiseerden het land en de productieve massa's in een nieuw verband.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Ondergang van de Hōjō

Voortgaande plaatselijke autonomie

Voor boeren en samurai

Rond deze tijd grijpt er een differentiatie plaats in de klasse van de myōshu-boeren. De bovenlaag wordt ofwel gemilitariseerd en ontwikkelt zich tot bushi ofwel verrijkt ze zich met de handel of geldleningen. Deze sociale groep wordt o.m. als kokujin 国人, kunishū 国衆 of jizamurai 地侍 aangeduid. De andere myōshu-boeren vervallen meer en meer tot keuterboeren. De genin van hun kant, die oorspronkelijk als slaaf toebehoorden aan de rentmeester, slagen er ook in autonomer te worden. Zij mogen hun eigen landbouwwerktuigen hebben en krijgen 3 à 5 tan 段 (1 tan = 991,7 m²) land om voor zichzelf te bewerken.

De bovenlaag van de myōshu of jizamurai organiseren de groter geworden groep van autonome keuterboeren per dorp, onafhankelijk van de shōen, in hechte verbanden, 惣 genaamd, waarmee zij beter tegen landheren (ryōshu) en rentmeesters (jitō) weerstand kunnen bieden. Zij slagen erin de corvee te doen verlichten en de landheer en rentmeester vrede te doen nemen met een vaste jaarlijkse rente in natura.

De boeren kunnen daardoor hun maatschappelijke status in aanzienlijke mate verbeteren. Van slaven en horigen evolueren ze tot een soort pachtboeren, die jaarlijks een vastgestelde rente betalen. Terzelfdertijd ontwikkelen zich dorpen los van de shōen en de publieke domeinen, m.a.w. los van het grootgrondbezit.

Als de landheren op deze sociale veranderingen wilden inspelen en de nieuwe bovenlaag van de dorpen in hun gezagsstructuur wilden onderbrengen, dan moesten zij zich in die dorpen integreren. Voor de klasse van de bakufu-vazallen (gokenin) viel dit bijzonder moeilijk. Zij waren georganiseerd in grote patriarchale families, waar meervoudig erfrecht gebruikelijk was. Alle zonen hadden recht op een deel van de erfenis, land en bezittingen, maar het belangrijkste deel ging naar de oudste zoon, die de volgende pater familias werd. Hij had gezag over alle andere leden van de familie en was als zodanig aansprakelijk tegenover het bakufu. In de meeste gevallen bestond de erfenis niet zozeer uit landeigendom dan wel uit rechten op land, die ambtshalve verbonden waren aan de ambten van rentmeester en shōen-beheerder. Door de vorming van de hechte dorpsgemeenschappen kon men nu niet langer de opbrengsten van de rechten innen, tenzij men terplaatse gevestigd was. Dit had voor gevolg dat de verschillende erfgenamen zich gingen vestigen in hun respectievelijke erfgebieden en daardoor een grotere onafhankelijkheid tegenover de oudste zoon, de pater familias gingen aan de dag leggen. Om dat tegen te gaan, streefde deze laatste naar een onverdeeld erfrecht voor de oudste. Interne familietwisten om erfenissen werden dan ook steeds heviger en bloediger naar het einde van de Kamakura-periode toe. De bakufu slaagde er niet in de vele betwistingen om het erfrecht te beslechten en dit verzwakte haar controle over de vazallen.

Voor rentmeesters en landgoed-beheerders

De rentmeesters, shōen-beheerders en de plaatselijke landheren in het algemeen waren hoe langer hoe minder geneigd om de geïnde belastingen door te sturen naar de honjo en de ryōke. Dit creëerde uiteraard gedurig twisten tussen de rentmeesters enerzijds en de eigenaars anderzijds, maar de eerstgenoemden woonden op de landeigendom zelf en dit was hun sterkte. Daardoor konden zij vanaf het midden van de dertiende eeuw geleidelijk aan het systeem ombuigen in hun voordeel. Door middel van een soort overeenkomst, jitō-uke 地頭請 genaamd, verbond de rentmeester er zich toe ieder jaar een vast bedrag belastingen over te dragen aan de honjo en de ryōke, ongeacht de opbrengst van de oogst. In ruil daarvoor kreeg de rentmeester de vrije hand in de shōen en mocht hij verder zoveel belasting van het volk vorderen als hem dat beliefde. Het ging nog verder en heel vaak werd het landgoed in twee helften verdeeld (shitaji-chūbun 下地中分), één voor de eigenaar en één voor de rentmeester. Dit vergrootte de macht van deze laatste maar leidde ook tot de ontbinding van de shōen. Zo zien we hoe traag maar zeker het meervoudig grondbezit, zoals dat tijdens de Heian-periode tot stand was gekomen, gewijzigd en omgebogen wordt in het voordeel van de lagere echelons in de bezitshiërarchie, omdat zij terplaatse gevestigd zijn.

Gemilitariseerde benden

Lang niet alle rentmeesters, beheerders en gokenin slaagden in deze transformatie naar het statuut van plaatselijke landeigenaar. Een groot gedeelte miste de boot en verarmde, waardoor ze hun gronden moesten verpanden of afstaan. De ernstige aderlating die de bushi geleden hadden door de oorlog tegen de Mongolen en het verlies aan gezag dat het bakufu geleden had door zijn onmacht om de oorlogverdiensten te belonen, versnelden dit proces nog. Zowel de landheer geworden gokenin als de verpauperde gokenin versterkten nog hun uitbuiting van de myōshu-boeren.

Dit stimuleerde de reeds aan de gang zijnde differentiatie van deze klasse in kokujin en jizamurai enerzijds en zelfstandige keuterboeren anderzijds en hun integratie in -verbanden. In de veertiende eeuw kende de vorming van deze -verbanden een enorme opgang. Zij waren plaatselijke fenomenen, die tot stand kwamen ongeacht de geografische scheidingslijnen van de landgoederen. De landeigenaars noemden deze verbanden "benden van kwaad" (akutō 悪党). Zij bestonden (zoals men kon verwachten) oorspronkelijk uit bushi die geen gokenin waren. Naderhand echter zullen talrijke gokenin zich opwerpen tot leiders van deze benden. De politie-commissarissen (shugo) van hun kant, die geacht worden deze benden te controleren, zullen ze integendeel beschermen en tot hun eigen dienaars maken, en hun gronden bij de hunne voegen. Zo zullen de shugo evolueren tot grote feodale landheren, die landheer geworden rentmeesters en “benden van kwaad” tot hun vazallen maken.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Zwanenzang

De Tokusō-dictatuur

Om zijn verpauperde vazallen te helpen vaardigde het bakufu in 1297 een wet uit waarbij alle grond die aan niet-gokenin verkocht of verpand was aan de oorspronkelijke eigenaars moest worden teruggegeven, alle aanklachten tegen insolvabele gokenin onontvankelijk werden verklaard, en verkoop of het verpanden van gronden werd verboden. Deze maatregel was erger voor degenen die hij wilde beschermen dan voor degenen die hij wilde treffen en moest na één jaar weer ingetrokken worden. Het bakufu was duidelijk zijn greep op de omstandigheden aan het verliezen. Bovendien was hij de prooi van verhevigde interne strijd. De Tokusō-tak van de Hōjō-familie vergrootte steeds meer zijn macht, zodat bakufu-instellingen die een evenwicht tussen de verschillende machtige clans hadden moeten garanderen, alle effectieve betekenis verloren. Daardoor werd de Tokusō-tak het mikpunt van alle misnoegde groepen in de maatschappij: hovelingen, tempels en heiligdommen, kokujin, jizamurai en gewone boeren. Het verzet diende alleen nog een boegbeeld te vinden, waarrond het zich kon verzamelen en hier kwam keizer Go-Daigo 後醍醐 (leefde van 1288 tot 1339) op de proppen.

Het keizershuis verdeeld

Eigenlijk was ook het keizershuis sterk verdeeld. In 1259 had de ex-keizer Go-Saga 後嵯峨 (reg. 1242-1246), zijn oudste zoon keizer Go-Fukakusa 後深草 van de troon gestoten en vervangen door zijn tweede zoon keizer Kameyama 亀山 (reg. 1259-1274). Het hoeft niet gezegd dat er een bittere rivaliteit bestond tussen de twee broers, en die erfden hun respectieve zonen over. Om een eind aan de aanslepende troonsbetwisting te stellen, besloot het bakufu in 1308 dat de twee takken om beurt de troon zouden bezetten. Omdat Go-Fukakusa in de Jimyōin 持明院 woonde, noemt men zijn tak de Jimyōin-tak, terwijl die van Kameyama, eveneens naar zijn residentie genaamd, als de Daikakuji 大覚寺-tak bekend staat. Deze laatste was niet tevreden met het door het bakufu opgedrongen compromis. Tot deze tak behoorde ook Go-Daigo, die in 1318 op de troon kwam en onmiddellijk begon te ijveren voor het omverwerpen van het bakufu en het herstel van het keizerlijk gezag.

De keizer bewerkt (indirect) de val van de Hōjō

Het complot lekte een eerste keer uit en de Hōjō lieten de samenzweerders vatten, maar de keizer bleef buiten schot. Onmiddellijk begon hij een nieuw complot te beramen. Hij poogde opnieuw een leger samen te stellen uit bushi van keizerlijke en aristocratische shōen en kloosterlegers, maar het plan lekte in 1331 weer uit. De keizer vluchtte naar Nara en kreeg daar onder meer hulp van een bekende jizamurai van de streek, namelijk Kusunoki Masashige 楠木正成 (1294-1336). De keizer werd toch gegrepen en verbannen naar het eiland Oki 隠岐. Daarop zetten de Hōjō keizer Kōgon 光厳 (reg. 1331-1333) van de Jimyōin-tak op de troon. Te laat echter, de vlag van de opstand was gehesen en overal kwamen de anti-Hōjō-krachten in verzet. Ashikaga Takauji 足利尊氏 (1305-1358) was door het bakufu uitgestuurd naar de hoofdstad om de opstandelingen in de Kinai-regio te onderdrukken, maar toen hij de omvang van het verzet zag, veranderde hij van kamp, en keerde zich tegen het bakufu en vernietigde het inspectoraat-generaal van Rokuhara. Ongeveer tegelijkertijd rukte Nitta Yoshisada 新田義貞 (1301-1338) op naar Kamakura en roeide er de Hōjō-clan uit (1333). Daarmee viel het doek over het Kamakura-bakufu.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Cultuur tijdens de Kamakura-periode

Tijdens de Kamakura-periode (1185-1333; 1192-1336) ging de boeddhistische kerk door een fase van grote religieuze vernieuwing. Vele priesters en monniken worden door het heilige vuur gedreven om de boodschap van de Boeddha onder het gewone en noodlijdende volk te verspreiden. Dit was een reactie tegen het te aristocratisch gebleven boeddhisme van de Heian-periode. Anderen zochten nieuwe methoden om het heil en de verlichting na te streven. De meeste populistische bewegingen legden de nadruk op de devotie en de aanroepingen. Veruit de voornaamste beweging was die van het boeddhisme van het Reine Land: zij predikte dat men door de devote aanroeping van de naam van de Boeddha Amida (Amitābha) herboren kan worden in het Reine Land, het Westelijke Paradijs van deze Boeddha.


Het reine land

Hōnen 法然 (1133-1212) stichtte de Sekte van het Reine Land en zijn discipel Shinran 親鸞 (1173-1262) de Ware Sekte van het Reine Land. Vóór hen echter waren er al belangrijke predikanten geweest die de boodschap onder het volk brachten, zo bijvoorbeeld Kūya 空也 (903-972) en Ryōnin 良忍 (1072-1132). Hōnen zocht naar een vorm van heilsleer die alle mensen zouden kunnen begrijpen, en die geschikt zou zijn voor de tijd van degeneratie van de boeddhistische leer, Mappō 末法 genaamd, de laatste fase van het boeddhisme, waarin Hōnen zelf meende te leven. Verlossing kon alleen gevonden worden door het devoot aanroepen van de Boeddha Amida. Men moest dus verzaken aan de tot mislukking gedoemde poging om op eigen krachten de verlichting te bereiken.

Shinran nam deze idee nog een stap verder door te stellen dat zelfs de daad van de aanroeping zelf niet te danken was aan zijn eigen vermogens, maar geheel aan Amida, die zich in zijn oorspronkelijke gelofte voorgenomen heeft alle levende wezens te redden. Deze totale overgave aan de verlossende kracht van de Boeddha heet tariki 他力, d.w.z. de kracht van de andere, in casu dus de Boeddha. Het traditionele boeddhisme leerde dat men door religieuze oefeningen en studie (dus op eigen krachten: jiriki 自力) de verlichting kon bereiken.


Nichiren-sekte

De leer van Nichiren 日蓮 (1222-1282), stichter van de Nichiren-sekte, ligt in dezelfde lijn. Na een lange spirituele zoektocht kwam hij tot de overtuiging dat het Lotus-sūtra de ultieme leer van de Boeddha bevat. Zijn heilsmethode was een aangepaste versie van die van het Reine Land: hij stelde in de plaats van Amida de heilige schrift, het Lotus-sūtra. Hij leerde zijn discipelen dat het volstond “Namu Myōhō Rengekyō” 南無妙法蓮華経 ("Gezegend zij het Lotus-sūtra") te bidden, opdat de miraculeuze kracht die in de titel van dit sūtra geconcentreerd is, de aanroeper tot verlichting zou leiden. Volgens Nichiren, een militant profeet, was Japan van nature het land van het Lotus-sūtra, maar omdat veel Japanners het sūtra minachtten en omdat de regering zich niet wilde inspireren op dit geschrift ging het land gebukt onder natuurlijke catastrofes en maatschappelijke misstanden. Japan moest dus een theocratie worden gebaseerd op het Lotus-Sūtra.


Zen-boeddhisme

Terwijl de sekten van het Reine Land en van Nichiren eigenlijk rechtstreeks uit de Tendai-sekte voortkomen, werd het Zen 禅-boeddhisme uit China ingevoerd, waar het toen erg populair was. Ook het Zen-boeddhisme zet zich af tegen het traditionele boeddhisme, niet zozeer de gedachte van jiriki zelf, maar de scholastiek en formalistische rituelen. Zen wilde het boeddhisme in het dagelijkse leven terugbrengen. Het gaat er echter wel van uit dat de verlichting op eigen krachten moet gerealiseerd worden. De meest kenmerkende en fundamentele stelling van Zen is de idee van de plotse verlichting. Ieder moet die vinden in zichzelf, maar hij kan daarin geholpen worden door een meester, die hem de weg kan wijzen. De verlichting is in elk geval niet in de schriftuur te vinden. Zijn eigen ware natuur onderkennen staat gelijk met het bereiken van de staat van Boeddha. Zen valt op door zijn nadruk op de persoonlijke overlevering van de leer van meester op discipel. Vandaar dat de affiliatie, de geestelijke afkomst, zo belangrijk is. Men onderscheidt twee denominaties die teruggaan op de twee grote Chinese meesters: de Rinzai-sekte 臨済宗 en de Sōtō-sekte 曹洞宗.

De Rinzai-sekte werd in 1191 door Eisai 栄西 (1141-1215) in Japan geïntroduceerd, en de Sōtō-sekte enige jaren later door Dōgen 道元 (1200-1253). Het grote verschil tussen beide is dat Rinzai gebruik maakt van kōans 公案, dit zijn vraag- en antwoordtechnieken, verhalen over oude Zen-meesters, raadsels, enz. als een middel om de verlichting te actualiseren, terwijl Sōtō enkel en alleen heil verwacht van de meditatie (zazen 坐禅). Rinzai vond veel aanhangers onder de samurai-klasse, terwijl Sōtō meer een godsdienst van het gewone volk werd.

De Kamakura-periode vormt eigenlijk het einde van de creatieve ontwikkelingen in het Japanse Boeddhisme. In de daaropvolgende periodes consolideren de verschillende sekten zich en wordt het Boeddhisme geformaliseerd. Maar wie denkt dat het Boeddhisme na de Kamakura-tijd uitgespeeld is, vergist zich, want het gaat nu zijn vitaliteit manifesteren in de kunst en de cultuur. Vooral Zen zal hier een prominente rol in spelen, ook in de vorming van een levensfilosofie voor de samurai-klasse.

Het reine land

Het reine land

Nichiren-sekte

Nichiren-sekte

De leer van Nichiren 日蓮 (1222-1282), stichter van de Nichiren-sekte, ligt in dezelfde lijn. Na een lange spirituele zoektocht kwam hij tot de overtuiging dat het Lotussoettra de ultieme leer van de Boeddha bevat. Zijn heilsmethode was een aangepaste versie van die van het Reine Land: hij stelde in de plaats van Amida het heilige schrift, het Lotussoettra. Hij leerde zijn discipelen dat het volstond “namu myōhō rengekyō” 南無妙法蓮華経 ("Gezegend zij het Lotussoetra") te bidden, opdat de miraculeuze kracht die in de titel van dit soetra geconcentreerd is, de aanroeper tot verlichting zou leiden. Volgens Nichiren, een militant profeet, was Japan van nature het land van het Lotussoetra, maar omdat veel Japanners het soetra minachtten en omdat de regering zich niet wilde inspireren op dit geschrift ging het land gebukt onder natuurlijke catastrofes en maatschappelijke misstanden. Japan moest dus een theocratie worden gebaseerd op het Lotussoetra.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Zen-boeddhisme

Zenboeddhisme

Terwijl de sekten van het Reine Land en van Nichiren eigenlijk rechtstreeks uit de Tendai-sekte voortkomen, werd het zen 禅-boeddhisme uit China ingevoerd, waar het toen erg populair was. Ook het zenboeddhisme zet zich af tegen het traditionele boeddhisme, niet zozeer de gedachte van jiriki zelf, maar tegen de scholastiek en formalistische rituelen. Zen wilde het boeddhisme in het dagelijkse leven terugbrengen. Het gaat er echter wel van uit dat de verlichting op eigen krachten moet gerealiseerd worden. De meest kenmerkende en fundamentele stelling van zen is de idee van de plotse verlichting. Ieder moet die vinden in zichzelf, maar hij kan daarin geholpen worden door een meester, die hem de weg kan wijzen. De verlichting is in elk geval niet in de schriftuur te vinden. Zijn eigen ware natuur onderkennen staat gelijk met het bereiken van de staat van Boeddha. Zen valt op door zijn nadruk op de persoonlijke overlevering van de leer van meester op discipel. Vandaar dat de affiliatie, de geestelijke afkomst, zo belangrijk is. Men onderscheidt twee denominaties die teruggaan op de twee grote Chinese meesters: de Rinzai-secte 臨済宗 en de Sōtō-secte 曹洞宗.

De Rinzai-sekte werd in 1191 door Eisai 栄西 (1141-1215) in Japan geïntroduceerd, en de Sōtō-sekte enige jaren later door Dōgen 道元 (1200-1253). Het grote verschil tussen beide is dat Rinzai gebruik maakt van kōan 公案, dit zijn vraag- en antwoordtechnieken, verhalen over oude zenmeesters, raadsels, ... als een middel om de verlichting te actualiseren, terwijl Sōtō enkel en alleen heil verwacht van de meditatie (zazen 坐禅). Rinzai vond veel aanhangers onder de samurai-klasse, terwijl Sōtō meer een godsdienst van het gewone volk werd.

De Kamakura-periode vormt eigenlijk het einde van de creatieve ontwikkelingen in het Japanse boeddhisme. In de daaropvolgende periodes consolideren de verschillende sekten zich en wordt het boeddhisme geformaliseerd. Maar wie denkt dat het boeddhisme na de Kamakura-tijd uitgespeeld is, vergist zich, want het gaat nu zijn vitaliteit manifesteren in de kunst en de cultuur. Vooral zen zal hier een prominente rol in spelen, ook in de vorming van een levensfilosofie voor de samurai-klasse.

Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Muromachi-periode (1333-1573)

Vestiging en consolidatie van het bakufu

Kenmu-restauratie

Blind voor de realiteit

Zodra het bakufu was gevallen, keerde de inmiddels uit zijn ballingsoord ontsnapte Go-Daigo naar Kyōto terug en installeerde er zijn eigen administratie, inclusief een staatsraad, Kirokujo 記録所 gedoopt. In de provinciën handhaafde hij het bestaande systeem van provinciale ambtenaren (kokushu 国守) en politiecommissarissen (shugo 守護), posten waarop hij zijn medestanders, zowel aristocraten als bushi, benoemde. In 1334 kondigde de keizer een nieuwe jaarperiode af die hij Kenmu 建武 doopte. Naar deze periode noemt men het herstel van de keizerlijke macht door Go-Daigo: de Kenmu-restauratie.

Voor de keizer was het weliswaar een kortstondig herstel, maar het was een van meet af aan tot mislukking gedoemde poging. Zij ging volledig in tegen de maatschappelijke tendens naar feodalisering. Niet alleen poogde de keizer de klok terug te draaien, maar bovendien was hij onhandig. Na de restauratie was hij zo kortzichtig de militairen die hem geholpen hadden niet te belonen. Integendeel, van sommigen confisqueerde hij zelfs hun gronden. Van de andere kant overstelpte hij de keizerlijke familie en de aristocratie met de hoogste ambten. De titel van shōgun schonk hij aan zijn zoon, prins Morinaga 護良. Op die wijze vervreemde hij de militairen van zich.

Nog geen jaar na de restauratie begon hij aan de bouw van een nieuw keizerlijk paleis en om het te financieren hief hij zware belastingen. Hij liet ook papieren geld drukken en verplichtte het gebruik ervan. Zo joeg hij ook het gewone volk tegen zich in het harnas.

Ashikaga Takauji 足利尊氏 neemt bezit van Kyōto

Deze toestand ontging Ashikaga Takauji niet. Hij was een machtig landheer die zijn machtsbasis in de provincie Shimotsuke 下野 had, politiecommissaris van twee provinciën en rentmeester van dertien andere was. Reeds toen de Hōjō hem belast hadden met het neerslaan van de royalistische opstand in het hoofdstedelijk gebied, had hij de ambitie opgevat de Hōjō op te volgen als feitelijke heerser over het land. Toen hij Kyōto bevrijdde en het Directoraat-Generaal van Rokuhara 六波羅 vernietigde, richtte hij onmiddellijk een militair bureau op, bugyōsho 奉行所 genaamd, dat dezelfde functies vervulde als het samurai-dokoro van het Kamakura-bakufu. Dit bureau ontpopte zich al heel snel tot een rivaal van het door de keizer opgerichte militair bureau musha-dokoro 武者所, dat geleid werd door Nitta Yoshisada 新田義貞, een trouw volgeling van Go-Daigo.

In 1335 trok Takauji met zijn leger naar het oosten om er Kamakura te ontzetten, dat in handen was gevallen van een groepje Hōjō-loyalisten. Vanuit Kamakura lanceerde hij dan een aanval om Kyōto te bevrijden van Nitta, Kusunoki en anderen. Hij zocht een onderkomen in Kyūshū, vormde er een nieuw leger met behulp van plaatselijke landheren en marcheerde andermaal op naar Kyōto. Ditmaal wist hij de keizerlijke troepen, die erg gedund waren door afvalligheid, beslissend te verslaan, en Kyōto te bezetten.

Takauji wordt shōgun

Dadelijk plaatste Takauji keizer Kōmyō 光明 (reg. 1336-1348) van de Jimyōin 持明院-tak op de troon. Naar het voorbeeld van de Jōei-code vaardigde hij de Kenmu-code (Kenmu-shikimoku 建武式目) in zeventien artikelen uit en richtte een militair bestuur, bakufu, op te Kyōto. Het hoogste ambt was dat van "assistent" (shitsuji 執事) en het werd bekleed door Takauji's vertrouweling Kō no Moronao 高師直 (?-1351).

Go-Daigo die zich had overgegeven, wist te ontsnappen en vluchtte naar Yoshino 吉野 in de provincie Yamato, waar hij een hof in ballingschap inrichtte. Dit is het begin van een halve eeuw van tweestrijd tussen de twee rivaliserende takken van het keizershuis. Het hof van Yoshino was de zetel van de zogenaamde Zuidelijke Dynastie, dat van Kyōto van de Noordelijke Dynastie. Deze periode wordt de periode van strijd tussen de Noordelijke en Zuidelijke dynastieën, ofwel Nanbokuchō no nairan, (南北朝の内乱) genoemd. De Zuidelijke Dynastie stelde echter weinig voor, want haar voornaamste pijlers, zoals Nitta Yoshisada en dergelijke, waren al allen gesneuveld tegen 1338. In dat jaar ook kreeg Takauji van de keizer van de Noordelijke Dynastie de felbegeerde titel van shōgun. Het jaar erop bezweek Go-Daigo aan een ziekte. In latere tijden is deze keizer fel geprezen geworden omwille van zijn ontembare strijdlust en onverdroten inzet voor zijn ideaal van keizerlijke restauratie, maar zijn strevingen waren tot falen gedoemd, omdat hij volledig tegen de stroom van de historische ontwikkeling in poogde te zwemmen.

Ook na Go-Daigo's dood ging de rivaliteit tussen de twee dynastieën verder. Het ging echter niet zozeer meer om het duel tussen keizerlijke (aristocratische) en militaire macht, dan wel om een onderlinge strijd binnen de klasse van machtige bushi, tussen gematigden en radicalen, waarbij de twee dynastieën gewoon als pionnen gebruikt werden, zo zeer zelfs dat Takauji bij wijlen een alliantie sloot met de Zuidelijke Dynastie, als hem dat goed uitkwam in het schaakspel om de macht. De Kenmu-restauratie was dus maar een papieren restauratie geweest.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

het labiele evenwicht van de macht

Gematigde politiek van Takauji

Takauji was geen groot vernieuwer. Hij probeerde zoveel mogelijk binnen de van de Hōjō overgeleverde machtsstructuur te werken. Leden van zijn eigen familie en vertrouwelingen uit de bushi-klasse benoemde hij op de posten van politiecommissaris en gaf hun de volmacht om de bushi binnen hun gebied te beoordelen op hun verdiensten en gronden uit te delen als beloning. Zij kregen met andere woorden het gezag over de plaatselijke bushi-gemeenschap in hun gebied. In navolging van de Hōjō stelde hij te Kamakura, in Ōu 奥羽 en in Kyūshū een directeur-generaal (tandai 探題) aan met gezag over de politiecommissarissen van de respectievelijke gebieden. Op deze zeer belangrijke posten benoemde hij leden van zijn eigen familie, net zoals de Hōjō hem dat hadden voorgedaan.

Zoals bij de Hōjō het geval was, was ook Takauji's financiële basis het shōen-systeem. Hij diende er dus voor te zorgen dat zijn ambtenaren, de rentmeesters, in hun onverzadigbare honger naar macht, rechten en gronden, niet zover gingen dat ze zijn financiële fundering vernietigden. Daarom zal Takauji niet alleen de Noordelijke Dynastie handhaven, als legitimatie van zijn macht, maar ook tot op zekere hoogte de landgoederen van de aristocraten (kuge 公家) beschermen.

Botsing met de radicalen

De assistent Kō no Moronao zag geen heil in een gematigde koers van compromis tussen de nieuwe militaire macht en de gevestigde orde. Hij vertegenwoordigde de radicale strekking, die de macht van de shōen-bezitters teniet wou doen ten voordele van de land-samurai, die vooral in de Kinai-regio aan het evolueren waren naar feodale landheren. Dit streven doorkruiste de bakufu-politiek van evenwicht, waarop zijn macht juist gebaseerd was. Vooral Takauji's jongere broer, Tadayoshi 直義 (1306-1352) was een groot tegenstander van Kō, en hij was het die laatstgenoemde in 1351 vermoordde. Er bestond echter ook een grote, persoonlijke rivaliteit tussen Takauji en Tadayoshi. In 1351 ‘onderwierp’ Takauji zich aan het zuidelijke hof, om het bevel te krijgen zijn jongere broer die zich met het noordelijke hof had geallieerd, te straffen. Het jaar erop vermoordde hij Tadayoshi te Kamakura. Toen het zuidelijke hof zag hoe verdeeld de Ashikaga-clan was, bracht het een leger op de been om Takauji uit te schakelen. Voldoende reden uiteraard om laatstgenoemde weer in het kamp van de Noordelijke Dynastie te jagen. De oorlog sleepte twee jaar en een half aan en eindigde met de overwinning van Takauji (1355). De Zuidelijke Dynastie zou nooit meer van de oorlog herstellen.

De grote winnaars: de politiecommissarissen (shugo)

Tijdens de oorlogstroebelen hadden de lokale landheren (ryōshu) en de land-samurai (kokujin 国人 en jizamurai 地侍) van de wanorde gebruik gemaakt om de territoria van de shōen meer en meer aan te vreten. Hun "benden van kwaad" (akutō 悪党) schoten als paddestoelen uit de grond, plunderden de dorpen en maakten zich meester van de pachtrente van de shōen. Om zijn macht enige stabiliteit te geven moest Takauji, willens nillens, toegevingen doen aan de plaatselijke militairen en dus hun afbraak van de shōen tot op zekere hoogte erkennen. In 1352, onmiddellijk na Tadayoshi's dood (de gematigde bij uitstek), zag het bakufu af van haar onvoorwaardelijke bescherming van de shōen en deed een historische toegeving aan de lokale samurai. Hij kondigde een wet af, waarbij de politiecommissarissen van acht centrale provinciën volmacht kregen om de helft van de jaarlijkse pachtrente (betaald in rijst) te verdelen onder de bushi van hun provincie als zogenaamde ravitailleringstaks (hyōrō 兵糧).

Taira no Kiyomori was in 1180 de eerste geweest die met het heffen van dergelijke taksen begonnen was, om zijn oorlog voerende troepen te bevoorraden. De Minamoto hadden die praktijk overgenomen, maar de maatregel was steeds beschouwd geworden als een uitzonderingsmaatregel in tijden van oorlog. Door de wet van 1352 echter legaliseerde het bakufu de inbeslagneming van vijftig procent van de jaarlijkse landbelasting. De verdeling van de inkomsten in twee gelijke helften, hanzei 半済 genaamd, verhoogde in aanzienlijke mate de macht van de commissarissen (shugo) en reduceerde in gelijke mate die van de landeigenaars. Ondanks enkele pogingen om de wet weer in te trekken werd hij in 1368 algemeen voor het hele land. De grote winnaar was duidelijk de commissaris, want door de hem geschonken volmacht over de uitvoering van de hanzei beschikte hij over een uitstekend instrument om vazallen te rekruteren onder de lokale samurai en de grotere macht over de lokale samurai had dan weer tot gevolg dat hij zich veel onafhankelijker ging opstellen tegenover het bakufu.

Het hoeft niet gezegd dat zijn greep op de landgoederen (shōen) zelf ook bijna verstikkend werd. Gedurende de Kamakura-periode waren de landgoederen steeds het slachtoffer geweest van de schendingen en inbeslagneming door de rentmeester. Wanneer de eigenaar van het landgoed een klacht had, richtte hij zich tot het bakufu. In de Muromachi-periode richtte de eigenaar zich echter tot de commissaris. In de eerste helft van de veertiende eeuw kon hij nog rekenen op een tussenkomst in zijn voordeel, maar naar het einde van de eeuw toe, werd de commissaris zelf de grootste bedreiging voor het landgoed. Steeds meer ging hij persoonlijke taksen en cijnzen heffen, zonder de goedkeuring van het bakufu. De landeigenaar kon echter niet optornen tegen de militaire overmacht van de commissaris en moest uiteindelijk de verantwoordelijkheid voor het innen van alle belastingen op het landgoed overdragen aan de commissaris (shugo-uke 守護請). Deze praktijk was geïnspireerd op de overdracht aan de rentmeester (jitō-uke 地頭請) van de Kamakura-periode. In theorie moest de commissaris de geïnde belastingen overdragen aan de landeigenaar, na aftrek van een commissieloon voor zijn diensten. De bekoring was onweerstaanbaar om dat commissieloon steeds meer te gaan opdrijven, totdat er voor de eigenaar bijna niets meer overbleef.

De shugo-daimyō

Onder het Kamakura-bakufu was de shugo niet meer geweest dan een provinciaal ambtenaar van het bakufu, maar in de loop van de veertiende eeuw ontpopt hij zich tot een feodaal heer (ryōshu) met feitelijk gezag over een uitgestrekt gebied (soms meerdere provinciën). De bushi en de kleine landheren in dit gebied zijn aan hem onderworpen als zijn vazallen en doen dienst als zijn vertegenwoordigers op het lokale vlak. Hij onderdrukt strijd tussen de boeren en maakt tevens van deze tussenkomsten gebruik om het shōen-landgoed verder aan te tasten. Deze tot groot feodaal heer uitgegroeide commissaris noemt men shugo-daimyō 守護大名. Het Muromachi-bakufu wordt vaak omschreven als de som van de politieke macht van deze shugo-daimyō. Aan de ene kant ondermijnden zij de macht van de aristocratische en de religieuze instellingen, aan de andere kant organiseerden en controleerden zij de lokale samurai en boeren.

Dit was de balans waarop de macht van het bakufu steunde. Het was van kapitaal belang haar in evenwicht te houden. Zij had immers voortdurend de neiging door te slaan in de richting van autonomie voor de feodale heren. De politiek van het bakufu bestond dan ook vooral in het remmen van de groei van de feodale heren. In 1357 vaardigde hij een wet uit waarbij schending van landgoederen door bushi en shugo verboden werd, en later werden nog meerdere malen gelijkaardige wetten uitgevaardigd, doch steeds zonder veel succes. Integendeel, de wetten riepen alleen maar meer weerstand vanwege de shugo in het leven.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Kortstondige schijn van eenheid en centrale macht

Yoshimitsu: de macht van de manipulatie

Hosokawa Yoriyuki hervormt de politieke structuur

De eerste twee shōgun van het Muromachi-Bakufu, Takauji (†1358) en Yoshiakira 義詮, shōgun van 1358 tot 1367, namen de bestaande instellingen, overgeërfd van de voorgaande periode, over, op het ambt van regent na. Hoewel Takauji kennelijk het aristocratische shōgunaat van Yoritomo voor ogen had, behield hij toch de instellingen van gemeenschappelijke besluitvorming die de Hōjō hadden gecreëerd, zoals bijvoorbeeld de Staatsraad.

Omdat de omstandigheden echter sinds de Hōjō sterk gewijzigd waren, dienden de organen van de regering opnieuw gedefinieerd te worden. Dat gebeurde tijdens het bewind van de derde shōgun, Yoshimitsu 義満 (leefde van 1358 tot 1408), die tijdens zijn minderjarigheid werd bijgestaan door Hosokawa Yoriyuki 細川頼之 (1329-1392), zijn secretaris (shitsuji 執事). Yoriyuki was de voornaamste architect van de nieuwe regeringsstructuur. De economische en militaire grondslagen van het Muromachi-bakufu waren te zwak om naar een autocratische regeringsvorm te kunnen terugkeren. De shugo-daimyō waren zo machtig geworden, dat zonder een belangrijke inbreng van hun kant in de politieke besluitvorming, regeren onmogelijk was.

Het ambt van assistent, dat Yoriyuki bekleedde, was oorspronkelijk geen regeringsambt, maar een privé-ambt in dienst van de pater familias van de Ashikaga-clan. Op deze post had men veel invloed, maar geen formele macht. Het eerste wat Yoriyuki deed was het ambt van assistent omvormen tot het hoogste publieke ambt onder de shōgun, met de nieuwe titel van vice-shōgun (管領kanrei, ook kanryō). De post werd steeds gevuld door een lid van één van de drie families, die in de zijlijn aan de Ashikaga verwant waren, namelijk de Hosokawa, de Shiba 斯波 en de Hatakeyama 畠山. Het ambt was dus geen monopolie van één familie, zoals het regentschap onder de Hōjō. Onder de shōgun en de vice-shōgun waren er vijf centrale instellingen:

  1. Het Administratief bureau (mandokoro 政所)
  2. Het Gerechtelijk bureau (monchūjo 問注所)
  3. Het bureau der Samurai (samurai-dokoro 侍所)
  4. De Staatsraad (hyōjōshū 評定衆)
  5. Het bureau der Coadjutoren (hikitsukeshū 引付衆)

De eerste drie instellingen waren de erfenis van Yoritomo's tijd, de andere twee waren creaties van de Hōjō. Het bureau der Coadjutoren was tijdens de Kamakura-periode (1249) ingesteld als een permanent comité dat de Staatsraad assisteerde. Zijn voornaamste taak bestond in het behandelen van geschillen in verband met land. Dat het bureau der Coadjutoren zeer nauw met de Staatsraad verweven was, blijkt onder meer uit het feit dat de coadjutoren ook in de Staatsraad zetelden. Door de oprichting van het bureau der Coadjutoren verloor het Gerechtelijk bureau veel van zijn bevoegdheid. Het behandelde alleen nog geschillen in verband met roerend goed. Onder het Muromachi-bakufu boette het nog meer van zijn macht in, zodat het nog nauwelijks meer was dan een griffie. Ook het Administratief bureau verloor veel van zijn macht en zijn bevoegdheid werd beperkt tot financiële zaken.

Het belangrijkste bureau was dat van de samurai. Het hoofd ervan, shoshi 所司 genaamd, was na de vice-shōgun de machtigste man in de regering. Bovendien cumuleerde hij ex officio, het ambt van politiecommissaris van de provincie Yamashiro 山城, waar de hoofdstad in lag. Het hoofd van het bureau der Samurai beschikte dus over een buitengewone strategische positie ten opzichte van het bakufu. Het ambt was dan ook aan een kleine keur van uitgelezen clans voorbehouden, en tegen het einde van de veertiende eeuw was het het monopolie van vier: de Yamana 山名, Akamatsu 赤松, Kyōgoku 京極 en Isshiki 一色.

Omdat de twee voornaamste ambten, dat van vice-shōgun (kanrei) en dat van hoofd van het bureau der Samurai (shoshi) het exclusieve recht waren van respectievelijk drie en vier families, karakteriseert men het Muromachi-bakufu als sankan-shishiki 三管四職. De bedoeling van dit roterend systeem van benoeming was de machtige shugo-daimyō zoveel mogelijk in de politieke besluitvorming aan bod te laten komen en bovendien een machtsevenwicht te creëren, waarover de shōgun presideerde.

De Zuidelijke Dynastie geeft zich over

Het was vooral Yoshimitsu die de vruchten van deze institutionele aanpassingen plukte, nadat Yoriyuki in 1379 tot ontslag gedwongen was geworden. Deze shōgun vormt het hoogtepunt van het Muromachi-bakufu. Zijn bewind was trouwens niet zonder koninklijke allures. Reeds in 1378 had hij in de wijk Muromachi van de hoofdstad een residentie met regeringsgebouwen laten optrekken in aristocratische (kugo 公御) bouwtrant, gekend als Hana no gosho 花の御所, ‘het Bloemenpaleis’.

Tussen 1385 en 1390 maakte hij uitgebreide reizen door de centrale en westelijke provinciën. Zijn voorgewende bedoeling was heiligdommen en tempels te bezoeken, maar in feite was het een inspectiereis om de plaatselijke machtsverhoudingen te bestuderen. In die jaren was de macht van de Zuidelijke Dynastie nog verder afgetakeld. Binnen het hof zelf waren er heel wat voorstanders van hereniging van de twee rivaliserende dynastieën en met de belofte dat hij terug zou keren naar het systeem van afwisselende troonsopvolging zoals dat voor de Kenmu-restauratie gebruikelijk was, wist Yoshimitsu in 1392 het Zuidelijk Hof ertoe over te halen zijn exclusieve aanspraken op te troon te laten varen (Nanboku-chō gattai 南北朝合体, Vereniging van Noordelijke en Zuidelijke Dynastieën). In feite hield de shōgun zijn belofte nooit en heeft de Noordelijke Dynastie sindsdien tot op de dag van heden ononderbroken de troon bezet.

Yoshimitsu's keizerlijke ambities

Aangezien het bakufu bestond bij de gratie van het machtsevenwicht, was het behoud van dit evenwicht het grondbeginsel van Yoshimitsu's politiek. Wanneer nu één van die shugo-daimyō zo groeide in macht dat hij het hele evenwicht bedreigde, dan moest hij kost wat kost gebroken worden. In 1391 provoceerde hij Yamana Ujikiyo 山名氏清, shugo-daimyō van elf provinciën in de San'in-regio, tot een opstand en vermoordde hem. Hetzelfde scenario herhaalde hij nog eens in 1399 tegen de Ōuchi 大内-familie, die heerste over zes provinciën in West-Japan. Deze datum mag als het toppunt van zijn macht beschouwd worden. Op dat ogenblik was hij, louter formeel gesproken, al geen shōgun meer. In 1394 immers had hij het ambt overgedragen aan zijn negenjarige zoon Yoshimochi 義持 (1386-1428). Zelf had hij de titel van dajōdaijin, kanselier, aangenomen, maar hij wou meer. Hij ambieerde de titel van ‘Teruggetrokken Keizer’ (daijō-tennō, 太上天皇). Daartoe liet hij zijn lievelingszoon adopteren door een keizerlijke prins om hem vervolgens op de troon te zetten. Net voor de realisatie van het plan overleed hij schielijk.

De hang naar een aristocratische en zelfs ‘regale’ levensstijl was een constante in Yoshimitsu's leven. We vermeldden reeds de bouw van zijn Bloemenpaleis. De inhuldiging ervan ging gepaard met grote feestelijkheden, met als climax de schenking door de keizer van speciale titels aan de gunstelingen van de shōgun. Hij kleedde zich als een hoveling, leefde als een hoveling en nam zelfs de verchineeste titel Kubō 公方 aan. In dit licht dient ook zijn ‘troonsafstand’ gezien te worden, omdat hij kennelijk de voorkeur gaf aan de hoogste civiele post, die van kanselier, boven de hoogste militaire. De enige bushi die voor hem ooit die post bekleed had was Taira no Kiyomori.

In 1408 nodigde hij de keizer en alle hooggeplaatste civiele ambtenaren (hovelingen) uit naar zijn monastieke residentie in het noordwesten van Kyōto, gekend als het Gouden Paviljoen (kinkaku 金閣). Tijdens het feest gedroeg hij zich als de gelijke van de keizer, terwijl zijn lievelingszoon op de plaats van de keizerlijke prinsen zat, dus op een niveau boven de hovelingen en de keizerlijke regent (kanpaku). Om zijn bloedarme schatkist te spijzen bevorderde hij ook actief de handel met Míng 明-China. In 1401 knoopte hij officiële betrekkingen aan met het keizerlijk hof van de Míng en naar aanleiding hiervan kreeg hij de titel van ‘koning van Japan’ van de Míng-keizer. Yoshimitsu was gretig hem te aanvaarden, ofschoon dit in het Chinees perspectief betekende dat de shōgun een vazal was van de Chinese keizer. In de praktijk had dat geen enkele betekenis. Het verhoogde alleen zijn prestige in het binnenland.

De politieke redenering achter dit streven naar keizerlijke status was dat het bakufu inherent zwak was zolang het gesteund was op het wankele machtsevenwicht tussen de verschillende shugo-daimyō. Behoud van het evenwicht vergde voortdurende waakzaamheid en politiek gemanoeuvreer. Alleen door het bakufu met het keizershuis te vereenzelvigen zou zijn macht een rotsvaste fundering krijgen. Yoshimitsu zag die identificatie zeer letterlijk want hij poogde noch min noch meer het shogunaat en het keizerschap te verenigen in één en dezelfde fysieke persoon. Zijn dood heeft dat echter verhinderd.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

economische en fiscale politiek

Belastingen op de handel

Naast de politieke instabiliteit was de zwakke fiscale onderbouw het voornaamste probleem van het bakufu. De officiële bijdrage (go-kōnōyaku 御公納役) van de politiecommissaris aan het bakufu was oorspronkelijk twee procent van de jaarlijkse inkomsten van landgoederen, maar later was de bijdrage tot vijf procent opgetrokken geworden, hetgeen door de commissarissen niet in dank werd afgenomen. Om hun goodwill te verwerven schroefde Yoriyuki het percentage terug tot twee procent. Daarmee sneed hij echter in eigen vlees, want het Muromachi-bakufu moest het geleden verlies elders zien te compenseren. In tegenstelling tot het Kamakura-bakufu, dat machtige domeinen bezat in het oosten (Kantō), waren de domeinen van de Ashikaga (goryōsho 御料所) verspreid en onregelmatig. Yoriyuki liet zijn oog vallen op commerciële activiteiten. In 1371 hief hij een buitengewone belasting op sake-brouwers en lommerds (dosō 土倉) in en rond de hoofstad. In 1393 werd dat echter een permanente belasting, en één van de voornaamste bronnen van inkomsten.

Het brouwen van sake ging terug tot in de Heian-periode, maar het was pas vanaf de periode van de Noordelijke en Zuidelijke Dynastieën (1336-1392) dat het een belangrijke economische activiteit werd. Dit hield verband met de toegenomen handelsactiviteit en geldcirculatie, en het groeiende verbruik van sake in de steden.De sake-brouwers maakten zulke winsten dat ze hun surplus aan kapitaal investeerden in nevenactiviteiten, met name geld lenen. Dit was een nog lucratievere activiteit en in vele gevallen werd geld lenen de hoofdactiviteit van de brouwer.

Terwijl andere gilden (za 座) beschermd werden door aristocratische families en religieuze instellingen, reserveerde het bakufu de sake-brouwers en geldschieters voor zichzelf. Om deze rijke bron van fiscale inkomsten te beschermen, handhaafde het bakufu de monopolies van de brouwers.

Belastingen op het land

Nog twee andere vormen van belasting werden door Yoriyuki ingevoerd op regelmatige basis: namelijk taks op land (tansen 段銭) en taks op huishoudens (munabechisen 棟別銭). Deze twee taksen waren door het Kamakura-bakufu geheven om onvoorziene uitgaven te dekken, maar vanaf 1372 werden zij in de normale fiscale structuur ingevoegd. Zij werden in natura geheven en de commissaris zorgde voor de inning. Dit werd trouwens één van de redenen waarvoor de commissaris de landgoederen mocht binnenkomen.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

De "maatschappelijke orde op haar kop"

van Yoshimitsu's dood (1408) to de Ōnin-oorlog

Grotere autonomie van de boeren

Onder leiding van de kokujin en de bovenlaag van de myōshu-boeren ontwikkelen zich vanaf de tweede helft van de veertiende eeuw verbanden ( 惣), die in de regel een dorp (mura 村) omvatten. Deze ontwikkeling tekent zich het eerst af in de regio's waar de handelsactiviteit een zeker peil had bereikt, zoals in de Kinai-regio. Vanaf de vijftiende eeuw worden de gebundeld in nog grotere verbanden, die meerdere dorpen omvatten of een hele commanderie (gun) kunnen bestrijken. In een volksvergadering (yoriai 寄合), waar alle boeren aan deelnemen, worden de beslissingen genomen, in verband met het bestuur, het handhaven van de orde, het beheer over gemeenschappelijke bossen en akkers, de waterverdeling, de religieuze (shintoïstische) feesten, etc. Zij kregen het zover dat de landheer (ryōshu) geen belastingsambtenaar meer stuurde naar de dorpen, maar dat zij zelf konden instaan voor de inning van het jaarlijks tribuut. Invoering van dit nieuwe systeem, dat bekend staat als 'verbintenis van de boer' (hyakushō-uke 百姓請, jige-uke 地下請) bracht met zich mee dat corvee afgeschaft werd, en dat alle vroondienst door tributen in natura of geld vervangen werd. De stond ook voor de zelfverdediging in. De militaire macht kon ook tegen de landheren gekeerd worden. Zelfs in streken waar de kleine boeren niet dezelfde mogelijkheden van groei naar autonomie hadden als in Kinai, ontpopten de myōshu-boeren zich tot land-samurai (jizamurai), die regionaal georganiseerde milities vormden ( 党, ook: do-ikki 土一揆). Deze waren zo sterk dat ze best de confrontatie met de beheerder van een shōen of zelfs een commissaris (shugo) aankonden.

De voermannen in opstand

In provinciën zoals Yamashiro, Yamato en Ōmi 近江 waar de sociale stratifiëring van de boeren zich verder had doorgezet, ontstonden in verband met de ontwikkeling van de handel specialisten van het transport, zoals de bashaku 馬借 en de shashaku 車借. Zij verzetten zich tegen de oprichting van de nieuwe tolhuizen en de uitbuiting door de geldschieters. In 1418 zetten de bashaku Kyōto in rep en roer om kwijtschelding van hun schulden te eisen. Dit was het begin van een hele reeks gelijkaardige opstanden, die telkens zogenaamd deugdzaam bestuur (tokusei 徳政) eisten.

In 1428 heerste er voedselschaarste in de periode vlak voor de nieuwe oogst. Die leidde tot de opstand van de bashaku in de provincie Ōmi. Deze breidde zich allengs tot de hele streek van Kinai uit. Ook stedelingen en boeren in de streek van Kyōto sloten zich daarbij aan. Tempels, huizen van brouwers en geldschieters, en hun opslagplaatsen werden verwoest. Schuldbekentenissen werden gescheurd en verpande goederen meegenomen. Hierover schreef de abt van de Daijōin 大乗院 in Nara, bezitter van een shōen: “Dit is niet minder dan het begin van 's lands ondergang. Sedert de schepping van Japan is dit de eerste opstand van het volk.” Deze volksopstanden, die bekend staan als do-ikki (ook: tsuchi-ikki 土一揆) waren niet zozeer gericht tegen één landheer of één shōen-beheerder in het bijzonder, als wel tegen het bakufu en het hele systeem waarop zijn macht rustte. Het was de eerste keer dat het volk tot georganiseerde opstanden overging.

De machtsstructuur van het bakufu takelt snel af

De grote beroering in de onderstroom van de maatschappij, intensifieerde de innerlijke tegenstellingen aan de top. In 1416 brak een opstand uit in de Kantō-regio, geleid door Ashikaga Yoshitsugu 足利義嗣, jongere broer van de shōgun Yoshimochi. Hierbij sloten zich Uesugi Ujinori 上杉氏憲, die een vazal was van Mochiuji 持氏, kanrei van Kantō, en vele belangrijke shugo-daimyō van de Kantō-regio aan. Nadat het bakufu met veel moeite de opstand had weten neer te slaan, zette Mochiuji een samenzwering op om Yoshimochi uit te schakelen. In 1423 gaf deze laatste bevel aan de shugo-daimyō van Kantō om een strafexpeditie te ondernemen tegen Mochiuji. Het kwam tot een voorlopig bestand tussen beide partijen. Pas onder Yoshinori 義教, twee shōgun later, werd Mochiuji uitgeschakeld.

Yoshinori begon rond die tijd meer en meer de macht naar zich toe te halen. Hij negeerde dus in grotere mate het systeem van sankan shishiki, en werd daar overigens toe genoopt doordat de do-ikki werden gebruikt door de anti-bakufu-krachten, maar dit vergrootte alleen nog meer de aliënatie van de machtige shugo-daimyō ten aanzien van de shōgun. Door de ondergang van de kanrei van Kantō hadden de shugo-daimyō van Kantō hun macht verstevigd. Ook in Kyūshū keerden de Ōtomo, Kikuchi 菊池 en Shōni 少弐 alle machtige shugo-daimyō, zich van het bakufu af. De Ōuchi-familie kreeg de opdracht opstandige vazallen te pacificeren, maar de succesvolle operatie versterkte de Ōuchi in die mate dat ze niet meer door het bakufu te controleren waren. Dit gold ook voor de Shimazu 島津 in Zuid-Kyūshū en de Akamatsu in Harima 播磨.

Opstanden van boeren en voermannen

Van deze onstabiele situatie wisten de do-ikki handig gebruik te maken. De streek van Kyōto werd weer het toneel van een reeks opstanden van boeren en voermannen. Shugo en ryōshu verloren vrijwel alle controle over de opstandige dorpen. In 1454 en 1457 wisten de do-ikki het leger van het bakufu en de huurlingen van de lommerds te verslaan. Vele soldaten liepen trouwens over naar de do-ikki.

De Ōnin-oorlog

In de domeinen van de sankan shishiki gebruikten de ondergeschikte bushi de do-ikki om zich tegen hun leenheer te keren. Zij mengden zich bovendien in de opvolgingskwestie van hun landheren. Door deze innerlijke twisten verloren de Shiba en Hatakeyama veel van hun macht. De Hosokawa kwamen versterkt uit deze fase. Binnen de Shishiki-families waren het de Yamana die zich in competitie met de Hosokawa tot een machtige clan ontpopten. Deze twee clans mengden zich in de interne opvolgingsstrijd die in de Shiba-en Hatakeyama-families woedde en schaarden zich uiteraard aan de zijde van tegengestelde partijen. Ook in de familie van de shōgun werd er gekibbeld om de opvolging tussen Yoshimasa's broer Yoshimi 義視 en zijn zoon Yoshihisa 義尚. Het bestaan van twee opvolgingsregels, een ‘Japanse’ (oudere broer op jongere broer) en een ‘Chinese’ (vader op zoon), had tijdens de Nara- en Heian-periode voor heel wat opvolgingsperikelen gezorgd in de keizerlijke verwantschapsgroep. Hosokawa Katsumoto 細川勝元 koos de zijde van Yoshimi, en Yamana Mochitoyo 山名持豊 (1404-1473) die van Yoshihisa. In 1467 werden de andere grote clans, zoals Ōuchi in het conflict meegesleurd, en de strijd ontbrandde in alle hevigheid. Wij schrijven het eerste jaar van Ōnin, en spreken daarom van de Ōnin-oorlog. Dit was een soort stadsoorlog die zich afspeelde in Kyōto. Boeren en arme stedelingen werden als voetvolk ingehuurd en in de plaats van soldij mochten zij de stad plunderen. Kyōto werd in een puinhoop herschapen. Na een paar jaar verloren beide partijen het oorspronkelijke doel uit het oog en de oorlog evolueerde tot een chronisch aanslepende stadsguerilla, waar vooral de stad het slachtoffer van was. Toen er geen buit meer te rapen viel, doofde het vuur van de strijd vanzelf uit (1477). Elf jaar had deze zinloze oorlog geduurd. Vier jaar eerder al had Yoshimasa zijn ambt overgedragen aan Yoshihisa, om zich terug te trekken in zijn residentie aan de voet van het oostelijke gebergte (Higashiyama), die bekend is als het Zilveren Paviljoen (Ginkaku 銀閣).


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

(ōnin no ran 応仁の乱)

do-ikki en kuni-ikki

Onderdanen boven hun meesters

De hele machtsstructuur kwam erg gehavend uit de strijd. Overal in het land keerden vazallen zich tegen hun leenheer, om vaak op hun beurt het slachtoffer te worden van het complot van hun eigen cliënten. De daimyō negeerden de shōgun en de keizer telde helemaal niet meer mee. De samenleving stond op haar kop en de machthebbers omschreven deze toestand als gekokujō (下剋上): onderdanen stellen zich boven hun meesters. Deze term sloeg op de rebellie van vazallen tegen hun heren, maar ook op de weerstand van de boeren en kokujin tegen de landeigenaars (ryōshu). In 1489 liet Hino Tomiko 日野富子 (1440-1496) aan de poorten van Kyōto zeven nieuwe tolkantoren oprichten. Het volk vernietigde deze kantoren en stelde een volksregering in (shi-tokusei 私徳政).


Kuni-ikki van Yamashiro

Eind 1485 brak de beroemde kokujin-opstand (kuni-ikki) van Yamashiro uit. Aanleiding was het feit dat de rivaliserende facties van de Hatakeyama-clan in dit gebied hun strijd kwamen uitvechten en er dood en vernieling zaaiden. De kokujin verbonden er zich met de boeren en kwamen in verzet. Zij hadden drie eisen:

  1. terugtrekking van beide legers
  2. herstel van het bezit van tempels en honjo over de landgoederen (omdat hun uitbuiting veel milder was dan die van de bushi)
  3. ontmanteling van de nieuwe tolkantoren

Het opzet slaagde. Het volk stelde een raad van 36 kokujin in als opperste beslissingsorgaan, en een uitvoerend orgaan met een maandelijkse beurtrol (gachi-gyōji, ook tsuki-gyōji 月行事). Dit zelfbestuur duurde acht jaar. Het viel uiteen toen de kokujin in dienst traden van daimyō. Dit was de laatste grote ikki in de streek van Kinki.

Ikkō ikki

De fakkel werd echter overgenomen door de streken Hokuriku, Tōkai en Chūgoku, waar de maatschappelijke stratificatie in de boerendorpen zich ook later had afgetekend. De meest representatieve opstand is die van de volgelingen van de Ikkō-sekte in de streek van Kaga 加賀, bekend als de Ikkō-ikki 一向一揆. De Ikkō-sekte behoorde tot de Honganji-strekking van het Reine Land Boeddhisme. Onder Rennyo 蓮如 (1415-1499), de achtste abt in directe lijn van opvolging na Shinran, kende de sekte een spectaculaire groei in de Hokuriku-regio. Rennyo was een populistische predikant, die beklemtoonde dat de abt en de gelovigen gelijk zijn in de ogen van Boeddha, en zich bedienend van het kana-schrift talrijke brieven aan zijn gelovigen richtte. Deze laatsten werden georganiseerd in congregaties ( 講) per regio, zonder zich te storen aan de grenzen van de domeinen. Op dit punt vertonen ze zeer veel gelijkenis met de in de Kinki-regio. Deze congregaties waren in de eerste plaats als gebeds- en bezinningskringen bedoeld, maar hun homogeniteit en hechtheid maakten ze tot uitstekende instrumenten van verzet tegen de landheren.

Ondanks herhaalde aanmaningen van Rennyo tot gehoorzaamheid kwamen de volgelingen van de Ikkō-sekte in 1488 in gewapende opstand tegen de shugo Togashi Masachika. Zij brachten een leger van 130.000 man in het veld. Masachika werd verpletterd en een familielid van hem werd tot shugo aangesteld, althans in naam, want de facto waren het de kokujin onder de volgelingen die het voor het zeggen hadden. Gedurende een eeuw bleef de provincie Kaga aldus ‘het bezit van boeren’ (hyakushō-mochi 百姓持).

Betekenis van de ikki

Zowel de kuni-ikki als de Ikkō-ikki zijn aan een innerlijke verdeeldheid ten onder gegaan. Uiteindelijk zijn de dorpen, onder het gezag gekomen van nieuwe feodale landheren (ryōshu), en hebben zij gediend tot springplank voor de kokujin en jizamurai om hun macht uit te bouwen. Toch is de historische betekenis van de ikki groot. Zij waren de meest opvallende manifestatie van een grotere onderstroom, die het systeem van het meervoudig landbezit uitholde, die zich ook kon uiten in het niet betalen van de jaarlijkse pachtrente, het deserteren van het land, enz.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

国一揆

sengoku-daimyō

Achtergrond

Een belangrijke factor in dit proces was de ‘ontvoogding’ van de genin tot kleine zelfstandige boeren, een tendens die zich reeds in de dertiende eeuw begon af te tekenen, en de splitsing van de myōshu in enerzijds grondbezitters, anderzijds kleine boeren. In de meest ontwikkelde gebieden was dit proces voltooid tegen het midden van de zestiende eeuw. De kleine zelfstandige boeren vormen de voornaamste groep in het dorp (mura). Ook in de minder ontwikkelde gebieden verstevigen de kokujin hun macht in de dorpsgemeenschappen. Een groep van landheren slaagt erin deze laag van kokujin aan zich te binden en ontwikkelt zich tot machtige feodale landheren: zij zijn de zogenaamde Sengoku-daimyō 戦国大名. De shugo-daimyō die niet in de transformatie slagen en het Muromachi-bakufu gaan aan hun innerlijke verdeeldheid ten onder. De keizerlijke familie en de oude aristocratie (kuge-klasse), die afhankelijk zijn van de bescherming van het bakufu en de inkomsten van hun schaars geworden shōen, vervallen tot armoede en machteloosheid. In de 16de eeuw zijn er zelfs vele gebieden waar men de keizerlijke periodenamen (nengō 年号) niet langer gebruikt. Sommige keizers hadden niet eens de middelen om hun kroningsceremonie te betalen, sommige hovelingen vervielen tot de bedelstaf of hadden geen kleren om zich tegen de kou te beschermen.

Profiel van de voornaamste sengoku-daimyō

De sengoku-daimyō ontwikkelden zich uit de lokale landheren die weinig of geen banden met het centrale bakufu-gezag hadden. Hier volgt een lijst van de voornaamste:

1. Ise Nagauji 伊勢長氏 (1432-1519): was oorspronkelijk een cliënt van de shugo van Suruga 駿河, die geen domein had. Toen zijn leenheer gesneuveld was bij het onderdrukken van de kuni-ikki van Tōtōmi 遠江, brak de traditionele twist om zijn opvolging uit in diens clan, de Imagawa. Nagauji wist daarin te bemiddelen en kreeg als beloning het gebied van de commanderie Fuji 富士. Dit werd het eerste stuk van een groot gebied dat hij wist te verzamelen, onder meer door handig gebruik te maken van de strijd om het vice-shōgunaat (kanrei) van Kantō. In 1495 nam hij het kasteel van Odawara in en maakte er zijn hoofdkwartier van.

2. Nagao Tamekage 長尾為景 was vazal van Uesugi, shugo van Echigo. Hij werd geleidelijk sterker dan de clan van zijn landheer, en vermoordde deze laatste. Zijn zoon Kagetora 景虎 dwong de Uesugi-familie hem als familiehoofd (katoku 家督) te adopteren, waarna hij bekend stond als Uesugi Kenshin 上杉謙信 (1530-1578). Hij riep zichzelf uit tot vice-shōgun van Kantō en breidde zijn heerschappij uit over Echigo en Noord-Kantō.

3. In Kai 甲斐 slaagde de Takeda 武田-clan erin om zijn heerschappij te vestigen over de provincie Kai, Zuid-Shinshū 信州, Suruga en een gedeelte van Tōtōmi. Hij bereikte zijn hoogtepunt onder Takeda Shingen 武田信玄 (1521-1573).

4. In de regio Tōkai werd de Imagawa 今川-clan als shugo van Suruga en Tōtōmi machtig in de eerste helft van de zestiende eeuw. Iets later liet de Matsudaira 松平-clan van Mikawa 三河 zich opmerken, in het bijzonder Matsudaira Ieyasu, de latere Tokugawa Ieyasu 徳川家康 (1542-1616).

5. In Owari 尾張 was het de Oda 織田-clan, in oorsprong kleine landheren van Echizen, die zich als vazal van de Shiba 斯波-clan ontpopte tot een machtige clan, vooral onder Oda Nobuhide 織田信秀. Zijn zoon was niemand minder dan Oda Nobunaga 織田信長 (1534-1582).

6. Een mooi voorbeeld van gekokujō treffen we aan in Chūgoku. Daar was de Ōuchi 大内-clan heer en meester als shugo van Suō 周防, Nagato 長門 en Buzen 豊前. Door de handel met het buitenland had hij macht en rijkdom verworven. In 1551 komt zijn vazal Sue Takafusa 陶隆房 in opstand en dwingt zijn leenheer en diens zoon tot zelfmoord. De Sue-clan wordt op zijn beurt te gronde gericht door Mōri Motonari 毛利元就 (1497-1571), oorspronkelijk een kleine landheer van Aki 安芸 en vazal van de Ōuchi 大内.

Over het hele land kan men dergelijke voorbeelden citeren, met uitzondering misschien van de streek van Kinki, waar geen grote sengoku-daimyō opstaan.

Karakterisering van de sengoku-daimyō

De sengoku-daimyō worden het best gekarakteriseerd door de uitdrukking “Kiritorigōtō wa bushi no narai” 切り取り強盗は武士の習い (land afhandig maken is het gebruik van de krijger). Door voortdurend wisselende allianties, complot en list streefden zij hun doel na. Vriend noch verwante waren heilig. In de regel werden zij zelf uiteindelijk ook het slachtoffer van hun eigen praktijken. Iedereen was een mogelijke vijand en zij leefden in constante vrees, wantrouwen en achterdocht. In het begin verschilde de machtsstructuur van de sengoku-daimyō niet zo erg van die van de shugo-daimyō. De daimyō oefende rechtstreekse controle uit over een klein gedeelte van zijn gebied, terwijl de rest rechtstreeks het bezit was van plaatselijke kleine landheren die de daimyō onderdanigheid verschuldigd waren, hetgene zich onder meer uit in dienstplicht.

De sengoku-daimyō kenmerkt zich naderhand echter door zijn streven naar directe controle over zijn gehele territorium. Hij probeert daarbij zoveel mogelijk de autonomie van de kleine landheren te ondermijnen of teniet te doen en hen als zijn vazallen of cliënten (kashin 家臣) aan zich ondergeschikt te maken. Zij profileerden zich met andere woorden als zuiver feodale heren. Daarbij deinsden zij er ook niet voor terug, zoals de Hōjō vroeger hadden gedaan, de boeren op te zetten tegen de kleine landheren.

De cliënten werden ingedeeld in een hiërarchisch opgebouwde legerstructuur en bedacht met titels die hun rang weergaven (bijvoorbeeld bugyō 奉行, kumigashira 組頭,...). Deze organisatie fungeerde meteen ook als orgaan om het volk op het territorium te controleren. Tot het midden van de zestiende eeuw was het gebruikelijk bij de bushi, dat de hogergeplaatsten onder hen tevens optraden als administrator van een commanderie, terwijl de middenklasse meestal militaire activiteiten met agrarische combineerden. De niet-ophoudende oorlogen noopten de daimyō er echter toe een groot staand leger te onderhouden. Bovendien evolueerden de strijdtechnieken in die zin dat de individuele ruiters aan belang inboette en dat voetvolk, dat zich bediende van boog, speer of geweer en opereerde in gesloten orde, massaal in de strijd werd geworpen. De nood aan een staand leger riep de beroepssoldaat in het leven: de bushi zetten hun agrarische bezigheden stop en gingen zich vestigen aan de voet van het kasteel van de daimyō. Deze scheiding van boeren en krijgers zette zich door vanaf het midden van de zestiende eeuw. Uit de concentratie van de krijgers rond het kasteel groeiden de zogenaamde kasteelsteden (jōkamachi 城下町).


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

drukke handelsactiviteiten

Officiële handel met China

De bloeiende binnenlandse handel bleef tot het begin van de zestiende eeuw grotendeels het monopolie van de gilden (za 座). De groothandelaars (tonya 問屋) waren geëvolueerd uit de diensten die instonden voor opslag en bewaring van de goederen van de landheren (shōen-ryōshu). De gilden hadden dus sterke bindingen met de landheren. De buitenlandse handel van zijn kant bleef tot in de tijd van Yoshimitsu een pure privé-aangelegenheid. Takauji had weliswaar Tenryūji-bune 天竜寺船; (letterlijk: schepen voor de tempel Tenryūji) naar China gestuurd om de bouw van de gelijknamige tempel te financieren. Dat was wel duidelijk de bedoeling die voorzat toen Yoshimitsu in 1401 inging op het voorstel van een vooraanstaande handelaar uit Hakata 博多 om tribuutrelaties met het Míng-hof aan te knopen. De overeenkomst tussen China en Japan stipuleerde onder meer dat alleen schepen die daartoe officieel gemachtigd waren aan de handel mochten deelnemen. Die machtiging werd gegeven in de vorm van certificaten (kangō-fu 勘合符), hetgeen aanleiding gaf tot de naam ‘certificaat-schepen’ (kangō-sen 勘合船). De Chinese keizer stuurde ook een gouden zegel met de woorden 日本国王 Nihon kokuō (‘koning’ van Japan) in gegrift. Wanneer de shōgun een brief aan de Chinese keizer richtte, voorzag hij hem met dit zegel.

De Japanse ‘certificaat-schepen’, die ongeveer een tonnenmaat van 1000 ton hadden, hoefden geen invoerrechten te betalen als ze in een Chinese haven aanlegden. Verblijfkosten van de gezant van de ‘Japanse koning’ en diens gevolg (in feite handelaars) vielen ten laste van de Chinese overheid, zoals dat overigens ook het geval was voor de transportkosten van de tribuutgoederen. Wat het Chinese hof schonk als tegengeschenk overtrof de waarde van het Japanse tribuut. Bovendien werd in de marge van de tribuut-schenking handel gedreven. Alles samen genomen bracht dit een winst op van vijf- à zesmaal de kostprijs van de Japanse tribuut-goederen. Deze bestonden uit een assortiment van zwaarden, zwavel, koper, waaiers,... De Chinese certificaten kwamen terecht in de handen van het bakufu, de Ōuchi- en Hosokawa-clans, de Tenryūji- en Shōkokuji 相国寺-tempels en andere machtige shugo of religieuze instellingen. De eigenlijke behandeling der goederen (inkoop van de tribuutgoederen, verkoop van de Chinese) was in handen van handelaars van Kyōto, Sakai en Hakata en zij waren het ook die met het leeuwendeel van de winst gingen strijken.

‘Japanse kapers’ op Chinese kusten

Eén van de motieven van het Chinese hof om deze ‘diplomatieke’ betrekkingen met Japan aan te knopen was de wens van Chinese zijde dat de Japanse overheid de zogenaamde Japanse piraten (wakō 倭寇 Chinees: wōkòu), die de Chinese kusten onveilig maakten, in toom zou houden. De naam ‘Japanse piraten’ was het gevolg van een cirkelredenering aan Chinese zijde. Een onderdaan van de Chinese keizer kon per definitie geen piraat zijn. Was hij wel piraat, dan was hij per definitie geen onderdaan van de keizer (meer). De keizer kon moeilijk over eigen onderdanen praten als piraten, want dat betekende dat zij hem niet onderdanig waren. Dus werden deze lieden als ‘buitenlanders’ bestempeld, in dit geval hier ‘Japans’. In werkelijkheid waren de dertiende-eeuwse wakō-soldaten meesterloze samurai, kooplieden en smokkelaars uit Japan, maar betrof het tegen de vijftiende eeuw vaak mensen van Chinese of eventueel gemengde (Chinees-Japanse) afkomst. Hoe dan ook, de Chinese inspanningen om ze uit te schakelen of van de kust af te houden bleken zonder succes. De piraten stoorden zich noch aan het verbod van het bakufu, noch aan de Chinese kustwacht. Aangezien zij hun strooptochten met handel combineerden en er in China ook voldoende handelaars waren die vrije handel wensten, hadden de piraten geen problemen afnemers te vinden. Met het verval van het bakufu en de teloorgang van de macht van de Hosokawa- en Ōuchi-clans stierf de certificaat-handel een stille dood. In 1549 voer het laatstse certificaat-schip naar China. Toen rond dezelfde tijd ook in China de controle op de handel strakker werd, begonnen ook de Chinezen deel te nemen aan de piraathandel en vrijbuiterij. In de periode 1540 tot 1556 maakten zij de kusten van Midden- en Zuid-China onveilig. Het Chinese hof greep in. Het onderdrukte de piraterij en verbood voortaan alle handel met Japan.

De Ryūkyū-archipel 琉球列島

Tijdens de Muromachi-periode was er een bloeiende vrije handel tussen Japan en het Koninkrijk van de Ryūkyū-archipel. Hoewel dit laatste geen grondstoffen of belangrijke export-artikelen had, haalde het veel voordeel uit de tussenhandel, omdat het optrad als tussenpersoon tussen China en Korea aan de ene kant en Japan aan de andere. De bevolking van de Ryūkyū-archipel is een zijtak van het Japanse ras en de taal gaat terug op dezelfde stam als het Japans. Gedurende het eerste millennium van onze jaartelling waren de contacten tussen Japan en de archipel echter vrijwel onbestaande. Het is pas vanaf de 13de eeuw dat er regelmatig contact is tussen Zuid-Kyūshū en de Ryūkyū-archipel. Toen was ze verdeeld in een reeks van stammenrijkjes, geleid door een stamhoofd, aji of anji 按司 genaamd. Op het eind van de 12de eeuw slaagt Shunten 舜天 (ca.1166-ca.1237), aji van Urasoe 浦添 in de buurt van Shuri 首里 (het huidige Naha 那覇) erin het centrale deel van het hoofdeiland (Okinawa-hontō 沖縄本島) onder zijn controle te krijgen. Shunten's ‘dynastie’ gaat ten onder en wordt in 1260 opgevolgd door een nieuwe, gesticht door Eiso 英祖. Rond deze tijd ontstaan er ook in het zuidelijke en in het noordelijke deel van het eiland grotere verbanden, zodanig dat het eiland nu opgedeeld is in drie rijken (‘Drie Bergen’ sanzan 三山; respectievelijk de Noordelijke, Midden en Zuidelijke Berg), die met elkaar rivaliseren.

In 1349 wordt de door Eiso gestichte dynastie van de troon gestoten door Satto 察度 (reg. 1350-1395), aji van Urasoe die in 1372 voor het eerst tribuut stuurt naar China. De Noordelijke en Zuidelijke Berg volgen dit voorbeeld.

In de eerste helft van de 15de eeuw slaagt Shōhashi 尚巴志 (reg. 1422-1439), koning van de Midden-Berg erin het hele eiland onder zijn gezag te brengen en bovendien zijn macht uit te breiden over de andere eilanden van de archipel. Dit eenheidsrijk gaat een grote bloei tegemoet, die duurt tot in de tweede helft van de zestiende eeuw. Zijn welvaart is in de eerste plaats gestoeld op de tussenhandel tussen Japan en het Aziatische continent. Uit Japan importeert het ook heel wat culturele elementen zoals het kana-schrift, boeddhisme en boeddhistische architectuur,...

Liberalisering van de binnenlandse handel

Parallel met de uitholling en aftakeling van de controle op de handel, die het bakufu uitoefende via de certificaten, werd de band tussen de landheren en de gilden losser en minder effectief. De monopolies werden gaandeweg ondermijnd. In dorpen en steden zag men het ontstaan van kleine handelaars en leerjongens maakten zich los uit het verband met de gilden om op eigen houtje een zaak te beginnen. Omdat deze tendens de macht van de kleine landheren ondermijnde, werd hij gesteund door de sengoku-daimyō. Om de controle over hun territorium te versterken was het immers nodig dat de hun ondergeschikte landheren zo weinig mogelijk macht hadden over het land, het volk en de markten. De sengoku-daimyō voerden daarom een bewuste politiek van ontmanteling van monopolies op markten en gilden (rakuichi-rakuza 楽市楽座). Dit gebeurde voor het eerst in 1549 in de provincie Ōmi.

Zelfbestuur in de handelssteden

De liberalisering van de handel had voor gevolg dat hij niet langer strikt gebonden was aan de lokale gemeenschap, maar voortaan het hele territorium van de daimyō ging bestrijken. Een tweede gevolg was dat de steden van handelaars en ambachtslieden een nooit eerder geziene graad van vrijheid verwierven, die enigszins te vergelijken is met de autonomie van de op het platteland. In steden als Sakai 堺, Hirado 平戸, Hakata, Kuwana 桑名, Ōminato 大湊, Ujiyamada 宇治山田 werden raden (egōshū 会合衆) in het leven geroepen om de stad te besturen. In die raad zetelden welstellende handelaars. In Kyōto bestonden gelijkaardige raden, maar dan op het niveau van de wijken: bijvoorbeeld in de tempelwijken (monzen-machi 門前町) Gion 祇園, Kiyomizu 清水 en Kitano 北野.

Het meest representatieve voorbeeld is ongetwijfeld Sakai. Deze havenstad, een belangrijke schakel tussen de Japanse binnenzee (Seto-naikai 瀬戸内海) en de hoofdstedelijke provinciën, was oorspronkelijk een shōen van de tempel Shōkokuji in Kyōto. Op het eind van de 14de eeuw verwierven de bewoners het recht van jige-uke en op den duur betaalden zij zelfs geen tribuut meer. De stad werd bestuurd door een raad bestaande uit 36 groothandelaars. Het was een draaischijf van binnenlandse zowel als van overzeese handel. Schepen van en naar China, Korea, de Ryūkyū-eilanden, later ook uit Portugal en Spanje legden er aan. In het midden van de zestiende eeuw was het Japans rijkste stad. Ook belangrijke nijverheden zoals smederij en ijzergieterij, weefnijverheid, brouwerijen en lakwerknijverheden waren er gevestigd. Na de Ōnin-oorlog werd de stad vaak betwist door daimyō. Daarop werd een wal rond de stad gebouwd en werden meesterloze samurai ingehuurd om voor de verdediging in te staan.

Toch heeft de ‘vrije stad’ uiteindelijk de duimen moeten leggen voor de macht van de sengoku-daimyō. Sakai beantwoordde immers niet aan hun definitie van de kasteelstad: een stad waar de militaire en administratieve functies van het territorium geconcentreerd zijn, en waar de handel en nijverheid in de eerste plaats bestaat om te voorzien in de militaire en levensbehoeften van de cliënten (kashin) van de daimyō.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

materiële beschaving en geestelijke cultuur

De schone schaduw van de adel

Tijdens de Muromachi-periode beleeft Japan het wegdeemsteren van de aristocratie en haar cultuur. Cultuur is niet langer een monopolie van de hoge klasse en de kloosters, noch is zij beperkt tot Kyōto. Men mag gewag maken van een zekere democratisering en regionalisering van de cultuur, waarbij niet-aristocratische klassen de voornaamste voortbrengers van de cultuur worden.

De aristocratie is evenwel niet helemaal verstomd, maar zij trekt zich terug in het verleden en haar stilaan verstarde tradities. In het begin van de periode zijn er nog enkele werken die het vermelden waard zijn, in de eerste plaats Jinnō shōtōki 神皇正統記 (‘Vertoog over de regelmatige opvolging van de goddelijke soevereinen’), een werk dat geschreven werd tijdens de periode van de tweestrijd tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Dynastie, door Kitabatake Chikafusa 北畠親房, een medestander van de Zuidelijke Dynastie. De auteur betoogt dat Japan het land der goden is, dat ten eeuwigen dage door de nakomelingen van de Zonnegodin bestuurd wordt. Het bezit van de ‘Drie Goddelijke Kostbaarheden’ is het teken van hun legitimiteit, die in casu aan de Zuidelijke Dynastie toekomt. Kitabatake zet zich met name af tegen de mappō-gedachte en inspireert zich op het gedachtengoed van het Confucianisme, volgens hetwelke de deugd van de heerser en de menselijkheid van zijn bestuur zijn lot en zijn voortbestaan bepalen. Hij erkent ook dat het bestuur van de bushi gerechtvaardigd is in de mate dat het de goedkeuring van het volk meedraagt.

Een tweede belangrijk geschrift van aristocratische inslag is Tsurezuregusa 徒然草 van Yoshida Kenkō 吉田兼好 (ca.1283-1352), een shintoïstische priester uit Kyōto. Het werk wordt gekenmerkt door zijn elegische toon en zijn nostalgie naar de aristocratische verfijning van weleer, maar erkent tevens de realiteit van de eigentijdse maatschappij, waar winstbejag en geld niet weg te denken zijn. Opmerkelijk is wel dat de enige vermeldenswaardige aristocratische geschriften alle behoren tot de periode van de Zuidelijke Dynastie. Ook het epische Taiheiki 太平記 van de hand van de priester Kojima Hōshi 小島法師 handelt over de tijd en kiest de zijde van de Zuidelijke Dynastie. Voor het overige beet de aristocratie zich vast in haar angstvallig bewaarde hiden 秘伝 (de geheime overlevering van de waka-traditie) en de yūsoku 有職 (het gedetailleerde onderzoek naar de ceremoniële aspecten van het kuge-leven).

Synthese van kuge- en bushi-cultuur

De culturele vernieuwing is te vinden in andere kringen. Men heeft het vaak over de cultuur van de noordelijke heuvels (Kitayama-bunka 北山文化) en de cultuur van de oostelijke heuvels (Higashiyama-bunka 東山文化). Dit is een verwijzing naar de heuvels in de buurt van de toenmalige hoofdstad waar respectievelijk Yoshimitsu's Gouden Paviljoen en Yoshimasa's Zilveren Paviljoen ingeplant zijn. Deze twee tempels belichamen een nieuwe architectonische stijl, en bij uitbreiding de levensstijl en cultuur waarvoor zij als decor dienden. Beide culturen worden traditioneel beschreven als een synthese van kuge- en bushi-cultuur. De benedenverdieping en de middenste verdieping van het Gouden Paviljoen zijn in de aristocratische shinden-zukuri-stijl 寝殿造 gebouwd, terwijl de bovenverdieping in de stijl van de zentempels is, wat dan meer met de bushi-klasse geassocieerd wordt. Dit is duidelijk een voorbeeld van synthese, maar dergelijke voorbeelden zijn te schaars om representatief te zijn. Het meest typerende voor de Muromachi-periode is ongetwijfeld de inbreng van de regio's en de minder respectabele klassen, met name die van de kokujin en de stedelingen (egōshū,...).

Het nō-theater

Het -theater 能 is daar een typisch voorbeeld van. In oorsprong gaat het terug op volkse vormen van pantomime (sarugaku 猿楽), verweven met elementen gegroeid uit de dans en muziek die diende ter begeleiding van de rijstplanting (dengaku 田楽). In het midden van de 14de eeuw waren er diverse gezelschappen (za 座) die zich specialiseerden in dit soort sarugaku-voorstellingen, waarmee vooral religieuze feesten in shintō-heiligdommen werden opgeluisterd. Aan het heiligdom van Kasuga 春日 waren vier gezelschappen (Kanze 観世, Konparu 金春, Hōshō 宝生 en Kongō 金剛) verbonden die zich sterk lieten opmerken, en hun kunst tot ongekende hoogten ontwikkelden. Vooral het Kanze-gezelschap wist met name de aandacht van shōgun Yoshimitsu te trekken en onder diens bescherming gaven Kan’ami 観阿弥 en Zeami 世阿弥 nagenoeg zijn definitieve vorm. Daardoor onderging het in oorsprong volkse een ingrijpende verandering. Ook kyōgen 狂言, het grappige interludium tussen twee -stukken in, was een ent van sarugaku. Deze eerste vorm van gesproken toneel in Japan, kenmerkt zich door zijn satirische ingesteldheid: landheren en bushi worden er op de korrel genomen, en voorgesteld als pompeuze dwazen, die makkelijk in het ootje te nemen zijn door hun slimme dienaren.

De thee-ceremonie

De thee-ceremonie is gegroeid uit bijeenkomsten waarop thee werd geproefd. De boeren uit de Kinai-regio die thee verbouwden plachten de thee te proeven om hem te sorteren. Ook de bushi en kuge hielden van de drank en kwamen bijeen om met elkaar te wedijveren in het identificeren van theevariëteiten. Deze bijeenkomsten gebeurden volgens bepaalde gedrags- en bewegingscodes (sahō 作法) en het is hieruit dat Murata Jukō 村田珠光 (1423-1502) aan het hof van Yoshimasa de wabicha 侘茶 ontwikkelde, die wij gemakshalve de artistieke thee zullen noemen.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Uit de politieke anarchie groeit een nieuwe maatschappij

De landbouwproductie stijgt

De twee eeuwen vanaf de val van het Kamakura-bakufu tot de opdeling van het land onder de sengoku-daimyō waren getuige van de opkomst van de kleine zelfstandige boeren gegroepeerd in regionale verbanden en van de ontwikkeling van grote feodale territoria. Zo waren de voorwaarden aanwezig voor een toegenomen productie en verkeer van goederen.

Toegenomen productiviteit in de landbouw, arbeidsverdeling en specialisatie en de ambachtelijke nijverheid, ontwikkeling van het mijnwezen, ontstaan van handels- en nijverheidscentra en handelscontacten met het buitenland typeren de Muromachi-periode. De boeren moesten minder corvee doen. Deze werd immers gaandeweg vervangen door belastingen in natura of geld. Hoewel zij dus nog steeds onderworpen waren aan de landheer, bracht dit niettemin een grotere vrijheid met zich mee. De boer had meer tijd om zijn eigen zaken te plannen en te beredderen. Een en ander kwam de productiveiteit ten goede en stimuleerde de ontwikkeling van nieuwe landbouwtechnieken.

Er werden nieuwe variëteiten van rijst ontwikkeld, aangepast aan de omstandigheden (klimaat, bodemgesteldheid, watertoevoer,...): vroege rijst, late rijst en tussensoort. Het gebruik van trekdieren werd algemeen. Bevloeiing werd voortaan mechanisch gedaan door gebruik van het waterrad.

In de 15de eeuw ontstond het gebruik het land te bemesten met groenbemesting (gras en jonge takjes). Bezit van bebost gebied werd daardoor vitaal en een punt van betwisting tussen dorpen of landheren. Door de intensieve landbouw kon in één en hetzelfde jaar tweemaal geoogst worden (rijst en tarwe) in de Kinki-, Sangyō- en Kantō-regio's. In het gebied dat aan de Japanse binnenzee grensde werd sesam geteeld. Zij werd opgekocht door handelaars uit Ōyamazaki 大山崎 en per schip naar Yamazaki 山崎 vervoerd, waar men er lampolie uitperste. Verder nam ook de teelt van thee, de lakboom, de moerbeiboom en katoen een hoge vlucht. Vanaf het einde van de 14de eeuw was men katoenstof beginnen invoeren uit Korea en vanaf het midden van de 15de eeuw werd het een belangrijk materiaal voor de confectie van kleding. Daardoor nam de teelt en de productie van katoen in deze eeuw een grote uitbreiding. Dit geldt ook voor de teelt van ai 藍, een plant gebruikt voor het weven van stoffen.

Openbare werken

Gebruik en ontwikkeling van waterwegen waren traditioneel erg beperkt zodat het land een lappendeken was van talloze kleine territoria, maar door de concentratie van het land in handen van een beperkt aantal sengoku-daimyō nam het waterverkeer spectaculair toe. De versterkte kastelen waaraan zij zo'n grote nood hadden, konden zij bouwen omdat zij de bevolking van een groot gebied konden mobiliseren. Deze arbeidskrachten werden ook ingezet voor de bouw van grote kunstwerken. Beroemd is bijvoorbeeld de dam die Takeda Shingen liet bouwen over de Kamanashi 釜無川- en Fuefuki 笛吹川-rivieren.

Mijnbouw

Ook de mijnbouw kende een belangrijke evolutie. Dit gold niet zozeer voor ijzerertsen als wel voor koper, dat vanaf de 15de eeuw zo een grote productiestijging kende dat het in grote hoeveelheid naar China kon uitgevoerd worden. Na die introductie van het cupelleerprocédé (haifukihō 灰吹法) nam ook de productie van zilver in beduidende mate toe. Om de goudwinning op te drijven beperkte men zich niet langer tot goudwassen, maar men raffineerde het nu ook uit gouderts. De sengoku-daimyō hadden geld nodig om hun militaire inspanningen te financieren, en schonken daarom grote aandacht aan de ontginning van goudmijnen. De goudmijnen van Kurokawa 黒川 en Fuji 富士, ontgonnen door Takeda Shingen zijn enkele van de oudste voorbeelden.

Ambachten en nijverheid

De ambachtelijke nijverheid bloeide en bracht een waaier van streekgebonden specialiteiten voort. De wijk Nishijin 西陣 in Kyōto wordt het centrum van de zijdeweefkunst, die uit China ingevoerde zijde verwerkt. Naderhand wordt deze techniek ook uitgedragen naar andere streken zoals Suō 周防, Izumi 和泉, Tango 丹後, Mino 美濃, Owari 尾張, Echizen 越前 en Kaga. Van de bast van de papiermoerbei (kōzo 楮) en de Wikstroemia sikokiana-(ganpi 雁皮) plant werd handgeschept papier vervaardigd van hoge kwaliteit, alsnog gereserveerd voor de betere standen (tempels, bushi en handelaars). Vooral de streken Bitchū 備中, Mino, Harima 播磨 en Yamato 大和 legden zich toe op de papierproductie. Voorts verdienden vermelding de ceramiek van Seto en Owari en de sake van Kongō-san 金剛山 in Kawachi 河内, Hakata in Chikuzen 筑前 en Nara in Yamato.

Een van de belangrijkste nijverheden was de smederij en de ijzergieterij. Tot in de veertiende en vijftiende eeuw was het gebruikelijk dat de op het land gevestigde landheren (klasse van de jitō en shōkan) een eigen smidse hadden op hun domein, maar vanaf de periode van de Strijdende Provinciën (sengoku) neemt de vraag naar landbouwgereedschap, huisraad, zwaarden, messen,... in die mate toe, ook onder het volk, dat de smeden en ijzergieters niet langer afhankelijk zijn van een landheer als hun eigen werkgever en meester, en zelfstandige ambachtlieden worden. Wegens de grote behoefte van de daimyō aan wapens, werken de wapensmeden echter wel in dienst van een welbepaalde heer, maar dit doet niets af aan de algemene tendens. Een gelijkaardige evolutie doet zich voor met timmerlieden, metselaars, aanleggers van tuinen, meubelmakers,... die nu niet langer uitsluitend afhankelijk zijn van kuge, tempels en bushi, maar ook vele bestellingen van stedelingen krijgen.

Groei van steden

Overal komen steden als commercieel centrum van hun regio tot ontwikkeling. Streekmarkten worden nu op geregelde tijdstippen en vaker gehouden (bijvoorbeeld elke vierde dag van de maand). Wanneer zij in een verder stadium tot permanente markten evolueren, komen de handelaars zich in de buurt vestigen en zo ontstaan nieuwe steden. Bestaande binnenhavens langs het Biwa-meer en de Yodo 淀川-rivier, alsook traditionele zeehavens zoals Sakai en Hakata komen tot ongekende bloei. Om de producten uit de noordelijke provinciën van Honshū aan te voeren ontstaan nieuwe havens in Hokuriku, Echizen en Echigo 越後.

Ook in de omgeving van tempels ontstaan nieuwe steden of groeien bestaande stadsdelen verder uit: in de buurt van de Tennōji 天王寺-tempel (Ōsaka), het heiligdom van Ise (Ujiyamada 宇治山田) en in Nara. Dit zijn de zogenaamde monzenmachi of tempelsteden, die heel wat parallellen vertonen met de reeds vermelde kasteelsteden. Een prachtig voorbeeld van deze laatste is Yamaguchi 山口, ontstaan rond het kasteel van de Ōuchi-clan, centrum van binnenlandse handel en handel met Míng-China. Tijdens de Ōnin-oorlog was het de trekpleister voor de hoofdstedelijke elite die Kyōto ontvlucht was en ontpopte zich tot een belangrijk cultureel centrum. Kyōto van zijn kant herstelde vrij snel van deze deemstering. Vanaf de zestiende eeuw bloeide het weer in volle glorie, maar dit keer kwam de pracht niet meer van de oude aristocratie, maar was hij de vrucht van handel en nijverheid.

De literatuur

Ook de kunst van het kettinggedicht (renga 連歌) bereikte zijn hoogtepunt in de Muromachi-periode. Hoewel afgeleid van waka en dus in oorsprong van aristocratische komaf, is het pas in kringen van lagere standen (bushi en stedelingen) dat het kettinggedicht echt ernstig wordt genomen en zich ontpopt tot en hoogstaand literair genre. Naderhand wordt het de voedingsbodem waaruit het speelse kettingvers groeit, dat weer op zijn beurt het onstaan geeft aan haiku. Sōgi 宗祇 (1421-1502), van volkse komaf, geldt als de grootmeester van het kettinggedicht en zijn bloemlezing Shinsen Tsukuba-shū 新撰菟玖波集 (‘Nieuwe collectie van Tsukuba’) als de bijbel van het genre. Dat het speelse kettingvers inderdaad als een zekere parodie op het ernstige is ontstaan moge blijken uit de titel van de belangrijkste verzameling in het genre: Inu Tsukuba shū 犬筑波集 (‘Hondse collectie van Tsukuba’), van de hand van Yamazaki Sōkan 山崎宗鑑 (?-ca.1540), de grondlegger van dit schalkse soort poëzie.

Op het gebied van de literatuur kunnen verder nog vermeld worden de Kanginshū 閑吟集, waarin volksliederen verwerkt zijn en de Otogisōshi 御伽草子, een verzameling van korte verhalen, die erg geliefd waren onder het volk. Men treft er o.m. verhalen aan over gewone mensen die het tot edele of daimyō schoppen. Deze variaties op het ‘rags-to-riches’-thema weerspiegelen de maatschappelijke tendensen van gekokujō.

De zen-clerus

Een belangrijke bijdrage tot de Muromachi-cultuur werd geleverd door de zen-clerus. Zij produceerden een volumineus corpus poëzie en proza in Kanbun, en bestudeerden intens het Chinese neoconfucianisme. Sommigen onder hen, zoals Sesshū 雪舟 en Sesson 雪村 blonken uit in de monochrome schildering (suiboku-ga 水墨画), een stijl die eveneens uit China afkomstig was maar in hun handen Japanse accenten kreeg.

De boekdrukkunst

Steden als Yamaguchi en Sakai rivaliseerden met Kyōto als centra van cultuur. In deze twee steden worden voor het eerst confucianistische handschriften gedrukt en uitgegeven, bijvoorbeeld Rongo 論語 en Isho Daizen 医書大全. Opvallend is ook hoe de daimyō de studie van het neoconfucianisme stimuleerden en daardoor de vraag naar drukwerken deden toenemen. Ook leerboeken, bedoeld om de kinderen van kleine landheren, jizamurai en beter gesitueerde boeren (hyakushō-myōshu) een elementaire kennis van het schrift, de etiquette, streekproducten, religieuze feesten, en de moraal mee te geven, zagen het licht. Teikin ōrai 庭訓往来 en Dōji-kyō 童子教 zijn daar bijzondere voorbeelden van.

Het christendom en de westerse beschaving

In de zestiende eeuw maakten de Japanners voor het eerst kennis met de westerse beschaving. In 1543 landden Portugezen op het eiland Tanegashima 種子島 en introduceerden het gebruik en de fabricage van vuurwapens en buskruit. De stad Sakai, die zowel haven als centrum van metaalnijverheid was, werd één van de grote productiecentra van vuurwapens. Dat het gebruik van dit nieuwe type wapens een enorme invloed zal hebben op de oorlogsvoering laat zich makkelijk raden. In het kielzog van de Portugese schepen komen ook de missionarissen. In 1549 zet de Jezuïet Franciscus Xaverius voet aan wal in Kagoshima. In zijn spoor volgen vele priesters (bateren バテレン・伴天連) en broeders (iruman イルマン・伊留満). Hun strategie was er in de eerste plaats op gericht de daimyō te bekeren om dan onder diens officiële bescherming het hele volk voor het geloof te winnen. Sommige daimyō stelden in elk geval de handesrelaties met de Portugezen erg op prijs en om deze lucratieve contacten op geen enkele manier in gevaar te brengen, lieten zij prediking en bekering binnen hun territorium toe. Sommigen bekeerden zich zelfs, zoals bijvoorbeeld Ōmura Sumitada 大村純忠 van Bizen. In 1580 schonk hij de haven van Nagasaki 長崎 en haar omgeving aan de Sociëteit van Jezus. Hij was ook één van de drie daimyō die in 1582 een gezantschap van jonge bekeerlingen naar de curie te Rome stuurde. De schenking van de haven van Nagasaki was in de eerste plaats door politieke beweegredenen ingegeven. Het gebied dreigde namelijk geannexeerd te worden door de Ryūzōji 竜造寺-clan en door de haven aan de jezuïeten af te staan, kon hij tenminste nog vruchten van de handel blijven plukken.

Xaverius had gehoopt de shogun in Kyōto te kunnen ontmoeten, maar was daar niet in geslaagd. In 1560 slaagde de jezuïet Vilela daar wel in. Hij werd in audiëntie ontvangen door shogun Yoshiteru en kreeg de toelating om te prediken in de hoofdstad. In de twee volgende decennia kende het christelijke geloof een spectaculaire opgang in Kioto, mede dank zij de welwillende houding van Oda Nobunaga, die door de Westerse cultuur geïntrigeerd was en kennelijk in het christendom een middel zag om het boeddhisme te fnuiken. De Portugese jezuïet Luis Froïs won zijn vertrouwen en kreeg de toelating om in Azuchi en Kyōto een kerk en een college op te richten.

In 1569, precies twintig jaar na Franciscus Xaverius, arriveerde de Italiaanse jezuïet Alessandro Valignano (1539-1606) als visitator in Japan. Het werd het begin van een ware bloeiperiode voor het christendom. Hij onttrok Japan aan het gezag van de diocees van Goa en maakte er een zelfstandige diocees van, richtte seminaries op voor de opleiding van inlandse clerus, scholen waar de kinderen van Japanse bekeerlingen met de katholieke leer en de diverse takken van de westerse humane wetenschappen konden kennismaken, dispensaria en een drukkerij. Hij was ook het brein achter het beroemde gezantschap van christenjongelingen naar Rome. In 1582, het jaar van de dood van Oda Nobunaga, voer hij samen met vier bekeerlingen, zonen van daimyo, en hun gevolg uit de haven van Nagasaki op weg naar Lissabon, om vandaar dan verder te reizen naar Rome. Dit was een ongeëvenaarde propagandastunt. De passage van deze exotische stoet door de steden Lissabon, Madrid, Venetië en Rome, gooide hoge ogen, en werd de aanleiding tot talloze publicaties over de reizigers en de kerk in Japan. De onderneming diende een dubbel doel: door de ontmoeting met paus Gregorius XIII erkenning winnen voor het in Japan geboekte missioneringssucces en de ogen van de Japanners openen voor de schittering van de westerse, de christelijke beschaving. Valignano slaagde in beide opzetten, maar het succes zou toch niet duurzaam zijn. Toen de gezanten in 1590 terug thuis kwamen was de sfeer van euforie verdwenen.

Op hun terugreis namen de gezanten een aantal wetenschappelijke boeken, onder meer een exemplaar van Ortelius' atlas Theatrum orbis terrarum mee naar hun thuisland. Het pronkstuk in hun baggage was ongetwijfeld de westerse drukpers. Dit was ook een idee geweest van Valignano. De nood aan religieuze boeken en prenten steeg hand in hand met de toename van het aantal bekeerlingen en kon alleen gelenigd worden door plaatselijke productie. Daartoe werden een drukkerij en een academie voor religieuze kunst opgericht. In de academie onderrichtte de Napolitaan Giovanni Cola zijn Japanse leerlingen in de westerse technieken van olieverfschilderen en kopergravure. Vaak dienden Vlaamse prenten als model. Een van de belangrijkste collecties van religieuze prenten was het door Hiëronymus Nadal samengestelde boek Evangelicae historiae imagines, een collectie van 153 kopergravures in folio, in 1593 te Antwerpen gepubliceerd.

De Portugese stijl van kolonisering kenmerkte zich door een verregaande versmelting van commerciële, militaire en religieuze doeleinden. Aan de missionering waren politieke implicaties verbonden en dit hield het gevaar in van een botsing met de bewindvoerders van het land. Ten tijde van Oda Nobunaga had dat geen probleem gevormd, maar inmiddels was hij door Hideyoshi opgevolgd als de facto heerser over het land. Hij stond veeleer wantrouwig tegenover het christendom en ging in 1587 over tot zijn eerste verbod op de missionering. Gelukkig voor de missionarissen en de bekeerlingen ging het slechts om een korte opstoot van christenvervolging. Na verloop van tijd versoepelde Hideyoshi weer zijn houding en liet hij hen betijen. Van 1590 tot 1592 en van 1598 tot 1603 verbleef Valignano weer in Japan en zette zich verder in voor de uitbouw van de missie. Het wantrouwen van Hideyoshi nam echter toe, en hij ging nog meerdere keren over tot het arresteren en kruisigen van christenen.

Volgens de rapporten van de jezuïeten telde Japan op het hoogtepunt van de missionering ongeveer 150.000 bekeerlingen en meer dan 200 kerken.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Eenmaking

Inleiding

Wanneer begint het tijdvak van de moderne tijd (kinsei, early modern times) in Japan? Dat is een punt van discussie onder geschiedkundigen, maar voor sommigen moet het begin in de tijd van Oda Nobunaga gezocht worden, ongeveer rond 1550. Dat is onder meer het standpunt van de Cambridge History of Japan, een collectief werk dat in weerwil van zijn naam grotendeels een Noordamerikaanse onderneming is. De auteurs laten de moderne tijd duren tot circa 1800. Dat wordt dan het begin van de nieuwe tijd (kindai, modern times) die de hele negentiende eeuw bestrijkt. Deze benadering beschouwt de fasen van overgang als een onderdeel van de daarop periodes en benadrukt dus de continuïteit van de geschiedenis. Dat is een invalshoek waar veel voor te zeggen valt en die wij ook kunnen onderschrijven. Toch volgt onze indeling van hoofdstukken niet manifest deze manier van indelen. Onze hoofdstukken bestrijken namelijk kortere periodes. Dat is echter niet zozeer een weerspiegeling van een fundamenteel standpunt over de chronologische indeling van de Japanse geschiedenis als wel een eenvoudig middel om studie van en inzicht in de materie te vergemakkelijken.

  1. Oda Nobunaga (1534-1582) legt de grondslag
    1. blitzcarrière van een vechtersbaas
    2. Nobunaga's onstuitbare oorlogsmachine
    3. het incident in de Honnōji-tempel
  2. Toyotomi Hideyoshi (1536-1598) herenigt japan
    1. Hideyoshi de veldheer
    2. Hideyoshi als bestuurder
    3. handelspolitiek
    4. godsdienstpolitiek
    5. Hideyoshi en het buitenland
  3. Het christendom en de westerse beschaving

Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Oda Nobunaga (1534-1582) legt de grondslag

blitzcarrière van een vechtersbaas

Nobunaga maakt zich meester van Kyōto

Het was ongetwijfeld de droom van elke sengoku-daimyō om het land te herenigen en onder zijn eigen gezag te brengen. Naarmate dit streefdoel naderbij kwam, werd de nood aan legitimering groter en richtten de ambitieuze regionale leiders hun blikken naar Kyōto en het symbool van het centrale gezag dat daar op de troon zat. Dat kwam het eerst tot uiting in het feit dat sommige machtige daimyō, zoals Uesugi Kenshin 上杉謙信, aan de berooide keizer – die zelfs de sake voor banketten niet kon betalen – geld schonken om zijn kroningsceremonie te bekostigen. Maar ook hier gold de regel dat velen zich geroepen voelden maar slechts één uitverkoren was, namelijk Oda Nobunaga 織田信長, heer van een domein in de provincie Owari 尾張. In 1560 probeerde Imagawa Yoshimoto 今川義元, de grootste sengoku-daimyō van de Tōkai-regio, naar Kyōto op te rukken. Daarvoor moest hij door het domein van Oda Nobunaga, die dat niet over zijn kant liet gaan en met een legertje van 2000 man het grote leger van zijn belager wist te verrassen en te verslaan. Deze slag bij Okehazama 桶狭間 geldt als de start van Nobunaga's steile opgang. Van dat moment af gebruikt hij trouwens een zegel waarin het opschrift tenka fubu 天下布武 (‘Over het hele rijk spreid ik mijn militaire macht’), gegrift staat, hetgeen een duidelijk licht op zijn aanspraken werpt. Dat deze woorden geen loze bewering waren, bewijst het feit dat Oda Nobunaga reeds in 1568, na een opmars waarbij hij de ene daimyō na de andere onderwierp, de hoofdstad bezette aan het hoofd van een 30.000 man sterke troepenmacht. Hij nam de keizer ‘in bescherming’, liet grote herstellingen uitvoeren aan het paleis, en garandeerde hem een jaarlijks inkomen van rijst. De dankbare keizer schonk hem de titel van udaijin. Anderzijds liet Nobunaga Ashikaga Yoshiaki 足利義昭 tot shōgun aanstellen. In ruil daarvoor kreeg hij de titel van vice-shōgun en de belofte dat alle politieke beslissingen aan hem werden overgelaten.

De hoofdstedelijke provincies in zijn macht

De kleine landheren in de hoofdstedelijke provincies worden gemakkelijk onderworpen en in zijn geïntegreerde legerorganisatie ingedeeld. Van de vrije stad Sakai 堺 eiste hij een zware schatting, die de burgers aanvankelijk weigerden te betalen, maar toen hij in 1569 dreigde hun stad te zullen platbranden legden ze de duimen. Een vrije stad was een doorn in het oog van Nobunaga, maar hij was wel slim genoeg om de handelaarsklasse niet algeheel van zich te vervreemden. Hij ontmantelde tolhuizen, schafte het monopolie van gilden af, maakte de markten vrij en verbeterde de wegen, maatregelen die zeker het handelsverkeer ten goede kwamen.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Nobunaga's onstuitbare oorlogsmachine

Drie soorten rivalen

Om de hegemonie over Japan te verwerven diende Nobunaga met drie formidabele vijanden af te rekenen:

  1. De grote kloosters in Nara, Kyōto en op de berg Kōyasan 高野山. Zij waren van oudsher eigenaar van grote landgoederen (shōen) en beschikten bovendien over eigen monnikenlegers (sōhei 僧兵).
  2. Rivaliserende daimyō-clans zoals de Asai van Ōmi, de Asakura van Echizen, de Takeda 武田 van Kai 甲斐, de Uesugi van Echigo en de Mōri 毛利 van Chūgoku.
  3. De religieus geïnspireerde opstanden (Ikkō ikki 一向一揆) in Hokuriku, Tōkai en Kinki, die voor zichzelf een grote autonomie bevochten hadden.

Eén voor één pakt Nobunaga zijn tegenstanders aan. In 1571 legt hij de kloosters op de berg Hieizan 比叡山, hoofdkwartier van de Tendai-sekte ten noordoosten van Kyōto, in de as. Drieduizend tempelgebouwen gaan in vlammen op en duizenden monniken komen om het leven. Dit was de meest heiligschennende daad uit zijn hele carrière: sedert de stichting van de kloostergemeenschap op de berg in de negende eeuw gold Hieizan zowat als het Mekka van het Japans boeddhisme. De steden aan het Biwa-meer (Biwako 琵琶湖) zoals Sakamoto 坂本, die aan de zijde van de monniken gestreden hadden, ondergingen hetzelfde lot.

In 1573 moet de shōgun, die de verstikkende omhelzing niet langer kon verdragen en opstandig werd, eraan geloven. Hij wordt verpletterend verslagen te Uji 宇治 en Nobunaga schaft het bakufu af. In dat jaar schakelt hij ook de Asai- en Asakura-clans uit.

Na een bondgenootschap gesloten te hebben met Tokugawa Ieyasu 徳川家康 van Mikawa 三河, verslaat hij in 1575 bij Nagashino 長篠 de trotse legers van de Takeda-clan. Deze slag was van grote historische betekenis. De machtige cavalerie van Takeda Katsuyori 武田勝頼 liep zich te pletter tegen een houten palissade, waarachter 3500 schutters uitgerust met haakbussen hadden postgevat. De in hun vaart gestuite ruiters vielen als vliegen onder de kogelregen van Nobunaga's voetvolk. Dit had verstrekkende gevolgen voor de ontwikkeling van de oorlogvoering in Japan. In 1543 hadden Portugese kooplieden het vuurwapen in Japan geïntroduceerd en Nobunaga was één van de eersten geweest om de enorme mogelijkheden van dit nieuwe wapen te beseffen.

Dit waren spectaculaire en goed voorbereide campagnes, die vrij snel de overwinning opleverden. Heel wat taaier was de weerstand van de boerenlegers van de Ikkō-ikki. Nobunaga deed er vier jaar (1570-1574) over om de Ikkō-ikki van Nagashima in Ise 伊勢 te onderdrukken. In 1575 maakt hij een einde aan de Ikkō-ikki van Echizen, gebruik makend van onenigheid tussen het volk en de boeddhistische leiders van de opstand. In beide gevallen trad hij bijzonder meedogenloos op en liet iedereen ongeacht geslacht of leeftijd ombrengen. Hij steunde het christendom omdat het kon bijdragen tot een aantasting van de populariteit en het gezag van de Ikkō-sekte.

Hoofdkwartier te Azuchi

Nu hij een groot gedeelte van centraal Honshū stevig in handen had, besloot hij een machtig hoofdkwartier te bouwen in Azuchi 安土 aan het Biwa-meer op het knooppunt van drie grote postwegen: de Tōkaidō 東海道, de Tōzandō 東山道 en de Hokurikudō 北陸道. De werken duurden drie jaar (1576-1579) en het resultaat was het grootste en meest imposante kasteel van het toenmalige Japan. Het lag in zijn bedoeling om een kasteelstad eromheen te laten ontwikkelen die moest uitgroeien tot een politiek, militair, commercieel en cultureel centrum. Aan de christenen stelde hij grond ter beschikking voor de bouw van een kerk. Vanuit dit machtige bolwerk zette hij zijn veroveringswerk verder. In 1577 stuurde hij zij briljante generaal Toyotomi Hideyoshi 豊臣秀吉 (1536-1598), over wie dadelijk meer, erop uit om de streek van Chūgoku te onderwerpen. In 1580 nam hij zelf de Ishiyama Honganji 石山本願寺 in, machtige tempel en hoofdkwartier van de Ikkō-sekte nabij Ōsaka, en legde hem in de as, terwijl zijn generaal Shibata Katsuie 柴田勝家 de Ikkō-ikki van Kaga 加賀 onderdrukte. In hetzelfde jaar liet hij een landmeting uitvoeren van de provincie Yamato, confisqueerde hij de landgoederen (shōen) van de grote Nara-tempels Kōfukuji en Tōdaiji en, last but not least, marcheerden zijn legers op Kōyasan, het hoofdkwartier van de Shingon 真言-sekte, en laatste resterende bastion van de middeleeuwse kerkelijke macht.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

het incident in de Honnōji-tempel

Toyotomi's campagne in Chūgoku, gericht tegen de machtige clan van de Mōri, dreigde vast te lopen in het beleg van het kasteel van Takamatsu. Om hem te hulp te snellen verliet Nobunaga op de tweede dag van de zesde maand (21 juni) van 1582 zijn kasteel te Azuchi. Die avond logeerde hij in de tempel Honnōji 本能寺 te Kyōto. Daar gebeurde wat niemand had voorzien. Hij werd onverhoeds overvallen door een vazal die een grote wrok tegen hem koesterde, Akechi Mitsuhide 明智光秀. Zelfmoord was de enige eervolle uitweg voor de onoverwinnelijk gewaande Nobunaga.

Bij het nieuws van het incident van de Honnōji staakte Hideyoshi dadelijk zijn beleg van Takamatsu en sloot vrede met zijn rivaal Mōri Terumoto 毛利輝元, die hij confirmeerde als heer over negen provincies. Hij spoedde zich naar Kyōto om de moordenaar van zijn heer te straffen. Mitsuhide's troepen werden verslagen en op zijn vlucht naar zijn kasteel te Sakamoto werd hij door boeren overvallen en zwaar gewond. Ook voor hem was zelfmoord de enige eervolle uitweg die nog restte.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Toyotomi Hideyoshi (1536-1598) herenigt japan

Hideyoshi de veldheer

Hideyoshi maakt Nobunaga's werk af

Hideyoshi was er niet alleen als eerste bij geweest om Nobunaga's dood te wreken, in de raad die diens opvolger moest aanwijzen had hij het laatste woord. Op zijn voorstel werd Nobunaga's tweejarige kleinzoon aangeduid. Dit was niet naar de zin van de oudere Shibata Katsuie en van Nobunaga's derde zoon. In 1583 beraamden zij een complot tegen Hideyoshi, maar deze was hen te vlug af en schakelde hen uit. Nu hij geen rivalen meer had, zette hij het joch opzij en begon in eigen naam te regeren. Naar het voorbeeld van zijn voorganger mobiliseerde hij de daimyō om mee te werken aan de bouw van een kasteel te Ōsaka, op de plaats van de verwoeste Honganji-tempel. Het moest nog grootser en machtiger worden dan dat van Azuchi. Hij verplichtte de handelaars van Sakai en Kyōto zich rond de nieuwe burcht te vestigen.

In 1584 komt het tot een gewapend treffen tussen Hideyoshi en Tokugawa Ieyasu, maar als blijkt dat beide partijen te zeer aan elkaar gewaagd zijn, geven ze er de voorkeur aan vrede te sluiten en Ieyasu wordt generaal onder Hideyoshi's bevel. Nu deze in de rug gedekt was, kon hij het unificatiewerk verderzetten. In 1585 onderwerpt hij het kloostercomplex van Kōyasan en de tempel Negoroji 根来寺 in de provincie Kii 紀伊, die konden bogen op de beste manufactuur van vuurwapens in Japan. Drie jaar later reeds ligt heel Kyūshū aan zijn voeten, inclusief Nagasaki dat hij van de jezuïetenorde confisqueert. Daarna volgen in snel tempo de resterende daimyō van Noordelijk Honshū, zodat reeds in 1591, Hideyoshi zichzelf met recht de ware meester van Japan mag noemen. In 1593 erkent zelfs de Matsumae 松前-clan, die heerst over Hokkaidō, dat toen nog vrijwel uitsluitend door Ainu's wordt bewoond, Hideyoshi's soevereiniteit. Dit is de eerste maal dat Hokkaidō, althans nominaal, onder Japans gezag komt.

De winnende coalitie

Een en ander mag niet tot de verkeerde conclusie leiden dat Hideyoshi nu absoluut heerser van Japan was. Zijn hegemonie en succesvolle eenmaking van Japan had hij te danken aan een coalitie van daimyō die de eed van leenman hadden afgelegd. Zonder hen ware een onderneming van die omvang niet mogelijk geweest. Voor hun bijdrage wilden zij een gepaste beloning en Hideyoshi begreep dit maar al te goed. Van zijn vijanden confisqueerde hij de landbezittingen, zijn medestanders van het eerste uur kregen uitgestrekte domeinen als leen toegewezen. Figuren zoals Katō Kiyomasa 加藤清正, Fukushima Masanori 福島正則, Ishida Mitsunari 石田三成, Konishi Yukinaga 小西行長 en anderen stamden af van jizamurai of handelaars en schopten het tot machtige daimyō, als de medestanders van het eerste uur. Toyotomi Hideyoshi was zelf van zeer bescheiden afkomst, volgens de meest gangbare theorie de zoon van een ashigaru 足軽, het voetvolk onder de samurai. Zijn vertrouwelingen plaatste hij in strategische domeinen, terwijl hij de daimyō die hij niet vertrouwde, zoveel mogelijk in afgelegen gebieden benoemde en hen vaak van leen deed veranderen (tokorogae 所替え). Zo werd Tokugawa Ieyasu, de man voor wie hij het meest beducht was, overgeplaatst van zijn oorspronkelijke domein dat vijf centraal gelegen provincies omvatte, naar het meer oostelijk gelegen gebied van Kantō, waar hij ‘voor bewezen diensten’ beloond werd met acht provincies, die oorspronkelijk aan de vijandige clan van de Hōjō hadden toebehoord, maar die Hideyoshi ingepalmd had.

De kaart van Japan: een wemeling van subtiele evenwichten

Japan was nu geheel herenigd en geheel gedecentraliseerd. Dat klinkt paradoxaler dan het in feite is. Het was een grote koek die verdeeld werd tussen Hideyoshi en zijn vazallen. In 1598 werd het hele territorium van Japan geschat op 18,5 miljoen koku 石. Twee miljoen daarvan was in Hideyoshi's handen. Zijn territoria lagen her en der verspreid, maar ze omvatten in elk geval ook de meest strategische en rijkste gebieden van Japan: gebieden in de hoofdstedelijke provincies, in Ōmi en Owari, benevens rijke goud- en zilvermijnen, de rijke handelscentra Kyōto en Sakai en de havens Hakata 博多 en Nagasaki. Iets minder dan 16 miljoen koku was in handen van de daimyō. Deze kon hij niet allemaal op dezelfde wijze als zijn leenmannen beschouwen.

Met de machtigste onder hen, zoals de Mōri en de Tokugawa, had hij alleen maar vrede gesloten. Het was duidelijk dat ze zijn soevereiniteit slechts erkenden uit noodzaak en niet uit innerlijke overtuiging. Het waren clans die al bestonden toen Nobunaga aan zijn opgang begon en die alle op een bepaald ogenblik tegenover Hideyoshi als vijanden hadden gestaan. Zij behielden duidelijk een grote marge van onafhankelijkheid ten opzichte van hun leenheer. Zij stonden aan het hoofd van uitgestrekte leengoederen. Het grootste was dat van de Tokugawa, nu in Musashi 武蔵 gevestigd, dat op 2.557.000 koku geschat werd. De Mōri in Aki waren goed voor 1.205.000 koku. De Shimazu in het zuiden van Kyūshū hadden zich slechts na een bittere en gelijk opgaande strijd laten overhalen om vrede met Hideyoshi te sluiten en dus zijn soevereiniteit te erkennen (1587), wat uiteraard niet hetzelfde is als zich overgeven. Hun bezittingen werden op 559.000 koku geschat.

Daartegenover stonden de echte getrouwen van het eerste uur, die heel talrijk waren en veelal in de centrale provincies gelokaliseerd, maar wier domeinen ook beduidend kleiner waren. De grootste waren die van Katō Kiyomasa en Konishi Yukinaga, zijn trouwe generaals, die hij in Kyūshū had geplaatst, maar met hun respectievelijke 250.000 koku en 200.000 koku toch heel wat bescheidener dan die van de gewezen rivalen. Hier vinden we uiteraard veel nieuwe ‘parvenu’ daimyō, die volledig door Hideyoshi ‘gemaakt’ zijn. Zijn aangenomen zoon Hidetsugu 秀次 plaatste hij in Owari, de provincie waar Nobunaga vandaan kwam en die van buitengewoon strategisch belang was.

Tussen beide groepen in waren er nog daimyō die zich na Nobunaga's dood dadelijk aan Hideyoshi's zijde geschaard hadden, maar daar bleven er niet zoveel meer van over. De grootste in deze categorie was de Maeda-clan met 810.000 koku in Kaga.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Hideyoshi als bestuurder

De hoogste civiele functies

In het verleden hebben we vaak gezien hoe grote generaals zich uiteindelijk lieten bekleden met de hoogste civiele ambten uit de keizerlijke administratie. Hoewel dit holle titels waren met ronkende namen, stelden de bushi er niettemin erg prijs op. Ze verschaften hun de ultieme legitimiteit, want benoeming door de keizer was als het ware een consecratie van hun positie. De rol van de keizer was enigszins te vergelijken met die van de paus als zalver van koningen en keizers in de Europese geschiedenis. Niemand was zo begerig naar keizerlijke legitimering als Hideyoshi, en zijn drang om zijn onooglijke afkomst te overstijgen en verdoezelen zal hem des te gevoeliger gemaakt hebben voor hoogdravende titels.

Merkwaardig genoeg eiste Hideyoshi de titel van shōgun niet voor zich op, wat Nobunaga overigens ook niet had gedaan. Hij liet zich adopteren in de Fujiwara-familie, hetgeen hem recht gaf op hoge hoftitels. In 1585 werd hij dan ook door de keizer tot regent (kanpaku) benoemd en het jaar erop kreeg hij er nog de titel van Dajōdaijin bovenop. Bij die gelegenheid veranderde hij ook zijn familienaam tot Toyotomi. In 1587 bouwde hij het legendarische paleis Jurakudai 聚楽第 in Kyōto, dat in 1595 weer afgebroken werd, maar we vangen een glimp op van de pracht en praal van dit grootse bouwwerk dat zelfs het keizerlijke paleis in de schaduw stelde, in de prachtige, vergulde kamerschermen uit de tijd, en in het paviljoen Hiunkaku 飛雲閣, dat aan de Honganji-tempel (de huidige Nishi Honganji 西本願寺) te Kyōto geschonken werd en nog bestaat. Hier was het dat hij keizer Go-Yōzei 後陽成 ontving in het bijzijn van zijn vazallen, op zich een hoogst zeldzame gebeurtenis en een omkering van de verhoudingen, want hij zou eigenlijk de keizer moeten gaan bezoeken. Hij schonk de keizer landerijen ter waarde van meer dan 7000 koku, liet de vazallen zweren dat zij de keizerlijke gronden niet zouden aanraken en trouw jegens hemzelf zweren. Dit groots georkestreerd vertoon zal zeker op de vazallen de nodige indruk gemaakt hebben. In 1591 stond hij zijn titel van regent af aan zijn aangenomen zoon Hidetsugu en liet zich voortaan taikō 太閤 (teruggetreden regent) noemen.

Domaniale administratie

De door Hideyoshi tot stand gebrachte hereniging van het land mag niet in de moderne betekenis van uniformisering begrepen worden. Het ware onrealistisch zoiets te verwachten. Het land was meer dan een eeuw het toneel geweest van oorlogvoering, wisselende allianties en intriges. Wat wel gebeurde is dat de grote regionale machthebbers nu niet langer in een chaotische en ongebreidelde wedren naar de macht verwikkeld waren. De grote massa daimyō was gestroomlijnd, er was een opperheer die effectieve macht had, maar die macht raakte niet rechtstreeks elke individuele onderdaan, zoals dat in het ideaal van het bureaucratische keizerrijk gebaseerd op de ritsuryō, afgeschilderd werd. Hideyoshi regeerde over zijn vazallen, maar binnen hun domeinen handelden die autonoom. Van een administratie op nationale schaal was nauwelijks sprake. Hij liet iedere daimyō zijn eigen regionale administratie behouden. Ook het bestuur over zijn eigen territoria verschilde niet wezenlijk van die van de andere. Het was een domaniale administratie, maar omdat zij zo'n uitgestrekt domein bestreek, had ze een stabiliserende invloed op landelijk vlak. Hij deed beroep op vazallen en cliënten voor de uitoefening van civiele en militaire functies. Zo werd Asano Nagamasa 浅野長政, een vooraanstaande vazal, commissaris (bugyō) over Hideyoshi's territorium en zijn dienaren. Maeda Gen'i 前田玄以 was adjunct-militair gouverneur (shoshidai 所司代) van Kyōto, belast met het bestuur van de stad en de controle over de hovelingen en priesters. Natsuka Masaie 長束正家 was commissaris voor financiële zaken binnen het territorium.

Het was slechts in 1598, op het einde van zijn leven, dat Hideyoshi een meer formele structuur voor het landelijke bestuur uitwerkte. Hij benoemde vijf regenten, die hij belastte met zijn politieke erfenis zolang zijn zoon Hideyori 秀頼, die zijn concubine Yodogimi hem had geschonken, minderjarig was. Dit college van regenten (go-tairō 五大老) bestond uit de vijf belangrijkste 'onafhankelijke' daimyō: Tokugawa Ieyasu, Maeda Toshiie 前田利家, Uesugi Kagekatsu 上杉景勝, Mōri Terumoto en Ukita Hideie 宇喜多秀家. Op het hoogste, puur administratieve niveau stelde hij vijf commissarissen (go-bugyō 五奉行) aan. Tussen regentencollege en commissarissen in was er een raad van drie bemiddelaars (chūrō 中老), wier taak het was om geschillen tussen het college en de commissarissen bij te leggen.

Het land wordt opgemeten

Waar rijkdom in grond uitgedrukt wordt is een kadastraal register een buitengewoon belangrijke aangelegenheid. Het is een instrument voor het heffen van belastingen en het controleren van de boeren die op het land wonen. Daarvoor moeten er landmetingen verricht worden. Sommige sengoku-daimyō en ook Nobunaga hadden reeds landmetingen laten uitvoeren, maar hun pogingen bleven lokaal. Tussen 1582 en 1598 laat Hideyoshi het hele land opmeten, zowel zijn eigen territoria als die van de daimyō. Deze landmeting staat bekend als taikō kenchi 太閤検地 (landmeting van de teruggetreden regent).

Hij gaat zeer grondig te werk. Nobunaga had zijn kadaster laten opmaken aan de hand van vragenlijsten, maar Hideyoshi wil dat alle landerijen opnieuw gemeten worden. Alle rijstvelden en akkers worden geklasseerd volgens hun kwaliteit en in overeenstemming hiermee wordt de jaarlijkse rijstopbrengst van iedere akker bepaald. De opbrengst wordt uitgedrukt in koku, een inhoudsmaat van circa 180 liter. Als jaarlijkse belasting diende de boer twee derde van de kadastraal bepaalde opbrengst (kokudaka 石高) op te leveren. Voor het meten van de rijst gebruikte men een masu 枡, een houten bak van welbepaalde afmetingen. Omdat men over heel het land dezelfde standaard moest kunnen hanteren, werd de hoofdstedelijke Kyō-masu 京枡 (1,8 liter) gekozen als maatstaf. Dit leidde tot een stroomlijning van de maten in Japan. Voorheen had iedere streek haar eigen maten.

Tegelijkertijd werd voor iedere opgemeten akker ook de naam van de eigenlijke bebouwer van het land, de boer (hyakushō) opgetekend, die daardoor dus als de verantwoordelijke belastingplichtige werd geregistreerd. Voorheen rustten er allerlei rechten op ieder stuk land en werden de belastingsrijst door diverse niveaus (rijkere boeren of pachtheren, shōkan, ...) ingepikt en afgeroomd. Nu was de rechthebbende de daimyō, en diens leenheer, Hideyoshi. Het systeem wordt dus eenvoudiger en met minder tussenschakels. Grote families van meerdere generaties worden verplicht zich te splitsen en zich als gezin zelfstandig te vestigen. Ieder gezin was immers belastingplichtig en het aantal belastingplichtigen groeide daardoor behoorlijk aan. Deze tendens naar kleine zelfstandige boeren tekende zich het eerste af in de hoofdstedelijke provincies.

De boerenfamilies werden gegroepeerd in dorpen (mura 村), die de standaard werden van de fiscale administratie op het platteland. Onder de boeren werd een dorpsoverste (shōya 庄屋 of nanushi 名主 genaamd) gekozen, die verantwoording aan de plaatselijke ambtenaar van de daimyō verschuldigd was. De dorpen moesten instaan voor hun eigen bestuur en het stipt betalen van de jaarlijkse belastingen.

Bevriezing der klassen en zwaardenjacht

Het kadaster had diepgaande maatschappelijke consequenties. Wie als boer op het kadastraal register genoteerd stond werd als het ware voor eens en voor altijd boer. Hij mocht zijn land noch zijn dorp verlaten en het was hem tevens verboden een ander beroep te kiezen. Degenen die op de personeelslijsten van de daimyō als zijn leenmannen of achterleenmannen of bezoldigd personeel opgetekend stonden, waren bushi. De kenchi werd dus een instrument om een strikte en rigide scheiding der klassen door te voeren, en omdat de ingeschreven status erfelijk was is het misschien beter van standen te spreken. Om de scheiding helemaal permanent te maken, werden de boeren, evenals de tempels en de stedelingen systematisch ontwapend, zodat wapenbezit en wapendracht een privilege werd van de bushi. De eerste die met deze, gemeenzaam zwaardenjacht (katana-gari 刀狩) genoemde ontwapeningscampagnes begonnen was, was Nobunaga en zijn voorbeeld werd gevolgd door andere daimyō, maar ze waren alle territoriaal beperkt. Hideyoshi voerde in 1588 een landelijke zwaardenjacht door. Alle leden van de bushi-stand werden verplicht zich in de buurt van het kasteel van de daimyō te vestigen. Daarmee werd de basis gelegd voor het vier-standensysteem tijdens de Tokugawa-periode (1603-1868), werd een strikte scheiding doorgevoerd tussen boeren en krijgers enerzijds en tussen platteland en stad anderzijds.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

handelspolitiek

Strikte controle

Nobunaga en Hideyoshi schaften gilden en tolbarrières af en bevorderden de handel, niet omdat ze dat principieel zo wenselijk achtten, maar omdat ze zichzelf erdoor konden verrijken. Zij hielden dus een rigide controle over de handel en het lag helemaal niet in hun bedoeling om een mercantilistische economie tot bloei te laten komen. De steden genoten geen vrijheden zoals onze middeleeuwse steden, die deze van de feodale heren bevochten hadden. Het waren ofwel kasteelsteden die onder directe controle van een daimyō vielen ofwel rechtstreeks door Hideyoshi gecontroleerd werden, zoals Kyōto. Hij stelde ook een ambtenaar aan in de handelshavens.

Hij stichtte zilver-en goudmunterijen. Rijke handelaren zoals bijvoorbeeld Konishi Ryūsa van Sakai traden op als economisch adviseur en kregen het statuut van hofleverancier (goyōshōnin 御用商人), wat heel wat voordelen inhield, maar ook betekende dat zij vaak ‘gemolken’ werden: zij moesten voordelige leningen toestaan aan de overheid of speciale ‘schenkingen’ doen.

Piraterij en koopvaardij

In de zestiende eeuw waren Japanse vrijbuiters heel actief op de Chinese kusten en in Indochina. Hun activiteiten waren een mengsel van handel en plundering. Toen de Europese schepen in de Japanse havens verschenen werden nieuwe mogelijkheden voor handel geopend. De daimyō van Kyūshū waren het ijverigst in het beschermen van de Europese handelsschepen, omdat ze er ook het grootste voordeel uit konden halen. Ōsaka, het hoofdkwartier van Hideyoshi, werd de grootste haven van Centraal-Japan en de nieuwe entrepot voor Chinese zijde. Nadat hij in 1587 Nagasaki onder zijn controle had gebracht, probeerde hij van hieruit alle handel met het buitenland te controleren. Hij hield het recht van eerste aankoop op de rijke vrachten die buitenlandse, vooral Portugese, schepen aanvoerden en pas nadat hij de beste goederen voor zichzelf gekocht had, kregen daimyō en handelaren de kans.

Hij legde diplomatieke contacten met China en andere landen in Zuidoost-Azië in de hoop officiële handelsconcessies van hen los te krijgen. Hij probeerde de piraterij aan banden te leggen door het invoeren van vergunningen, te herkennen aan hun rode zegel (shuin 朱印). China bleef weigeren met hem te onderhandelen.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

godsdienstpolitiek

Bescherming van het boeddhisme

In het eenmakingsproces hadden Nobunaga en Hideyoshi de macht der kloosters gebroken, maar toen deze eenmaal onschadelijk gemaakt waren, gaf Hideyoshi hun opnieuw steun, althans in de mate dat ze hem dienstig waren. Hij liet het tempelcomplex Enryakuji 延暦寺 op Hieizan heropbouwen en schonk de kloostergemeenschap zelfs tempelgronden. Toen Hideyoshi in 1595 in de door hem gebouwde tempel Hōkōji 方広寺 een grootse eredienst liet houden ter nagedachtenis van zijn overleden ouders, beval hij dat monniken van alle gezindten erop aanwezig zouden zijn. Nichiō 日奥, een monnik van de Fujufuse 不受不施-sekte weigerde te gaan. Hij voerde aan dat de leer van zijn sekte hem verbood aalmoezen van niet-sekteleden te aanvaarden of aan niet-sekteleden te geven. Hideyoshi verbande hem prompt uit Kyōto.

Wantrouwen tegenover het christendom

Dat een man met zijn tirannieke neiging het aan de stok zou krijgen met de christenen, die niet hem maar God als de bron van alle macht beschouwden, lag in de lijn der verwachtingen. Hideyoshi had lange tijd het christendom getolereerd omdat het geassocieerd was met de buitenlandse handelaars en rijkdom. Ook waren sommige van zijn beste generaals en luitenanten, zoals Takayama Ukon 高山右近, christen. Toch bleef hij een sluimerend wantrouwen koesteren tegenover de vreemdelingen en hun doctrine. Tijdens zijn campagne in Kyūshū in 1587 werd hij getroffen door de invloed die missionarissen hadden op de daimyō en de bloei van Nagasaki, dat bezit van de kerk was. Hij verbood de missionering, beval dat de buitenlandse missionarissen uitgewezen zouden worden en confisqueerde de kerkelijke gronden in en rond Nagasaki. In het door hem uitgevaardigde edict stond uitdrukkelijk dat de handel niet onder het verbod viel, dus bleven de Portugese schepen komen en ook de missionarissen, zij het clandestien. Jezuïeten kwamen op de Portugese kraken, franciscanen en dominicanen op de Spaanse schepen. In 1596 strandde een Spaans schip voor de kust van Urado 浦戸 in Tosa 土佐, en de opvarenden, door Hideyoshi's ambtenaar ondervraagd, gaven te kennen dat de Spaanse koning eerst de mensen tot het christendom bekeerde en dan hun land onderwierp.

Hideyoshi zag zijn vermoedens bevestigd en verstrakte de vervolging van de christenen. Alle buitenlandse missionarissen en alle Japanners die hen hielpen of verborgen, werden opgespoord en ter dood gebracht. Door de vervolging afgeschrikt, zwoeren vele christen daimyō en bushi hun geloof af, maar onder het volk scheen de leer nog aan aanhang te winnen. Inmiddels waren er ook al heel wat Japanse priesters gewijd. Velen trotseerden de vervolging om het geloof onder het gewone volk te verspreiden. Voor de verdrukte lagen van de bevolking had de christelijke boodschap ongetwijfeld een aantal aantrekkelijke aspecten. Geïnspireerd door de christelijke naastenliefde zetten de priesters diverse organisaties op die naar de normen van de toenmalige Japanse samenleving erg vernieuwend waren. Zij bevorderden wederzijdse hulp en maakten de Japanners attent op het inhumane karakter van sommige van hun praktijken zoals het doden (mabiki 間引き) of te vondeling leggen van boorlingen. Zij richtten weeshuizen op en deden aan caritatieve werken. Zij trokken van leer tegen polygamie en predikten de kuisheid. Ook al kan men hen voorwerpen dat ze nauwelijks of geen aandacht hadden voor de positieve aspecten van de Japanse cultuur die zij gewoon als ‘heidens’ afdeden, toch is het evenzeer waar dat hun leer veel humaner was dan de geldende maatschappelijke zeden en ideologie.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Hideyoshi en het buitenland

Betrekkingen met het westen

Hideyoshi leefde in een tijd waarin de horizonten verruimd werden. Het middeleeuwse wereldbeeld reikte niet verder dan de boeddhistische landen. India was het einde van de wereld. Met de komst van de Portugese handelaars en de jezuïeten hoorden de Japanners verhalen over een schier fabelachtige wereld. De pracht en rijkdom van de Portugese kraken gaf alleen maar een voorproefje van de macht en rijkdom van de westerse koningen. De tijd was rijp voor verkeer van personen en goederen tussen Japan en het Westen. In 1582 stuurden drie tot het christendom bekeerde daimyō van Kyūshū een gezantschap van jongelingen naar Portugal, Venetië en Rome.

In 1591 stuurt Hideyoshi een brief aan de Portugese onderkoning in Goa (gelegen aan de westkust van het Indische subcontinent), waarin hij een krachtige samenvatting geeft van zijn visie op de internationale betrekkingen. Daarin zegt hij dat hij Japan vrede en eenheid geschonken heeft en dat hij nu hoopt om zijn heerschappij tot China uit te breiden. Hij schept op dat het voor hem een koud kunstje is om op zijn ‘paleisschip’ tot China te varen. Eenmaal daar, zal hij van de gelegenheid gebruik maken om een ommetje tot India te maken en de onderkoning een bezoek te brengen.

Hij geeft de onderkoning dan een preek over de godsdienst en filosofie van Japan, die gekenmerkt worden door menselijkheid en rechtvaardigheid. Over de christelijke leer zegt hij: “In uw land wordt één doctrine onderwezen en alle andere verworpen en u bent onwetend over de filosofie van menselijkheid en rechtvaardigheid. Dus is er geen respect voor God en Boeddha en geen onderscheid tussen heer en onderdanen. Door heresie wilt u de rechtvaardige leer vernietigen. Predik geen onredelijke en verderfelijke doctrines in onwetendheid van wat juist en wat fout is. Enkele jaren geleden kwamen de zogenaamde paters naar mijn land met de bedoeling onze mannen en vrouwen, leken en clerus, te beheksen. Op dat ogenblik werden zij gestraft en zij zullen opnieuw gestraft worden indien zij naar onze gebieden terugkeren om het geloof te verspreiden. Om het even welke sekte of obediëntie zij vertegenwoordigen, zij zullen vernietigd worden. Indien u de wens koestert met dit land vriendschap te sluiten, de zeeën zijn bevrijd van de dreiging der piraten en handelaars mogen komen en gaan...”

Inval in Korea

Hideyoshi koesterde dromen van een groot imperium. Zijn ambitie hield niet op bij de Japanse grenzen. Hij wilde ook zijn hegemonie vestigen over de Ryūkyū-archipel, Taiwan, Korea, China en de Filippijnen. Relaties met China waren er altijd geweest en de Ashikaga-shōgun hadden meerdere tribuutgezantschappen naar China gestuurd, die vanuit Japans oogpunt vooral commerciële winst tot doel hadden. Vanuit Chinees standpunt ging het hier echter om de bevestiging van de suzereniteit van de Chinese keizer over de Japanse ‘koning’.

Kort na de beëindiging van de eenmaking van Japan, begon Hideyoshi zijn onderwerping van China te plannen. Daarvoor moest hij eerst Korea aan zijn kant zien te krijgen, omdat dit de springplank naar China was. Hij eiste dus dat Korea zich zou onderwerpen, hetgeen hier in deze context betekent dat de Koreaanse koning de suzereniteit van de Japanse keizer zou erkennen, naar het voorbeeld van de Chinese tribuutrelaties. Hij kreeg echter nul op het rekest en in 1592 lanceert Hideyoshi een militaire campagne op het Koreaanse schiereiland, geleid door zijn trouwe vazallen Katō Kiyomasa en Konishi Yukinaga. De Japanse troepen landen in Pusan 釜山 en in een maand tijd is de hoofdstad Seoul (Hanyang 漢陽) gevallen. Katō Kiyomasa rukt zelfs op tot P’yŏngyang 平壌 en verder noordelijk. Het tij keert echter al gauw: de Japanse vloot wordt vernietigd door de Koreaanse onder leiding van admiraal Ri Shunshin 李舜臣 (Yi Sunsin). De bevoorrading komt hierdoor ernstig in het gedrang, temeer omdat de Koreanen de tactiek van de verschroeide aarde toepassen. Overal breken opstandjes uit onder het Koreaanse volk, dat een soort guerrilla voert tegen de Japanse invallers. Zij worden ook achternagezet door Chinese troepen, die weliswaar technisch achterop zijn en gemakkelijk verpletterd worden. Maar ziekte en ontbering teisteren het moreel, en de uitputting dreigt, zodat in 1593 het vuren wordt gestaakt en vredesonderhandelingen beginnen.

Ondanks deze dure les blijkt Hideyoshi hardleers te zijn. In 1596 arriveren Chinese gezanten met het antwoord van keizer Wànlí 万暦 op de voorstellen die Hideyoshi in 1593 gedaan heeft. Hij verwachtte veel van dit gezantschap, dat hij van plan was te ontvangen in het onlangs opgerichte prachtige paleis van Fushimi 伏見. De audiëntie greep uiteindelijk plaats in het kasteel van Ōsaka en liep uit op een grote sisser. In het Chinese antwoord werden weliswaar enkele eisen ingewilligd, maar hij werd er toch behandeld als ‘koning’ van Japan en dus vazal van de Chinese keizer. Een andere verhouding met een buitenlandse vorst was niet denkbaar in de Chinese optiek. Hideyoshi was er niet minder boos om. Vanaf begin 1597 stuurt hij opnieuw troepen naar het Koreaanse schiereiland. Weer winnen ze er vele veldslagen, maar wanneer Hideyoshi in 1598 sterft, trekken de Japanners zich terug en eindigt dit roekeloze avontuur.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Het christendom en de westerse beschaving

Het christendom en de westerse beschaving

In de zestiende eeuw maakten de Japanners voor het eerst kennis met de westerse beschaving. In 1543 landden Portugezen op het eiland Tanegashima 種子島 en introduceerden het gebruik en de fabricage van vuurwapens en buskruit. De stad Sakai, die zowel haven als centrum van metaalnijverheid was, werd één van de grote productiecentra van vuurwapens. Dat het gebruik van dit nieuwe type wapens een enorme invloed zal hebben op de oorlogsvoering laat zich makkelijk raden. In het kielzog van de Portugese schepen komen ook de missionarissen. In 1549 zet de Jezuïet Franciscus Xaverius voet aan wal in Kagoshima. In zijn spoor volgen vele priesters (bateren バテレン・伴天連) en broeders (iruman イルマン・伊留満). Hun strategie was er in de eerste plaats op gericht de daimyō te bekeren om dan onder diens officiële bescherming het hele volk voor het geloof te winnen. Sommige daimyō stelden in elk geval de handesrelaties met de Portugezen erg op prijs en om deze lucratieve contacten op geen enkele manier in gevaar te brengen, lieten zij prediking en bekering binnen hun territorium toe. Sommigen bekeerden zich zelfs, zoals bijv. ōmura Sumitada 大村純忠 van Bizen. In 1580 schonk hij de haven van Nagasaki 長崎 en haar omgeving aan de Sociëteit van Jezus. Hij was ook één van de drie daimyō die in 1582 een gezantschap van jonge bekeerlingen naar de curie te Rome stuurde. De schenking van de haven van Nagasaki was in de eerste plaats door politieke beweegredenen ingegeven. Het gebied dreigde namelijk geannexeerd te worden door de Ryūzōji 竜造寺-clan en door de haven aan de jezuïeten af te staan, kon hij tenminste nog vruchten van de handel blijven plukken.

Xaverius had gehoopt de Shogun in Kioto te kunnen ontmoeten, maar was daar niet in geslaagd. In 1560 slaagde de Jezuïet Vilela daar wel in. Hij werd in audiëntie ontvangen door Shogun Yoshiteru en kreeg de toelating om te prediken in de hoofdstad. In de twee volgende decennia kende het christelijke geloof een spectaculaire opgang in Kioto, mede dank zij de welwillende houding van Oda Nobunaga, die door de Westerse cultuur geïntrigeerd was en kennelijk in het christendom een middel zag om het boeddhisme te fnuiken. De Portugese Jezuïet Luis Froïs won zijn vertrouwen en kreeg de toelating om in Azuchi en Kioto een kerk en een college op te richten.

In 1569, precies twintig jaar na Franciscus Xaverius, arriveerde de Italiaanse jezuÎet Alessandro Valignano (1539-1606) als visitator in Japan. Het werd het begin van een ware bloeiperiode voor het christendom. Hij onttrok Japan aan het gezag van de diocees van Goa en maakte er een zelfstandige diocees van, richtte seminaries op voor de opleiding van inlandse clerus, scholen waar de kinderen van Japanse bekeerlingen met de katholieke leer en de diverse takken van de Westerse humane wetenschappen konden kennismaken, dispensaria en een drukkerij. Hij was ook het brein achter het beroemde gezantschap van christen jongelingen naar Rome. In 1582, het jaar van de dood van Oda Nobunaga, voer hij samen met vier bekeerlingen, zonen van daimyo, en hun gevolg uit de haven van Nagasaki op weg naar Lissabon, om vandaar dan verder te reizen naar Rome. Dit was een ongeëvenaarde propagandastunt. De passage van deze exotische stoet door de steden Lissabon, Madrid, Venetië en Rome, gooide hoge ogen, en werd de aanleiding tot talloze publicaties over de reizigers en de kerk in Japan. De onderneming diende een dubbel doel: door de ontmoeting met paus Gregorius XIII erkenning winnen voor het in Japan geboekte missioneringssucces en de ogen van de Japanners openen voor de schittering van de Westerse, de christelijke beschaving. Valignano slaagde in beide opzetten, maar het succes zou toch niet duurzaam zijn. Toen de gezanten in 1590 terug thuis kwamen was de sfeer van euforie verdwenen.

Op hun terugreis namen de gezanten een aantal wetenschappelijke boeken, onder meer een exemplaar van Ortelius' atlas Theatrum orbis terrarum mee naar hun thuisland. Het pronkstuk in hun baggage was ongetwijfeld de Westerse drukpers. Dit was ook een idee geweest van Valignano. De nood aan religieuze boeken en prenten steeg hand in hand met de toename van het aantal bekeerlingen en kon alleen gelenigd worden door plaatselijke productie. Daartoe werden een drukkerij en een academie voor religieuze kunst opgericht. In de academie onderrichtte de Napolitaan Giovanni Cola zijn Japanse leerlingen in de westerse technieken van olieverfschilderen en kopergravure. Vaak dienden Vlaamse prenten als model. Een van de belangrijkste collecties van religieuze prenten was het door Hiëronymus Nadal samengestelde boek Evangelicae historiae imagines, een collectie van 153 kopergravures in folio, in 1593 te Antwerpen gepubliceerd.

De Portugese stijl van kolonisering kenmerkte zich door een verregaande versmelting van commerciële, militaire en religieuze doeleinden. Aan de missionering waren politieke implicaties verbonden en dit hield het gevaar in van een botsing met de bewindvoerders van het land. Ten tijde van Oda Nobunaga had dat geen probleem gevormd, maar inmiddels was hij door Hideyoshi opgevolgd als de facto heerser over het land. Hij stond veeleer wantrouwig tegenover het christendommen en ging in 1587 over tot zijn eerste verbod op de missionering. Gelukkig voor de missionarissen en de bekeerlingen ging het slechts om een korte opstoot van christenvervolging. Na verloop van tijd versoepelde Hideyoshi weer zijn houding, en liet hij betijen. Van 1590 tot 1592 en van 1598 tot 1603 verbleef Valignano weer in Japan en zette zich verder in voor de uitbouw van de missie. Het wantrouwen van Hideyoshi nam echter toe, en hij ging nog meerdere keren over tot het arresteren en kruisigen van christenen.

Volgens de rapporten van de jezuïeten telde Japan op het hoogtepunt van de missionering ongeveer 150.000 bekeerlingen en meer dan 200 kerken.

Edo-periode (1603-1868)

Een politiek van afsluiting van de grenzen

Tokugawa Ieyasu sticht het bakufu te Edo

Tokugawa Ieyasu werkt zich op tot shōgun

Tokugawa Ieyasu (1542-1616) stamde uit een familie van kleine landadel in de provincie Mikawa (de huidige prefectuur Aichi 愛知), die er in de periode van de Strijdende Staten in geslaagd was zich op te werpen als onbetwistbaar heerser van dit gebied. Ieyasu was een strateeg wiens sterkste punt ongetwijfeld zijn geduld was. Door dik en dun verdedigde hij de belangen van Oda Nobunaga, maar zodra Toyotomi Hideyoshi de macht in handen nam, begon Ieyasu zich meer en meer op afstand te houden, zoveel mogelijk aandacht bestedend aan het verstevigen van zijn eigen machtsbasis in de Kantō-streek. Hij slaagde erin zich te onttrekken aan het militaire avontuur in Korea zodat hij na het overlijden van Hideyoshi overbleef als één van de machtigste daimyō in het land. Door zijn overwinning in de Slag bij Sekigahara 関ヶ原 (1600; Gifu prefectuur 岐阜県) kon hij zijn feitelijke hegemonie vestigen en deze werd formeel bevestigd toen hij in 1603 tot shōgun werd benoemd. Wegens zijn afstamming van Minamoto no Yoritomo kon hij op die titel meer recht laten gelden dan Hideyoshi. De eerste jaren van het door hem in Edo gestichte bakufu werden nog wat vertroebeld door de strijd tegen de Toyotomi-clan en zijn getrouwen.

Na de dood van Hideyoshi verbrokkelde de cohesie onder de vazallen van de Toyotomi-clan, enerzijds omdat Hideyoshi geen waardige opvolger naliet, anderzijds omdat het debacle in Korea tal van ereschulden van de Toyotomi’s ten opzichte van hun vazallen had meegebracht die niet werden ingelost. Van deze spanningen kon Tokugawa Ieyasu handig gebruik maken om op de voorgrond te treden als kordaat en wilskrachtig eenmaker. Ieyasu was vazal van Oda Nobunaga, en één van de voornaamste pijlers in de realisatie van diens plannen om het ‘oosten te ontwikkelen’. Na Nobunaga's dood bleef Ieyasu de nadruk leggen op het uitbouwen van zijn eigen macht in de Kantō-streek, vanuit het kasteel te Edo, zijn hoofdkwartier. Terwijl hij lid was van het regentencollege (go-tairō, “vijf regenten”) dat het bestuur van Hideyoshi overnam na diens dood, begon hij stelselmatig en bedachtzaam zijn ambities om heerser van Japan te worden, te realiseren.

Kort voor zijn dood had Hideyoshi zijn opvolging geregeld door een college van regenten in het leven te roepen dat het bestuur van Japan in handen moest nemen tot Hideyoshi's zoon Hideyori (1593-1615) oud genoeg zou zijn om de politieke verantwoordelijkheid op zich te nemen. Aan Ieyasu werd vooral de opdracht toevertrouwd om vanuit het kasteel Fushimi (Kyōto) het bestuur waar te nemen, terwijl Hideyoshi's rechterhand Maeda Toshiie (1538-1599) de opdracht kreeg de opvoeding van Hideyori af te maken (in het kasteel van Ōsaka). Deze regeling veroorzaakte al wat wrijvingen tusen de vazallen, voor wie de opvolgingskwestie niet al te adequaat werd geregeld. In grote lijnen vormden er zich twee facties, de bunchiha 文治派 en de budanha 武断派, dit wil zeggen degenen die van Japan opnieuw een door een gespecialiseerde ambtenarij bestuurde staat wensten te maken, en diegenen die voorstander waren van een sterk militair gezag. Ieyasu koos partij voor laatstgenoemde groep.

In 1600, een jaar na de dood van Maeda, achtte Tokugawa zijn uur gekomen en, onder het voorwendsel dat Uesugi Kagekatsu 上杉景勝 (één van de vijf regenten), illegaal forten bouwde en herstelde, trok hij ten strijde. Dit evenwel niet zonder een geheim bondgenootschap te hebben gesloten met de Kobayakawa-clan in het bunchiha-kamp. Ieyasu's campagne tegen Uesugi werd voor het kamp van de bunchiha de gelegenheid om voor eens en altijd met hem af te rekenen, en bij monde van Ishida Mitsunari 石田三成 (1560-1600) verklaarden zij hem de oorlog. Het grote treffen vond plaats in september 1600 bij Sekigahara. Tokugawa versloeg met zijn aanhang de coalitie der bunchiha, en dwong de meeste der vazallen tot zijn kamp toe te treden. Dadelijk probeerde hij de aanhang van de Toyotomi-clan te kortwieken door middel van kaieki 改易, dit wil zeggen het confisqueren of in omvang reduceren van de leendomeinen van de vazallen. In totaal nam hij van 87 daimyō hun gronden af, en bracht die ofwel rechtstreeks onder toezicht van de Tokugawa's, of deelde ze uit aan trouwe leenmannen die zich in de slag bij Sekigahara onderscheiden hadden. De Toyotomi-clan en nog drie andere clans werden gedwongen een deel van hun gronden prijs te geven. Toch waren de Toyotomi's hiermee niet helemaal uitgeschakeld. Hideyori behield een grote aanhang en bleef in het bezit van het kasteel van Ōsaka en drie aangrenzende provincies. Dus, niettegenstaande zijn militaire succes was de hegemonie van Ieyasu niet dadelijk een absoluut gegeven. Vooral ten westen van Ōsaka was de invloed van Ieyasu nog vrij zwak en bleven nog heel wat vazallen trouw aan Toyotomi Hideyori, zodat Ieyasu – althans voor de schone schijn – trouw en loyaliteit aan Hideyori bleef betuigen. Achter de schermen ging hij echter door met nieuwe vazallen voor zijn kamp te winnen en zijn macht uit te breiden.

Tokugawa vernietigt de Toyotomi-clan

In 1603 kreeg Ieyasu van keizer Go-Yōzei 後陽成 de titel van seii tai-shōgun 征夷大将軍 en stichtte hij officieel het Edo-bakufu (1603-1868) dat hij twee jaar lang zelf leidde. In 1605 gaf hij de titel van shōgun door aan zijn zoon Hidetada 秀忠 (leefde 1579-1632), en trok zich terug in het familieslot te Sunpu 駿府 (heden Shizuoka 静岡) met de titel van ōgosho 大御所 (shōgun in ruste). In die functie bleef hij wel ijveren voor de totale uitschakeling van de Toyotomi's en de uitbouw van een stevig bestuur over een eengemaakt Japan. Alhoewel hij nog tijdens het leven van Hideyoshi zijn nicht aan Hideyori had uitgehuwelijkt, bleef Ieyasu er dus in het geheim op aansturen om de Toyotomi's geheel te vernietigen. Hideyori toonde zich evenwel een subtiel diplomaat die Tokugawa geen enkel excuus bood om hem uit te schakelen. Uiteindelijk moest Ieyasu dan ook zijn toevlucht nemen tot een wel heel vergezocht voorwendsel. In 1611 liet Hideyori de tempel Hōkōji, die zijn vader in 1595 gebouwd had, maar die reeds in 1596 door een aardbeving verwoest was, heropbouwen. Toevallig stonden in één van de tempelklokken die gegoten werden twee spreuken die door een vergezochte interpretatie als beledigend voor Ieyasu konden uitgelegd worden. De eerste was de vier karakters tellende wens ‘vrede en rust over het vaderland’. Het tweede karakter was identiek aan dat van ie 家, het vierde dat van yasu 康. Dit werd uitgelegd als een vloek om Ieyasu's kamp te verdelen. De tweede spreuk was ‘Overvloed en geluk voor heerser en onderdanen, welvaart voor de nakomelingen’, hetgeen met wat fantasie en veel kwade wil ook kon gelezen worden als: ‘Met Toyotomi als heerser, zullen we de vreugde beleven dat onze nakomelingen welvaart kennen’. Dit ervoer Ieyasu als zo beledigend dat hij eiste dat de inscripties verwijderd werden, hetgeen Hideyori weigerde. Ieyasu meende de wapens te moeten grijpen. Het werd een bloedige gebeurtenis waarbij de Toyotomi's 90.000 manschappen inzetten tegen de 180.000 soldaten die de Tokugawa-generaals in het veld brachten. Er waren twee campagnes nodig om Ōsaka te onderwerpen. Eén in de winter van 1614, die eindigde op een wapenstilstand, nadat de Tokugawa's 35.000 van hun eigen manschappen hadden zien sneuvelen, en één in de zomer van 1615 waarin de Tokugawa's er uiteindelijk in slaagden de Toyotomi-clan helemaal uit te roeien. Met dit laatste militaire wapenfeit bracht Ieyasu uiteindelijk heel Japan onder controle van het bakufu. Hijzelf overleed kort nadien en werd in Nikkō 日光 begraven in een aan zijn nagedachtenis gewijde tempel. Gedurende heel de Tokugawa-periode zou hij er als een god worden vereerd. Hij deed dat naar het voorbeeld van Toyotomi Hideyoshi die zichzelf ook had laten vergoddelijken om zijn afstamming zeker te stellen. Ieyasu liet de keizer echter Hideyoshi's goddelijke status ontnemen.

Hiërarchisering van de daimyō: bakuhan-taisei 幕藩体制

Tokugawa bouwde voort op de door Hideyoshi gelegde bestuurlijke grondslagen. Om met succes een voldoende gecentraliseerd feodaal bestuur uit te bouwen voerde het bakufu een uiterst strikt beleid inzake administratieve, politionele en sociale controle. Het hele politieke en maatschappelijke bestel berustte op een rigide klassenonderscheid tussen samurai, boeren, ambachtslui en handelaars. Aan elk van deze standen was een specifieke maatschappelijke opdracht toevertrouwd, waarvan onder geen beding mocht afgeweken worden.

Het bakufu streefde naar een zo compleet mogelijke onderwerping van en controle over de daimyō enerzijds en de boeren anderzijds. Daarnaast zorgde het er ook voor dat de bewegingsvrijheid van de keizer beperkt bleef. In de grond waren de bestuursstructuren van het Edo-bakufu niet veel meer dan op nationale schaal toegepaste ‘huiswetten’ die golden op alle domeinen in het bezit van de Tokugawa's en hun vazallen. Die bezittingen en leenman-leenheer relaties namen na de val van Ōsaka gewoonweg nationale allures aan.

Het centrale politieke en administratieve bestuur werd door de Tokugawa-clan en de clans die hem van oudsher trouw waren, gemonopoliseerd. In de rangen van deze daimyō onderscheidde men twee niveaus: de shinpan 親藩 (verwante clans) en de fudai 譜代大名. In 1868, op het einde van het Edo-bakufu, telde men 23 shinpan-daimyō, aangevoerd door de zogenaamde go-sanke 御三家, ‘De drie families’, die rechtstreekse afstammelingen waren van Ieyasu en die ingeval de shōgun geen nakomelingen had, het privilege hadden een opvolger uit hun rangen aan te wijzen. Deze drie families waren de heren van Owari, Kii 紀伊 en Hitachi 常陸 (Mito 水戸). Het tweede niveau in de hiërarchie waren de Fudai: trouwe vazalclans uit de tijd voor de slag bij Sekigahara, in de 18de eeuw een 145-tal, uit wier rangen ook bestuurders gerekruteerd werden om in de centrale administratie dienst te doen.

Er was nog een derde niveau onder de daimyō, namelijk de tozama 外様, (buiten-heren), clans die de status van daimyō hadden verworven ten tijde van Nobunaga of Hideyoshi of die al veel langer erin geslaagd waren een onafhankelijke koers te varen, zoals bijvoorbeeld de Shimazu op Kyūshū. Er waren 98 tozama-clans die allen met uiterste omzichtigheid werden behandeld, maar tevens zoveel mogelijk aan de controle van shinpan en fudai onderworpen waren. De tozama kregen geen functies toevertrouwd in het bakufu-bestuur en er werd naar gestreefd hun invloed zoveel mogelijk te beperken tot het hun toebedeelde leengebied of han 藩. Han is de term die de historici gebruiken om een toenmalig daimyō-domein te omschrijven. Hij is ontleend aan een oud Chinees taalgebruik en kwam pas in de negentiende eeuw in zwang. Voordien sprak men gewoon van ryō 領. Op het einde van de zeventiende eeuw waren er 240 han, in 1833 telde men er 255 en in 1869 waren er 284. Daimyō was een vazal met gronden die tenminste 10.000 koku opbrachten. Het hele bestuursstelsel als zodanig wordt baku-han-taisei genoemd, om aan te geven dat de nationale macht in handen was van het bakufu en de regionale macht in handen van de han, de daimyō. De top van het systeem functioneerde op feodale wijze. Alle daimyō waren trouw verschuldigd aan de shōgun, in ruil voor diens go-on 御恩 of welwillende toegeeflijkheid. Binnen de domeinen onder hun respectievelijke controle hadden de daimyō en de shōgun onafhankelijk bestuursrecht, dat naarmate het bakufu gestabiliseerd werd, steeds meer op bureaucratische leest geschoeid werd. Niettegenstaande de daimyō – door een schriftelijke eed aan het bakufu – de verplichting hadden hun han rechtvaardig te besturen, was hun autoriteit absoluut en bestuurden zij op basis van een door henzelf uitgevaardigde wetgeving. Het regime had dus meer oog voor de controle op de daimyō, dan voor de controle op de manier waarop de daimyō zich binnen hun respectievelijke han gedroegen. Het bakufu was vooral bang dat vijandige daimyō een coalitie zouden vormen die het regime ten val zou kunnen brengen. Het bakufu deed dan ook al het mogelijke om door middel van het confisqueren van hele han of gedeelten ervan en die toe te vertrouwen aan shinpan of fudai dergelijke ontwikkelingen te voorkomen. Langs de wegen van en naar Edo en Kyōto werd zoveel mogelijk grond onder rechtstreeks toezicht van het bakufu gegroepeerd, en in Edo, Ōsaka, Kyōto (Nijō) en Sunpu werden strategische forten in permanente paraatheid gehouden. ‘De drie families’ kregen han toegewezen op strategische plaatsen ten oosten en westen van Edo en het gebied ten zuiden van Ōsaka. De tozama bevonden zich doorgaans meer afgelegen van de bestuurlijke centra, in noordoostelijk Honshū en zuidwestelijk Japan. De fudai werden tussenin geplaatst om de bewegingen van de tozama in het oog te houden. Deze strategische schikkingen werden grotendeels in de jaren kort na de Slag van Sekigahara geregeld en bleken gedurende meer dan tweehonderd jaar afdoende te zijn. Het was pas in de negentiende eeuw dat het bakufu zijn greep zou zien verzwakken, en tozama uit het verre westen zoals de Shimazu en de Mōri een anti-tokugawa-beweging op gang zouden brengen.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

een strenge wetgeving voor bushi en kuge

Buke shohatto (1615)

De controle uitgeoefend op de daimyō beperkte zich niet tot het afdwingen van een feodale eed van trouw. Zij dienden zich te onderwerpen aan strikte wetten, die bekend staan als buke shohatto 武家諸法度, wetten voor de militaire families. Deze code werd voor het eerst uitgevaardigd in naam van de tweede shōgun Tokugawa Hidetada kort na de val van Ōsaka in 1615. Het waren 13 artikelen die het gezag van de shōgun over de daimyō omschreven, en algemene verplichtingen voorzagen die de daimyō op straffe van zware vergeldingsmaatregelen op zich moesten nemen. Doorgaans vaardigde elke nieuwe shōgun een eigen buke shohatto uit zodat men om ze te onderscheiden ze pleegt te noemen naar de jaarperiode van uitvaardiging. De eerste code wordt genna-rei 元和令 genoemd, omdat ze in de Genna-periode (1615-1624) van kracht werd. Volgens die codes mocht men geen nieuwe kastelen of forten bouwen, mocht men zonder vergunning geen verbouwingen of herstellingen uitvoeren aan bestaande kastelen, mocht men geen allianties of fusies van clans aangaan, diende men de toestemming van de shōgun te hebben voor een huwelijk etc,...

Vanaf de derde shōgun Iemitsu 家光 (1604-1651, reg. 1623-1651) werd het definitieve stramien vastgelegd. De tijdens zijn bewind uitgevaardigde buke shohatto van 1635 voorzag onder andere in volgende bepalingen:

  1. verbod om grote, zeewaardige schepen te bouwen;
  2. verbanning van de jezuïeten uit Japan;
  3. beperkingen inzake het verkeer van goederen en personen;
  4. sankin kōtai-sei 参勤交代制 (de plicht van de daimyō om op geregelde tijdstippen naar Edo te gaan);
  5. ...

In totaal waren er 21 artikelen.

Het aantal artikelen mocht dan wel verschillen naargelang de opvattingen van deze of gene shōgun, de geest van de buke shohatto bleef wel min of meer onveranderd. Men kon ze als een matrijs beschouwen voor een bestuurlijke controle op militaire leest geschoeid.


Sankin kōtai

Van alle voorschriften had het sankin kōtai evenwel de meest verstrekkende gevolgen. Het betreft een maatregel die de daimyō verplichtte om op geregelde tijdstippen hun opwachting in het kasteel van Edo te maken, die als gewild neveneffect had dat hij de autoriteit van de daimyō verzwakte, hen zoveel mogelijk kansen ontnam om in opstand te komen en hen geregeld financieel aderliet. Reeds in de tijd van Ieyasu bestond het gebruik dat de daimyō, om te bewijzen dat zij het gezag van de shōgun respecteerden, eens om de twee à drie jaar naar Edo gingen om hem eer te betuigen en dat zij vaak hun echtgenote en enkele van hun kinderen in Edo onderbrachten als een soort onderpand van hun trouw. Dat gebruik werd door Iemitsu wettelijk verplicht in zijn buke shohatto. Om het jaar dienden de daimyō voor enkele maanden naar Edo te komen om hun opwachting te maken bij de shōgun. Zij verplaatsten zich met een groot gevolg in marsorde, zoals het een krijgsheer paste, maar dat kostte hen wel een hele hoop geld. Op die manier probeerde het bakufu de banden van de daimyō met hun ondergeschikten in hun respectievelijke han zoveel mogelijk te verzwakken en hen op kosten te jagen. Nog een stap verder ging de verplichting voor de daimyō om hun vrouw en kinderen in Edo te huisvesten, in feite als gijzelaars, in omstandigheden hun afkomst waardig. Zodoende dienden de daimyō twee residenties te onderhouden, voor velen een zware financiële last. Het ontnam hun zo de materiële mogelijkheid een opstand tegen het bakufu te financieren.

Niettemin bood het systeem vanuit bestuurlijk en sociaal-economisch oogpunt enkele onmiskenbare voordelen. Het voortdurende heen- en weergereis en de regelmatige audiënties bij de shōgun zorgden ervoor dat geen enkele daimyō onwetend kon zijn inzake de door het bakufu genomen besluiten en wetten. Tevens betekende het af en aan reizen van alle daimyō en hun gevolg een belangrijke financiële en economische stimulans voor de gebieden waar ze door trokken: er kwam een netwerk van officiële wegen en de geldeconomie werd enorm gestimuleerd. Bovendien zullen na verloop van tijd de daimyō zelf er meer voordelen dan nadelen in gezien hadden. Ze hadden een residentie in Edo, die hen toeliet om deel te nemen aan het gesofistikeerde leven van de stad, een welkome verademing van het monotone bestaan in de meeste van de han.

O-tetsudai-bushin

Een ander middel waarmee het bakufu de daimyō economisch verzwakte waren de o-tetsudai bushin 御手伝普請 of solidariteitsbijdragen in de vorm van geld en mankracht waar het bakufu om ‘verzocht’ om zijn forten (Sunpu, Nijō 二条, Ōsaka, Edo,...) te herstellen, of om bruggen en wegen te bouwen,... Eén van de projecten die op die manier heel wat geld en mankracht opslorpte was de bouw van de Tōshōgū 東照宮 te Nikkō 日光, een mausoleum voor de geest van Ieyasu, die er als een godheid werd vereerd. Deze tempel werd trouwens het reisdoel van uitgebreide staatsiebezoeken van daimyō.

Dit soort verplichtingen onderstreepte duidelijk de macht van het bakufu en de rijkdom van de samurai-klasse, maar leidde anderzijds al vlug tot een merkelijke verarming van deze laatste.

Kinchū narabi ni kuge shohatto (1615)

Niet alleen de daimyō waren het voorwerp van strenge supervisie door het bakufu, ook het keizerlijk hof in Kyōto werd nauwlettend in de gaten gehouden. Voor de buitenwereld gedroeg het bakufu zich respectvol ten opzichte van de keizer, maar in zijn beleid streefde de shōgun ernaar de troon zoveel mogelijk te isoleren. Het hof kreeg wel de middelen om enkele paleizen weer op te bouwen en zowel de keizerlijke familie als andere aristocratische clans kregen grond om hun een minimum inkomen te garanderen, maar zeker niet meer dan nodig, om geen gevaar te kunnen worden voor het bakufu. Ook werd ervoor gezorgd dat daimyō en hofaristocratie geen banden konden smeden, onder andere door de daimyō die ten westen van Kyōto woonden te verbieden via Kyōto te reizen om hun jaarlijkse bezoek aan Edo te brengen.

Zoals de samurai hun buke shohatto hadden, zo moest de aristocratie gehoorzamen aan de Kinchū narabi ni kuge shohatto 禁中並公家諸法度, wetten voor het hof en de aristocratische families, een eveneens in 1615 gepromulgeerde code. Deze wet beperkte de functie van de keizer tot louter ceremoniële taken, schreef hem voor zich vooral te bekwamen in kunsten en wetenschap en zich niet in te laten met politiek, legde een hiërarchie aan het hof vast, voorzag in allerlei gedetailleerde reglementen inzake toegestane kleding en hield vooral het recht van benoemingen in de keizerlijke administratie als een prerogatief van het bakufu. Tevens werden de banden tussen de keizerlijke familie en de grote tempels gereglementeerd en werden sommige keizerlijke prinsen gedwongen een religieus leven te leiden. Het doen en laten aan het keizerlijk hof werd nauwkeurig gevolgd door de permanente gezant van het bakufu in Kyōto, de zogenaamde Kyōto soshidai 京都所司代 die niet alleen recht van controle had maar ook sancties kon opleggen. Naast dit alles bediende Hidetada zich ook van de ‘klassieke methode’ om de keizerlijke familie te controleren door zijn dochter als concubine aan de keizer uit te huwelijken. Dit soort praktijk werd evenwel niet door de latere shōgun verdergezet, wel echter het gebruik om betrouwbare aristocraten uit de keizerlijke administratie, of vertrouwensmannen van de keizer een functie in Edo aan te bieden om op die manier hun talenten in te zetten voor het militaire bestuur en het keizerlijk hof zo zwak mogelijk te houden.


Incident van het purperen habijt

De keizer kreeg geen enkele kans om zich aan de controle van het bakufu te onttrekken, zoals het ‘purperen habijt’-incident (shie jiken 紫衣事件) illustreert. Reeds in 1613 en opnieuw in 1615 met de uitvaardiging van de kinchū narabi ni kuge shohatto had het bakufu het prerogatief van de keizer om hoge kerkelijke benoemingen (de dragers van het purperen habijt) te doen, aan banden gelegd, omdat de procedure ervan corrupt en een bron van inkomsten voor de troon was. Toen dan in 1627 keizer Go-Mizuno'o (後水尾), buiten weten van het bakufu om nieuwe benoemingen deed, trok het bakufu deze weer in en ontnam de keizer alle recht inzake hoge religieuze benoemingen. Keizer Go-Mizuno'o werd hierdoor zwaar vernederd en toen het bakufu ook nog een 70-tal reeds eerder benoemde priesters van hun rang en status beroofde, deed de keizer troonsafstand. Maar zelfs dit aftreden werd een gelegenheid voor het bakufu om zijn opperheerschappij te onderstrepen. Hij dwong Go-Mizuno'o om zijn dochter (kleindochter van Ieyasu) tot keizerin te kronen. Dit was de eerste vrouwelijke monarch sedert keizerin Shōtoku in 770.

Vanaf dit moment had de troon geen enkele macht meer. Ze deed alleen nog benoemingen van personen in functies aan het hof zonder repercussies voor de buitenwereld. De hovelingen hadden vaak niet genoeg inkomen om hun stand op te houden en waren dan gedwongen hun inkomsten aan te vullen door les te geven in kalligrafie, muziek, dichtkunst,...

De diverse boeddhistische sekten werden ook onder strikt toezicht geplaatst. De bezittingen van grote sekten zoals die van Shingon op Kōyasan en de Honganji (nu in Kyōto) werden verdeeld onder rivaliserende groepen en zo verzwakt. Alle tempels verloren hun onafhankelijkheid en moesten deel uitmaken van een erkende sekte en gecontroleerd worden door de hoofdtempel ervan.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Totalitair regime en xenofobie

inrichting van het bestuur

Het centrale bestuur

Dankzij zijn steeds toenemende militaire en economische macht groeide het Tokugawa-bakufu uit tot een nationaal bestuur dat in alles de verwezenlijkingen van Hideyoshi en Nobunaga overtrof. In vredestijd berustte de militaire macht van het bakufu op de permanente paraatheid van een bijzondere klasse van vazallen: de hatamoto 旗本 (banierdragers) en de gokenin (vazallen of mannen van het huis). Dit was een klasse van samurai wier inkomen lager lag dan 10.000 koku en die doorgaans leefden van erfelijke stipendia en salarissen (karoku 家禄) voor bestuurlijke of politionele functies die zij uitoefenden. Slechts het topechelon van de hatamoto was effectief eigenaar van gronden. Vooral onder het bewind van shōgun Iemitsu groeiden de hatamoto en gokenin uit tot een gesalarieerde klasse. Op het einde van de zeventiende eeuw waren er in het totaal ongeveer 5000 hatamoto en omdat zij reeds in de periode waarin Ieyasu nog daimyō van Mikawa was hun trouw hadden bewezen, genoten zij het voorrecht van toegang tot de shōgun, (omemie 御目見得). De gokenin telden ongeveer 17.000 man in totaal, en genoten het privilege van omemie niet. Tezamen konden de hatamoto en de gokenin een leger van 60.000 soldaten op de been brengen voor het bakufu. In vredestijd waren de hatamoto en de gokenin zoals reeds gezegd vooral betrokken in politionele functies (hoofdzakelijk bewakingsopdrachten), ofwel belast met een lagere administratieve functie. Dit soort functies werd vaak om beurten vervuld (kōtai yoriai 交代寄合), samenvallend met het sankin kōtai.

Op het einde van de zeventiende eeuw viel zowat 25% (7 miljoen koku) van alle landbouwgrond onder de directe controle van het bakufu. Deze tenryō 天領 genoemde gronden lagen her en der in 47 van de 68 provinciën van Japan verspreid, maar de grootste concentraties waren te vinden in de Kantō- en Kinai-regio's. Daarnaast baatte het bakufu ook nog goud-, zilver- en kopermijnen uit in Sado, Izu, Ashio 足尾,... en waren de daimyō die andere mijnen exploiteerden een bijzondere belasting verschuldigd. Vanaf 1601 sloeg het bakufu trouwens een eigen munt die nationale verspreiding kende en verbood het daimyō hun eigen munt te slaan. De greep op de nationale economie werd voorts versterkt door de politieke controle die het bakufu uitoefende op alle grote steden die commercieel gunstig gelegen waren. (bijvoorbeeld Kyōto, Ōsaka, Nagasaki,...).

Om de militaire controle en de economische expansie vanuit Edo te kunnen leiden, bouwde het bakufu een netwerk van officiële hoofdwegen uit. Het nut van dit netwerk oversteeg al snel de politieke doelstellingen en droeg enorm bij tot de (mercantilistische) ontwikkeling van de Japanse economie.

Het sankin kōtai van de daimyō, het jaarlijkse bezoek van het Hollandse opperhoofd (kapitan甲比丹 of Oranda shōkan-chō 阿蘭陀商館長) uit Deshima 出島 aan de shōgun, de gebeurlijke Koreaanse delegaties en de distributie van goederen of transporten van belastingen in natura dienden alle langs deze officiële hoofdwegen te gebeuren. De kernen van dit netwerk waren de go-kaidō 五街道 (de vijf hoofdwegen): de tōkaidō 東海道 (van Edo naar Kyōto), de nakasendō 中仙道 (van Edo naar Kusatsu 草津), de nikkō-kaidō 日光街道 (van Edo naar Nikkō), de ōshū-kaidō 奥州街道 (van Edo naar Shirakawa) en de kōshū-kaidō 甲州街道 (van Edo naar Shimosuwa 下諏訪). Het is vooral langs deze banen dat zich een uitgebreid netwerk van uitspanningen, herbergen of stations (shukuba 宿場) ontwikkelde. Het beginpunt van al die wegen lag in Edo, bij Nihonbashi 日本橋. Van daaruit werden langs de wegen ‘mijlpalen’ gezet (1 per ri 里 = 3,93 km.), zodat reizigers nauwkeurig de afstanden konden bijhouden. Om de twee à drie ri werd een pleisterplaats ingericht waar de reizigers en de dieren konden verpozen, terwijl zij voor officiële koeriers dienst deden als aflossingsposten. De uitbating van deze koerierstations werd voor een groot deel aan de lokale boeren opgedragen, voor wie het onderhoud van de koeien en hun rijdieren een supplementaire én zware last was.

Uit strategische en politionele overweging richtte het bakufu langs de wegen officiële tolposten op, bij een brug, een bergengte,... Bij grote rivieren anderzijds werden opzettelijk geen bruggen gebouwd en waren de reizigers verplicht gebruik te maken van officiële overzetdiensten, dit om grote troepenverplaatsingen te bemoeilijken. De specifieke opdracht van de tolposten was controle uit te oefenen op het vuurwapentrafiek naar Edo (irideppō 入鉄砲) en het vertrekken van echtgenotes en kinderen van daimyō uit Edo (de-onna 出女) want dit waren de twee belangrijkste maatregelen die het bakufu verwachtte dat een opstandig daimyō zou treffen indien hij daadwerkelijk een opstand zou beginnen.

De centrale bestuurlijke instellingen waarvan het bakufu zich bediende kregen gestalte onder het bestuur van de eerste drie Tokugawa shōgun. De belangrijkste organen waren: de tairō 大老, rōjū 老中, wakadoshiyori 若年寄, ōmetsuke 大目付 en metsuke 目付, san-bugyō 三奉行 en soba-yōnin 側用人. Deze bestuurden Japan op basis van gewoonten en precedenten, vooral hun inspiratie zoekend in de handelingen en geschriften van Ieyasu. Er bestond geen echt positief recht in de westerse zin van het woord. De buke shohatto moet men eerder zien als een soort van ‘organieke reglementen’ waarvan de toepassing en sancties echter konden verschillen van geval tot geval, van precedent tot precedent dat als norm werd gehanteerd. De jurisprudentie van het Edo-bakufu mag men echter wel als uiterst streng en repressief omschrijven met als bijzonder aspect het zogenaamde solidariteitsbeginsel (renza-sei 連座制): een wel heel ruime interpretatie van het medeplichtigheidsprincipe (een clanhoofd was medeverantwoordelijk voor misdaden begaan door leden en personeel van zijn clan).

De functie van de tairō (Grote Wijzen, oorspronkelijk onder Hideyoshi vijf personen, later gereduceerd tot één persoon) was advies te formuleren inzake belangrijke beleidsopties, en als regenten op te treden zolang een shōgun minderjarig was. Het was geen permanente positie, maar ze werd alleen in crisisperiodes geïnstalleerd. De tairō werden haast uitsluitend uit de fudai-clans der Sakai 酒井, Doi 土井, Hotta 堀田en Ii 井伊 gerekruteerd.

De rōjū (Raad van Wijzen) had zowel een adviserende als een administratieve opdracht. Er waren (afhankelijk van shōgun tot shōgun) vier à zes rōjū, die elkaar om de maand aflosten. Hun functies werden in een ordonnantie van 1634 duidelijk omschreven (het regelen van de betrekkingen met de keizer, het keizerlijk hof, de keizerlijke prinsen die een religieuze functie uitoefenden, supervisie van de daimyō met een han van meer dan 10.000 koku, controle over het bestuur van de eigendommen van de shōgun, de munt, de publieke werken, kloosters en heiligdommen,...).

De rōjū werden bijgestaan door de wakadoshiyori (jonge wijzen). Hun aantal varieerde van drie tot vijf personen, die elkaar eveneens om de maand aflosten. Hun belangrijkste opdracht was toezicht te houden op het doen en laten van de hatamoto.

De ōmetsuke en metsuke (groot Inspecteur en inspecteur) kon men zowat beschouwen als de militaire politie van het bakufu. De ōmetsuke (vier ambtenaren) waren ondergeschikten van de rōjū en hadden als opdracht alle daimyō in het oog te houden. De metsuke (zestien in totaal) ressorteerden onder de wakadoshiyori en hadden dezelfde opdracht in verband met de hatamoto.

De san-bugyō of drie soorten commissarissen waren de jisha-bugyō 寺社奉行, de machi-bugyō 町奉行 en de kanjō-bugyō 勘定奉行. De vier commissarissen van het jisha bugyō waren verantwoordelijk voor de controle op de religieuze instellingen, zowel boeddhistische als shintoïstische, en supervisie van de geestelijken. Twee machi-bugyō stonden in voor het bestuur van de hoofdstad Edo op juridisch, politioneel en administratief vlak. Ook de andere belangrijke steden, zoals Kyōto, Ōsaka, Nagasaki,... werden door machi-bugyō bestuurd. De kanjō-bugyō was belast met de financiën van het bakufu en de rechtspraak over het gewone volk in de Tokugawa-domeinen. In geval van betwistingen die duidelijk de bevoegdheid van één van de bugyō te buiten ging, zetelden zij allen onder het voorzitterschap van de rōju in het hyōjōsho 評定所 (deliberatieraad) waar zij collectieve besluiten troffen.

Als laatste maar zeker niet het onbelangrijkste ambt waren er de soba-yōnin of de kamerheren van de shōgun. Het waren naaste medewerkers die fungeerden als liaison tussen de rōjū en de shōgun wiens bevelen zij doorgaven. Zij waren ‘het oog van de shōgun binnen de centrale bestuurlijke organen.

Het plaatselijke bestuur

Wat de organen voor lokaal bestuur betreft kunnen wij korter zijn. Omdat Japan opgedeeld was in Tokugawa-domeinen (ongeveer 25%) en lenen van de vazallen (ongeveer 73%) was er niet veel ruimte voor het benoemen van regionale bakufu-ambtenaren. Er waren vier intendanten of gundai 郡代 die in een paar sleutelgebieden het bestuur van enkele Tokugawa-landerijen controleerden, terwijl 44 assistenten of daikan 代官 hetzelfde deden voor de resterende Tokugawa-bezittingen. Daarnaast had men de beheerders van de kastelen of jōdai 城代 die instonden voor de forten van Ōsaka en Sunpu. Het bestuur van de han was een kopie op verkleinde schaal van de bakufu-administratie. Kashin en toshiyori bekleedden er de hoogste ambten en de hanshi 藩士 (vazallen van de daimyō) werden in de regel uitbetaald in stipendia; slechts de belangrijkste kregen effectief een domein toegewezen, maar ook deze happy few moesten zoals de andere hanshi rond het kasteel wonen en niet op hun domein.

Lokale bestuurlijke ambten in de strikte betekenis van het woord waren die van de shoshidai in Kyōto die militair gouverneur van de stad en de hoofdstedelijke provincies was, en de machi-bugyō of stadscommissarissen van de belangrijkste steden (Nagasaki, Sunpu, Yamada, Nara en Nikkō). Al deze functies werden bekleed door fudai of hatamoto, nooit door tozama-daimyō.

Er waren twee bestuurlijke structuren via dewelke het bakufu de dorpen onder haar controle hield. De murakata san’yaku 村方三役 en het gonin-gumi 五人組-systeem. Het murakata san’yaku-systeem was reeds ontstaan als een organisme van zelfbestuur in dorpen ten tijde van de periode van de Strijdende Staten maar werd door het bakufu gerecupereerd als een controle-orgaan.

Het murakata san’yaku-systeem behelsde 3 functies:

  1. De nanushi (dorpshoofd; ook wel shōya of otona genoemd) die belast was met het organiseren en superviseren van de registratie van de burgerlijke stand, het shūmon aratame 宗門改 (de registers van de tempels en shintoïstische heiligdommen), de werking van de gonin-gumi (groepen van vijf), het financiële beleid van het dorp, de allocatie der jaarlijkse heffingen,... Doorgaans werd het dorpshoofd verkozen uit de middens van de honbyakushō 本百姓 hoewel er ook dorpen waren waar de machtigste families om beurt de functie waarnamen. Ook zijn er gevallen bekend waar de functie van dorpshoofd van vader op zoon werd overgedragen.
  2. De kumigashira of groepshoofden waren secretarissen of assistenten van het dorpshoofd. Gewoonlijk werden uit die personen die het best konden lezen of schrijven drie à vijf personen gerekruteerd om vooral de administratieve aspecten van het bestuur op zich te nemen.
  3. De hyakushōdai 百姓代 (vertegenwoordigers van de boeren, twee à drie per dorp), kon men beschouwen als een soort auditeurs die opkwamen voor de belangen van de boeren wanneer de lasten der heffingen werden toegewezen. Deze lasten beliepen doorgaans 50 à 60% van de oogst.

Belastingen werden per dorp geheven en een dorp als administratieve eenheid bestond uit vijftig à zestig gezinnen. De dorpen werden omwille van de vereiste belastingen streng door het bakufu gecontroleerd, maar in de manier waarop zij zich van die verplichtingen kweten, genoten zij een zekere mate van zelfbeschikking. De dorpsraad of yoriai besliste over de wijze waarop het werk werd verdeeld, het aantal vrije dagen en de lonen van de knechten en gehuurde landarbeiders. Al deze beslissingen werden in dorpsbesluiten of mura-okite 村掟 vastgelegd. De meest voorkomende straf voor overtreders van deze beslissingen was het ostracisme of mura-hachibu 村八分, wat inhield dat de betroffen persoon als een uitgestotene werd behandeld inzake al zijn contacten met het dorp, behalve bij brand of sterfgeval. Alleen honbyakushō hadden het recht deel uit te maken van de dorpsraad.

Collectieve verantwoordelijkheid zorgde ervoor dat de boeren elkaar in de gaten hielden opdat niemand een voor allen nefaste misstap zou begaan. Daartoe werden alle gezinnen ingedeeld in een groep van vijf gezinnen (gonin-gumi), die golden als de juridische entiteit: een overtreding van één lid van de groep bracht straf over de hele groep. Zij waren ook verantwoordelijk voor het blussen of voorkomen van brand, het bestrijden of voorkomen van diefstal, het aandragen van christenen en vagebonden, het tekenen van contracten, uitvoeren van testamenten,...


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

internationale contacten in het begin van de edo-periode

Het is zeker niet zo dat de Tokugawa's van in den beginne een isolationistisch beleid voerden, integendeel, net zoals Hideyoshi stimuleerde Tokugawa Ieyasu de contacten met Korea, China, de Ryūkyū-archipel en de Europese mogendheden. Onder deze laatsten gaf hij er de voorkeur aan zaken te doen met de Engelsen en de Hollanders.

Herstel van de betrekkingen met Korea

Sedert de militaire campagnes van Toyotomi Hideyoshi op Koreaanse bodem waren de betrekkingen tussen beide mogendheden ronduit slecht geworden. Eén van de eerste stappen op het vlak van de internationale politiek, door Ieyasu gezet was dan ook het herstellen van de wederzijdse betrekkingen. Via bemiddeling van de heer van Tsushima (Sō 宗) werd in 1607 een delegatie Koreanen in Japan ontvangen. Een gebaar dat de Koreanen zouden blijven herhalen telkens een nieuwe shōgun het bewind overnam. Bovendien kregen de Japanners in 1609 vergunning om in de Koreaanse stad Pusan een handelsmissie te openen en mits het volume niet te groot werd, handel te drijven.

China weigert officiële contacten

Ook met de Míng probeerde het bakufu de contacten te herstellen, maar dit werd kordaat geweigerd. Deze weigering ligt aan de basis van het ontstaan van een bloeiende afspraakhandel of deai bōeki 出会貿易: dit wil zeggen handel met Chinese schepen van zowel openbare als privé-reders buiten de territoriale wateren van de Míng, in afgesproken havens, vooral Taiwan en Luzon. Bovendien, omdat het bakufu met open armen Chinese schepen in Japan ontving, ontwikkelde zich een bloeiende zijdehandel vanuit Nanjing naar Noord-Kyūshū.

De Ryūkyū-archipel

Net als Korea stuurde de koning van de Ryūkyū bij de aanstelling van een nieuwe shōgun een gezantschap om hem geluk te wensen. Vanuit dit oogpunt was het dus buitenland. In feite echter was de Shimazu-clan in 1609 het eilandenkoninkrijkje binnengevallen en had het de koning Shōnei 尚寧 gevangen genomen. In 1610 ging Shimazu Iehisa, daimyō van Satsuma, samen met Shōnei zijn opwachting maken bij deshōgun, die bevestigde dat Shōnei voortaan een vazal was van de Shimazu-clan. De koning van Ryūkyū werd dus tribuutplichtig aan de daimyō van Satsuma, maar anderzijds bleef hij ook zijn traditionele tribuut zenden naar de Míng-keizer, wiens kalender en jaarstijl hij overigens gebruikte. Het was via de koning van de Ryūkyū dat Ieyasu de betrekkingen met China poogde te herstellen, zonder succes evenwel.

Contacten met Europese mogendheden

De contacten met de Europese mogendheden ondergingen ook belangrijke veranderingen waarvan de oorsprong voor een groot deel gezocht moet worden in de gewijzigde politieke situatie in Europa. Begin zeventiende eeuw was het politiek-economische zwaartepunt in Europa van het zuiden (Spanje, Portugal) naar het noorden verschoven (Engeland, de Verenigde Provinciën), parallel met de ontwikkeling van het mercantilisme. In 1600 werd in Engeland de Oost-Indische Compagnie opgericht en in 1602 volgden de Hollanders hun voorbeeld door hun Vereenigde Oost-Indische Compagnie op te richten, waarmee beide naties tot diep in het Verre Oosten doordrongen.

In 1600 strandde het eerste Nederlandse karveel ‘De Liefde’ in de Japanse provincie Bungo 豊後 (ōita 大分). Ieyasu benoemde de leiders van deze handelsmissie, de Engelsman William Adams en de Hollander Jan Joosten tot zijn raadgevers inzake buitenlands beleid en ze werden de tussenpersonen voor de handel met Engeland en de Verenigde Provinciën.

Daarna in 1609 en in 1613 kwamen opnieuw respectievelijk een Hollands en een Engels schip naar Japan en kregen toestemming om in Hirado 平戸 (in de huidige prefectuur Nagasaki) een handelsfactorij te openen. De grote concurrentie die de Nederlandse en de Engelse handelsmaatschappijen met elkaar op alle wereldzeeën voerden, verliep in het voordeel van de Hollanders die nadat de Engelsen afzagen van handel in Japan, als enige Europees land, in Nagasaki een handelsfactorij mochten openen in 1632.

Japanse schepen buitengaats

Maar Ieyasu bevorderde niet alleen contacten met buitenlandse handelaars en mogendheden, hij stimuleerde ook, net als Hideyoshi, de handel onder vergunning met het vermiljoenzegel (shuinjō 朱印状), terwijl in de eerste helft van de zeventiende eeuw ook individuele Japanse handelaars en avonturiers in Azië doordrongen (tot Birma, Borneo, Indochina, ...). Tussen 1604 en 1635 werden er ongeveer 355 vergunningen met het vermiljoenzegel uitgereikt, wat een gemiddelde van tien à twaalf expedities per jaar laat veronderstellen, wat zeer veel was in een periode waarin zeereizen nog heel traag verliepen en gevaarlijk waren. Het gedrag van deze schepen kon in sommige gevallen als piraterij worden omschreven. Vaak overvielen zij andere schepen, zodat zij allengs een kwalijke reputatie kregen in heel Zuidoost-Azië. Vele landen protesteerden en zetten de Japanse overheid onder druk om maatregelen te nemen. Het invoeren van de vergunningenregeling was een tegemoetkoming aan die eis. Na Ieyasu's dood echter evolueerde de vergunning tot een instrument ter controle van de handel. Zij werden alleen uitgeschreven aan hofleveranciers die speciale bescherming genoten zoals de Suminokura 角倉, Sueyoshi 末吉, de Chaya 茶屋 en andere handelshuizen.

De uitvoer uit Japan bestond hoofdzakelijk uit zilver, koper, ijzer, solfer, kamfer, rijst en andere graansoorten, maar ook uit lakwerk, waaiers, ijzerwaren en andere ambachtelijke producten. In ruil brachten de handelaars onbewerkte zijde, zijdestoffen van hoge kwaliteit, katoen, huiden, suiker, kleurstoffen,... mee.

Naast deze officiële handelsvloot kwamen ook Portugese en Chinese schepen om goederen in en uit te voeren: in de eerste plaats Chinese onbewerkte zijde, maar ook goud, lood, geneeskrachtige kruiden, specerijen,... Ook westerse ambachtelijke producten zoals uurwerken, glas,... vonden af en toe hun weg naar Japan. Daarnaast dreven ook sommige daimyō in het westen, vooral de Shimazu en de Matsuura voor eigen rekening handel met het buitenland.

De enorme ontwikkeling van de handel bracht een nooit geziene emigratie naar alle streken in Zuidoost-Azië op gang. Men schat dat in de periode van de vergunningen met het vermiljoenzegel circa 70.000 Japanners naar het buitenland reisden. In de meeste havens die door de Japanse schepen werden aangedaan, ontstonden ware kolonies van Japanse inwijkelingen, zogenaamde Nihon-machi 日本町. De belangrijkste waren San Miguel in de buurt van het huidige Manila, Pnom-Penh in Cambodja, Ayuthia in Siam,... In San Miguel waren er meer dan 3000 inwijkelingen die via zelfbestuur hun nederzettingen bestuurden. De bloei van deze nederzettingen kwam ten einde toen in Japan het isolationistisch beleid werd afgekondigd.

De Japanse scheepsbouw en navigatietechnieken kenden in die tijd een snelle ontwikkeling, mede door de frequente gelegenheid die ze kregen om van de Portugezen te leren. Zij leerden het gebruik van het kompas, zeekaarten, en diverse navigatieinstrumenten. De kangōfusen in de Muromachi-periode hadden een tonnenmaat van circa 100 ton, maar de vergunningsschepen (shuinsen 朱印船) gingen tot 200 à 300 ton.

De meest verbluffende krachttoer was die van Hasekura Tsunenaga 支倉常長 (ook Hasekura Rokuemon, 支倉六右衛門), een vazal van de machtige daimyō Date Masamune 伊達政宗. In 1613 stak hij in een door Japanners gebouwd zeilschip de Stille Oceaan over naar de westkust van Mexico. Daar maakte het schip rechtsomkeer, maar hijzelf reisde verder over land naar de oostkust, waar hij scheep ging op een Spaans galjoen, dat hem naar Spanje, Venetië en Rome bracht. Hoofddoel van zijn zending was te pleiten bij de Spaanse koning voor het openen van een handelsroute tussen Mexico en Japan. Toen hij na zeven jaar terug in Japan aankwam was de stemming helemaal omgeslagen en was de overheid niet meer geïnteresseerd.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

verbod op het christendom en afkondiging van het isolement

Vervolging van de christenen

Omdat Ieyasu in zijn wens om de handel aan te moedigen aanvankelijk tolerant was geweest ten opzichte van de verspreiders van het christelijke geloof, kende dit een enorm succes in vrijwel heel Japan. In 1605 schatte men het aantal bekeerden op 700.000 (nu ongeveer 900.000) en waren er zelfs missieposten in het noordelijke Sendai. Op het eiland Amakusa 天草 hadden de jezuïeten een school, waar jonge Japanners onderricht kregen in de christelijke leer en opgeleid werden tot priesters. Er was ook een actieve boekdrukpers die niet alleen boeken over de doctrine in het Japans publiceerde, maar zelfs meesterwerken uit de Japanse literatuur. Ook de invloed op het gebied van de kunst en de wetenschappen was niet gering. Deze enorme expansie van een vreemde religie veroorzaakte evenwel wantrouwen en angst bij het bakufu en vanaf 1612 komt stilaan een anti-missioneringsbeleid tot stand. In dat jaar verbood Ieyasu alle missionering in de gebieden onder zijn rechtstreekse toezicht, een bevel dat hij in 1613 uitbreidde tot heel Japan: het zogenaamde kinkyō-rei 禁教令. Van toen af werden de vervolgingen strenger, aanvankelijk door de priesters en gelovigen te verbannen, maar weldra ook door hen te dwingen hun geloof op te geven, en bij weigering de marteldood te sterven.

De redenen van deze ommezwaai zijn niet eenvoudig aan te geven maar hebben net zoveel te maken met de praktijken van de missionarissen zelf als met de vrees van het bakufu dat deze vreemde religie zich weleens tegen haar autoriteit kon keren, in de zin dat de congregatie van christenen zich zou organiseren in ikki om politieke vrijheden af te dwingen, zoals een eeuw eerder de ikki geleid door de Ikkō-secte. De inhoud van de christelijke boodschap was ook een rechtstreekse kritiek op het reilen en zeilen van de Japanse samenleving. De christenen erkenden slechts één god, keurden zelfmoord, polygamie en het ‘doodsethos’ van de samurai af. Het grote succes van de missionering deed bij het bakufu de vrees rijzen dat de autochtone shintoïstische en boeddhistische liturgie zou bedreigd worden.

Daarnaast, naarmate meer en meer Engelse en Hollandse handelaars Japanse havens aandeden, groeide ook bij Ieyasu het besef dat het katholicisme niét een superieure Europese religie was, en dat handel ook kon gebeuren zonder missionering als een neveneffect te moeten aanvaarden. In dit laatste idee werd hij aangemoedigd door de Engelsen en Hollanders, die de Portugezen en Spanjaarden ervan beschuldigden via de missionering uiteindelijk Japan te willen veroveren. Dit laatste moet voor Ieyasu een duidelijk motief zijn geweest om de zuidelijke barbaren, die toch het gebruik van vuurwapens, kanonnengieten,... kenden, uit zijn rijk te weren.

Dit brengt ons bij een ander motief waarom Ieyasu een antimissioneringsbeleid doordrukte. De tozama-daimyō van Kyūshū en West-Japan maakten enorme winst met buitenlandse handel, en indien het bakufu daaraan geen paal en perk stelde, konden deze wel eens sterk genoeg worden om de macht van het bakufu te ondermijnen, dit met behulp van de Portugezen en de Spanjaarden. De enige manier waarop het bakufu dit kon voorkomen was door alle havens te sluiten voor buitenlandse handel, behalve Nagasaki dat onder zijn rechtstreekse controle stond. Op die manier kon het bakufu niet alleen de hele handel controleren maar monopoliseerde het ook de winsten. Eén van de belangrijkste doelstellingen van de religieuze vervolgingen in Japan was dus eigenlijk een greep te krijgen op de handel en contacten met het buitenland en te vermijden dat anti-bakufu-elementen een coalitie zouden vormen of de middelen zouden verwerven om zich tegen het centraal bestuur te keren.

Het christendom druiste inhoudelijk wel in tegen de feodale structuren en opvattingen van het bakufu, maar de vervolgingen waren politiek geïnspireerd, en niet ingefluisterd door één of ander antireligieus sentiment: de Tokugawa's wilden een stabiel en welvarend regime en schakelden systematisch alle mogelijke factoren uit die deze doelstellingen konden schaden. Aldus werden naast het construeren van een rigide klassenmaatschappij alle invloeden, dus ook Europese, geweerd die deze structuren in gevaar konden brengen. Vandaar religieuze vervolging, beperking van de handel, ...

Sakoku 鎖国: het isolement

De vrees voor verdere uitbreiding van het christelijke geloof naast de angst dat de westelijke daimyō zich militair aan de greep van het bakufu zouden onttrekken bewoog het bakufu ertoe om in 1616 het aantal toegestane havens voor buitenlandse schepen te beperken tot Hirado en Nagasaki. In 1633 verbood shōgun Iemitsu alle schepen zonder officieel visa (= vermiljoenzegel) nog naar het buitenland te varen. Dit verbod werd in 1635 verscherpt en uitgebreid tot alle handelsschepen, gepaard met het verbod voor Japanse emigranten nog naar hun vaderland terug te keren en voor Japanners om te emigreren. In 1636 werd in de baai van Nagasaki het eiland Deshima (ook wel Dejima gespeld) geconstrueerd en voorzien van verblijfsmogelijkheden voor westerlingen. Het waren eerst de Portugezen die gedwongen werden zich daar te vestigen.

In 1637 brak te Shimabara een opstand (Shimabara no ran 島原の乱)voor die in oorsprong een sociaal-economisch probleem aan de kaak stelde maar die door het bakufu als een christelijke opstand werd bestempeld om haar ‘antibuitenlandbeleid’ nog aan te zwengelen. In 1639 kregen de Portugezen verbod nog Japanse havens aan te doen en in 1641 werden de Nederlanders verplicht hun factorij in Hirado te sluiten om alleen nog maar vanuit Deshima in de baai van Nagasaki te opereren. Op Chinese en Nederlandse schepen na mocht geen enkele buitenlandse mogendheid nog Japan aandoen. De repressie die het bakufu uitoefende op de christenen in Japan resulteerde enerzijds wel in een aantal afzweringen van het geloof maar had anderzijds ook tot gevolg dat de gemeenschappen aan cohesie gingen winnen en zich gingen afzetten tegen hun daimyō en het bakufu. Vooral in Noord-Kyūshū, in de streek van Amakusa en Shimabara, waren er veel van deze gemeenschappen. Tijdens de Shimabara-opstand hield een leger boeren het wekenlang uit tegen een machtig leger van westelijke daimyō, op de been gebracht op bevel van het bakufu. De opstandelingen waren grotendeels arme boeren, maar zij werden gesteund door meesterloze samurai en soldaten die onder christelijke generaals hadden gediend in de tijd van Hideyoshi. Men schat hun aantal op ongeveer 40.000 en slechts een honderdtal overleefden het beleg van het fort van Shimabara, waar de opstandelingen zich verschanst hadden. De bakufu-troepen telden ongeveer 100.000 man, maar zij leden ook grote verliezen, wat wijst op onbekwame militaire leiding. Niettemin won het bakufu uiteindelijk toch de strijd.

De opstand was niet in de eerste plaats een religieuze opstand maar een wanhopig protest tegen de dwingelandij van de daimyō van Shimabara en Amakusa. Het is echter wel zo dat vele van de opstandelingen zich inspireerden op het christelijk geloof van hun leiders, wier banieren de namen van heiligen droegen of met christelijke leuzen geborduurd waren. Wat er ook van zij, het neerslaan van de Shimabara-opstand betekende het einde voor de openlijke belijdenis van het christelijk geloof. Het gebeuren werd door de overheid aangegrepen om op grote schaal gelovigen en priesters op te sporen en om te brengen, en zoals gezegd, een blokkade tegen alle buitenlandse invloeden in te voeren.

Er werden ook religieuze controles ingevoerd die de verspreiding en of de belijdenis van het christelijk geloof moesten voorkomen. Eén van deze maatregelen was het creëren van klooster- of tempelregisters (shūmon aratame-chō 宗門改帳). Alle kloosters en heiligdommen werden verplicht registers aan te leggen van de personen die in hun ‘parochie’ woonachtig waren, met bijzonderheden over huwelijken, geboorten, reizen, beroepen, ... Op die manier kon het bakufu nagaan wie zich onttrok aan de ‘autochtone liturgie’. Een andere maatregel om christenen te dwingen hun geloof af te zweren was het fumi-e (踏絵). De verdachten werden gedwongen bovenop afbeeldingen van Christus of Maria te staan en hun geloof af te zweren. Wie dit niet deed stierf de marteldood. Duizenden mensen lieten het leven en door het beleid van het bakufu werd het christendom geheel in de illegaliteit en verborgenheid gedrongen. Vooral op Kyūshū bleven jarenlang geheime christelijke sekten voortbestaan.

Diplomatie en buitenlandse handel na de afsluiting

Het isolement hield in dat het Japanse volk alle contact met het buitenland verloor. Uitgewekenen keerden niet meer terug en nieuwe emigratie werd verboden. De Japanse enclaves in Zuidoost-Azië verloren hun eigenheid en gingen op in de lokale gemeenschap. Alleen Nagasaki bleef over als een soort sleutelgat waarlangs Japan naar buiten kon kijken, zij het dat dit privilege alleen was weggelegd voor enkele hoge ambtenaren van het bakufu, die contacten hadden met de Nederlandse factorij van Deshima. Eén van de opdrachten van het ‘opperhoofd’ van deze factorij was om éénmaal per jaar schriftelijk rapport uit te brengen over de situatie in de wereld bij het bakufu. Deze geschriften noemt men Oranda fūsetsugaki 阿蘭陀風説書, waarvan het oudste nu nog bestaande dateert uit 1675. Naast deze rapporten werd tevens druppelsgewijs de invoer van westerse wetenschappelijke werken toegestaan, vooral die over positieve wetenschappen. Alles wat (al was het maar van verre) verband hield met christendom en christelijke filosofie werd evenwel in beslag genomen.

Diplomatieke contacten met buitenlandse naties waren onbestaande. In 1644 was in China de Míng-dynastie gevallen en waren de Manchu's aan de macht gekomen, die van China een supermacht maakten die vrijwel heel Zuidoost-Azië domineerde. De Chinezen wensten geen diplomatieke contacten met Japan. De contacten met Korea, zo zagen we reeds, waren iets beter, maar overstegen eigelijk niet het niveau van protocolaire bezoeken telkens er een nieuwe shōgun aan het hoofd van het bakufu kwam.

Het isolement van Japan op politiek vlak ten opzichte van de buitenwereld was dus vrijwel compleet. Op het gebied van handel evenwel bleef de rol van Japan niet onbelangrijk. Weliswaar was de bloeiperiode van de Japanse reders die tot ver in Japan doordrongen voorbij (behalve voor de Shimazu: zij bleven nauwe banden onderhouden met de Ryūkyū-archipel die zowel aan China als aan Japan tribuut betaalden) en was alle handel in Nagasaki geconcentreerd onder controle van het bakufu, maar dat belette niet dat Japan voor de buitenwereld een interessante handelspartner bleef, en dat de deelname in de handelsactiviteiten voor Japan groot genoeg was om er een groot schatkistprobleem aan over te houden.

Van de Nederlanders kochten de Japanners wollen textiel, katoen, geneesmiddelen, uurwerken, suiker, boeken etc... Terwijl uit China de Japanners vooral zijde betrokken. Maar omdat Japan strikt genomen meer importeerde dan exporteerde was het regelmatig gedwongen zijn schulden aan te zuiveren door zilver uit te voeren. Dit zou op het einde van de 17de eeuw voor een schrijnende inflatie zorgen.

De eerste thee die de Europeanen dronken kwam overigens uit Japan. De oudste ons bekende melding van thee in een westerse bron is die van Gianbattista Ramusio (1485- 1557), die het in zijn werk Navigatione et Viaggi over Chai Catai (Chinese thee) heeft en vooral over haar geneeskrachtige werking. Toch was niet Chinese maar Japanse thee die het eerst in Europa werd gedronken. Theedrinken in Europa dateert van rond het jaar 1310. In dat jaar brachten de schepen van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie theeblaadjes vanuit Hirado via Bantam naar Europa. Het was de typisch Japanse groene thee, maar hij sloeg blijkbaar aan. Vanuit Nederland verspreidde het drinken van thee zich verder naar andere Europese landen en in de achttiende eeuw werd Engeland het theedrinkende land bij uitstek. De eerste thee werd in Engeland geïmporteerd in het midden van de jaren 1630 via Nederland. Hoewel aanvankelijk groene thee veruit de belangrijkste variëteit was, werd hij allengs, en zeker vanaf de achttiende eeuw, door de zogenaamde rode of zwarte thee verdrongen. Deze kwam niet uit Japan, maar uit China. Het woord thee is daarom van Chinese oorsprong. Het is grosso modo onder twee vormen in de Europese talen terechtgekomen. Enerzijds is er de vorm cha of een variant daarvan, die afkomstig is uit het kantonees, anderzijds is er de vorm thee of een variant daarvan die afkomstig is uit het Fukienees. De Fukienese vorm is geassocieerd met de zeeroute en dat is inderdaad de weg die de eerste thee naar Nederland heeft afgelegd. Vandaar dat het Nederlandse woord voor thee teruggaat op het Fukienees, of beter gezegd het dialect van Amoy, de haven in het zuiden van Fújiàn die de schepen van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie aandeden om thee in te slaan. Het Nederlandse woord ‘thee’ lag dan verder aan de oorsprong van het woord voor ‘thee’ in de andere West-Europese talen zoals het Duitse Tee, het Engelse tea en het Franse thé.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

een standenmaatschappij

De samurai

De kenchi (landmeting) en katanagari (zwaardenjacht), maatregelen van Toyotomi Hideyoshi, lagen aan de basis van een scherp en onwrikbaar klassenonderscheid, een echte klassenmaatschappij. Omdat deze samenleving veel gelijkenis vertoont met de Europese samenleving van het ancien régime, spreken we ook wel van standen. Het bakufu onderkende vier duidelijk van elkaar onderscheiden bevolkingssegmenten: de bushi 武士, de nōmin 農民, de shōnin 商人 en de shokunin 職人. De bushi of samurai vormden de heersende klasse en genoten het meeste aanzien. Het was een klasse die economisch weinig produceerde maar wel een aantal privileges genoot. Op de tweede hoogste sport van de sociale ladder stonden de boeren. Als stand genoten zij veel aanzien wegens hun economisch belang voor het nationaal welzijn, maar in de praktijk leefden zij als individu vaak op de grens van de armoede: de boerenstand werd hoog geprezen, de boer werd misprezen. Op de derde sport stonden dan de stedelingen of chōnin 町人, die bestonden uit de handelaars (shōnin) en de ambachtslieden (shokunin).

Er bestond ook een groot verschil in rang en stand tussen leden die tot dezelfde klasse behoorden, een verschil dat tot uiting kwam in alle dagelijkse handelingen tussen meesters en bedienden, ouders en kinderen, mannen ten opzichte van vrouwen, broers ten opzichte van zusters, de oudste zoon ten opzichte van jongere zonen, ...

Ongeveer 10% van de bevolking behoorde tot de samurai-klasse. Zij bezaten als heersende klasse de absolute macht, die zij naar eigen inzicht en voorkeur konden uitoefenen, tevens hadden zijn echter een riddercode, bushidō 武士道 genoemd, die hen aanspoorde voorbeeld te zijn voor het gewone volk. Zij hielden zich vooral bezig met militaire oefeningen en strategie, alsook met filosofische studie (vooral het confucianisme). Zij hadden het recht steeds een zwaard te dragen en genoten het privilege een voornaam te hebben. Hun klassensuperioriteit en macht was zo groot dat zij boeren en stedelingen die hen onrespectvol behandelden gewoonweg mochten doden: het zogenaamde kirisute gomen 切捨御免.

Binnen de samurai-klasse genoten de daimyō, de hatamoto en de gokenin onder directe controle van de shōgun het meeste aanzien, daarna kwamen de hanshi, dit wil zeggen de samurai in dienst van de daimyō, die verder ook hun eigen ondergeschikten hadden, meestal ashigaru of dōshin 同心 genoemd. Allen behoorden evenwel duidelijk tot de klasse der samurai. Daarnaast werd er ook nog onderscheid gemaakt tussen samurai van dezelfde rang volgens de status die hun clan genoot, of de vraag of ze al dan niet grond bezaten, ...

De laagste rang van samurai waren de zogenaamde rōnin 浪人. Het waren samurai die om een of andere reden geen meester meer hadden. In het begin van de Edo-periode was hun aantal enorm gestegen ten gevolge van het beleid van Ieyasu om daimyō die weigerden de vazalstatus te aanvaarden, of als straf tegen daimyō die zich tegen zijn beleid verzetten, van hun gronden te beroven of toch grote delen ervan in beslag te nemen. Men schat hun aantal toen op 400.000 zodat zij toch in zekere zin als een gevaar voor de maatschappelijke stabiliteit werden beschouwd. De meesten van hen voorzagen in hun inkomen door les te geven in gevechtstechnieken, een leven van wetenschappelijk onderzoek te leiden of als leraar in één of ander tempelschooltje (terakoya 寺子屋) onderricht te geven.

Doorgaans verdiende een samurai zijn inkomen dankzij het salaris dat hij als ambtenaar van het bakufu of zijn han genoot. Ook kon hij in zijn behoefte voorzien dankzij de grond die hij bezat. Toch moet duidelijk worden gesteld dat behalve de daimyō en de hoge ambtenarij de kwaliteit van het bestaan van een samurai niet zo rooskleurig was.

De boeren

De klasse van de boeren zullen wij verder meer in detail bespreken. Voorlopig kunnen we volstaan met te zeggen dat zij qua status vlak onder de samurai stonden, evenwel waren zij als klasse uiterst arm omdat zij vrijwel helemaal moesten voorzien in het levensonderhoud van hun heren (daimyō, lokale grootgrondbezitters, ...), door wie zij bovendien in hun doen en laten uiterst streng werden gecontroleerd. In feite waren zij sociaal-economisch slechter af dan de stedelingen.

Omdat de boeren voor alle inkomen en welvaart van de samurai werkten, was het hun klasse die het strengst door het bakufu gecontroleerd en aan allerlei verplichtingen onderworpen werd. Verplichtingen en controles die tot in details werden uitgevoerd.

In de boerenklasse genoten de honbyakushō het meeste aanzien en het waren hoofdzakelijk zij die als belastingbetaler geregistreerd stonden in de kenchichō 検地帳 als eigenaars van velden, huizen en schuren. De honbyakushō moest de belasting opbrengen die door de han of het bakufu aan de dorpen werd opgelegd. Het principe was dat alle productieoverschot aan de overheid als belasting diende afgedragen te worden. Concreet betekende dat een aanslagvoet van 50 à 60 procent. Rechtstreeks onder de honbyakushō stonden de pachters. Dit waren de twee belangrijkste boerenrangen, waarnaast er ook nog een hele hiërarchie van knechten bestond, gaande van een gewone huisslaaf tot kleine grondbezitters wier eigendom evenwel te klein of arm was om in basisbehoeften te voorzien zodat zij genoodzaakt waren zichzelf te verhuren.

De dorpen waren gemeenschappen waarbinnen de boeren in staat waren hun levensstandaard in zekere mate stabiel te houden, en vooral in de beginperiode van het Edo-tijdperk waren de dorpen in grote mate economisch zelfbedruipend. Omdat door de heersende samurai-klasse de spreiding van de handelseconomie naar het platteland verboden werd, uitgezonderd geneesmiddelen, zout en metalen werktuigen, werden vrijwel alle levensnoodzakelijke voorwerpen als kleding, voeding, ... lokaal geproduceerd. Er werden gemeenschappelijke gronden uitgebaat voor het weiden van het vee, het sprokkelen van hout, voor verwarming en verwarmingsdoeleinden, ... Ook het gebruik van drinkwater en irrigatiebeleid werd in gemeenschap geregeld. De arbeid werd gewoonlijk met de hand geleverd, het waren slechts de rijke boeren die over werk- en lastdieren beschikten alsook dus over dierlijke meststof.

Men kan gerust stellen dat het leven van de boeren misschien niet precair maar dan toch wel zeer hard moet geweest zijn. Om hun zorgen wat te verlichten of onvoorziene tegenspoed op te kunnen vangen richtten zij vaak wederzijdse hulporganisaties op, een soort van rudimentaire mutualiteiten dus. Zo werd in het zaai- en oogstseizoen vaak aan arbeidsverdeling gedaan, terwijl ook financiële instellingen werden gecreëerd waar boeren in plotse geldnood uit een gemeenschappelijke pot konden lenen, zogenaamde tanomoshi-kō 頼母子講. Op die manier werden ook vaak kassen gecreëerd die pelgrimages betaalden, bijvoorbeeld de Ise-kō 伊勢講.

Qua cultuur of vermaak kende men behalve de normale, jaarlijks terugkerende feesten met Nieuwjaar, bon 盆 en setsubun 節分 ook meer lokaal gebonden vermakelijkheden zoals toneel, worstelen enz. Dit waren zeker geen gebeurtenissen van de allerfijnste graad maar dienden alleen ter afwissseling van het harde labeur van de boer.

Ook de dorpsjeugd was georganiseerd. De jongens in wakashū nakama 若衆仲間 maakten zich verdienstelijk bij de organisatie van gemeenschappelijke evenementen, arbeid op het land, bewaren van de openbare orde , ... De meisjes waren gegroepeerd in jo-nakama 女仲間 en hielden zich bezig met het aanleren van huishoudelijke taken zoals weven, ...

Handelaars en ambachtslieden (de stedelingen)

De stedelingen of chōnin werden verder onderscheiden als shōnin of handelaars en shokunin of ambachtslui. Dankzij het stelsel der gonin-gumi, dat ook bij boeren bestond, genoten de stedelingen een beperkte mate van zelfbestuur. Dit was een bestuursvorm die door het bakufu aan de steden en de dorpen werd opgelegd en die het mogelijk maakte via diepgaande sociale controle de stabiliteit van de staat te vrijwaren. Steeds werden een vijftal families tot één gonin-gumi georganiseerd met aan het hoofd een kumichō 組長 die een administratie moest bijhouden met als plichten ervoor te zorgen dat alle belastingen tijdig werden betaald en dat misdaden werden opgespoord en gerapporteerd. De uitvoering van deze plichten werd afgedwongen door middel van het solidariteitsbeginsel. Wat inhoudt dat de leiders van de gonin-gumi aansprakelijk werden gehouden voor belastingsontduiking, misdrijven, burgerlijke ongehoorzaamheid, ... Eén van de specifieke doelstellingen van het gonin-gumi-systeem was het opsporen van verdoken christenen en de handel en wandel van rōnin te controleren.

Behalve het gonin-gumi-systeem was er verder ook nog een stadsbestuur dat werd gekozen door en uit de meest welvarende gronden of huiseigenaars. Zij hielden zich bezig met het praktische bestuur van hun stad, onder rechtstreekse controle van de daimyō of diens afgevaardigde binnen de respectievelijke han waaronder de stad ressorteerde.

De soorten belasting die stedelingen moesten betalen waren afhankelijk van hun status als handelaar, ambachtsman of eigenaar op basis waarvan zij dan respectievelijk myōga-kin 冥加金, unjō-kin 運上金 of jishi-sen 地子銭 moesten betalen. Vergeleken met de boeren werden zij niet zo zwaar belast. Naarmate de steden, de handel en de nijverheid zich ontwikkelden, steeg ook het aanzien van de stedeling, en sommige werden zelfs in de bushi-klasse opgenomen.

De uitgestotenen

Behalve de vier standen van onderdanen werd echter ook doelbewust een klasse van outcasts, paria's gecreëerd die politiek en sociaal-economisch zwaar werden gediscrimineerd: de eta 穢多 of hinin 非人. Mensen uit deze klasse mochten slechts in de hun aangewezen gebieden wonen, konden geen beroep uitoefenen dat voor stedelingen bestemd was en het was hun tevens verboden samen te wonen of te trouwen met een persoon uit een andere klasse. Reeds in de periode van de Strijdende Staten waren deze mensen gediscrimineerd, maar na het invoeren van de kadastrale onderzoeken van Hideyoshi en de shūmon aratame chō (klooster- of tempelregisters) van Ieyasu raakten zij als klasse ‘gebetonneerd’ en afgescheiden van de andere sociale klassen, met als gevolg een discriminatie die tot op vandaag de dag voelbaar blijft, ondanks juridische gelijkberechtiging.

De familie

De kern van het feodaal stelsel was het familiestelsel met als centrale autoriteit de pater familias. Hij was het boegbeeld van heel de familie en had absoluut gezag. Deze status met de daaraan verbonden rechten werd van vader op de oudste zoon overgedragen. In de stand der bushi betekende dit ook dat de oudste zoon het door de shōgun of daimyō gegarandeerde stipendium in koku erfde. Dit maakte de andere leden van de familie economisch totaal afhankelijk van het familiehoofd (katoku). Alle familieleden waren absolute trouw en gehoorzaamheid verschuldigd aan zijn besluiten. Vooral de status van de vrouw binnen de familie is in westerse ogen abominabel te noemen. Zij was te allen tijde ondergeschikt aan de man, als kind was zij haar ouders en haar broers gehoorzaamheid verschuldigd, als echtgenote aan haar man, en als moeder aan haar kinderen (vooral aan de zonen). Dit noemde men de sanjū 三従, de drievoudige gehoorzaamheid. Het recht om uit de echt te scheiden kon alleen door de man worden ingeroepen, waarbij het volstond de vrouw een echtscheidingsbrief te overhandigen (mikudarihan 三下半). Een vrouw zelf kon tegen haar overspelige, gewelddadige, spilzuchtige, ... echtgenoot geen gronden tot echtscheiding inroepen.

De familiale structuren van respect van kinderen voor hun ouders, vrouwen, mannen en alle familieleden en inwonenden van het familiehoofd maakten aldus de familie als dusdanig de uiteindelijke ‘cellen’ van het bakufu, en veel minder het individu dat als ‘politiek wezen’ niet bestond. En het is al gebleken dat het bakufu zijn beleid van politionele en bestuurlijke controle dus veel minder afstemde op het individu dan wel op de familie.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Economische evolutie tijdens de edo-periode

economie van het bakufu en de han

Waar in voorgaande historische periodes grond en rijst de ruggengraat van de Japanse economie vormden, groeide rijst uit tot hét economische betaal- en ruilmiddel van Japan. In die mate zelfs dat de geldeconomie erop werd gebaseerd. Alle stipendia en uitkeringen voor de samurai (侍/武士) die leefden in de steden van han (藩), en van ambtenaren-samurai in dienst van het bakufu (幕府) werden uitbetaald in de vorm van balen rijst. Vermits de rijst niet helemaal kon worden geconsumeerd, verkochten zij er het merendeel van voor geld waarmee dan andere aankopen konden worden gedaan.

De han, zowel als het bakufu, van welke heffingen ook voor het merendeel uit rijst bestonden, verkochten ook een groot deel ervan in ruil voor andere goederen en geld waarmee het openbare bestuur moest worden bekostigd. Aldus ontstonden vooral in Ōsaka (大阪) en Edo (江戸) grote rijstbeurzen die als spil gingen fungeren van de nationale economie en in het kielzog van deze beurzen ontstonden tal van handelsmarkten en op ‘mercantiele’ dienstverlening gerichte ondernemingen. De klasse die het meest profiteerde van deze evolutie waren de stedelingen, de handelaars en de ambachtslui. Dit waren de personen die het minst beperkt werden door de wetten en geplogenheden van een feodaal bestuur (dat de boeren niet toestond ten volle van hun labeur te leven en te genieten of hen ook niet vergunde hun gronden in de steek te laten vermits zij als dé productieve klasse van het land werden beschouwd). Het was tevens een bestuur dat de samurai als heersende klasse boven alle andere burgers plaatste maar ook deze klasse niet toestond zich met andere zaken bezig te houden dan met bestuurlijke aangelegenheden, literaire studie en militaire oefeningen.

Het waren dus de stedelingen die zich ontpopten als de dynamische klasse van de Edo-periode (江戸時代), profiterende van de enorme productiviteitsstijging die de vrede met zich meebracht, zowel op agrarisch als op industrieel vlak. Het was deze klasse die respons kon bieden inzake het zoeken naar nieuwe afnemers van een toegenomen aanbod en naar nieuwe leveranciers van nieuwe goederen en diensten voor nieuwe behoeften die ontstonden zowel bij de heersende samurai-klasse als bij de stedelingen zelf wier welvaart ook uiting zocht in nieuwe interesses en bestedingspatronen.

De stedelingen werden steeds welvarender naarmate het handelsverkeer toenam. Ze gebruikten hun rijkdommen enerzijds om de samurai en daimyō leningen toe te staan wat mede aan de basis lag van het ontstaan van financiële handel en een primair bankwezen, maar tevens investeerden zij ook actief in nieuwe industriële en agrarische projecten zoals het ontginnen van nieuwe landbouwgronden, uitbouw van een voor hen efficiënt distributienet, zoutwinning, allerlei manufacturen, ... Het Mitsui 三井-huis en het Sumitomo 住友-huis zijn de twee meest sprekende voorbeelden van handelaarsfamilies die schatrijk werden dankzij hun ondernemings- en investeringszin in allerlei projecten zoals ontginning van ijzererts, uitbaten van theehuizen, ...


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

toenemende productiviteit in de landbouw

Rijst en de andere opbrengsten van de agrarische sector lagen dus aan de basis van economie en rijkdom. In plaats van zich ook te werpen op de handel en distributie van deze producten en op die manier hun inkomen op te drijven concentreerden het bakufu en de han zich op het doen toenemen van de opbrengsten om op die manier financieel welvarend te worden. Dit was een beleid dat op langere termijn tot mislukken gedoemd was omdat de handelaars vrij spel kregen om de distributiekanalen (en dus de weg naar de uiteindelijke afnemer) te monopoliseren en aldus de prijzen te bepalen. In een notendop beschouwd gaven de samurai weinig blijk van commercieel inzicht en waren zij uit op ‘het snelle gewin’.

Op korte termijn betekenden de inspanningen van het bakufu evenwel een enorme vooruitgang qua landbouwbeleid doordat zowel nieuwe gronden in cultuur werden gebracht als er nieuwe technieken werden geïntroduceerd en aangemoedigd. De ontginning van nieuwe landbouwgrond werd aangemoedigd door het toekennen van belastingsprivileges aan de ontginner: bijvoorbeeld drie à vijf jaar vrijstelling van belasting op de opbrengst van de nieuwe gronden en/of deze gronden minder te belasten dan die die in de kadasters werden beschreven. Op die manier groeide het landbouwareaal dat ten tijde van Hideyoshi ongeveer 150.000 hectaren telde tot het dubbele, ongeveer 300.000 hectaren uit. Ook de stedelingen lieten zich niet onbetuigd in dergelijke projecten en vooral vanaf de Genroku 元禄-periode (1688-1704) die zowat het keerpunt is van het financiële welvaren van bakufu en han, gingen zij ook meer en meer investeren in de ontginning van nieuwe velden, de aanleg van vervoerskanalen, irrigatiewerken, ...

Verbeterde landbouwwerktuigen en nieuwe vormen van meststoffen droegen bij tot een spectaculaire stijging van de productiviteit. Nieuwe types van schoffel zoals de bitchū-guwa 備中鍬, lieten de boer toe zijn grond dieper te ploegen. De dorskam (senba-koki 千把扱) betekende een enorme verbetering ten opzichte van de kokibashi 扱箸, die niet meer dan een gespleten bamboestok was waartussen men de aren trok om de graankorrels eruit te krijgen. Wannen en zeven zorgden voor een efficiënte scheiding van kaf en koren. Qua bemesting werden nu naast houtskool en dierlijke of menselijke meststoffen ook op grote schaal visoverschotten gebruikt. Deze werden door de handelaars geleverd, vandaar de algemene naam kinpi 金肥 of ‘mest die moet gekocht worden’.

De groei van de steden ten gevolge van de stijgende welvaart van de stedelingen was ook van invloed op de landbouwproductie. De boeren waren in de eerste plaats verplicht rijst te kweken bestemd voor de graanschuren van de overheid. Maar naarmate de productiviteit steeg, zagen zij de mogelijkheid om extra inkomsten te maken door producten voor de stad te kweken. Inspelende op de groeiende vraag van de steden naar groenten, specerijen, textiel, ... ontstond vooral rond de steden een hele nieuwe vorm van landbouwbedrijf die we gemakshalve tuinbouw zullen noemen. De belangrijkste producten waren zoete aardappelen, thee, meloenen, witte kool, spinazie, tabak, ...

Grondstoffen voor de ambachtelijke nijverheid werden een belangrijke bron van inkomsten: katoen, hout voor papier, zijdegaren, ... Tegen de achttiende eeuw werd in vrijwel heel Japan katoen gekweekt en was de productie voldoende om aan de binnenlandse vraag te voldoen. In de loop van de zeventiende eeuw verdubbelde de productie van inlands zijdegaren, zodat bij het begin van de achttiende eeuw Japan niet langer afhankelijk was van de uit China ingevoerde zijde.

Het ontstaan van deze tuinbouw had verstrekkende gevolgen voor de landbouwklasse. Enerzijds dreef het het bakufu tot het opleggen van steeds stringentere controles op de kweek en betaling van rijst, anderzijds maakte het de boeren iets onafhankelijker in die zin dat de opbrengst van de tuinbouw de uitbreiding van de geldeconomie naar het platteland in de hand werkte. Ten gevolge van deze twee ‘krachten’ ontstond er als het ware een kloof in de boerenklasse: enerzijds welvarende boeren vooral rond de steden geconcentreerd en anderzijds een verpauperde boerenmassa die zijn inkomen en bestaan moest zien te halen uit de rijstbouw maar die, naarmate het Japanse mercantilisme het feodaal stelsel uitholde, er steeds minder in slaagde.


Er werden dieren gefokt voor de landbouw en voor het transportwezen. Vooral de paardenkweek floreerde. Steden als Sendai, Tsugaru 津軽 en Nanbu 南部 stonden bekend voor hun regelmatige paardenmarkten en als centra van de paardenkweek. Tennōji te Ōsaka vond vooral weerklank met haar rundermarkt.

De bosbouw werd belangrijk als leverancier voor de papiernijverheid. Zowel de nijverheid als de burgers investeerden in deze vorm van industrie. De kan’yūrin 官有林 vormden een bron van inkomen voor bakufu en daimyō. De min’yūrin 民有林 of privé-bosbouw was vooral een aangelegenheid van de dorpen die van de politieke overheid het recht genoten collectief bepaalde stukken bos te beheren en er sprokkelhout, houtskool, ... voor diverse doeleinden van te oogsten.

Ook de visvangst groeide uit tot een winstgevende nijverheidstak dankzij vooral het in zwang raken van sleepnetten en andere methoden om massaal vis te vangen. De sardienen die voor de kusten van Chiba werden gevangen, werden nationaal bekend en ze werden zo massaal aangeboden dat zij hoofdzakelijk als meststof op het platteland aftrek vonden. Maar ook de walvisvangst op Kyūshū, de haringvisserij van Hokkaidō, ... namen een hoge vlucht en raakten bekend tot in China dat een deel van de opbrengsten importeerde. Zowel de kustvisserij als de langere vaart werd beoefend.

Als gevolg van de verbeterde vismethoden en de stijgende vraag naar zeeproducten ontstonden geheel van visvangst bestaande vissersdorpen en havens, met bijhorende vismijnen, daar waar tevoren de visvangst slechts een aanvulling was geweest voor landbouwers in de kuststreek gevestigd waren.

Een andere nijverheid die in zekere zin als ‘maritiem’ kan worden omschreven is de zoutwinning die langs de kusten van de Japanse binnenzee voor welvaart zorgde. De winning gebeurde door zeewater in lange en brede bassins te laten verdampen, en dan de zoutkorsten bij elkaar te rapen. Verder werd ook de handel in allerlei soorten eetbare zeewieren, gedroogde bonito (soort tonijn), ... een lucratieve bezigheid voor ondernemingsgezinde boeren en stedelingen.

Maar het was niet alleen de landbouw die vooruitgang boekte. Ook de ambachten en de nijverheid namen een vlucht die de limieten van de sociale status der stedelingen overschreed. Textielweverij, lakwerk, pottenbakkerij, smeedkunst. Er ontstonden tal van nieuwe productiewijzen; ateliers waarvan de naam en traditie tot op vandaag de dag blijven doorklinken en dergelijke meer.

Voor bepaalde handelsgoederen ontwikkelde zich snel een nationale markt. Dat was het geval voor sake en ceramiek. In de buurt van Ōsaka, meer bepaald Itami 伊丹 en Nada 灘, waar zuiver water gewonnen werd, goede rijst makkelijk aan te kopen was en een grote afnemersmarkt in de buurt gevonden kon worden, verrezen de sake-brouwerijen als paddestoelen uit de grond. Seto in Owari was vanouds een centrum van pottenbakkerij, maar in Noord-Kyūshū ontwikkelden zich nu nieuwe centra van ceramiek en porselein. Hideyoshi's generaals hadden van hun campagne in Korea bekwame pottenbakkers meegebracht die in Japan aan het werk werden gezet. Het hoge technische niveau van hun kunst gaf een enorme impuls aan de Japanse ceramiekkunst. Dankzij de toenemende vraag in de steden en aanmoedigingen en inspanningen van de han om een eigen specifieke productie te creëren, ontstonden ook een hele reeks van ambachtelijke nijverheden zoals weverijen, pottenbakkerij, lakwerk, papiermakerij, brouwerijen, .... Deze vormen van productie groeiden uit wat in de eerste plaats een huisnijverheid van de boeren was geweest die produceerden en vervaardigden om in eigen behoeften te voorzien. In de achttiende eeuw echter vond er een zekere mate van specialisering plaats onder impuls van de stedelingen-handelaars, vooral van groothandelshuizen (ton'ya), die kapitaal en grondstoffen voorschoten aan boeren en verarmde samurai om bepaalde producten in massa te produceren, welke dezelfde groothandelshuizen dan tegen vooraf bepaalde prijzen weer opkochten en via hun distributiekanalen dan verder doorverkochten. Dit stelsel noemt men ton’ya sei kanai kōgyō 問屋制家内工業, wat als een eerste stap konden worden gezien naar het ontstaan van een nieuwe klasse: de industriële arbeidersklasse, of een klasse die haar inkomen verdiende door op industriële wijze producten te vervaardigen, en dit vaak, en naarmate de tijd vorderde, meer en meer door taakverdeling en specialisering om zo een steeds grotere en relatief goedkopere productie te garanderen. De volgende fase van dit fenomeen was het zogenaamde manufactuursysteem (kōjōsei shukōgyō 工場制手工業), dat het eerst te onderkennen is in de weefsector en de alcoholbrouwerijen. Beide nijverheidstakken die slechts dankzij doorgedreven taakverdeling economisch interessant worden om aan de vraag van een grote welvarende bevolkingslaag te kunnen voldoen. Wat de weefkunst betreft werd vooral Kyōto, met het Nishijin-ori 西陣織, een soort brokaat, bekend. Kōbe 神戸 (toentertijd Nada) werd een centrum van sake-brouwerijen.

Ook de mijnbouw groeide uit tot een uiterst belangrijke nijverheidstak. Vooral goud-, zilver- en koperontginning ontwikkelde zich snel. Net zoals de bosbouw werden ook de mijnen ofwel door het bakufu geëxploiteerd (ojiki-yama 御直山) ofwel door daimyō of andere privé-exploitanten (unjō-yama 運上山). De bekendste mijnen door het bakufu geëxploiteerd waren de mijnen van Sado en de zilvermijnen van Ikuno 生野 (het huidige Hyōgo). De kopermijn van Besshi 別子, waarschijnlijk door Sumitomo Zaemon 住友左衛門 in exploitatie gebracht, is wellicht de bekendste mijn die door particulier initiatief werd uitgebaat. De ontginningstechnieken waren over het algemeen niet erg ontwikkeld zodat de productie meestal onder de mogelijkheden bleef.

De productie van de mijnen van Sado en Ikuno werden door het bakufu aangewend om munten te slaan of om rechtstreeks te verhandelen op goud- en zilverbeurzen onder hun controle. Het Edo-bakufu zette op die manier het monetair beleid van Hideyoshi verder en monopoliseerde het aanmunten als een alleenrecht van het bakufu. Heden ten dage klinkt de naam Ginza 銀座 nog door als een overblijfsel van de plaats waar het bakufu zijn zilver sloeg en verhandelde.

Soms verleende het bakufu aan bepaalde han het recht om lokaal geld uit te geven, de zogenaamde hansatsu 藩札 om op die manier hun financieel beleid in evenwicht te houden. Het eerste voorbeeld hiervan is Fukui 福井 dat reeds in 1661 dit recht verwierf.

Als gevolg van de verspreiding van het gebruik van geld ontstonden al vlug de eerste financiële instellingen en dienstverleningen . Het meest verspreide waren de wisselaars (ryōgae-jo 両替所), daarop volgden de fudasashi 札差 of rijstdepots waar overheidsambtenaren hun salaris konden omzetten in geld, de pandjeshuizen en de tanomoshi 頼母子 of de zogenaamde coöperatieven die vooral op het platteland verspreiding kenden. Bij wisselaars kon men het ene metaalgeld voor geld van een ander metaal ruilen, alsook geld deponeren in ruil voor wissels die gemakkelijk te transporteren waren. Het reeds eerder vermelde huis van Mitsui vergaarde fortuinen met de goud- en zilver-wisselverrichtingen.

Halfweg de achttiende eeuw waren in zowat alle han en belangrijke steden financiële instellingen gevestigd van welke de dienstverlening enorm heeft bijgedragen tot de sociaal-economische ontwikkeling van Japan en die de fundamenten zouden vormen voor het ontstaan van het moderne Japanse bankwezen.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

bloei van de steden en opgang van de stedelingen dankzij de handel

Om de winsten van de handel zoveel mogelijk binnen te rijven maakte Ieyasu de handelaars van Kyōto, Sakai, Nagasaki en andere handelscentra tot hofleveranciers. Net zoals Hideyoshi gedaan had, reserveerde hij zich het recht om als eerste de ingevoerde goederen te kopen en pas dan konden de andere daimyō en handelaars hun gang gaan. In 1604 liet Ieyasu toe dat handelaars in onbewerkt zijdegaren van Kyōto, Sakai en Nagasaki een gilde vormden, wat de betrokkenen een virtueel monopolie op de aankoop van ingevoerd zijdegaren opleverde. In ruil voor de bescherming inde het bakufu een aardige som belastingsgelds.

We stelden reeds vast hoe de sociale status van de stedeling en het weinige belang dat de samurai aan de sociaal-economische functie van de klasse der stedelingen hechtte, de emancipatie van de handel en nijverheid bevorderde. De ontwikkeling in verscheidene nijverheidstakken, en in de eerste plaats in de landbouw stimuleerde verder de groei van een verkeers- en distributienet te land en te water, de handel en dienstverlening en de groei van de steden als ‘zenuwcentra’ van de nieuwe welvaart, waar de stedelingen de administratie van allerlei financiële instellingen, handelsmaatschappijen, vervoersmaatschappijen, ... op zich namen. Als gevolg daarvan groeiden Edo, Ōsaka en Kyōto uit tot drie welvarende metropolen die een onmisbare rol vervulden in de economische stabiliteit en welvaart van Japan, elk weliswaar met een specifieke rol. Vertrekkende vanuit deze stedelijke centra verspreidden zich het gebruik van geld als betaalmiddel en het ‘ondernemerschap’ als nieuwe vorm om geld en aanzien te verwerven. Deze evolutie ging meer en meer de feodale grondvesten van het openbaar bestuur aanvreten omdat het de boeren en stedelingen de middelen verschafte om voor zichzelf in te staan. Middelen die de samurai als klasse op basis van een confucianistisch geïnspireerde ethiek, de bushidō, niet wensten of konden incorpereren in hun visie op het bestuur en de ideale verhouding binnen de maatschappij.

Dat de handel zich kon ontwikkelen, ligt paradoxaal genoeg besloten in de manier waarop de samurai Japan verkozen te besturen. Het was door zich terug te trekken van het platteland en zich te vestigen in de steden waar zij als economisch onproductieve klasse zich in de eerste plaats met het administratief bestuur bezighielden dat zij willens nillens een nieuwe klasse van leveranciers en dienstverleners in het leven riepen. De bushi in de steden hadden een inkomen dat hoofdzakelijk uit rijst bestond, en waren genoodzaakt op de stedelingen een beroep te doen om in andere behoeften te voorzien, behoeften die zij als heersende klasse zichzelf niet gunden om er zelf in te voorzien (bijvoorbeeld zelf grond te bewerken, smid te worden, ...). Het is inderdaad zo dat de samurai een vrij statisch maatschappijbeeld hadden waar iedere klasse een bepaalde rol te vervullen had en waarin als iedereen, (dus elke klasse) zich aan zijn verplichtingen hield, ideaal en ordelijk bestuur mogelijk was. De stedeling paste in dat beeld als zijnde het mechanisme dat de economische productie naar de afnemer bracht. In dit filosofisch gedachtengoed omtrent efficiënt bestuur en de grondvoorwaarden daartoe (het behoud van de gepaste klassenmoraal) werd evenwel geen rekening gehouden met de nieuwe economische ontwikkeling en vooruitgang die nieuwe behoeften zou creëren, behoeften die alleen door de stedelingen konden worden bevredigd en die hen op die manier een maatschappelijke status verleenden die veel belangrijker was dan wat hen op basis van de ‘vier klassen’-theorie was toebedeeld.

Edo was uiteraard het politieke centrum van het bakufu, maar ‘meegezogen’ in de zwellende kracht van het mercantilisme groeide het in de tweede helft van de Tokugawa-periode uit tot Japans grootste handelsstad met in de achttiende eeuw meer dan één miljoen inwoners. Ōsaka, belangrijkste havenstad van die tijd, fungeerde als draaischijf van de Japanse economie en speelde een belangrijke rol in de distributie van goederen en diensten op nationale schaal. De meest noodzakelijke goederen voor Edo werden via Ōsaka met regelmatige scheepsverbindingen toegeleverd, doorgaans onder toezicht van beambten van het bakufu die in hun opslagplaatsen (kurayashiki 蔵屋敷) de rijst en andere regionale producten opsloegen tot het bakufu besliste wat ermee moest gebeuren.

Officieel werd er tussen drie soorten goederen onderscheid gemaakt; kuramono 蔵物, nayamono 納屋物 en hakuraimono 舶来物. Hakuraimono waren geïmporteerde goederen en mogen als een geval apart beschouwd worden omdat zij zo zeldzaam waren en hun circulatie zo beperkt was op basis van de invoerreglementering van Nagasaki dat zij haast niet in omloop werden gebracht.

In de han werd de invoer en uitvoer van koopwaar zo strikt mogelijk gereglementeerd omdat het economisch beleid op autarkie was gericht, dit was voor de arme han en ten gevolge van de vooruitgang in de landbouw en nijverheid echter geen beleid dat lang kon worden volgehouden. De daimyō stuurden hun jaarlijkse heffing rijst of andere lokale producten naar de speciaal daarvoor opgerichte opslagplaatsen in Ōsaka en Edo, de zogenaamde kurayashiki 蔵屋敷, vandaar de naam van deze goederen: kuramono. Deze goederen werden dan ofwel door het bakufu zelf geconsumeerd ofwel door de "staatshandelaars" op de markt aangeboden in ruil voor geld.

Goederen die door het brede publiek, dus niet door de handelaars van het bakufu, op de markt werden gebracht, noemt men nayamono en deze werden ook via privé-handelaars en distributeurs op nationale schaal verspreid.

Hoe rijk de handelaars als klasse ook werden en hoe nauw de banden die zij met de samurai sloten vaak ook waren, bestuurlijk en juridisch beschouwd waren zij ondergeschikt aan de samurai, en op enkele uitzonderingen na die zich de titel van samurai kochten of die zich met hun geld virtueel als daimyō konden laten doorgaan, ambieerden zij als klasse niet de politieke en bestuurlijke macht. Zij gebruikten hun fortuin om aan hun eigen wensen, lusten en culturele behoeften te voldoen, wat het ontstaan gaf aan de zogenaamde Genroku-cultuur: niet een aristocratische of door samurai-ethiek geïnspireerde maar een in de grond wereldse en burgerlijke cultuur, niet gericht op het voeden van leergierige, intellectuele geesten en het vormen van mensen met ‘karakter’, maar op het bevredigen van directe wensen en gevoelens van individuele mensen.

Soms trad het bakufu wel op tegen al die extravagante uitingen van rijkdom en onwelvoeglijkheid en confisqueerde het bezittingen van rijke handelaars of verklaarde het schulden van daimyō nietig, maar hoe meer de samurai als klasse economisch afhankelijk werden van de handel hoe minder zij de handel belemmerden.

Naarmate het handelsverkeer toenam ontstond er een steeds complexer wordend net van handelaars en tussenpersonen die een specifieke rol of taak gingen vervullen. Algemeen gesteld zat de ‘distributieketen’ als volgt in elkaar. Aan de top stonden de kurayashiki of overheidsopslagplaatsen, daarop volgden de groothandelaars (ton’ya) die hun goederen verkochten op de groothandelsmarkten (oroshi-uri shijō 卸売市場) waar de groothandelaars uit de provincies (shokoku ton’ya 諸国問屋) de goederen insloegen om ze dan via tussenpersonen aan kleinhandelaars (ko’uri 小売) door te verkopen, die dan uiteindelijk de gewone consument als publiek hadden. Het waren vooral de groothandelaars en de tussenpersonen die de spil van de distributiekanalen vormden. De groothandelaars waren historisch gegroeid uit de toimaru 問丸 of reders die per schip handelswaar transporteerden. In de Edo-periode verzorgden zij zelfs het transport van de waren naar de tussenpersonen die de goederen kochten op basis van bestellingen die zij kregen van kleinhandelaars of andere tussenpersonen of op basis van te verwachten bestellingen. Dit was het ingewikkelde spel van leveranciers, tussenpersonen en kopers. Evenwel ontstonden later directere distributievormen alsook concerns die het hele proces van groothandel tot kleine verbruiker onder eigen hoede zouden nemen.

Bij de klasse van de handelaars had men zowel de officieel door het bakufu toegestane gilden zoals die van de goudhandelaars, pandjesbazen, ... als gilden die zich op privé-basis organiseerden om een bepaalde handel of nijverheid te monopoliseren. Dit zijn de zogenaamde kabunakama 株仲間. Te Edo was de tokumi-doiya 十組問屋 zeer machtig, terwijl in Ōsaka de nijūshikumi-ton’ya 二十四組問屋 sterk stond, zij monopoliseerden als conglomeraten van groothandelaars de aankoop van goederen uit de opslagplaatsen van het bakufu, eerst door het maken van onderlinge afspraken, vanaf 1721 op basis van een officiële toelating door het bakufu. De kabunakama bezaten het alleenrecht op de inkoop en handel van fabrikaten en grondstoffen en konden bovendien eigenhandig prijzen bepalen, kwaliteitsnormen voor waren vastleggen en kiezen aan wie zij zelf wensten te leveren. In ruil voor deze rechten betaalden zij dan een penning aan het bakufu.

Die penningen betekenden voor het bakufu een stabiel zij het schraal inkomen maar wogen niet op tegen de greep die de kabunakama op heel de Japanse economie kregen. Door het creëren van kunstmatige tekorten en/of overschotten manipuleerden zij de prijzen in hun voordeel, wat leidde tot verregaande verpaupering van vele samurai wier inkomen afhing van de rijstprijs.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

Wetenschap en cultuur

intellectuele en wetenschappelijke ontwikkelingen

Wat de cultuur en de wetenschappen in de Edo-periode duidelijk onderscheidt van de voorgaande perioden is de toenemende zin voor realisme en praktische gerichtheid. Vooral de rol van de religie werd kleiner en er werd ijverig gezocht naar een ideologie die een efficiënt bestuur mogelijk moest maken dat tegemoet kon komen aan de problemen die rezen naarmate een bestuur op louter militaire leest geschoeid minder en minder geschikt was om problemen van sociale en economische aard het hoofd te bieden en het waren dit soort problemen waarmee het Edo-bakufu werd geconfronteerd.

De Edo-periode, die op het politieke vlak als een periode van conservatisme en ‘verstening’ van de feodale bestuursstructuren mag worden beschouwd, was in alle andere opzichten een periode van opmerkelijke vooruitgang. Vooruitgang die voor het eerst niet alleen door mensen uit de bevoorrechte klasse werd bewerkstelligd maar door talent van individuen dat in alle lagen van de bevolking opstond: samurai, boeren, aristocratie, stedelingen, ... De filosofie of moraaltheorie die ten grondslag lag aan deze periode van bloei was het confucianisme (jugaku 儒学).

Neoconfucianisme

Naarmate de samurai-klasse niet langer meer als militaire machthebber de bestuurlijke macht uitoefende maar zich meer en meer ontpopte tot een klasse van administratoren hadden zij een filosofie en maatschappelijke moraal nodig die hun suprematie op een min of meer rationele manier onderstreepte en zo mogelijk als staatsideologie kon worden gepropageerd. Die ideologie diepten zij vooral uit de theorieën van Chinese confucianisten als Zhū Xī 朱熹 en Wáng Yángmíng 王陽明, die de nadruk legden op de manier waarop de mensen zich ten opzichte van elkaar hoorden te gedragen, overeenkomstig hun sociale status, klasse, geslacht, ... De theorieën van Zhū Xī werden gepromoveerd tot staatsfilosofie onder de naam shushigaku 朱子学 maar er waren ook nog de yōmeigaku 陽明学 of de theorieën van Wáng Yángmíng, en de kōgaku 孔学 de theorieën die rechtstreeks teruggingen naar de leer van Confucius (Kŏngzi; Kōshi 孔子). Ze droegen er elk op hun beurt toe bij dat Japan doordrongen werd van een vrij uniform maatschappijbeeld. Dat dit op diepgaande wijze verliep is waarschijnlijk te wijten aan het zo niet anti-religieuze, dan toch wel areligieuze aspect van het confucianisme dat als politieke moraalfilosofie verder ging en omvattender was dan het boeddhisme of shintoïsme in de zin dat het de maatschappij voorstelde als een cosmos waarin alle klassen, mensen, natuurverschijnselen, ... verband hielden met elkaar, zodat alle klassen, wilde men de politieke stabiliteit bewaren, zich moesten gedragen zoals het hun klasse betaamde zodat stabiel bestuur en leven in vrede mogelijk bleef. Het waren deze uitgangspunten die van hogerhand werden onderwezen en gepropageerd opdat de mens, ‘die van nature goed is’, door zich als klein deel van de sociale kosmos op correcte manier in te passen in het gamma van sociale interacties, goed en efficiënt bestuur niet onmogelijk zou maken.

Diegene die er in slaagde het confucianisme los te weken van de boeddhistische controle (het confucianisme was tot dan toe en studieonderwerp van monniken geweest) was Fujiwara Seika 藤原惺窩 (1561-1619), een uitgetreden monnik afkomstig uit Kyōto die het confucianisme openlijk onderwees als een zelfstandige filosofie die uitstekend geschikt was om de problemen van het bestuur tegemoet te komen. Eén van zijn leerlingen Hayashi Razan 林羅山 (1583-1657) werd door Tokugawa Ieyasu in dienst genomen als juridisch adviseur en raadgever inzake historische precedenten. Hij was de eerste van een geslacht van denkers die het shushigaku propageerden in dienst van het shōgunaat, als confucianistische adviseurs. In 1630 werd onder impuls van de Hayashi-familie een confucianistische school opgericht, die zou uitgroeien tot een officieel Tokugawa-college, de Shōheikō 昌平黌, die nog later zou omgedoopt worden tot de universiteit van Tōkyō. Tegen 1691 gaf het bakufu toestemming aan de confucianistische geleerden om zich niet langer als verbonden met de boeddhistische ‘kerk’ te moeten opstellen, aldus de confucianisten erkennende als aparte filosofen wier werk een unieke bijdrage leverde tot de totstandkoming van een nieuwe moraal. Begin achttiende eeuw was het belang van de confucianistische ideologie al zo ver erkend dat vele daimyō confucianistische adviseurs in dienst hadden en hun steun verleenden om het confucianisme in hun han te verspreiden. De zucht naar confucianistische kennis was zo groot dat onafhankelijke geleerden zich in Kyōto, Ōsaka en Edo konden vestigen en hun brood verdienden als privé-leraars van rijke samurai en handelaars. Want het moet worden onderstreept dat het confucianisme niet zomaar een door de heersende klasse opgelegde maatschappijvisie was. Het trok tevens leden van andere klassen aan, in de eerste plaats de stedelingen en handelaars, omdat het een raamwerk bood dat de economische vooruitgang zeker niet belemmerde. Als niet productieve klasse werden de stedelingen veel minder zwaar belast dan de boer zodat de stedelingen zeker geen economisch nadeel ondervonden van hun status als ‘laagste stand’.

Begin achttiende eeuw was het confucianisme volledig aanvaard als de overheersende lekenfilosofie en zijn invloed werd een belangrijke drijvende kracht in de sfeer van het onderwijs en de politieke filosofie. De overheid achtte het ook nodig om het gewone volk van de confuciaanse ethiek te doordringen. De achtste shōgun Yoshimune (1684-1751, regeerde 1716-1745) gaf opdracht om het Edict der Zes Aanmaningen, een edict dat de eerste Míng-keizer in 1398 had uitgevaardigd, te vertalen en te publiceren. Het zijn eenvoudige ethische principes voor het volk: doe uw plichten van kinderliefde tegenover uw ouders, eer uw ouderen en oversten, leef in vrede met uw buren, onderwijs en tuchtig uw zonen en kleinzonen, laat iedereen in vrede in zijn eigen levensonderhoud voorzien, en bedrijf geen ongeoorloofde daden. De van commentaar voorziene tekst verscheen in 1721. Het is opmerkelijk dat het bakufu een tekst liet publiceren die afkomstig was van een Chinese keizer, het weze dan nog de stichter van een reeds ten onder gegane dynastie. Dit bewijst dat het bakufu zich niets aan de Japanse keizer gelegen liet liggen, en hem geheel negeerde.

De eerste confucianisten en hun beschermers waren pioniers die een nieuwe maatschappij creëerden met een eigen nieuwe maatschappijvisie. De wortels van deze ontwikkeling liggen in het beleid van Hideyoshi en Ieyasu, die waarschijnlijk meer onbewust dan bewust een absolutere macht verwierven, samen met het meer concrete besef dat zij heersers waren over een maatschappij die concreet bestuur nodig had en niet voldoende welvaart kon kennen zolang werd vastgehouden aan vage religieuze principes van ‘eenheid’. Het confucianisme kwam tegemoet aan de noden van het bakufu doordat het een nieuwe filosofie van het leven en een nieuwe kosmologie bood. Het universum, zo werd gesteld, werd beheerst door de rede (ri 理), die het materiële bestuurde om de wereld van de mens te creëren. Ook de menselijke samenleving werd beheerst door rede en orde, of de mens die nu doorzag of niet. Bovendien was de orde en rede van morele aard. Het belang van deze confucianistische doctrine was dat het een aan de noden van de tijd aangepaste eenheid van ideologie en daadwerkelijk bestuur leverde. De studie van de essentiële principes (ri 理) leidde tot kennis (chi 智) die de mens in contact bracht met de essentie van de morele orde en kon zo op die manier moreel correct handelende mensen produceren. Het bestuur was in de eerste plaats het orgaan om de morele orde onder de mensen te verwezenlijken.

Het belang van het confucianisme voor de politieke orde van het Edo-bakufu was dat het in een nieuwe bestuurstheorie voorzag, en een nieuwe visie voor een harmonieuze samenleving. De ideale sociale orde die werd vooropgesteld was een natuurlijke hiërarchie van klassen waarin ieder individu zijn toegewezen plek bezette en er naar streefde zijn opdracht in het leven te vervullen. Aldus werkte het confucianisme als een bevestigende factor van de trend naar scheiding der klassen en de codificering van gedragsnormen eigen aan elke klasse apart. Maar het confucianisme was meer dan een filosofie van sociale controle: het postuleerde een morele orde die boven de heersers stond. Het gaf de shōgun en de daimyō de verantwoordelijkheid om te besturen in het voordeel van het volk. De macht lag dus wel absoluut vast bij één klasse maar zij moest humaan en met verantwoordelijkheidszin worden uitgeoefend.

Aldus gaf het confucianisme filosofische ruggensteun aan een nieuwe juridische en politieke orde. En in deze periode waarin gedragingen verschoven van die der gewoonten naar die der principes, vulden de confucianistische principes een vacuüm dat het boeddhisme niet had kunnen opvullen. De concepten van loyaliteit aan de politieke orde en aan de familie universaliseerden de meest fundamentele sociale vereisten van het Edo-tijdperk.

Historische compilaties

De samurai-cultuur en denkwereld werd echter niet compleet berekend door een steeds schroeiendere zucht naar confucianistische kennis. Ook in de domeinen van de wetenschapsbeoefening werden nieuwe hoogtepunten bereikt. Vooral het historisch onderzoek kende belangrijke ontwikkelingen want in de Tokugawa-periode werd de basis gelegd voor de objectieve geschiedschrijving, dit zowel qua output als qua researchmethodes. Voor het eerst werden voor dit doel archieven en bibliotheken aangelegd.

De belangrijkste van de historische compilaties is de Honchō tsugan 本朝通鑑 of ‘Algemene geschiedenis van het Vaderland’, een chronologische geschiedenis van Japan in 1670 afgemaakt door de Hayashi-familie op verzoek van het shōgunaat. Andere shōgunale projecten waren de Tokugawa Jikki 徳川実紀 of de ‘Ware annalen van de Tokugawa’ geschreven tussen 1809 en 1849, waarin in fijne details het leven aan het hof van de shōgun werd beschreven. In de Kansei chōshū shokafu 寛政朝集諸家譜 (‘De stambomen [der militaire clans], herziene editie van de Kansai-periode’)van 1812 werden alle hofkronieken der daimyō en belangrijke vazallen van de shōgun verzameld.

Naast deze projecten van het shōgunaat werden ook door daimyō verschillende studies ‘uitbesteed’. Zo is er de Dainihonshi 大日本史 of ‘Geschiedenis van het Grote Japan’ dat in opdracht van de heer van Mito, Tokugawa Mitsukuni 徳川光圀 (1628-1700) werd geschreven. Vele andere han besteedden aandacht aan het kroniekschrijven en compileren van lokale geschiedenissen.

Ook werden tal van privé-geschiedenissen gepubliceerd waaronder vermeldenswaard vooral de Tokushi yoron 読史余論 van Arai Hakuseki 新井白石, een studie over het overgaan van de macht van de aristocratie in handen van de militaire klasse. Naast geschiedenis werd echter ook vooruitgang geboekt inzake aardrijkskunde, wiskunde, geneeskunde, ...

Onderwijs

Wetenschap en kennis waren bovendien niet beperkt tot de samurai-klasse alleen. Stedelingen en zelfs enkelen uit de boerenklasse werkten zich op tot belangrijke wetenschappelijke of filosofische schrijvers. Dit was een onmiskenbare weerspiegeling van de mate waarin de mogelijkheden om onderwijs te genieten in alle echelons van de Tokugawa-samenleving doordrongen. ‘Alfabetisering’ was in Japan vrij gevorderd dankzij een steeds groeiend net van scholen en scholingsmogelijkheden. De belangrijkste onderwijsinstelling was ongetwijfeld de Shōheikō van het bakufu waaraan in 1765 zelfs een medische faculteit werd voorzien. Na 1700 nam ook het door daimyō gesponsorde net van han-scholen uitbreiding, dat op het einde van het Tokugawa-regime 270 scholen zou tellen. Daarnaast steunden de han nog meer dan 370 academies, terwijl in grote steden en gemeenten meer dan 1400 privé-scholen bestonden. Deze onderwijsinstellingen waren in de eerste plaats gericht op het onderwijs van samurai, maar de stedelingen werden niet uitgesloten. Vooral handelaars stuurden hun kinderen naar zulke scholen om er nuttige bekwaamheden voor het handelsberoep te leren (vooral rekenen en lezen), terwijl op die manier de confucianistische levensvisie ook op systematische wijze de stedelingen werd ingeprent. Minder bemiddelde mensen en de boeren konden terecht bij de zogenaamde tempelschooltjes of terakoya 寺子屋. Dit waren kleine privé-schooltjes dikwijls maar niet noodzakelijk verbonden aan lokale tempels. Midden negentiende eeuw schatte men het aantal van die schooltjes rond de 10.000.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo

de genroku-cultuur

Men kan stellen dat op het einde van de achttiende eeuw uiterlijk op materieel vlak heel wat aspecten van het leven in de steden zo ver ontwikkeld waren dat er moeilijk nog onderscheid kon worden gemaakt tussen de samurai- en de niet-samurai-klassen. Politiek-structureel evenwel bleef de kloof reëel en daarom is het noodzakelijk te spreken van een specifieke ‘burgerlijke’ cultuur die zijn oorsprong en bloei vooral kende in de drie grote steden: Ōsaka, Kyōto en Edo. Deze cultuur noemt men naar de periode waarin haar bloei het hoogst was (eind zeventiende eeuw - begin achttiende eeuw): de Genroku bunka 元禄文化.

Het was de klasse van welvarende stedelingen die het eerst de middelen en de tijd kregen om een ‘massa’-cultuur te creëren, dit in tegenstelling met de ‘edele’ tradities tot dan toe bestaande in de kunsten en literatuur. De stedelingen introduceerden een totaal nieuw element aan het geheel van het cultureel leven in Japan. Hun belangstelling ging niet uit naar filosofische bespiegelingen of de gepolijste aristocratische vaardigheden van de hovelingen in Kyōto, zij zochten in de eerste plaats ontspanning in het persoonlijke vertier en het onmiddellijke genot (vaak het erotische). De karakteristieken van deze stedelijke cultuur worden in één woord opgesomd in het begrip ukiyo 浮世dat letterlijk de ‘vlietende wereld’ betekent. Hoewel dit begrip in oorsprong naar de vergankelijkheid der dingen verwees vanuit een boeddhistisch perspectief, gaat het nu in deze nieuwe context verwijzen naar het bruisende leven in de steden, naar alles wat modieus en trendy is, en naar het populaire vertier.

Dat de stedelingen zulk een naar het hedonisme neigende cultuur creëerden mag echter niet doen veronderstellen dat zij als klasse niet een aantal ‘hogere’ idealen of een zekere burgerzin bezaten. Zij leefden in een maatschappij van verplichtingen en verzuchtingen, even veeleisend als het sociale keurslijf waarin de samurai zaten gedrongen. Een handelaar had de sociale plicht zijn handel te laten bloeien om op die manier het blazoen van zijn familie te eren, en de ambachtsman was steeds in de weer de kwaliteit van zijn producten en de naam van zijn atelier hoog te houden. De sociale verplichtingen van de stedelingen, analoog met die van de samurai, benadrukten in grote mate de loyaliteit (aan het zakenleven) en de spaarzaamheid (om de winst niet te versnipperen) en het leven van de stedeling was vaak een lange periode van opleiding, training onder ‘leercontract’ alvorens zelfstandig te kunnen worden.

De uitbundigheid van de stedelijke cultuur wordt vaak verklaard als een uitlaatklep, een manier om zich te ontspannen en even los te komen van de dagelijkse beslommeringen en de rigide sociale code die hen was opgelegd door de confucianistisch geïnspireerde politieke en sociale moraal, die bijvoorbeeld werd weerspiegeld in de filosofie van Ishida Baigan 石田梅岩(1685-1744) een handelaar-filosoof afkomstig uit Kyōto. Hij mengde bepaalde elementen van het shintoïsme met confucianistische en boeddhistische stellingen en creëerde aldus een nieuwe hybride vorm van religie dat rechtstreeks de noden van de gewone mens tegemoet kwam. Zijn ‘Studie van het hart’ (shingaku 心学) legde de nadruk op het aanvaarden van de natuurlijke sociale orde, zoals die in de vier standen vastgelegd was.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo