ExportModern

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

De Meiji-omwenteling

Inhoudelijk overzicht

Inhoudelijk overzicht

Ontsluiting van de grenzen en haar gevolgen

Ontsluiting van de grenzen en haar gevolgen

Leidraad

Het waren de Verenigde Staten die Japan ertoe dwongen de politiek van bijna algehele afzondering op te geven door de ondertekening van het zogenaamde Japans-Amerikaanse Vriendschapsverdrag. In uitvoering hiervan werd een Amerikaans consul, Townsend Harris, benoemd en werden handelsverdragen mogelijk gemaakt. Uiteraard veroorzaakte dit alles heel wat deining in de binnenlandse politiek van Japan. In verband met de kwestie van de keizerlijke toestemming voor deze verdragen rees de vraag of het Tokugawa-shōgunaat verder diende te bestaan. In deze context ontstonden er ernstige wrijvingen tussen de Hitotsubashi- en de Nanki-factie. Tairō 大老 Ii Naosuke 井伊直弼 ondertekende eigenmachtig een vriendschaps- en handelsverdrag met de Verenigde Staten. Later (1860) werd hij het slachtoffer van een aanslag. Beide feiten maakten de Japanse politieke toestand nog verwarder, terwijl op economisch vlak de feodale structuren uiteindelijk volledig in elkaar stortten.

De ontsluiting van de grenzen

De Opiumoorlog en de reactie van het Shōgunaat

Het door Japan eeuwenlang bewonderde en zo onaantastbaar geachte China werd in de Opiumoorlog (1840-1842) verslagen door Groot-Brittannië. De Chinese nederlaag bracht Japan tot het besef dat het Westen een te duchten tegenstander was, die gunstig gestemd moest worden. Daarom besloten de Japanse bewindvoerders decreten uit te vaardigen die het ravitailleren van buitenlandse schepen toestonden. Het bakufu opende ook de ogen voor de militaire slagkracht van het Westen. Het besloot een leger te vormen en te oefenen met westerse wapens en westerse gevechtstechnieken. De daimyō van Mito 水戸, Tokugawa Nariaki 徳川斉昭(1800-1860), bouwde in 1836 een met moderne artillerie uitgerust fort.
Restant van een Odaiba te Edo, gebouwd door Egawa Hidetatsu
De in Nagasaki wonende ambtenaar en artilleriespecialist Takashima Shūhan 高島秋帆 (1798-1866) werd in 1841 naar Edo ontboden om zijn kennis inzake artillerie te demonstreren. Bovendien kreeg Egawa Hidetatsu 江川英龍(1801-1855), daikan 代官 (commissaris) van de Tokugawa in Nirayama 韮山 (de huidige prefectuur Shizuoka), de opdracht om de verdedigingsmogelijkheden van de zeven eilanden voor het schiereiland Izu 伊豆 te gaan inspecteren. Hij werd officieel artilleriespecialist van het bakufu en richtte een artillerieschool op. Zelfs vanuit het keizerlijke hof werd in 1846 en in 1850 een strenge richtlijn gegeven aan het Shōgunaat om de kustverdediging ernstig te nemen.

De Nederlandse Koning adviseert Japan zijn grenzen te ontsluiten

Zie Relatie Japan - Nederland in de Meiji periode voor het hoofdartikel

In 1844 zond de Nederlandse koning Willem II (Nederland was het enige westerse land waarmee het bakufu tijdens de sakoku 鎖国, het isolement, relaties onderhield, zij het zeer beperkte) een persoonlijke brief aan het bakufu. Hij adviseerde de Japanse overheid om haar sterk restrictieve handelsbeleid op te geven en zich te integreren in de wereldhandel, waaruit het volgens hem zeker voordeel kon halen. Een jaar later gaf het bakufu echter een negatief antwoord op deze brief en verkoos het zijn isolementsbeleid voort te zetten.

Aankomst van Perry en de houding van het bakufu

In het kader van hun beleid om een invloedssfeer uit te bouwen in het noordelijke deel van de Stille Oceaan begonnen de Verenigde Staten van Amerika rond het midden van de negentiende eeuw de Japanse kusten te naderen. In 1846 verscheen de kapitein van het Amerikaanse Oost-Indië-eskader James Biddle met zijn schepen in de baai van Edo te Uraga (het huidige Yokosuka 横須賀 in Kanagawa). Het was niet zijn bedoeling de grenzen van Japan te ontsluiten, maar hij wenste wel havenfaciliteiten voor de Amerikaanse handel met China en voor de walvisvaarders. De Japanners wezen de verzoeken af omdat hun wetgeving alleen handel met China en Nederland toestond.

Deze afwijzing was allerminst naar de zin van de Amerikanen en in 1851 werd besloten een nieuwe afvaardiging naar Japan te sturen, nu om formeel de opening van de grenzen af te dwingen. President Millard Fillmore formuleerde de volgende eisen:

  1. Amerikaanse schipbreukelingen in Japanse wateren moesten geholpen worden.
  2. Er moest vrije handel komen tussen de Verenigde Staten en Japan.
  3. De lijnvaart van Californië naar China moest in Japan kunnen genieten van faciliteiten inzake ravitaillering en steenkoolvoorziening.

Na interne strubbelingen over de vraag wie het commando van de delegatie zou voeren, was het uiteindelijk Matthew Calbraith Perry (1794-1858) die gezagvoerder werd. Op de derde dag van de zesde maand (8 juli) van 1853 verscheen hij met vier oorlogsbodems te Uraga met het doel opnieuw contact te zoeken met de Japanse overheid.

Abe Masahiro

Als opvolger van Mizuno Tadakuni 水野忠邦 had Abe Masahiro (阿部正弘) (1819-1857) als voornaamste rōjū 老中 ('oudere') de politieke macht van het bakufu in handen. Ondanks het feit dat hij reeds een jaar voor de gebeurtenissen door de Nederlandse resident-generaal te Batavia was ingelicht over de komst en de bedoelingen van Perry, had hij geen enkele maatregel laten treffen om het naderende onheil af te weren. Perry trad bijzonder autoritair op en weigerde in te gaan op het voorstel om alleen via Nagasaki te onderhandelen. Willens nillens benoemde het bakufu daarop Toda Ujiyoshi 戸田氏栄 en Ido Hiromichi 井戸弘道 tot gevolmachtigde onderhandelaars om de boodschap van president Fillmore in ontvangst te nemen. Ze moesten beloven om een jaar later met een officieel antwoord van het shōgunaat klaar te staan. De zwarte oorlogsschepen van Perry verwekten niet alleen consternatie bij de regering, maar zetten heel de stad Edo in rep en roer. Iedereen was bang voor de kurofune 黒船, zoals de schepen genoemd werden, en de samurai, die al meer dan twee eeuwen niet meer gevochten hadden, haalden hun wapenrusting te voorschijn om de 'barbaren' te verdrijven. Vier dagen na de afvaart van Perry overleed shōgun Ieyoshi en het bakufu geraakte in een crisis. Abe Masahiro brak met alle precedenten. Niet alleen meldde hij de inhoud van Perry's boodschap aan het keizerlijke hof, maar hij vroeg ook aan de aristocraten en de daimyō om hun advies. Allen maanden hem aan de Amerikaanse eisen af te wijzen en consequent alle buitenlandse invloeden te weren. De leider van de anti buitenlandse factie, Tokugawa Nariaki kreeg de opdracht kustverdedigingswerken te laten uitvoeren. Deze 'inspraakronde' betekende een enorm gezichtsverlies voor het bakufu, dat tot dan toe alle bestuurszaken bijzonder autoritair had afgehandeld. Nu tolereerde het niet alleen inspraak van de aristocratie en de 'buitenheren', maar verzocht het er zelf om.

Komst van Poetjatin

Ongeveer een maand na het vertrek van Perry kwam een Russische delegatie naar Nagasaki, onder leiding van Jevfimi Poetjatin (Евфимий Путятин). De Russen eisten een overeenkomst inzake de staatsgrenzen in het noorden en wensten tevens toegang tot een Japanse haven om handel te drijven. De onderhandelingen werden aangevat, maar uiteindelijk werden de Russische eisen verworpen.

Het Japans-Amerikaanse Vriendschapsverdrag

Verdrag van Kanagawa
Zonder dat het bakufu een coherent beleid inzake de eisen van Perry had geformuleerd, verscheen deze op 13 februari van 1854 opnieuw te Uraga en maakte met zijn zeven schepen een verkenningstocht in de baai van Edo.

Het bakufu startte nieuwe onderhandelingen te Kanagawa, deze keer onder leiding van Hayashi Fukusai 林復斎 en Inoue Kiyonao 井上清直, rectoren van de Shōhei-kō 昌平, de officiële academie van het bakufu. Het werd weer een zeer eenzijdige gespreksronde. Onder de bedreiging dat er een vloot van honderd machtige oorlogsschepen op weg was naar Edo, dwong Perry het bakufu op 31 maart 1854 tot het sluiten van het Nichi-Bei Washin Jōyaku 日米和親条約, het Japans-Amerikaanse Vriendschapsverdrag, ook wel het Verdrag van Kanagawa genoemd. De inhoud ervan kwam hierop neer:

  1. Om Amerikaanse schepen te voorzien van drinkwater, voedsel en brandstof werden de havens Shimoda 下田 en Hakodate 函館 opengesteld.
  2. In Shimoda zou een Amerikaans consul gestationeerd worden.
  3. De Verenigde Staten zouden door Japan als meest begunstigde natie (saikeikoku 最恵国 ) behandeld worden.

Hiermee kwam een officieel einde aan meer dan 200 jaar isolement. Later werden ook door Groot-Brittannië (1854), Rusland (1855) en Nederland (1855) gelijkaardige verdragen afgedwongen. Het verdrag met Rusland legde ook de staatsgrenzen vast. Al wat ten noorden van het eiland Etorofu lag, was Russisch gebied. Het probleem van de grens op het eiland Sachalin bleef evenwel onopgelost.

Het afsluiten van handelsverdragen.

De handelsverdragen

Townsend Harris
Townsend Harris
Overeenkomstig het Vriendschapsverdrag kwam in 1856 Townsend Harris (1804-1876) als consul-generaal te Shimoda aan. Harris had de opdracht een handelsverdrag af te sluiten zoals dat bijvoorbeeld al bestond tussen de Verenigde Staten enerzijds en landen als Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland en China anderzijds. Terwijl de Britten, de Fransen en de Russen hun handen vol hadden met de Arrow- en Krim-oorlogen, onderhandelde Harris met de Japanse overheid. In december 1857 verkreeg hij een audiëntie bij de raadsheer van de shōgun in Edo, de rōjū Hotta Masayoshi 堀田正睦 (1810-1864), de opvolger van Abe Masahiro. Tijdens de onderhandelingen zette hij uiteen hoe de politieke en militaire situatie van de wereld er uitzag. Hij zette de Japanners onder druk om een verdrag af te sluiten zonder een dwaze oorlog te voeren, zoals de Chinezen dat tegen de Fransen en de Engelsen hadden geprobeerd. Het bakufu droeg Iwase Tadanari 岩瀬忠震 (gaikoku-bugyō 外国奉行: commissaris voor Buitenlandse Zaken) en het bestuur van de stad Shimoda op concrete onderhandelingen te voeren, wat in 1858 leidde tot de sluiting van een nieuw Japans-Amerikaans Vriendschapsverdrag en een handelsovereenkomst.

De opvolging van de shōgun en de kwestie van het keizerlijke fiat over het verdrag

Terwijl de onderhandelingen aan de gang waren, werd binnen het bakufu het probleem van de opvolging van de zieke shōgun Tokugawa Iesada 徳川家定(1824-1858) kritiek, aangezien hij geen kinderen had. In de discussie stonden twee facties tegenover elkaar. Enerzijds was er de Hitotsubashi-ha 一橋派, een groep aangevoerd door Tokugawa Nariaki, de heer van Mito, die zijn zevende zoon Hitotsubashi Yoshinobu 一橋慶喜(1837-1913) voorstelde als nieuwe shōgun. Hij werd gesteund door Shimazu Nariakira 島津斉彬, heer van Satsuma, Yamanouchi Toyoshige 山内豊信, heer van Tosa 土佐, Date Munenari 伊達宗城, heer van Uwajima 宇和島, Matsudaira Yoshinaga 松平慶永, heer van Echizen 越前, alle machtige han. Anderzijds was er de Nanki-ha 南紀派, een groep die de toen twaalfjarige neef van Iesada, Tokugawa Yoshitomi 徳川慶福, voordroeg. De tenoren van deze factie waren hoofdzakelijk ministers geschaard rond Iesada, en de familie van Iesada zelf. De Hitotsubashi-ha voerde de meerderjarigheid van Yoshinobu als argument aan, de Nanki-ha wees op de rechtstreekse bloedverwantschap van Yoshitomi. Het dient onderstreept te worden dat de fudai-daimyō, waaronder Ii Naosuke, tot de Nanki-kliek gerekend moeten worden.

Tijdens met de onderhandelingen met Harris hield het bakufu tot viermaal toe ruggespraak met de daimyō omtrent dit buitenlands probleem. Zo liet het de brief en de verklaringen van de Amerikaanse president circuleren en vroeg het de mening van de aristocraten. Telkens kwam het erop neer dat de daimyō de buitenlandse handel als onvermijdelijk beschouwden. Om op dit punt de kritiek van de Hitotsubashi-kliek te bezweren, besloot het bakufu te breken met alle precedenten en keizerlijke toestemming te vragen voor het sluiten van het verdrag. In de lente van 1858 begaf rōjū Hotta Masayoshi zich naar het hof in Kyōto om zich van deze taak te kwijten. Hij stootte er evenwel op een vijandige sfeer. Het hof was helemaal in de ban van de conservatieve aristocraten die de anti buitenlandse visie van Tokugawa Nariaki waren toegedaan. Bovendien wilde het Hof ongetwijfeld vermijden duidelijk voor een van beide rivaliserende groepen partij te kiezen. De keizer verleende geen toestemming om een verdrag af te sluiten, en gaf opdracht nogmaals de go-sanke 御三家 en de daimyō te consulteren. Dit was de eerste maal dat het hof openlijk inging tegen de wensen van het bakufu.

Een nieuw handels- en vriendschapsverdrag

Aangeslagen door zijn mislukking raakte Hotta ook verward in de listen van de Hitotsubashi-ha om Yoshinobu als opvolger te erkennen, terwijl ook het streven van Matsudaira Yoshinaga om regent (tairō) te worden concreter vorm begon aan te nemen. Niettemin slaagde de wat in de verdrukking geraakte Nanki-kliek er in mei 1858 toch in Ii Naosuke (1815-1860), heer van Hikone 彦根 (nu Shiga 滋賀), in deze functie te laten benoemen, drie dagen nadat Hotta Masayoshi onverrichter zake naar Edo was weergekeerd.

Rond dezelfde tijd leed China in de Arrowoorlog een nederlaag tegen de Fransen en de Engelsen. Harris maakte hiervan handig gebruik en dreigde ermee dat de Fransen en de Engelsen nu wel eens naar Japan zouden kunnen komen als er niet snel een overeenkomst geratificeerd werd. Ii Naosuke zag in dat er geen alternatief was en ging op 29 juli 1858 over tot de ratificatie van een handelsverdrag. Dit noemt men het Nichi-Bei Shūkō Tsūshō Jōyaku 日米修好通商条約 (Japans-Amerikaans Vriendschaps- en Handelsverdrag).

Het Japans-Amerikaanse Vriendschaps- en Handelsverdrag.

Dit verdrag bevatte onder andere de volgende bepalingen:

  1. De openstelling van Shimoda (was zes maanden na de opening van de haven van Kanagawa gesloten), Hakodate, Kanagawa, Nagasaki, Niigata en Kōbe. Ook de steden Edo en Osaka werden opengesteld voor de buitenlanders.
  2. Instemming met het feit dat er buiten de ambassadeurs en consuls ook andere Amerikanen in Japan zouden mogen verblijven.
  3. Rechterlijke autoriteit voor de consul (het principe van extraterritorialiteit)
  4. Vrij handelsverkeer.
  5. Bepaling van toltarieven met wederzijdse instemming.

Na de Verenigde Staten sloten ook Nederland, Engeland, Frankrijk en Rusland gelijkaardige overeenkomsten met Japan. Het verdrag met Rusland regelde ook de grens op het eiland Sachalin. Samen worden deze in 1858 gesloten vijf verdragen 'de Verdragen van de Ansei-periode' genoemd. Elk van deze verdragen erkende het beginsel van de extraterritorialiteit (chigai hōken 地外法権) en ontzegde Japan het recht tot autonome tolheffingen (kanzei jishuken 関税自主権). Daarom staan ze als "Ongelijke of Onrechtvaardige Verdragen" geboekstaafd. Naderhand sloten nog andere westerse landen gelijkaardige verdragen. Uiteindelijk had Japan dergelijke verdragen met twaalf landen, en het zou tot het begin van de twintigste eeuw duren vooraleer ze ongedaan werden gemaakt. De term 'Ongelijk Verdrag' komt men doorgaans tegen in de context van de Chinese geschiedenis, maar het was dus geen fenomeen dat tot dat ene land beperkt bleef.

De Japanse delegatie van 1860 in Washington D.C.

In 1860 reisde een Japanse delegatie onder leiding van Shinmi Masaoki 新見正興, commissaris voor Buitenlandse Zaken, naar de Verenigde Staten om er met president James Buchanan de officiële verdragsdocumenten uit te wisselen. Tussen 1858 en de val van het bakufu in 1867 sloot Japan met nog andere westerse landen gelijkaardige verdragen, zo onder meer met België in 1866. Tijdens de Meiji-periode zullen veel van Japans diplomatieke en politieke acties gemotiveerd worden door de ambitie om gunstiger bepalingen te bedingen en uiteindelijk de Ongelijke Verdragen door Gelijke Verdragen te vervangen.

De Ansei-zuiveringen

Toen hij regent (tairō) werd, besloot Ii Naosuke om Tokugawa Yoshitomi voor te dragen tot opvolger van de shōgun. Hij werd de veertiende shōgun en kreeg de naam Iemochi 家茂(1846-1866). Samen met het feit dat de handelsverdragen werden afgesloten zonder keizerlijke toestemming leidde deze benoeming tot hevig verzet van de Hitotsubashi-ha. Ii trad evenwel zeer hardhandig en arbitrair op, onder andere door alle kopstukken van deze kliek onder huisarrest te plaatsen.

Keizer Kōmei 孝明(reg. 1846-66) van zijn kant was geschokt door de ongehoorzaamheid van het bakufu en hij maakte bekend dat hij zou aftreden. Hij verweet het bakufu overhaast te werk te gaan en stuurde een keizerlijke boodschap naar Mito, waarin hij Nariaki aanmoedigde om lijn te brengen in de tegenstand en de afwijkende opinies die tegen Ii indruisten. Deze actie zette de Hitotsubashi-ha en een groot aantal verstedelijkte rōnin 浪人 (meester loze samurai) ertoe aan om het bakufu onder druk te zetten omdat ze het hof durfden te negeren. Uiteindelijk zag Ii zich gedwongen om in 1858 bijna een jaar lang een nooit eerder geziene politieke repressie te voeren in een poging het gezag van het’ ‘bakufu weer op te vijzelen. Deze repressie kreeg de naam Ansei no Taigoku 安政の大獄 ('de zuivering van de Ansei-periode'). Tijdens deze repressie kregen haast alle vooraanstaande aristocraten van het keizerlijke hof, alle vooraanstaande ambtenaren van de keizer en alle leiders van de Hitotsubashi-ha gedwongen pensionering of huisarrest. Personen van minder illustere afkomst, zoals Yoshida Shōin 吉田松陰(1830-1859) van Chōshū, stichter van de Shōka sonjuku 松下村塾, een privéschool voor intelligente jongelui, Hashimoto Sanai 橋本佐内(1834-1859), een samurai uit Echizen, de rōnin Rai Mikisaburō 頼三樹三郎 en Umeda Unpin 梅田雲浜, kregen daarentegen, naast vele anderen, de doodstraf of dwangarbeid.

De aanslag bij de Sakurada-mon

De Sakurada-poort van het kasteel van Edo.

De repressie van Ii versterkte de anti-bakufu-stroming. Zij had als ongewild neveneffect dat lagere samurai, meester loze samurai, grondbezitters en handelaars hun krachten bundelden over de grenzen van de han heen en zich in activistische groeperingen verenigden. Shishi 志士 is de naam die men deze door het hervormingsvuur gedreven idealisten geeft. De eerste spectaculaire actie van zulke groep was de aanslag die meester loze samurai uit Mito en Satsuma op 24 maart 1860 op Ii Naosuke pleegden. Zij wisten hem naar de Sakurada-poort van het kasteel van Edo te lokken en hem daar te vermoorden. Dit incident staat bekend als Sakurada-mon-gai no hen 桜田門外の変.

De economische gevolgen van de ontsluiting van Japan

Chaos in economische kringen

Buitenlandse schepen in Yokohama, geschilderd door Sadahide.

Op basis van de handelsovereenkomsten kwam vanaf 1859 via de havens van Kanagawa, Nagasaki en Hakodate de handel met de buitenwereld op gang. Van jaar tot jaar nam deze toe, zodat de Japanse economie, die tot dan toe een vrij autarkische structuur had, meer en meer verweven raakte met de kapitalistische economie van de westerse wereld. Hierdoor onderging de Japanse economie enorme veranderingen. We vermelden slechts de belangrijkste: Prijsstijgingen. Als import had men vooral katoen en wol, als export was er onbewerkte zijde, thee, plantaardige olie, koper, producten uit de zee, ... Doordat de exportproducten in grote hoeveelheden maar voor weinig geld door de buitenlanders werden opgekocht, ontstond er in Japan een groot tekort aan dagelijkse consumptiegoederen, wat al snel zorgde voor prijsstijgingen. Afvloeien van goud. In Europa en de Verenigde Staten stond de goud-zilverpariteit op 1:15, terwijl ze in Japan op 1:5 stond. Uiteraard gaven de buitenlandse handelaars er de voorkeur aan in zilver te betalen, of kochten ze met hun zilver goud op, zodat dit edel metaal in grote hoeveelheden naar het buitenland vloeide. Het bakufu probeerde de situatie recht te trekken door het goud te revalueren. Dit werkte slechts het stijgen van de prijzen in de hand, zonder dat de gouduitvoer daadwerkelijk werd afgeremd.

Verstoringen van de markt. De liberalisering van de handel bracht ook een zware slag toe aan het systeem van de door het bakufu bevoorrechte grote handelaars, met hun complexe handelsstructuren. Van nu af aan trokken exporteurs zelf rechtstreeks naar de productieplaatsen en naar de regio's om hun waren in te kopen. Dit bracht de traditionele gemonopoliseerde distributiekanalen in grote verwarring. De levering van grondstoffen aan de fabrieken werd erdoor bemoeilijkt, en de omzet van de groothandelaars nam sterk af. Kortom, er ontstond een economische crisis. Toch waren er ook positieve gevolgen merkbaar, in die zin dat lokale handelaars en ondernemers en kleine producenten zich nu konden losrukken van de geprivilegieerde handelaars in de stad en een zelfstandige carrière in de handel of de nijverheid konden uitbouwen.

Ontwikkeling van manufacturen. Door de toename van de export konden vele lokale nijverheden, zoals bijvoorbeeld de zijdeweverij, niet meer aan de vraag voldoen indien zij vasthielden aan de traditionele productiemethoden. De opening van de grenzen stimuleerde de evolutie van de door groothandelaarshuizen gecontroleerde lokale huisnijverheid, ontstaan halfweg de Edo-periode, naar volwaardige manufacturen. Dit was een soort huisnijverheid op hoger niveau, waarbij zowel kapitaal als grondstoffen nog door derden geleverd werden.

Armoede van het volk en de lagere samurai-klassen

De opening van de grenzen betekende niet dat Japan zomaar alle inspanningen opgaf om zich militair te versterken of politiek te verbeteren. Er kroop veel geld in het sturen van delegaties naar de Verenigde Staten en naar Europa en het bakufu zag geen reden om een einde te maken aan het beknibbelen op het inkomen van de samurai en het opleggen van zware lasten aan de landbouwers.
Allegorie van de inflatie tijdens de Bakumatsu-periode
Als gevolg daarvan ontstond er wrevel ten aanzien van het bakufu, dat wel de handel toestond en de buitenlanders met grote winsten aan de haal liet gaan. De prijsstijgingen goten nog olie op het vuur. De ontevredenheid gaf aanleiding tot het vormen van opstandige bewegingen en tot plunderingen her en der. Er braken ook meer dan eens relletjes uit tussen Japanners en buitenlanders. In januari 1861 werd de Nederlander Henry Heusken, de secretaris van Townsend Harris, in de straten van Edo vermoord en een jaar later werd de Britse ambassade in brand gestoken. Dit lokte represailles uit vanwege de buitenlanders.

Maatregelen van het bakufu

De chaos die het gevolg was van de liberalisering van de handel noopte het bakufu tot een repressief economisch beleid, zonder resultaten evenwel. Geconfronteerd met de economische chaos en de prijsstijgingen aanvaardde het een petitie van de groothandelaars in Edo om vanaf 1860 granen, lampolie, was, stoffen en zijdegaren uitsluitend via Edo te laten distribueren. Pas nadat de vraag van Edo zou vervuld zijn, mocht 80 procent van het resterende handelsvolume via Yokohama uitgevoerd worden. Het decreet dat deze eisen inwilligde, wordt het Gohin Edo mawashi rei 五品江戸迴令 genoemd. Op die manier slaagde men erin het exportvolume te doen afnemen, maar wegens de stijging van de productie waren de resultaten slechts van tijdelijke aard. Het bakufu, dat verder nog frequent werd geconfronteerd met de gewelddaden van patriottische lieden die behoorden tot de factie die de keizer in eer wenste te herstellen en de buitenlanders te verdrijven, besloot in 1861 om een afgevaardigde, Takenouchi Yasunori 竹内保徳, naar Europa te sturen om de Europese machten ervan te overtuigen voorlopig genoegen te nemen met alleen maar een verlenging van de gunstvoorwaarden inzake het vrij gebruik van havens en steden. Het bakufu meende immers dat het niet volledig kon instaan voor de veiligheid van de buitenlanders in Edo, Osaka, Hyōgo en Niigata, en zond daarom delegaties naar Engeland, Frankrijk, Nederland en Rusland. Hadden de westerse mogendheden op dat ogenblik geen vertrouwen meer gehad in het gezag van het bakufu, dan zouden ze waarschijnlijk niet akkoord zijn gegaan met dit voorstel.

Van de "Sonnō-jōi"-beweging tot de val van het Bakufu

Van de "Sonnō-jōi-beweging tot de val van het Bakufu.

Leidraad

De politieke ontwikkeling na de moord op Ii kan men kenschetsen als een strijd tussen de Kōbu gattai 公武合体-factie (hofaristocratie en daimyō), die naar een alliantie tussen de hofaristocratie en de militaire elite streefde, en de veel radicalere jōi-factie ('weg met de vreemdelingen'), die met het bakufu komaf wilde maken. Deze tegenstelling uitte zich op verschillende niveaus: binnen de kringen van de vertrouwelingen aan het hof, binnen de kringen van hoge ambtenaren van het bakufu, tussen de han onderling, binnen eenzelfde han tussen samurai uit hogere en lagere rangen. Satsuma en Chōshū waren in hun gewapende conflicten met buitenlandse mogendheden tot het inzicht gekomen dat een blind 'weg met de vreemdelingen'-beleid tot mislukken gedoemd was. Daarom ontpopten zij zich tot de voorvechters van een krachtig anti-bakufu-beleid om op die wijze de opbouw van een nieuw Japan mogelijk te maken. Het is vooral dankzij hun inspanningen dat het bakufu reeds in de herfst van 1867 de facto ten val kwam. Hoe de nieuwe staatsstructuren er echter moesten uitzien, werd aanvankelijk een twistpunt tussen de 'weg met het bakufu'-factie en de eerder verzoeningsgezinde kōgi seitai-ha 公議政体派.

De Kōbu gattai-beweging

Kōbu gattai binnen het bakufu

Na de moord op Ii werden Andō Nobumasa 安藤信正 (1819-1871) van de Ii-factie en de door Ii steeds vervolgde Kuse Hirochika 久世広周 (1819-1864) rōjū. Zij probeerden een beleid te voeren van enerzijds modernisering van het leger en anderzijds economische aanpassingen om de nationale economie onder controle te krijgen. Het gezag van het bakufu in de verschillende regio's was evenwel al fel getaand. De opvattingen van de propagandisten die 'weg met de vreemdelingen' schreeuwden en die ook het beleid van het bakufu terzake afkeurden, wonnen zoveel aanhang dat het bakufu er niet meer in slaagde zijn doelstellingen te verwezenlijken. Om die tegenstand op te vangen, trachtten Andō en Kuse de buitenlandvijandige tendensen aan het keizerlijk hof te incorporeren, door aan te sturen op een coalitie met aristocraten aan het hof. Dat opzet concretiseerde zich het duidelijkst door het regelen van een huwelijk tussen shōgun Iemochi (Yoshitomi, reg. 1846-1866) en een jongere zus van keizer Kōmei, Kazu no miya Chikako naishinnō, 和宮親子内親王. In de zevende maand van 1860 werd de keizer om toestemming voor dit plan verzocht en de goedkeuring volgde in de tiende maand van dat jaar. Het huwelijk noemt men Kazu no miya kōka 和宮降嫁 wat betekent "de mesalliance of huwelijk van prinses Kazu no miya beneden haar stand. Dankzij deze medewerking van de keizer leek het opzet van het bakufu om door middel van een coalitie tussen hoge bakufu-ambtenaren en het keizerlijk hof het militair bewind weer meer aanzien te verlenen, een kans op slagen te hebben.

Portret van prinses Kazu no Miya Chikako.

Dit huwelijk bleek in de praktijk echter een averechts effect te sorteren. De jōi-radicalen raakten nog meer verhit. Talrijke extremistische aanslagen doorkruisten het bewind van het bakufu. In de tiende maand van 1862 werd de rōjū Andō Nobumasa bij de Sakashita-poort van het Edo-kasteel door enkele rōnin uit het domein Mito aangevallen en levensgevaarlijk verwond. Later overleed hij aan de gevolgen van zijn verwondingen. Met het verdwijnen van de protagonist van het hele opzet verpieterde ook de Kōbu gattai-beweging. De zogenaamde Sakashita-mon no hen 坂下門外の変 werd vermoedelijk gepland door Ōhashi Totsuan 大橋訥菴, een confucianist van de Ō Yōmei 王陽明-strekking.

Kōbu gattai-tendensen in enkele machtige han

In dezelfde periode dat men in kringen van het bakufu toenaderingspogingen deed tot het keizerlijk hof, ontstonden ook binnen enkele grote han stromingen die een alliantie tussen samurai en keizer voorstonden, zo bijvoorbeeld in Chōshū, waar Nagai Uta 長井雅楽 (1819-1863)een toenadering trachtte te bewerkstelligen tussen progressieve samurai, die op actieve wijze kennis zouden vergaren in het buitenland, en de keizer. Zo zou de opening van Japan kunnen geleid worden door een progressieve alliantie. Hij slaagde er echter niet in de algemene opinie binnen de han voor zijn standpunt te winnen.

Shimazu Hisamitsu
Het beleid in de domeinen werd vooral bepaald door de jōi-aanhangers, die eveneens een coalitie tussen samurai en keizer nastreefden, maar dan wel met de bedoeling een modus vivendi te vinden waardoor het bakufu in stand gehouden kon worden. Dit plan werd vooral geïnspireerd door Shimazu Hisamitsu 島津久光(1817-1887), vader van Shimazu Tadayoshi 島津忠義, de daimyō van Satsuma (de echte macht was in handen van Hisamitsu). Hij trok met zijn leger naar Kyōto om het hof onder druk te zetten om met zijn plan in te stemmen. In Kyōto kregen zijn troepen onder andere af te rekenen met extremisten binnen zijn eigen jōi-beweging, hetgeen aanleiding gaf tot het zogenaamde Teradaya-incident (Teradaya jiken 寺田屋事件). Onder leiding van Arima Shinshichi 有馬新七 verscholen een aantal extremisten zich in een herberg in Fushimi 伏見, waar zij plannen beraamden om het bakufu omver te werpen. Pogingen om hen tot andere gedachten te brengen, mislukten en de samenzweerders werden gedood. Toen de extremistische kopstukken uit de weg geruimd waren, werd werk gemaakt van het plan om een leefbare coalitie tussen aristocratie en de samurai te creëren. Hisamitsu deed het hof het volgende voorstel:

Het nationaal beleid wordt voortaan bepaald door shōgun en daimyō, in onderling overleg. Vooral Satsuma, Chōshū, Tosa, Hizen en Sendai zouden politieke macht krijgen. Hun daimyō zouden automatisch de functie van regent (tairō) bekleden en het beleid uitwerken. Hitotsubashi Yoshinobu zou assistent worden van de shōgun, en de daimyō van Echizen, Matsudaira Yoshinaga, zou het voorzitterschap krijgen van een bureau voor het dagelijkse politieke bestuur. Het keizerlijk hof keurde deze voorstellen goed en in 1862 trok Hisamitsu, samen met keizerlijk boodschapper Ōhara Shigetomi 大原重徳, naar Edo om het bakufu dit voorstel op te dringen. De bedoeling van Hisamitsu was om de extremistische buitenlandvijandige stromingen binnen het bakufu uit te rangeren, door de Hitotsubashi-ha meer macht te verlenen binnen een bakufu-bestuur, waarin de vijf grote han de meeste politieke inspraak zouden krijgen.

De Bunkyū-restauratie (Bunkyū no kaikaku 文久の改革)

Matsudaira Katamori

Het opzet van Hisamitsu slaagde. Tokugawa Yoshinobu en Matsudaira Yoshinaga werden aangesteld in hun functies en er werd een begin gemaakt met de hervormingen in het beleid van het bakufu, op basis van de adviezen van Nakane Yukie 中根雪江 en Yokoi Shōnan 横井小楠. Een van de hervormingen van 1862 (= het tweede jaar Bunkyū) was dat het sankin kōtai-systeem (de verplichting van een daimyō om een aantal maanden per jaar persoonlijk in Edo te verblijven, en gedurende de andere maanden zijn familie daar als een soort gijzelaars achter te laten) drastisch versoepeld werd en dat er een resoluut begin werd gemaakt met de modernisering van het leger, een van de twee pijlers van het beleid dat door de slogan 'welvarend land - sterk leger' (fukoku kyōhei 福国強兵) werd samengevat. Bovendien werd in Kyōto een nieuw ambt gecreëerd, Kyōto shugo-shoku 京都守護職, dat als functie had de vertegenwoordiging van het bakufu in de keizerlijke hoofdstad te beschermen tegen anti-bakufu-acties van extremisten. De eerste Kyōto shugo-shoku werd Matsudaira Katamori 松平容保(1836-1893), heer van Aizu 会津. Het gevolg van de Bunkyū-restauratie was dat de economische overheersing van het bakufu verzwakte en dat er een bloeiende handel ontstond tussen de sterke han, zoals Satsuma en Chōshū, onderling en ook met het buitenland. Het centrale gezag van het bakufu brokkelde zienderogen af.

De Sonnō-jōi-beweging (Sonnō-jōi undō 尊王攘夷運動)

Directe actie van de loyalisten

De Kōbu gattai beweging streefde naar een alliantie op het hoogste niveau. De samurai-elite bleef omzichtig en wilde uiteraard geen al te radicale acties ondernemen die de maatschappelijke en politieke orde als geheel bedreigden. De lagere rangen van de samurai-stand, de grondeigenaars en de handelaars, werden van oudsher buiten het besluitvormingsproces gehouden en hadden er ook nu weinig of geen greep op. Actie was voor hen de enige uitkomst. In de actie vonden ze elkaar, over de grenzen van de han heen. Dit was een belangrijke ontwikkeling. In den beginne was het mogelijk geweest ethnisch nationalisme ('buitenlanders buiten'), toewijding en trouw aan hun heer en eerbied voor de keizer te verenigen. Nu echter de daimyō veel minder radicaal bleken te zijn dan verhoopt, stonden de loyalistische samurai van lage rang, grondeigenaars en handelaars in de kou. Zij moesten ontrouw worden aan hun eigen heer en zochten een onderkomen in meer loyalistischgezinde han, in de eerste plaats het radicale Chōshū en Tosa.
"Sonnō-jōi"-depictie uit 1861

De activisten hanteerden allen dezelfde slogan: Sonnō-jōi 尊王攘夷, 'Eer de monarch en verdrijf de barbaren!' Deze term treft men reeds aan in het in 1825 verschenen Shinron 新論(1825), het reeds vermelde werk van de hand van Aizawa Seishisai 会沢正志斎, een confucianist uit het domein Mito. In die context heeft hij echter geenszins de bijbetekenis van anti-bakufu, integendeel. Tot aan de ondertekening van de vriendschaps- en handelsverdragen en de Ansei-zuiveringen draaide de politieke discussie in de eerste plaats rond de hervorming van het bakufu. Nu echter gaat het bakufu op eigen gezag, dus zonder goedkeuring van de keizer, over tot de ondertekening van de verdragen en de openstelling van het land (kaikoku 開国 ). Dit getuigt ontegensprekelijk van gebrek aan respect voor de keizer en van een probuitenlandse houding. Sakoku was in oorsprong een maatregel bedoeld om binnenlandse dissidentie tegen te gaan, maar tegen het midden van de negentiende eeuw, was het een soort plicht van het bakufu geworden. Het bakufu ontleende zijn legitimiteit aan zijn vermogen het hof en het volk af te schermen van het buitenland. Door de ondertekening van de verdragen schoot het in zijn plicht tekort en de slogan 'eer de monarch en verdrijf de barbaren' krijgt dus een uitgesproken anti-bakufu ondertoon.

Sonnō-Jōi-banier gedragen door samurai tijdens de Mito-rebellie

In wezen was iedereen, van de shōgun tot de laagste samurai, buitenlandsvijandig. De xenofobie was historisch gegroeid door het isolement van het land en ideologisch geschraagd door het confucianisme en de eigenlandse geleerdheid (kokugaku 国学). Alles wat niet Japans was, was verwerpelijk of gevaarlijk. Toen door de openstelling van het land en de vrije handel, de samurai het ook economisch slechter begonnen te krijgen, stelden zij het bakufu, dat de poort voor de buitenlanders had opengezet, daarvoor verantwoordelijk. De sonnō 尊王 -gedachte vond haar oorsprong in de confucianistische leer, vooral die van Ō Yōmei (Wáng Yángming 王陽明), die de relaties tussen soeverein en volk omschreef. In de periode die naar de val van het bakufu leidde, rechtvaardigden heel wat anti-bakufu-gezinde elementen hun daden met het confucianisme, zonder dat ze daarom echt royalistisch waren.

Binnen de beweging van Sonnō-jōi speelden een handvol lagere samurai uit Chōshū een vooraanstaande rol. Zij hadden allen aan dezelfde school gestudeerd: de Shōka sonjuku. Het waren mensen als Kusaka Genzui 久坂玄瑞(1840-1864) en Takasugi Shinsaku 高杉晋作(1839-1867). Zij verbonden zich met radicale aristocraten als bijv. Sanjō Sanetomi 三条実美 (1837-1891), met jonge samurai uit Tosa en Satsuma en met meesterloze samurai. Ze waren vooral actief in de omstreken van Kyōto, waar zij erin slaagden het hof geruime tijd een buitenlandvijandige visie op te dringen. Het hart van het politieke leven verplaatste zich van Edo naar Kyōto.

Uitbarsting van xenofobie

Een van de voorwaarden die het Hof had gesteld alvorens in te stemmen met het huwelijk van prinses Kazu no miya was dat het bakufu de buitenlanders weg moest werken. Uiteraard kon het bakufu aan deze voorwaarde niet voldoen. Dit veroorzaakte grote woede bij de 'weg met de buitenlanders'-factie in Kyōto. In de elfde maand van 1862 werden de edelen Sanjō Sanetomi en Anegakōji Kintomo 姉小路公知 naar Edo gestuurd met de boodschap dat het bakufu werk moest maken van zijn belofte. Ten zeerste geschrokken door het assertieve gedrag van het hof, begaf shōgun Iemochi zich in eigen persoon naar Kyōto, waar hij erin slaagde de keizer ervan te overtuigen dat het inopportuun was een buitenlandvijandig beleid te voeren. Hij drong er ook op aan dat de jōi-ha wat meer in toom zou worden gehouden. Dit was olie op het vuur. De extremisten besloten tot de actie over te gaan en stelden de tiende dag van de vijfde maand (25 juni) van 1863 vast als de dag waarop alle buitenlanders zouden worden weggejaagd.
Sanjō Sanetomi
Chōshū was, zoals te verwachten was, haantje de voorste. Op de afgesproken datum begon het alle buitenlandse schepen, in casu Amerikaanse, Franse en Nederlandse handelsschepen, die door de Straat van Shimonoseki voeren, te beschieten. De Amerikaanse en Franse schepen riposteerden en beschoten de kustforten. Hierop begon Chōshū zich voor te bereiden op oorlog. Het sloot alle verkeer door de Straat van Shimonoseki af en Takasugi Shinsaku richtte een beroepsleger op van keihard getrainde boeren en stedelingen, de zogenaamde kiheitai 奇兵隊 . De jōi-beweging in Chōshū kende hoogtijdagen. De afsluiting van de Straat van Shimonoseki betekende voor het bakufu een zwaar diplomatiek probleem, dat met veel gezichtsverlies gepaard ging. De westerse grootmachten eisten dat het bakufu Chōshū zou bestraffen, maar het bleef bij het louter formuleren van eisen, omdat ze vreesden dat door een te arrogante inmenging hun lucratieve handel met Japan in gevaar zou komen.

De oorlog tussen Satsuma en Groot-Brittannië

Namamugi-incident

Bij een incident in het dorpje Namamugi 生麦 werden in 1862 drie Engelsen gedood die niet van hun paard wilden stijgen voor Shimazu Hisamitsu, daimyō van Satsuma, op de terugweg van zijn hierboven beschreven bezoek aan het bakufu. Als genoegdoening voor dit Namamugi-incident verlangden de Britten van Satsuma schadevergoeding en officiële verontschuldigingen. Op hun eisen kwam geen bevredigende reactie, zodat in de zevende maand (augustus) van 1863 een flottielje van zeven oorlogsbodems onder de leiding van Sir Rutherford Alcock (1809-1897) naar de baai van Kagoshima gestuurd werd om er de kustweerbatterijen te beschieten. Deze verwikkeling heet de Kagoshima-affaire. Er werd enorme schade aangericht, de halve stad lag in puin. Hierdoor besefte het rabiaat buitenlandvijandige bestuur van Satsuma dat militair verzet tegen de buitenlanders weinig zin had. Het roer werd volledig omgegooid. Voortaan ging Satsuma samenwerken met de Britten, kocht het moderne wapens aan, rustte in versneld tempo zijn leger uit, en zond studenten naar Europa om de modernste technische vooruitgang te leren kennen.

De coup van de acttiende van de achtste maand (30 augustus) 1863

Door de pogingen om de buitenlanders buiten te werken en de enge Straat van Shimonoseki af te sluiten, waren de buitenlandvijandige en anti-bakufu-gevoelens fel opgehitst in Chōshū. Toen keizer Kōmei de intentie bekend maakte om naar Yamato (Nara) te gaan om er de verdrijving van de buitenlanders van de goden af te smeken, zagen de meeste extremisten in Chōshū en elders hierin een gelegenheid om de val van het bakufu te beramen en naar de wapens te grijpen. Satsuma voerde een andere politiek, die indruiste tegen de anti-bakufu-plannen van Chōshū. De Kōbu gattai-factie in Satsuma gaf nog steeds de voorkeur aan een compromis tussen hof en bakufu. Na in de Kagoshima-affaire de macht van het Westen aan den lijve ondervonden te hebben, beschouwde zij een nationale coalitie tussen shōgun en keizer als de enige uitweg. Door een geheime alliantie af te sluiten met conservatieve aristocraten en met de Aizu-han, die in Kyōto de belangen van het bakufu beschermde, pleegde ze op de achttiende van de achtste maand van 1863 een coup. Sanjō Sanetomi en zes andere aristocraten kregen verbod nog langer met de keizer in contact te treden, de militaire aanwezigheid van Chōshū in Kyōto werd ontbonden en de invloed van extremistische anti-bakufu-krachten op het hof werd geneutraliseerd. Vele extremisten probeerden nog opstanden te organiseren, maar deze werden stuk voor stuk vrij gemakkelijk onderdrukt. De meest bekende van deze opstanden zijn de Tenchū-gumi 天誅組 , de opstand van Ikuno (Ikuno no hen 生野の変) en de rebellie van de Tengu-tō 天狗党.

Ten gevolge van de omwenteling van de achttiende van de achtste maand werd de jōi-strekking uit Kyōto verdreven en kreeg de verzoeningsgezinde Kōbu gattai-ha onder leiding van onder anderen Shimazu Hisamitsu er grote invloed. Hisamitsu wenste een bakufu waarin de daimyō van alle belangrijke han inspraak zouden hebben. Aldus werden Hitotsubashi Yoshinobu, Matsudaira Katamori, Matsudaira Yoshinaga, Yamanouchi Toyoshige, Date Munenari en Shimazu Hisamitsu de leden van de Staatsraad, san'yokaigi 三預会議. Het beleid dat door deze raad werd voorgesteld, werd evenwel voortdurend gesaboteerd door het bakufu, dat erop uit was het hof weer aan zich te onderwerpen en zijn gezag te herstellen. Vooral toen het bakufu de voorwaarden van het Gohin Edo mawashi rei herzag en de haven van Yokohama sloot, werden de spanningen tussen bakufu en de machtige han te groot. In de derde maand van 1864 werd de Staatsraad ontbonden en kwam er meteen een einde aan de Kōbu gattai-pogingen.

Foto van Shinsengumi-commandant Kondō Isami

Natuurlijk was het onmogelijk volledig komaf te maken met de extremisten. Na de omwenteling van de achttiende van de achtste maand waren er nog kleine cellen overgebleven in Kyōto en omstreken. Om die uit te schakelen richtte het bakufu een speciale opsporingsbrigade op, de Shinsengumi 新選組. Deze brigade slaagde er in om bij Sanjō Ikedaya 三条池田や, de herberg Ikedaya langs de straat Sanjō in Kyōto de laatste extremisten uit te schakelen. In de herberg hielden op de vijfde dag van de zesde maand van Ganji 1 (8 juli 1864) samurai uit Chōshū en Tosa een bijeenkomst om de laatste hand te leggen aan hun plan om Matsudaira Katamori, daimyō van Aizu, belast met de ordehandhaving in Kyōto, gevangen te nemen en de hoofdstad in brand te steken in de hoop zo het bakufu omver te werpen. Nadien bleef Kyōto vrij van zulke cellen.

Expedities tegen Chōshū en de beschieting van Shimonoseki

Chōshū, dat na de omwenteling aan macht had ingeboet, richtte in de zevende maand van 1864 een petitie om hervormingen aan de keizer. Om deze eisen kracht bij te zetten vormde het een leger dat Kyōto wou bezetten. Het slaagde er evenwel niet in de Satsuma- en Aizu-troepen die de stad verdedigden te verslaan. Met grote verliezen trok het zich terug naar Chōshū. Deze strijd noemt men Kinmon no hen 禁門の変 of Hamaguri Gomon no hen 蛤御門の変, naar de poort van het keizerlijk paleis waar het gewapende treffen plaatsgreep. Ten gevolge van deze opstandige daad werd Chōshu tot vijand van het hof verklaard en ondernam het bakufu zelf een strafexpeditie tegen Chōshū. Omdat er later nog een tweede volgde spreekt men van de 'eerste strafexpeditie tegen Chōshū' (Daiichiji Chōshū seibatsu 第一次長州征伐).
Foto van een Chōshū-militie tijdens de eerste strafexpeditie

Omstreeks dezelfde tijd besloten de Engelse ambassadeur Alcock en de pas benoemde Franse ambassadeur Léon Roches (1809-1901) dat er gereageerd moest worden op de sluiting van de Straat van Shimonoseki en de beschieting van hun schepen door de batterijen van Chōshū. In de achtste maand (september) van 1864 beschoot een geallieerde vloot van zeventien oorlogsschepen (negen Britse, drie Franse, vier Nederlandse en één Amerikaans) drie dagen lang de kustbatterijen, vernietigde ze volledig en bezette de kust. Omdat Chōshū juist op dat ogenblik in strijd was met het bakufu, kon het zich op geen van beide fronten behoorlijk verdedigen en het gaf zich over.

Van 'weg met de buitenlanders' naar 'weg met het Bakufu'

Chōshū's ommekeer

Tot na de eerste strafexpeditie tegen Chōshū bleven in deze han de conservatieven de sleutelposities innemen. Na deze expeditie, en vooral onder invloed van het geallieerde bombardement van Shimonoseki, begonnen Takasugi Shinsaku, Katsura Kogorō 桂小五郎, en de uit Engeland weergekeerde Itō Hirobumi 伊藤博文(1841-1909) en Inoue Kaoru 井上馨 (1835-1915), samen met anderen te ijveren voor hervormingen in het beleid van de han. In de tweede maand (maart) van 1865 kwam Takasugi als leider van de groep in Shimonoseki in opstand en kon de conservatieven omverwerpen. Net zoals te Satsuma hadden de nieuwe leiders de enorme kracht van de buitenlanders ingezien en waren ze tot het besef gekomen dat alleen op basis van fukoku kyōhei een repliek denkbaar was. Beide han waren bovendien ook tot het inzicht gekomen dat om tegen de buitenlanders op te treden eerst en vooral het conservatieve bakufu diende omvergeworpen te worden. Zo werd de hervormingsgezinde factie rond Takasugi toonaangevend. De Kiheitai werd uitgebouwd tot een breed leger van boeren, een handige manier om de energie van de opstandige boeren in juiste banen te leiden. Onder leiding van Ōmura Masujirō 大村益二郎 (1824-1869) werd het leger gemoderniseerd. Het hele beleid werd gericht op de absorptie van zoveel mogelijk westerse kennis en techniek.

Tweede strafexpeditie tegen Chōshū

Bakufu-troepen tijdens de 2e strafexpeditie

In het najaar van 1865 besloot het bakufu een tweede maal Chōshū aan te vallen om de herbewapening in deze han in de kiem te smoren. Shōgun Tokugawa Iemochi trok persoonlijk naar Ōsaka om de voorbereidselen te leiden. Omwille van financiële moeilijkheden was er grote tegenstand vanwege de daimyō tegen deze plannen. Ook de opeising van samurai voor het bakufu-leger verliep niet als verwacht. De langdurige aanwezigheid van vreemde troepen zorgde bovendien nog voor grote prijsstijgingen, onder andere van rijst in Ōsaka. In de vijfde maand (juni) van 1866 braken er te Nishinomiya 西宮 nabij Kōbe en in de hele regio van Ōsaka opstanden uit. Om die te onderdrukken werd een samenscholingsverbod uitgevaardigd, zonder veel resultaat. De onlusten deinden uit tot Nara en omstreken. Tijdens de afwezigheid van de shōgun braken er ook relletjes uit in de regio van Edo, waaraan tot 150.000 mensen deelnamen. De strafexpeditie veroorzaakte dus alleen maar grotere sociale onrust.

Politieke manoeuvers van Frankrijk en Groot-Brittanië

Frankrijk en Engeland poogden actief hun invloed in Japan uit te breiden. Beide landen hadden op een bepaald ogenblik zelfs militaire hulp aangeboden aan het bakufu. Groot-Brittanië begreep echter al vlug dat de echte macht niet volledig in handen van het bakufu lag en zocht na de Kagoshima-affaire en de beschieting van Shimonoseki ook toenadering tot Satsuma en Chōshū. Dit leidde tot grote wrijvingen met Frankrijk, dat bleef vertrouwen op de overlevingskansen van het 260 jaar oude shōgunaat. De Britten hadden echter het bakufu nog niet afgeschreven. De nieuwe Britse consul Harry Smith Parkes (1825-1885) meende dat het shōgunaat nog een kans verdiende. Gebruik makende van de aanwezigheid van de shōgun Tokugawa Iemochi in Ōsaka, belegde hij een bijeenkomst van Amerikaanse, Britse, Franse en Nederlandse delegaties in de baai van Ōsaka.
Consul Harry S. Parkes
Ze stelden voor het gezag van het bakufu te helpen bevestigen. In ruil voor het kwijtschelden van twee derde van de schadevergoeding, die was gevraagd na de beschieting van hun schepen te Shimonoseki, stelden ze voor om de handelsverdragen te laten erkennen door de keizer en de haven van Hyōgo open te stellen voor buitenlandse schepen. Het bakufu maakte gebruik van het machtsvertoon van de buitenlandse schepen in de baai om het hof onder druk te zetten en in de tiende maand (op 22 november) van 1865 erkende de keizer de handelsverdragen. Hij stemde echter niet in met de opening van Hyōgo. In ruil daarvoor werd in 1866 ingestemd met een verlaging van de invoerheffingen met ongeveer 80 procent tot meer internationaal aanvaarde normen. Deze overeenkomst heet 'de overeenkomst over de herziening van de tolrechten' (kaizei yakusho 改税約書).

Satsuma-Chōshū-coalitie

In Chōshū zorgde de progressieve factie dankzij geheime handel voor een grote bloei van de han. Op aandringen van de Franse ambassadeur werd deze handel door het bakufu en de Fransen zoveel mogelijk gedwarsboomd, wat een zware klap betekende. Daarnaast verloor in Satsuma ook de Kōbu gattai-ha van Shimazu Hisamitsu veel van haar macht. Het waren nu jonge progressieve samurai als Saigō Takamori 西郷隆盛(1822-1877) of Ōkubo Toshimichi 大久保利道die aan invloed wonnen, en stilaan het anti-bakufu beleid in hun han versterkten. Samurai uit Tosa als Sakamoto Ryōma 坂本竜馬 (1835-1867) en Nakaoka Shintarō 中岡慎太郎(1838-1867) sloten zich hierbij aan. Satsuma en Chōshū sloten in 1866 in Kyōto een alliantie. Als gevolg daarvan weigerde Satsuma troepen in te zetten in de tweede strafexpeditie tegen Chōshū en begon aan een actief en openlijk anti-bakufu-beleid.

Tweede strafexpeditie mislukt

Door het erkennen van de handelsverdragen waren de problemen met de buitenlanders voorlopig wat gemilderd. In de zesde maand (juli) van 1866 besloot het bakufu tegen Chōshū ten aanval te trekken. Het verouderde leger van de shōgun was echter niet opgewassen tegen het gemoderniseerde leger van Chōshū. Bij ieder gewapend treffen trok het leger van het bakufu aan het kortste eind en toen in de zevende maand (augustus) shōgun Iemochi overleed, werd het expeditieleger ontbonden. De overwinning van Chōshū was een feit.

Hervormingen van Yoshinobu

Foto van Shōgun Tokugawa Yoshinobu

De opvolger van Iemochi, de vijftiende shōgun Tokugawa Yoshinobu(1837-1913) probeerde het bakufu te restaureren. Met de hulp van de conservatieve Oguri Tadamasa 小栗忠順 en de Franse ambassadeur Roches werden ijzergieterijen in Yokosuka en Yokohama gebouwd. Om alle handel van de han te controleren richtte hij de 'productiekantoren' (kokusankaisho 国産会所) op in Edo en Ōsaka. Na de mislukking van de tweede strafexpeditie tegen Chōshū was de anti-bakufu-activiteit van Satsuma en de andere han een tijdlang bijzonder intens, maar het vrij progressieve moderniserende bewind van Yoshinobu leek het tij te kunnen doen keren. In de twaalfde maand van 1866 (januari 1867) overleed echter de Kōbu gattai-gezinde keizer Kōmei. Tot overmaat van ramp werd in het bakufu-gezinde Frankrijk, door de benoeming van een nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, een ander beleid ten aanzien van Japan voorgesteld. Hierdoor verloor het bakufu de militaire en logistieke steun van de Fransen, wat zwaar heeft doorgewogen in de uiteindelijke teloorgang. In Kyōto slaagde de met Saigō Takamori en Ōkubo Toshimichi geallieerde aristocraat Iwakura Tomomi 岩倉具視 erin de nieuwe keizer voor zijn anti-bakufu-plannen te winnen en hem ervan te overtuigen op de veertiende van de tiende maand (9 november) van 1867 het 'geheime bevel tot de liquidatie van het bakufu (tōbaku no mitchoku 討幕の密勅 ) te geven aan de han Satsuma en Chōshū.

De val van het Edo-bakufu

Het voorstel van Tosa

Ook in Tosa werd een beleid gevoerd om de modernisering van handel en nijverheid te stimuleren. Vooral handelsroutes via de haven van Nagasaki speelden een grote rol. Belangrijke progressieve jonge samurai als Itagaki Taisuke 板垣退助(1837-1919) en Tani Kanjō 谷干城(1837-1911) onderhielden geheime contacten met de anti-bakufu-factie uit Satsuma. In samenspraak met de in Nagasaki verblijvende Sakamoto Ryōma slaagde Gotō Shōjirō 後藤象二郎(1838-1897) uit Tosa erin om enkele machtige han te doen instemmen met de stelling dat de shōgun zijn bevoegdheden moest teruggeven aan de keizer en dat zijn eigen status niet meer zou zijn dan die van een andere daimyō (taisei hōkan-ron 大政奉還論 ). In de zesde maand van 1867 stemden Saigō Takamori, ōkubo Toshimichi en Komatsu Tatewaki 小松帯刀 van Satsuma met dit plan in, wat leidde tot het sluiten van het 'verbond tussen Satsuma en Tosa' (Sat-To meiyaku 薩土盟約). Deze overeenkomst sprong echter in de negende maand van dat jaar af, toen Saigō en enkele anderen zich aansloten bij de meer radicale anti-bakufu strekkingen.

Taisei hōkan 大政奉還

Taiseihōkan

Tegelijk met de ontwikkeling van nieuwe anti-bakufu-strekkingen namen ook de boerenopstanden weer toe. Vooral de ongeregeldheden in de herfst van 1867 kwamen zeer ongelegen voor het bakufu. Dit waren de zogenaamde okagemairi お蔭参りof eejanaika ええじゃないか, die op landelijk vlak tot chaotische toestanden leidden en tot grote politieke en sociale onrust. Om een einde te stellen aan de onrust, stelde de voormalige heer van Tosa Yamanouchi Toyoshige 山内豊信(1822-1872) een formule voor bestuur met participatie, kōgi seitai-ron 公議政体論 genoemd, aan de shōgun voor. Dit voorstel had tot doel de extreme anti-bakufu-elementen uit Satsuma en Chōshū de pas af te snijden. Aan shōgun Yoshinobu werd voorgesteld dat hij zijn bevoegdheden aan de keizer zou teruggeven (taisei hōkan) en dat onder de supervisie van de keizer een Hogerhuis zou opgericht worden, bestaande uit aristocraten en daimyō, en een Lagerhuis bestaande uit samurai en vertegenwoordigers van het gewone volk. Binnen dit stelsel zou voor de Tokugawa nog een belangrijke functie weggelegd zijn, namelijk die van eerste minister. Yoshinobu aanvaardde dit voorstel en droeg op de veertiende dag van de tiende maand (9 november) van 1867 zijn bevoegdheden aan de keizer terug. Op deze zelfde dag werd ook het 'Geheime Decreet op de omverwerping van het bakufu' (tōbaku no mitchoku) uitgevaardigd. Door de teruggave van zijn bevoegdheden aan de keizer zette Yoshinobu een punt achter 265 jaar bakufu te Edo.

Nabeschouwing

De westerse mogendheden plaatsten het bakufu voor een onmogelijk dilemma: onder druk van een overweldigende overmacht van kanonneerboten moest het zijn havens openstellen voor de westerse mogendheden, maar daardoor verloor het zijn legitimiteit in de ogen van vele daimyō en het hof. Toch bood de opening van Japan ook voordelen voor het bakufu: de tarieven op verhandelde goederen vormden een nieuwe bron van inkomsten voor de centrale overheid en het bakufu kon gemakkelijker westerse wapens kopen of buitenlandse hulp krijgen dan de daimyō die zijn gezag betwistten. Het slaagde er echter niet in deze kansen ten volle te benutten.

Fukuzawa Yukichi
Het bakufu gaf niettemin blijk van een zekere institutionele soepelheid ten aanzien van de nieuwe problemen die in het midden van de negentiende eeuw gerezen waren. Reeds in 1858 stelde Abe Masahiro een gaikoku bugyō aan, verantwoordelijk voor de betrekkingen met de buitenlanders. Dit ambt bleef tot 1867 bestaan. Telkens de politiek ten aanzien van de buitenlanders een ommezwaai maakte, werden de ambtenaren ook vervangen, hetgeen dan weer de politieke instabiliteit illustreert. De meeste hoge bakufu-ambtenaren verdwenen na een korte carrière in de vergetelheid. De tolken en technici, zoals Fukuzawa Yukichi 福沢諭吉 en Fukuchi Gen'ichirō 福地源一郎, die slechts een lage status hadden, overleefden de politieke stormen wel en werden naderhand de duiders en verbreiders van de nieuwe cultuur.

Het bakufu stuurde in de jaren 1860 een reeks van gezantschappen naar het Westen. Het eerste gezantschap voer in 1860 naar Amerika om het verdrag dat Townsend Harris gesloten had, te ratificeren. Toen het bakufu in 1867 ten val kwam, bevond zijn zesde officiële missie zich net in Frankrijk. De toonaangevende han, zoals Satsuma en Chōshū, zonden van hun kant studenten clandestien naar het buitenland om er te studeren en de nodige praktische kennis op te doen.

Het bakufu nam deel aan de Wereldtentoonstelling te Parijs in 1867. Het kwam er in aanvaring met Satsuma, dat een poging deed om er als onafhankelijk koninkrijk van de Ryūkyū een eigen stand te hebben. Reeds in 1853 herriep het bakufu zijn verbod op de bouw van zeewaardige schepen. De 'overeenkomst over de herziening van de tolrechten' (1866) hief de laatste beperkingen op Japanse handel in de havens op, stond de Japanse aankoop van buitenlandse schepen en tewerkstelling van buitenlanders toe, en maakte het voor de Japanners mogelijk naar het buitenland te reizen. Op het wettelijke vlak heeft het bakufu dus blijkbaar vrij behoorlijk de overgang van sakoku (afsluiting van het land) naar kaikoku (opening van het land) weten te maken. Politiek liep het echter mis.

De Meiji-restauratie

De Meiji-restauratie

Leidraad

Na het succes dat de voorstanders van de kōgi seitai geoogst hadden, pleegden de radicale han die het bakufu met geweld wilden uitschakelen, een soort staatsgreep die tot een kleine burgeroorlog zou leiden. Na een reeks van veldslagen, onder meer bij Toba-Fushimi 鳥羽伏見 en de val van het Goryōkaku 五稜郭-fort te Hakodate had het bakufu zijn laatste steunpunten verloren. Zo behaalde uiteindelijk de radicale lijn onder de anti-bakufu krachten de totale overwinning. Hun eerste, symbolisch geladen daad was de proclamatie van de 'Eed in vijf artikelen'. Het was een soort blauwdruk of intentieverklaring voor de hervormingen die zouden doorgevoerd worden.

Oprichting van nieuwe besturen

Staatsieportret van Keizer Meiji

Na de machtsoverdracht door Tokugawa Yoshinobu stelde zich het probleem op welke manier het bakufu-'karkas' moest worden opgeruimd en wat ervoor in de plaats moest komen. Onder leiding van keizer Meiji, die zou regeren van 1867 tot 1912, of in elk geval uit diens naam, werden eerst en vooral de laatsten die de shōgun trouw gebleven waren, uitgeschakeld. Daarna werden nieuwe bestuurlijke structuren ingevoerd, geïnspireerd op de 'Eed in vijf artikelen'. Het geheel van hervormingen dat in deze periode werd doorgevoerd, noemt men naar de naam van de investituur van de keizer: Meiji-ishin 明治維新, letterlijk 'de vernieuwing van Meiji', meestal vertaald als 'de Meiji-restauratie'.

Ōsei fukko no daigōrei 王政復古の大号令

De opruiming van het bakufu zou via overleg en onderhandelingen afgesproken worden. Er waren echter tegengestelde meningen. Eerst en vooral waren er de voorstanders van de kōgi seitai-ron, door de daimyō van Tosa naar voren geschoven, waarbij de shōgun in ruil voor het overdragen van de nominale macht aan de keizer heel wat reële macht zou terugkrijgen als voorzitter van een bestuursraad van aristocraten en daimyō. Daartegenover stond de veel radicalere tettei tōbaku-ron 徹底討幕論 (d.w.z. de 'doctrine van de totale liquidatie van het bakufu'), voorgestaan door de hofedele Iwakura Tomomi, alsmede door Ōkubo Toshimichi en Saigō Takamori uit Satsuma. Zij eisten het onvoorwaardelijke aftreden van de shōgun en de confiscatie van alle gronden van de Tokugawa-clan en het bakufu. Op de negende dag van de twaalfde maand van het derde jaar van Keiō (3 januari 1868) pleegden deze radicalen een staatsgreep. Troepen van Satsuma, Owari 尾張, Tosa, Aki 安芸 en Echizen vatten post rond het keizerlijk paleis. In het paleis werden de prinsen, samurai en aristocraten die hun standpunt genegen waren, ontboden voor een ceremonie die zwanger was van betekenis. Iwakura bracht de proclamatie binnen die vervolgens door de keizer ten gehore van alle aanwezigen werd voorgelezen. Deze met zware symboliek geladen ceremonie was ingegeven door het voorgewende ideaal van de radicalen, namelijk de macht van de keizer te herstellen zoals hij eertijds geweest was. Daarom is zij bekend onder de plechtige naam 'de proclamatie strekkende tot het herstel van de oude keizerlijke prerogatieven' (Ōsei fukko no daigōrei 王政復古の大号令). In wezen greep de proclamatie terug naar het oeroude ideaal van 'het deugdzame bestuur' (tokusei 徳政), het confuciaanse ideaal van de soeverein die schoon schip maakt en met een schone lei begint door naar het oude terug te grijpen, zoals dat in de ritsuryō vastgelegd was. Dat zegt iets over de ambivalentie van de politieke gebeurtenissen die we beschrijven: de vernieuwing van Meiji (Meiji-ishin) door een terugkeer naar de oude keizerlijke prerogatieven (ōsei fukko).

De proclamatie schafte de ambten van regent, shōgun en de vertegenwoordiging van het bakufu te Kyōto (Kyōto shugo-shoku) af, en creëerde drie nieuwe centrale functies: sōzai 総裁 (president of voorzitter), gijō 議定(Staatsraad) en san'yo 参与(adjunct-staatsraad). De politieke structuren zouden worden gemodelleerd naar de administratie van keizer Jinmu, de legendarische eerste keizer van Japan. De hovelingen zouden zonder onderscheid van rang of stand op rechtvaardige en redelijke wijze het landsbestuur behartigen. Zo verschoof de macht van het shōgunaat naar het keizerlijk hof en werd er een bewind gevormd bestaande uit de aristocraten die voor de val van het bakufu geijverd hadden en samurai uit de vijf han die mede de staatsgreep opgezet hadden. Yoshinobu verloor al zijn macht en alle bakufu-gronden werden geconfisqueerd. Zo werd het bakufu twee maal afgeschaft: de eerste keer toen Yoshinobu zijn macht teruggaf, de tweede maal door de keizerlijke proclamatie.

De Boshin-oorlog

De medestanders van het bakufu legden zich daar niet goedschiks bij neer. Er brak een oorlog uit tussen bakufu-getrouwe troepen en het leger van het nieuwe bewind. De vijandelijkheden braken uit in het begin van 1868 en zouden tot midden 1869 aanslepen. Deze oorlog wordt naar de toenmalige kalenderperiode Boshin-oorlog 戊辰戦争 genoemd. Deze burgeroorlog zou het lot van het bakufu definitief bezegelen.

De slag bij Toba-Fushimi (Toba-Fushimi no tatakai 鳥羽伏見の戦い)

Ontscheping van bakufu-troepen in Fushimi

Omdat het nieuwe bewind aanstuurde op de radicale en gehele ontmanteling van het bakufu, gingen de aanhangers in het verweer. Toen Saigō Takamori ermee dreigde ook Edo met militair geweld te bezetten, kwamen getrouwen van Tokugawa Yoshinobu uit de domeinen Kuwana 桑名 en Aizu, alsook voormalige soldaten en ambtenaren van het bakufu in opstand. In het begin van 1868 rukten deze troepen op in de richting van Kyōto om Satsuma te bestraffen. Vlak voor Kyōto werd dit leger echter door de moderne strijdmachten van Satsuma en Chōshū totaal in de pan gehakt en Yoshinobu moest via een zeeroute terug naar Edo vluchten.

De overgave van het kasteel te Edo

Kondō Isami bij Kōshū-Katsunuma, in aanloop naar de omsingeling van Edo

De vlucht van Yoshinobu werd de aanleiding voor een militaire campagne tegen alle bakufu-getrouwe elementen. Prins Arisugawa no miya Takahito 有栖川宮 kreeg de verantwoordelijkheid voor deze zogenaamde Oostelijke expeditie en Saigō Takamori voerde als stafchef het gezag over de eigenlijke acties. Via de postroutes Tōkaidō 東海道, Tōsandō 東山道 en Hokurokudō 北陸道 werd het beleg om Edo geslagen. Onder druk van deze belegering zag Yoshinobu af van de hulp die hem door Roches vanuit Frankrijk was beloofd en maakte hij zijn overgave bekend. Na een petitie van Kazu no miya en Katsu Kaishu 勝海舟 om de strijd te staken, en mede op aandringen van de Britse consul Harry Parkes, gaf het kasteel van Edo zich op de elfde dag van de vierde maand (3 mei) van het vierde jaar van Keiō (1868) zonder bloedvergieten over. Yoshinobu werd naar Mito verbannen. Het nieuwe hoofd van de Tokugawa-clan werd tot de status van een gewone daimyō gedegradeerd, kreeg Suruga 駿河(huidige prefectuur Shizuoka 静岡)als domein en ging in het kasteel van Sunpu (Sunpo-jō 駿府城)wonen.

De opstand van de Shōgitai

Duel tussen een shōgitai en een shaguma bij Ueno

Sommige bakufu-getrouwen konden zich niet neerleggen bij de overgave van Yoshinobu. Zij vormden een verzetsleger, de Shōgitai 彰義隊, en verschansten zich in de Kan'ei-ji 寛永時(tempel) van Ueno 上野, van waaruit ze het keizerlijk leger bleven bestoken. Op de vijftiende dag van de vijfde maand (4 juli) van het vierde jaar van Keiō (1868) werden ze door troepen van Satsuma onder leiding van Saigō Takamori uitgeschakeld. Edo was nu volledig "gepacificeerd.

Verzet in noordelijk Honshū

Onder de leiding van de daimyō van Aizu sloten de han van de Tōhoku 東北-regio (Mutsu 陸奥, Dewa 出羽, de Hokuetsu 北越-streek) een verbond. Een na een vielen steden als Nagaoka, Yonezawa en Sendai in handen van het regeringsleger. In de negende maand werd Aizu tot overgave gedwongen en kwam er een einde aan de oorlog. Een beroemde episode uit deze strijd om Tōhoku is de rituele zelfmoord van de witte tijgers (byakko-tai 白虎隊). Dit waren negentien jonge strijders die rook zagen opstijgen en ten onrechte meenden dat het kasteel van Aizu gevallen was, waarop ze zich terugtrokken op de Iimori-berg 飯盛山 en seppuku pleegden.

De slag om het Goryōkaku-fort te Hakodate

Plan van het Goryōkaku-fort

Na de overgave van het kasteel van Edo, vluchtte Enomoto Takeaki 榎本武揚, viceadmiraal van de marine van het bakufu, met de resten van de vloot vanuit Shinagawa 品川 noordwaarts, nam onderweg nog 1.600 bakufu-getrouwe soldaten op en vluchtte naar Hokkaidō. Als basis koos hij het Goryōkaku-fort van Hakodate. Hij wilde van Hokkaidō een soort republiek maken, waar iedereen die het oneens was met het nieuwe beleid van de Meiji-machthebbers terecht zou kunnen. In de loop van de vijfde maand van 1869 gaf het door regeringstroepen omsingelde fort zich over. Dit was de laatste militaire krachtmeting tussen de aanhangers van de bakufu en het nieuwe regime. De kansen voor een herrijzenis van de bakufu waren nu wel bijzonder klein geworden.

Blauwdruk voor het nieuwe bestuur

De 'Eed in vijf artikelen' (Gokajō no goseimon 五箇条の御誓文)

Eed in Vijf Artikelen

Op de veertiende de dag van de derde maand van het vierde jaar van Keiō (6 april 1868) proclameerde keizer Meiji vijf artikelen waarin de principes van het nieuwe bestuur werden vastgelegd. Deze artikelen werden als een soort belofte aan de goden voorgesteld en kregen haast dezelfde waarde als een grondwet. De vijf punten zijn in hoogdravende en vage bewoordingen gesteld, maar impliceerden onder meer de volgende punten: bestuur op basis van brede inspraak, openstelling van het land en verzoening met de buitenlandse mogendheden, afschaffing van het onderscheid tussen rangen en standen, enz.

De oorspronkelijke versie werd opgesteld door Yuri Kimimasa 由利公正, een talentvol samurai-politicus uit Echizen. Dat de keuze op hem viel had te maken met de vrees van de meeste han dat, na de Oostelijke expeditie, Satsuma in plaats van de bakufu alle macht in handen zou krijgen. Het voorstel werd naderhand herzien door enkele andere leiders: Fukuoka Takachika 福岡孝弟 van Tosa en Kido Takayoshi 木戸孝允(posthuum Kōin genaamd)van Chōshū en in een definitieve vorm gegoten. De versie van Yuri voorzag een soort deliberatieve raad van feodale heren waarin ook voor de Tokugawa nog een rol was weggelegd. Op die wijze hield hij rekening met de standpunten van de kōgi seitai-ha, maar hij bepaalde niet precies wie aan de raad mocht deelnemen en met welk statuut.

Het oorspronkelijke opzet was een raad in het leven te roepen, in de geest van een verbond tussen de daimyō, waarin een brede waaier van opinies aan bod kon komen. In de definitieve tekst werd echter de verwijzing naar de daimyō weggelaten en vervangen door de vage uitdrukking 'uitgebreide beraadslagingen', waar men alle kanten mee op kon. Hierin is de hand van Kido Takayoshi te zien, die op die wijze de macht uit handen van de daimyō wou houden en zoveel mogelijk in handen van de keizer wou concentreren. Datzelfde streven uitte zich ook op het vlak van de rituele symboliek van de afkondiging. Het was namelijk aanvankelijk de bedoeling dat de keizer deze vijf punten zou afkondigen, en de daimyō de eed van trouw aan de keizer zouden zweren. Door toedoen van Kido werd de strekking van het ritueel en de afkondiging gewijzigd: de keizer zou de gelofte aan de goden doen. Ook ritueel werd er dus een grotere rol aan de keizer toebedeeld dan eerst de bedoeling was.

Gobō no Keiji 五榜の掲示

Nadat de 'Eed in vijf artikelen' was geproclameerd, vaardigde de regering de volgende dag richtlijnen voor het gewone volk uit. Zo moest de confucianistische moraal gerespecteerd blijven, was het vormen van facties of politieke partijen verboden, mochten geen petities worden gericht aan de autoriteiten, bleef het christendom verboden, moesten buitenlanders met rust gelaten worden, en mocht niemand zijn han verlaten. Deze richtlijnen staan bekend als 'de vijf plakkaten', Gobō no keiji.

'Verklaring inzake de bestuurlijke structuur' (seitaisho 政体書)

Foto van Soejima Taneomi

Op de 21ste dag van de intercalaire vierde maand (11 juni) van 1868 maakte de overheid haar 'Verklaring inzake de bestuurlijke structuur' bekend. De bedoeling hiervan was de vage principes geformuleerd in de 'Eed in vijf artikelen' concrete invulling te geven. Opstellers van de verklaring waren Fukuoka Takachika 福岡孝弟 en Soejima Taneomi 副島種臣 (1828-1905). Zij vonden inspiratie in klassieke Japanse verhandelingen over bestuur, in Fukuzawa Yukichi's Seiyō jijō 西洋事情, en in Amerikaanse geschriften. De macht werd geconcentreerd in de 'Grote Staatsraad', de Dajōkan 太政官. De drie machten (wetgevende, rechterlijke en uitvoerende macht) werden gescheiden, zij het op niet al te grondige wijze. Erfelijke privileges zouden afgeschaft worden, en de overheid zou de voorwaarden voor brede inspraak creëren. Zo werd een wetgevend orgaan opgericht, het giseikan 議政官, als orgaan van de rechterlijke macht de keihōkan 刑法官 en als administratieve organen de volgende bureaus :

  • bureau voor de Uitvoerende macht - gyōsei-kyoku 行政局
  • bureau voor de Godsdienst - jingi-kyoku 神祇局
  • bureau voor Financiën - kaikei-kyoku 会計局
  • bureau voor Militaire Zaken - gunmu-kyoku 軍務局
  • bureau voor Buitenlandse Zaken- gaikoku-kyoku 外国局
Foto van Takachika Fukuoka

De giseikan bestond uit een Hoger Bureau, waarin de prinsen van keizerlijk bloed, de aristocraten (kuge 公家), de daimyō en samurai, die optraden als vertegenwoordigers van hun han, zetelden. Daarnaast was er een Lager Bureau bestaande uit administratoren en klerken, doorgaans samurai die om hun bekwaamheid waren uitgekozen door de daimyō om de standpunten van de han in de dajōkan te vertegenwoordigen. Omdat de belangrijkste leden van de giseikan ook de belangrijkste posten van het bureau voor de Uitvoerende Macht bekleedden, was de scheiding van de bevoegdheden in de praktijk niet klaar. Leden van raden zouden in principe verkozen worden voor ambtstermijnen van vier jaar. In feite werden deze verkiezingen slechts eenmaal gehouden. Dit systeem was een kort leven beschoren. In het tweede jaar van Meiji werd het vervangen door een tweeledig systeem bestaande uit de Raad voor Godsdienst (jingikan 神祇官) en de Grote Staatsraad (dajōkan). In de 'Verklaring inzake de bestuurlijke structuur' werd ook vastgelegd dat de regionale administratie zou worden onderverdeeld in drie niveaus: fu, ken en han (de zogenaamde fu-ken-han sanchisei 府県藩三治制). De gronden van het bakufu en van de keizer zouden worden opgedeeld in 9 fu en 22 ken, bestuurd door door de centrale regering aangestelde gouverneurs. De han bleven onder het gezag van de daimyō.

Nieuwe jaartelling en verplaatsing van de hoofdstad

In 1868 hield keizer Meiji een ceremonie ter gelegenheid van zijn troonsbestijging. De oude jaartelling Keiō 慶応 werd per achtste dag van de negende maand van het vierde jaar opgeheven en het nieuwe tijdperk werd Meiji 明治 genoemd. Van nu af zou per regering van een keizer maar één kalenderperiode (nengō 年号) meer gebruikt worden. De Meiji-periode eindigde op 30 juli 1912. Ook werd besloten, om het roerige Oost-Japan beter te kunnen besturen, de hoofdstad naar Edo te verplaatsen en de stad de nieuwe naam Tōkyō (of ook wel eens: Tōkei) te geven.

Creatie van een gecentraliseerd bestuur

Gecentraliseerd bestuur

Leidraad

De nieuwe regering stelde alles in het werk om een centraal bestuur met de keizer aan het hoofd te vestigen. De uitvoering van dit plan berustte aanvankelijk op twee pijlers: ervoor zorgen dat alle gronden weer publiek bezit van de troon werden en alle inwoners onderdanen van de keizer werden en het afschaffen van het han-systeem ten voordele van nieuwe administratieve eenheden, namelijk de prefecturen. Met de invoering van deze nieuwe regionale eenheden werd het gestelde doel grotendeels bereikt, maar er ging een enorme politieke machtsstrijd aan vooraf, die ertoe zou leiden dat de meeste belangrijke functies in de centrale regering gemonopoliseerd werden door figuren afkomstig uit een handvol han, in de eerste plaats Satsuma en Chōshū. De administratieve structuren werden meermaals herzien voor ze hun definitieve vorm kregen. De nationale grenzen werden vastgelegd en met het buitenland werden diplomatieke betrekkingen aangeknoopt.

Teruggave van het land aan de troon, oprichting van de prefecturen

Om een gecentraliseerde staat uit te bouwen, dienden de feodale structuren afgeschaft te worden en diende het programma 'welvarend land- sterk leger' (fukoku kyōhei 富国強兵) uitgevoerd te worden. Ontmanteling van het han-stelsel werd dus een prioriteit. Omdat de Meiji-regering werd geconfronteerd met vele problemen en met diverse belangengroepen, zowel op binnenlands als buitenlands vlak, diende ze zeer omzichtig op te treden. Daarom werden eerst alle gronden genationaliseerd en pas daarna werd het oude han-stelsel ontmanteld.

Hanseki hōkan 版籍奉還

Ōkubo Toshimichi

Onder deze term verstaat men het teruggeven van land en grond aan de troon. Vanaf het ogenblik van de Ōsei fukko 王政復古 had het nieuwe bestuur steeds af te rekenen met opstandige groepen en dit bleef zo tot het einde van de Boshin-oorlog. Dit was onder meer te wijten aan het feit dat de han niets wezenlijks wilden veranderen aan de sociale en politieke verhoudingen. Vele boerenopstanden waren gericht tegen lokale daimyō. De feodale structuren stonden een centralisering van het bestuur in de weg. Bovendien raakte de centrale regering verdeeld in een progressieve en een conservatieve (beter gezegd voorzichtige) factie en kreeg ze met ernstige financiële problemen te kampen. In die situatie vormden Ōkubo Toshimichi (1830-1878), Kido Takayoshi (1833-1877), en Itagaki Taisuke, een drukkingsgroep, die samen met politici als Ōkuma Shigenobu 大隈重信 en Soejima Taneomi, de daimyō van Satsuma, Chōshū, Tosa en Hizen 肥前 ervan konden overtuigen hun han en de bevolking over te dragen aan de troon, in uitvoering van de slogan die in die tijd opgeld deed: 'grond aan de troon, volk van de vorst' (ōdo ōmin 王土王民).

In de eerste maand van 1869 namen Shimazu Tadayoshi van Satsuma, Mōri Takachika 毛利敬親 van Chōshū, Yamanouchi Toyonori 山内豊範 van Tosa en Nabeshima Naoyori 鍋島直大 van Hizen als eersten het initiatief om de keizer een petitie aan te bieden, waarin zij hem verzochten hun hanseki hōkan-gebaar te aanvaarden. De meeste andere han volgden hun voorbeeld. Wie weigerde, werd gedwongen minder gunstige voorwaarden te aanvaarden, zodat tegen midden 1869 alle han zowel de jure als de facto eigendom van de troon waren geworden. De ex-daimyō werden door het centrale bestuur aangesteld tot gouverneur van de han, terwijl heel het land administratief werd opgesplitst in 3 fu , 26 ken en 262 han.

Gevolgen van de hanseki hōkan

Dankzij de hanseki hōkan werd alle grond en de bevolking, althans in theorie, bevrijd van de feodale verdrukking door de daimyō. Nu volgden diverse hervormingen die het bestuur op regionaal vlak moesten vereenvoudigen, onder de controle van de centrale administratie:

  • De familiestatus als springplank voor een carrière werd afgeschaft.
  • Het persoonlijk inkomen van de han”-gouverneurs werd vastgelegd op een tiende van het reële inkomen dat zij voordien hadden genoten.
  • Het grote onderscheid in rangen werd gereduceerd tot slechts twee : shizoku 士族 en sotsuzoku 卒族.
  • Er moest verslag worden uitgebracht over regionale politieke gebeurtenissen en de administratie aan de centrale overheid.
  • Het inkomen van de samurai werd sterk gereduceerd.

Zo verloren de han hun autonomie en werd de centralisering van het bestuur een feit. Toch werd er een prijs betaald voor de onzelfzuchtige daad van de vier machtige han: Satsuma, Chōshū, Tosa en Hizen, die het voorbeeld gegeven hadden. Zij kregen een quasi-monopolie over de verdeling der functies in de centrale overheid. Dit noemt men de hanbatsu 藩閥 (letterlijk de han-klieken), een term die slaat op de informele netwerken die bestuurders uit eenzelfde (voormalige) han verbinden en hen in staat stellen met het leeuwendeel van de voornaamste bestuurlijke posten te gaan lopen.

Ontmanteling van de leendomeinen (han), oprichting van de prefecturen (ken) (haihan chiken 廃藩置県)

De gevoelsmatige relatie tussen de han-gouverneurs en hun onderhorigen bleef na de hanseki hōkan sterk feodaal gekleurd. Daarenboven kon het centrale bestuur ook weinig resultaten voorleggen, omdat de regering af te rekenen had met moordaanslagen op regeringsfunctionarissen, frequente boerenopstanden vanwege de misoogsten in 1869, zodat er sociale instabiliteit bleef bestaan.

Om het beginsel dat in de hanseki hōkan besloten lag meer concrete gestalte te geven, besloten Kido Takayoshi, ōkubo Toshimichi en anderen de han volledig af te schaffen. Eerst werd het evenwicht tussen de vier machtigste han verstevigd door in de centrale regering ook onder anderen Saigō Takamori 西郷隆盛(1827-1877) en Itagaki Taisuke 板垣退助 (1836-1919) op te nemen. Om een eventueel verzet van de andere daimyō in de kiem te smoren werd vervolgens een leger van 8.000 rekruten uit Satsuma, Chōshū en Tosa samengesteld, het zogeheten goshinpei 御親兵. Dit kan worden beschouwd als de voorloper van het nieuwe, op conscriptie gebaseerde leger, dat later opgericht zou worden.

Daarna werd in de zesde maand van 1871 het 'Decreet ter afschaffing van de domeinen en de oprichting van de prefecturen' (haihan chiken no mikotonori 廃藩置県の詔) uitgevaardigd. Alle han-gouverneurs werden naar Tōkyō ontboden en ervan op de hoogte gebracht dat de han afgeschaft werden. Zij kregen ontslag als gouverneur. Als compensatie voor de verloren inkomsten kregen zij staatspapieren als schuldbewijs. Nu werden overheidsambtenaren benoemd tot gouverneur. Het land kreeg drie fu 府(Tōkyō, Ōsaka en Kyōto) en 72 ken 県. Alle han-legers werden ontbonden. Deze ingrijpende hervorming werd zonder slag of stoot doorgevoerd. Het bewijst in welke mate het bakufu reeds onherroepelijk tot het verleden ging behoren. Zo werd een stevige basis gelegd voor de bestuurlijke hervormingen die nog moesten komen. De centrale regering was duidelijk geëvolueerd van een alliantie van daimyō naar een meer autocratisch bewind, waarin een handvol voormalige han een sleutelrol speelden. De overheid nam wel een nieuwe en zware schuldenlast op zich: zij nam de schulden van de han over, hetgeen haar opzadelde met een schuldenberg die twintigmaal maal zo hoog lag als haar jaarinkomen.

Bestuurlijke hervormingen

Een van de bekommernissen van de ambtenarij was de hervorming van de eigen geledingen. Het giseikan, opgericht op grond van het seitaisho, onderging al vroeg veranderingen. Het Hoger bureau werd reeds in 1869 afgeschaft. De functies van het Lager bureau werden opnieuw gedefinieerd. De functies van het giseikan werden in 1873 door het Sain 左院(zie verder) opgeslorpt.

Anderzijds werd midden 1869 het Iingikan op hetzelfde niveau gebracht als de Dajōkan, zodat de structuur op die van het ritsuryō-systeem ging lijken. In 1871 werd de Dajōkan onderverdeeld in drie hoven (in 院): het Seiin 正院(het Centrale Hof), het Uin 右院(Hof van Rechts) en het Sain 左院(Hof van Links). Van de Seiin maakten deel uit de kanselier (dajōdaijin), de ministers van Links (sadaijin 左大臣) en van Rechts (udaijin 右大臣), en de raadsheren (sangi 参議). Zij stonden rechtstreeks onder de keizer en vormden het hoogste gezag. Het Sain was belast met wetgevend werk, en was geïnspireerd op het Franse Conseil d'Etat. De leden werden door het Seiin benoemd. Het Uin diende te beraadslagen over wetsvoorstellen en wetten, en had ook een soort toetsende functie. De bevoegdheden van het Uin waren nogal vaag omschreven, en uiteindelijk nam het Seiin de meeste van zijn functies over. De structuren van de centrale overheid kregen dus steeds vastere vorm en algauw bleek dat de belangrijkste posten door ex-samurai uit Satsuma, Chōshū, Tosa en Hizen werden gemonopoliseerd.

Uitbouw van een modern leger

Een stevige ambtelijke structuur was niet voldoende om het nieuwe regime een duurzame fundering te geven. Een modern leger was even onmisbaar.

Militaire hervormingen

Zie Shizoku (士族) voor het hoofdartikel

Ōmura Masujirō

In 1869 al begon Ōmura Masujirō 大村益二郎(1824-1869), zowat de minister van Militaire Zaken, de basis te leggen voor een modern leger. Hij schafte de kleine samurai-milities in de han af, verbood het dragen van zwaarden en voerde de algemene dienstplicht in. Deze plannen stuitten op hevig verzet, en ōmura werd vermoord. Zijn plannen werden dan ten uitvoer gebracht door Aritomo Yamagata (山縣 有朋)(1838-1922) en Saigō Tsugumichi 西郷従道(1843-1902, de jongere broer van Saigō Takamori). Beide mannen hadden militaire instellingen in het buitenland bestudeerd. Na de opheffing van de han in 1871 werden alle forten, wapens, en munitie in beslag genomen. Alle soldaten van grote en middelgrote han werden ondergebracht in de vier forten (chindai 鎮台) van Tōkyō, Ōsaka, Sendai en Kokura. Het eerder vermelde goshinpei werd herdoopt tot konoehei 近衛兵 (keizerlijke garde), en alle legers uit kleine han werden ontbonden.

Uitvaardiging van dienstplichtwetten

Aritomo Yamagata

In het begin van 1873 werd het Decreet op de dienstplicht (Chōhei rei 徴兵令) afgekondigd. In april van dat jaar trad het in voege. Het ging uit van het principe 'alle burgers soldaat' (kokumin kaihei 国民皆兵) en stelde dat alle mannen die de leeftijd van twintig jaar bereikten, dienstplicht moesten vervullen, na rekrutering- en selectieproeven. De dienstplicht duurde drie jaar. Gezinshoofden, oudste zonen, overheidsambtenaren, studenten en rijke burgers die meer dan 270 yen belasting betaalden, werden vrijgesteld. De meeste dienstplichtigen waren bijgevolg boerenzonen, wat als een onrechtvaardigheid werd aangevoeld. Deze sowieso al zwaarbelaste klasse werd op die manier nog eens van arbeidskrachten beroofd. Dit leidde tot ongeregeldheden, bekend als de 'bloedbelastingrellen' (ketsuzei ikki 血税一揆). Om aan de dienstplicht te ontsnappen, nam men soms zijn toevlucht tot het adopteren van erfgenamen en er waren zelfs boekjes in omloop die uitlegden hoe men kon worden afgekeurd. Invoering van de dienstplicht was een zware slag voor de samurai, die hun traditionele bestaansreden en bron van inkomsten zagen verloren gaan.

Structuur van het leger

Soldaten van het Keizerlijke Japanse Leger in 1875

Na de afkondiging van de dienstplicht bouwde men in Hiroshima en Nagoya nog twee nationale forten bij en begon men ook met de uitbouw van de Zeemacht. Het landleger werd eerst naar Frans model georganiseerd, maar na de afloop van de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) kozen de pragmatische Japanners voor het Pruisische model. In 1885 werden Duitse officieren uitgenodigd om les te geven aan Japanse militaire academies. De Zeemacht was aanvankelijk niets meer dan een samenraapsel van schepen van de voormalige kustwacht van het bakufu. In mei 1872 begon men met de uitbouw van een eigen 'navy' naar Brits model. Die uitbouw verliep zeer traag. In 1879 bedroeg de maat voor ton nog maar 15.000 ton, zodat de Zeemacht feitelijk als een onderdeel van de Landmacht werd beschouwd. In 1878 werd de generale staf (sanbō honbu 参謀本部) opgericht, die onafhankelijk was zowel van de regering als van het ministerie voor Oorlog, en onder rechtstreeks gezag van de keizer stond. Dit specifieke statuut noemde men het tōsuiken 統帥権, het prerogatief van het militaire opperbevel om rechtstreeks met de keizer contact te hebben. De voorgegeven reden voor dit voorrecht was de noodzaak om zaken van militair-strategisch belang geheim te houden, maar op termijn heeft deze instelling wel als een tijdbom gewerkt: zij heeft mede ertoe bijgedragen dat de militairen in de jaren dertig alle macht naar zich toe wisten te halen en het kabinet buiten spel te zetten.

Invoer van een politieapparaat

Politie in 1875

Reeds in 1871 werd een corps van 3.000 politieagenten aangesteld in de prefectuur Tōkyō om de openbare orde te handhaven. In 1872 werd het corps onder voogdij van het ministerie van Justitie geplaatst. Toen in 1873 het ministerie van Binnenlandse Zaken, naimusho 内務省, werd opgericht, kwam de politie onder zijn voogdij. In 1874 voerde men een onderscheid in tussen de regionale politie in de prefecturen, en de hoofdstedelijke politie, die onder een speciaal departement keishichō 警視庁 werd geplaatst en naar het model van de Parijse prefecturale politie was opgevat. Nog later werd, naar buitenlands model, de politie op nationale schaal gereorganiseerd. Door zijn controle over de politie, vergelijkbaar met een gendarmerie, en zijn voogdij over de handhaving van de openbare orde, werd het ministerie van Binnenlandse Zaken een machtig ministerie.

Afschaffing van de standen

Als een logisch gevolg van de afschaffing van de feodale structuren, deed men pogingen om de oude discriminaties weg te werken. Een nieuwe indeling maakte een onderscheid tussen adel (kazoku 華族), patriciërs (shizoku 士族) en gewone burgers, maar maakte in principe geen onderscheid tussen de burgers en hun rol ten aanzien van de staat. Door deze hervorming werden vooral de samurai, nu shizoku genoemd, benadeeld. Tot nog toe had de Meiji-regering steeds hun inkomen gegarandeerd, maar daarin zou nu verandering komen.

Uiterlijke tekenen van onderscheid vallen weg

Toen de leendomeinen aan de troon teruggegeven werden (hanseki hōkan 藩籍奉還), herzag de overheid het klassenstelsel. Daimyō en hofedelen werden in een nieuwe adel (kazoku) ondergebracht. De samurai, die in een brede scala van rangen onderverdeeld waren, werden nu gewoon patriciërs (shizoku). Door het wegvallen van de han, werd het gewone volk nu ook bevrijd van het traditionele standenstelsel. Boeren, ambachtslieden en handelaars werden alle gewone burgers (heimin 平民). Gewone burgers kregen nu ook het recht een familienaam te hebben en te huwen met iemand uit een hogere klasse.

Om het uiterlijk onderscheid tussen shizoku en heimin kleiner te maken, werd in 1871 het 'Decreet op de haarsnit' (Sanpatsu Rei 散発令) uitgevaardigd, dat de haarsnit vrijliet en de dracht van zwaarden verbood. Omdat dit decreet maar matig opgevolgd werd, diende men in 1876 een strenger decreet uit te vaardigen: het 'Decreet op de afschaffing van de zwaarddracht' (Haitō Rei 廃刀令). Zo werd het zichtbare onderscheid tussen de gewone burgers en de shizoku vrijwel tot nihil herleid. Toch bleek de macht der gewoonte sterker dan de goede intenties. Waarschijnlijk omdat de meeste overheidsambtenaren uit de lagere samurai-stand afkomstig waren, bleef een egalitaire maatschappij een ver ideaal. De adel (kazoku) vormde een klasse van nieuwe bevoorrechten, en was een stut van het keizerlijke autocratische systeem. De patriarchale familieordening bleef onaangeroerd. De eta en hinin, de 'kastelozen', werden nu 'gewone burgers, maar in de praktijk veranderde nauwelijks iets aan hun marginale maatschappelijke positie.

Liquidatie van vaste salarissen en stipendia

De samurai hadden tijdens de Edo-periode een verzekerd inkomen, dat bovendien erfelijk was. Dat betekende dus in wettelijke termen dat de samurai een eeuwige vordering op de han hadden. Door de hanseki hōkan erfde de nationale overheid alle activa en passiva van de han, dus ook de stipendia die de han aan de samurai betaalden. Door de invoering van de dienstplicht verloren de samurai bovendien ook hun (theoretische) maatschappelijke nut. De samenleving deed voortaan geen beroep meer op hen voor de veiligheid en de bescherming van het land en de openbare orde. Het aantal shizoku (de nieuwe naam voor de samurai) bedroeg bij de aanvang van de Meiji-periode ongeveer twee miljoen, verspreid over ca. 400.000 families. Het ging bijgevolg om een belangrijk segment van de maatschappij. De feodale stipendia en salarissen werden vervangen door karoku 家禄, die iets lager lagen dan wat onder het bakufu normaal was. Aan vele oud-strijders van de Boshin-oorlog werd een soort beloning of oorlogspensioen gegeven, shōtenroku 賞典禄 genoemd. Het totaal van deze financiële verplichtingen woog zwaar op het jonge regime. Zij slorpten zowat een derde van de staatsuitgaven op. Daarom zocht de overheid naar een middel om die last te verlichten. Zij verklaarde zich bereid de salarissen en stipendia af te kopen. Al wie op het voorstel inging, zou een som uitbetaald krijgen, die overeenkwam met ongeveer vier à zes jaar salaris, maar daarmee zou de overheidsverplichting als voldaan beschouwd worden. De helft van de uitbetaling vond plaats in contant geld, de andere helft in de vorm van staatsobligaties (chitsuroku kōsai shōsho 秩禄公債証書). Het was een weinig voordelig voorstel, vooral voor jongere samurai, zodat slechts een kwart van alle samurai van deze regeling gebruik wenste te maken. Er heerste ook veel achterdocht tegen de staatsobligaties, die veronderstelden dat het regime aan de macht bleef. In 1875 ging de overheid over tot een ingrijpende hervorming van alle door haar gewaarborgde inkomensuitkeringen. Alle salarissen en stipendia, tot op dat ogenblik nog steeds uitgedrukt in maten rijst of in een equivalent van de prijs van rijst, werden voortaan berekend en uitgedrukt in geld, onafhankelijk van de schommelende rijstprijs. Ook de uitkeringen gebeurden voortaan in contant geld, of nog vaker in staatsobligaties (kinroku kōsai shōsho 金禄公債証書). Alleen de vroegere daimyō en de hoge ambtenaren ontvingen nu nog een inkomen waarvan zij en hun gezin konden leven volgens de oude normen. Hoe verarmd de anderen achterbleven, bleek nauwelijks negen jaar later, in 1884. Slechts twintig procent van de samurai bezaten nog dergelijke obligaties. Alle overigen hadden uit geldnood de papieren reeds lang ingewisseld.

Reconversie van de shizoku

De samurai, die hun emolumenten, hun politieke en sociale functie en status verloren hadden, moesten trachten zich te integreren in de veranderde maatschappij en aan een zinnige broodwinning zien te komen. Een klein percentage slaagde erin zich te recycleren en werd ambtenaar, militair, politieagent of leraar. Sommigen begonnen een succesrijke zakencarrière, maar het merendeel dat zich als handelaar of landbouwer vestigde, mislukte deerlijk. De overheid trof tal van maatregelen om deze klasse zoet te houden en haar herscholingskansen te bieden. In 1870 kregen samurai die grond wilden ontginnen belastingvoordelen. In 1874 werden 850.000 hectaren overheidsgronden verkocht, voornamelijk aan gewezen samurai en 20.000 hectaren onvruchtbare gronden gratis ter beschikking gesteld. In 1876 kregen de staatsobligaties garanties van de pas opgerichte Japanse nationale bank, zodat het feitelijk bankobligaties werden. Deze maatregel moest de betrokkenen geruststellen. Velen hadden immers gevreesd dat het nieuwe regime geen stand zou houden. In 1879 kwamen er tewerkstellingssubsidies. Deze werden echter na een jaar afgeschaft wegens te talrijke faillissementen. Deze maatregelen, die tevens bedoeld waren om de industriële capaciteit en productie op te drijven, droegen er veel toe bij dat het ongenoegen van de voormalige samurai gesust werd. De verpaupering van deze sociale laag bleef niettemin aanhouden. Dit gaf aanleiding tot uitzichtloze opstanden, maar ook tot het ontstaan van politieke bewegingen, zo onder andere de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten (Jiyū Minken Undō 自由民権運動).

Opstanden van misnoegde shizoku

Kleinere opstanden

Saga-rebellie

Vele voormalige samurai weten hun afgenomen welstand en gedaalde status, terecht of ten onrechte, aan het door Satsuma en Chōshū gemonopoliseerde centrale bestuur. De ontevredenheid richtte zich dan ook vooral tegen deze twee voormalige leendomeinen. Bovendien zorgde ook het verzoenende open beleid tegenover het buitenland voor veel wrevel onder die samurai die onder het motto jōi hadden meegeholpen aan de omverwerping van het bakufu. Uiteindelijk werd de terugtrekking van enkele ministers en raadsleden uit de centrale regering omwille van hun standpunt omtrent het Korea-dispuut (zie verder) de concrete aanleiding voor enkele opstanden.

In 1874 brak een opstand uit met aan het hoofd Etō Shinpei 江藤新平, de leider van een groep nationalistische samurai uit Saga, die ontevreden waren over het besluit Korea niet aan te vallen. Deze Saga-rebellie (Saga no ran 佐賀の乱) werd vrij gemakkelijk onderdrukt en Etō werd onthoofd. Later volgde er een opstand in Kumamoto als reactie tegen het verbod om zwaarden te dragen en de omzetting van salarissen en stipendia in staatsobligaties. Ook deze zogenaamde jinpūren 神風連 onder leiding van Ōtaguro Tomo'o 大田黒伴雄(1835-1876) werden vrij gemakkelijk onderdrukt. Vermelden we nog de Hagi-rebellie (Hagi no ran 萩の乱) onder leiding van Maebara Issei 前原一誠, die eveneens snel de kop werd ingedrukt.

Seinan-opstand

Zie Seinan-rebellie voor het hoofdartikel

Saigō Takamori en officieren tijdens de Seinan-rebellie

In 1873 spraken Saigō Takamori, Soejima Taneomi, Gotō Shōjirō, Itagaki Taisuke en anderen zich uit voor oorlog met Korea, omdat dit land weigerde diplomatieke betrekkingen aan te knopen met Japan. Iwakura Tomomi, Kido Takayoshi, Ōkubo Toshimichi en medestanders waren daartegen gekant en insisteerden dat de interne problemen voorrang verdienden. Saigō en zijn medestanders namen daarop ontslag uit de regering. Bij zijn terugkeer in Kagoshima in februari 1877, riep Saigō Takamori op tot rebellie tegen de overheid. Deze opstand, bekend als de Seinan-rebellie (Seinan no ran 西南の乱), werd door het moderne staatsleger meedogenloos neergeslagen. Het was de laatste opstand van mistevreden samurai.

Gevolgen van de Seinan-rebellie

Vanwege de grote overwinning die het leger behaalde op de opstandelingen, werd het zelfs bij de meest verblinde radicalen duidelijk dat geweld geen oplossing bood. Voortaan zouden dissidenten de overheid niet langer trachten met het zwaard maar met het woord en ideeën aan te vallen. Voortaan kreeg de regering af te rekenen met een reëel politiek verzet, dat zich concretiseerde in de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten (Jiyū Minken Undō 自由民権運動). Een neveneffect van de opstand was de financiële aderlating die de regering had geleden om hem neer te slaan. Ze had hiervoor veel geld uitgegeven dat niet gedekt en dus niet converteerbaar was. Dit veroorzaakte een grote inflatie.

Buitenlandse betrekkingen in de vroege Meiji-periode

Harmonische opening van het land en hernieuwde buitenlandse betrekkingen

Europa en de Verenigde Staten beweerden dat ze de evolutie in Japan als neutrale buitenstaanders volgden, wat ten dele waar was. Toch hielden ze met argusogen de houding van het jonge Meiji-regime in de gaten, want een aantal fervente jōi-aanhangers maakten er deel van uit. Om buitenlandse inmenging, ja zelfs interventie, te voorkomen, proclameerde de nieuwe regering, tegelijk met het herstel van de traditionele keizerlijke prerogatieven inzake bestuur, dat Japan zijn isolement opgaf en dat het een goede verstandhouding met de buitenlandse mogendheden zou nastreven. In overeenstemming met deze verklaring werd in 1871 al een bureau voor Buitenlandse Zaken (Gaimukan 外務官) opgericht, dat een jaar later werd gepromoveerd tot Dienst voor Buitenlandse Zaken (Gaikoku jimu-kyoku 外国事務局) en nog in hetzelfde jaar tot een heus ministerie (Gaimushō 外務省). Vanaf 1872 stuurde Japan consuls naar landen waarmee relaties bestonden, met andere woorden waarmee verdragen waren afgesloten.

De Iwakura-missie

Voor het hoofdartikel hiervan, zie Iwakura Missie (岩倉使節団)

Iwakura-gezantschap, met Iwakura Tomomi in traditionele Japanse kledij

In 1872 kwam de herziening van de vriendschaps- en handelsverdragen (Tsūshō jōyaku no kaisei 通商条約の改正) bovenaan de politieke agenda van het nieuwe regime te staan. De regering besloot om een diplomatieke delegatie onder leiding van Iwakura Tomomi 岩倉具視 naar de Verenigde Staten en Europa te sturen, om er de instellingen en de cultuur te bestuderen, maar ook om voorbereidende onderhandelingen in verband met de herziening van de verdragen te beginnen. Enkele invloedrijke leden uit de regering, zoals Kido Takayoshi, Ōkubo Toshimichi en Itō Hirobumi maakten ook deel uit van het gezantschap. Voor hun vertrek dwongen zij de thuisblijvende regering te beloven in hun afwezigheid geen nieuwe bestuurlijke initiatieven te nemen en de opheffing van de han keurig af te werken. Het beloften-programma omvatte 12 punten. Eind 1871 vertrok de delegatie uit Yokohama naar de Verenigde Staten. Voorbereidende besprekingen inzake de herziening der verdragen werden niet zonder moeilijkheden afgewerkt. Vervolgens ging de reis naar Europa. Pas in september 1873 keerde de delegatie terug. Deze reis, de opgedane ervaringen en de gelegde contacten betekenden een enorme stimulus voor het later gevoerde beleid. Pas nu beseften de regeringsleiders goed welke binnenlandse hervormingen nodig waren om gunstige verdragshervormingen te kunnen bedingen. Een interessant detail is dat er vijf vrouwen mee vertrokken met de delegatie, die als studenten in het buitenland bleven. Onder hen bevond zich Tsuda Umeko 津田梅子, de latere stichtster van de school Tsuda Eigaku-juku 津田英学塾.

Vastleggen van de noordergrens

Portret van Kuroda Kiyotaka

Op het einde van het bakufu was in het Japans-Russische verdrag bepaald dat het eiland Uruppu 得撫島 en alle eilanden ten noorden daarvan als Russisch beschouwd werden, terwijl Sachalin werd opgedeeld en alle eilanden ten zuiden van Uruppu, Etorofu 択捉島 incluis, onbetwistbaar deel uitmaakten van Japan. Na de Krimoorlog (1853-56) drong Rusland dieper door in Sachalin, terwijl Japan na de slag om het Goryōkaku-fort een commissaris voor Ontwikkeling (kaitakushi 開拓使) aanstelde, die belast werd met de ontwikkeling van Hokkaidō en Sachalin. Hierdoor ontstond een nieuw grensgeschil omtrent Sachalin. Geplaagd door financiële problemen, maar zeker ook onder zachte dwang van de Verenigde Staten en Engeland, volgde de Japanse regering het advies van de commissaris voor Ontwikkeling, Kuroda Kiyotaka 黒田清隆(1840-1900) om Sachalin aan de Russen af te staan. In 1874 vertrok een delegatie van onderhandelaars naar Rusland om de zaak op te lossen. In 1875 werd het 'Verdrag over de Ruil van de Koerilen tegen Sachalin' (Chishima Karafuto kōkan jōyaku 千島樺太交換条約) gesloten. De Koerilen werden Japans en Sachalin Russisch.

Het Korea-dispuut: Seikan-ron 征韓論

Zie Seikan Ron voor het hoofdartikel

Tafereel van de Seikanron, met in het midden Saigō Takamori

Nadat Japan was gedwongen zijn isolement op te geven, bleef Korea een van de buitenwereld geïsoleerd land. De laatste diplomatieke delegatie van Korea naar Japan dateerde van 1811. Japan, dat zich wellicht reeds meer ontwikkeld voelde en een bevoorrecht plaatsje nastreefde, verzocht reeds in 1870 om vriendschappelijke relaties aan te knopen. Het verzoek werd afgewezen door de vader van de Koreaanse koning, de daiinkun 大院君. Het gevolg was dat reeds vroeg in de Meiji-periode, deels met de bedoeling de verongelijkte samurai een uitlaatklep te bieden buiten het moederland, de theorie opgang maakte dat Japan zijn invloed en autoriteit buiten zijn eigen grenzen en met name in Korea moest laten gelden. Een van de voorstanders van deze visie was Kido Takayoshi. Het politieke debat omtrent een militaire campagne tegen Korea heet Seikan-ron 征韓論. Toen in 1873 de minister van Buitenlandse Zaken, Soejima Taneomi, nog eens aandrong op het aanknopen van betrekkingen en de Koreanen andermaal het verzoek afwezen omdat Japan een 'wetteloos land' (muhō no kuni 無法の国) was, was dit olie op het vuur. Itagaki Taisuke, Gotō Shōjirō, ōkuma Shigenobu, Etō Shinpei en nog enkele andere samurai en raadsleden van de centrale overheid, vooral afkomstig uit Tosa en Hizen, besloten in het geheim Saigō Takamori als gevolmachtigd onderhandelaar naar Korea te sturen, in theorie om een laatste onderhandelingsronde te voeren, maar in feite om de Koreanen te provoceren tot het gebruik van militair geweld. Hun hoop was het op die manier het sussende beleid ten aanzien van Korea van de door de Satsuma- en Chōshū-kliek beheerste regering te doorkruisen en een nationale consensus te smeden rond het Koreaanse probleem. Omdat op dit ogenblik de voornaamste politici uit de Satsuma en Chōshū met de Iwakura-missie in het buitenland vertoefden (zie hoger), leek dit plan een kans op slagen te maken. De delegatie kwam evenwel in september 1873 naar Japan terug. De regering raakte al snel diep verscheurd in twee kampen, de 'thuisblijvers'(rusu-ha 留守派) en de 'buitenlandvaarders' (gaiyū-ha 外遊派). De eersten wensten Korea aan te vallen, de anderen het binnenlandse bestuur te consolideren. Anti-Koreaanse gevoelens waren zeker ook te vinden bij de tweede groep, maar de discussie ging over prioriteiten en evolueerde al snel tot een krachtmeting tussen de toonaangevende han. Uiteindelijk won de visie van Satsuma en Chōshū het van Tosa en Hizen en de Korea-invasie werd van de agenda gevoerd. Een aantal vooraanstaande politici, waaronder de charismatische Saigō Takamori, besloten zich uit de politiek terug te trekken en terug te keren naar hun thuisland. Dit betekende voor de Meiji-regering de eerste grote scheur in de nationale eenheid. In de regering werd Ōkubo Toshimichi nu de sterke man.

De ontsluiting van Korea

Tekenen van het Ganghwa-verdrag

Ook na het beslechten van het Korea-dispuut probeerde de Japanse regering regelmatig de Koreanen tot inschikkelijkheid te bewegen, tot ze uiteindelijk kon profiteren van een politieke beweging in Korea die de grenzen wou openstellen. In september 1875 werd een Japans oorlogsschip gestuurd naar het estuarium van de Han-rivier. Daar lag een fort op een klein eiland Kanghwa-do (Kōka-tō 江華島 in het Japans). Op provocerende manoeuvre van het schip reageerden de Koreanen met kanonvuur. Daarop veroverden de Japanners het fort. Dit Kanghwa-do incident werd de aanleiding om een onderhandelingsmissie, onder leiding van Kuroda Kiyotaka, naar Korea te sturen, die uitdraaide op een militaire opmars naar de Koreaanse hoofdstad. Daardoor werd Korea verplicht een Ongelijk Verdrag af te sluiten, het Kōka jōyaku 江華条約 of Nit-Chō shūkō jōki 日朝修好条規. De belangrijkste bepalingen waren de volgende: in principe werd Korea een onafhankelijk en neutraal land. Japan verloste Korea van zijn tribuutrelatie met China. Pusan, Inch'ôn en Wônsan werden havens toegankelijk voor de Japanse handel. Diplomatieke relaties werden aangeknoopt en consuls uitgewisseld. In de geopende havens kwamen consulaten en handelsmissies. Dit was duidelijk een Ongelijk Verdrag, zoals Japan er zelf amper vijftien jaar eerder had moeten slikken. Het lag aan de basis van de verdere Japanse inmenging in Korea.

De relaties met China

Na de val van het Edo-bakufu wilde het nieuwe bewind met China officiële betrekkingen aanknopen. Date Munenari 伊達宗城 en Yanagihara Sakimitsu 柳原前光 werden afgevaardigd als gevolmachtigde onderhandelaars. De bedoeling was ook hier een voordelig verdrag af te sluiten, maar Japan had de politieke behendigheid en de militaire macht van China onderschat. In 1871 sloot de delegatie te Tiānjīn 天津 een vrijwel rechtvaardige overeenkomst met de Chinese onderhandelaar Li Hóngzhāng (Ri Kōshō 李鴻章 in het Japans). Dit Nis-Shin shūkō jōki 日清修好条規 bepaalde onder meer:

  • beide landen zouden havens openstellen voor de handel;
  • burgers bleven onder de jurisdictie van het moederland (in Korea gold dit alleen voor de Japanners).

Ondanks dit goede, althans gelijkwaardige, verdrag ontstonden later geschillen met China aangaande Taiwan (Formosa), de Ryūkyū-eilanden en Korea.

In 1871 leden enkele inwoners van de Ryūkyū-eilanden schipbreuk op Taiwan en werden er vermoord. Op het Japanse protest wees China elke verantwoordelijkheid van de hand door te verklaren dat Taiwan niet kon gerekend worden tot de Chinese beschaafde wereld (kagai no chi 化外の地), ondanks de soevereiniteit van China over het eiland. In 1873 overkwam een schip uit Okayama hetzelfde. Hierop ondernam Saigō Tsugumichi, luitenant-generaal van het Japanse landleger, een invasie met een leger van 3.650 soldaten, hoofdzakelijk afkomstig van het fort van Kumamoto. Hij deed dat tegen de aarzeling van de centrale overheid in, die internationale verwikkelingen vreesde. De bezetting leidde bijna tot een Japans-Chinese oorlog. Om dat gevaar te bezweren, onderhandelde Ōkubo Toshimichi als gevolmachtigd minister met de Chinezen. Mede dankzij de bemiddeling van de Britse ambassadeur in China, Wade, sleepten de Japanners een grote diplomatieke overwinning in de wacht. De Chinezen gaven Japan gelijk, beloofden smartgeld te betalen voor de vermoorde schipbreukelingen en een schadeloosstelling voor de militaire onkosten.

Aan het einde van de Edo-periode viel de Ryūkyū-archipel onder de gedeelde soevereiniteit van China en Japan. De nieuwe overheid wilde aan deze dubbelzinnige status een einde maken. Bij het afschaffen van de han werd aan de autoriteiten van Kagoshima gevraagd een onderzoek in te stellen naar de situatie op de Ryūkyū en in oktober 1872 werd van deze eilanden een Japanse provincie gemaakt onder direct beheer van Kagoshima. De Chinezen erkenden deze annexatie niet. De zaak bleef een diplomatiek twistpunt, tot Japan in 1874 als onderdeel van de militaire campagne tegen Taiwan de Ryūkyū onder rechtstreekse voogdij van het ministerie van Binnenlandse Zaken bracht. In 1879 stuurde Japan er weer troepen naartoe en doopte het gebied om tot de prefectuur Okinawa. Via ex-president Ulysses Grant trachtten de Verenigde Staten tevergeefs te bemiddelen. Pas in 1894, na de overwinning in de Sino-Japanse Oorlog, werd Okinawa formeel door China erkend als Japans grondgebied. In 1871 werd de vroegere koning van de Ryūkyū, Shōtai 尚泰, verplicht zich in Tōkyō te vestigen, waar hij wel de prerogatieven van de adel genoot. Bewegingen voor zelfstandigheid van de eilanden, zoals die van Jahana Noboru 謝花昇, werden neergeslagen. Het probleem kreeg pas in 1920 een definitieve, voor Japan bevredigende, oplossing, toen in Okinawa de grondbelasting werd ingevoerd en het recht op parlementaire vertegenwoordiging werd erkend.

De Ogasawara-eilanden worden officieel Japans

Deze archipel is in het Westen bekend als de Bonin-eilanden. 'Bonin' is afgeleid van het Japans bunin 無人, wat onbewoond betekent. Naar het schijnt werd de archipel ontdekt door ene Ogasawara Sadayori 小笠原貞頼(?-1625). Het bakufu had geen belangstelling voor deze onherbergzame eilanden. In 1830 werden ze geprospecteerd en Perry heeft ze waarschijnlijk aangedaan op zijn tocht naar Japan. Geen land deed moeite om er zijn vlag te planten. Toen Japan in 1876 de Britten en de Amerikanen ervan op de hoogte bracht dat het deze eilanden als Japans grondgebied beschouwde, kwam hierop geen reactie. Zo werden deze eilanden vanzelf Japans grondgebied.

Financiële en economische hervormingen

Financiële en economische hervormingen

Leidraad

Niet alleen de creatie van een gecentraliseerde politieke structuur, maar evenzeer de modernisering van de economie plaatste de nieuwe regering voor een enorme opgave. Door een hervorming van de grondbelasting zorgde de overheid voor stabiele inkomsten. Daarnaast trof ze maatregelen om een modern kapitalisme te ontwikkelen. Zij zorgde voor aangepaste bestuurlijke instellingen, maakte het muntstelsel één, en moderniseerde de transport- en communicatiemiddelen. In verband met de Seinan-rebellie gaf ze te veel papiergeld uit, waardoor een enorme inflatie ontstond. De drastische ingrepen van de regering om de inflatie te bestrijden, zorgden dan weer voor een deflatie. Om de verliezen die zo gemaakt werden te dekken, ging de regering over tot het privatiseren van overheidsbedrijven. De verkoop van deze bedrijven zorgde voor een nauwe band tussen handelaars, industriëlen en overheid. Dit alles ging ten koste van de landbouw, waarin maar weinig geïnvesteerd werd.

Hervorming van de grondbelasting en boerenopstanden

Het opdoeken van het oude bakufu-han-stelsel leidde tot een hervorming van het grondbezit en van de grondbelastingen. De weerslag hiervan was groot, zowel op de modernisering van de economie, als op de levensstandaard van de boerenbevolking, die zeer zware lasten te torsen kreeg. Frequente opstanden waren er het gevolg van.

Hervorming van de grondbelasting

De jaarlijkse belasting waarop de overheid recht had, volstond niet om haar grote uitgaven te dekken. Bovendien verliep de inning volgens feodale methoden, die geen rekening hielden met de opbrengst van de oogst. Verscheidene alternatieven werden overwogen om tot stabielere inkomsten te komen. Uit de vele voorstellen om het grondbezit te liberaliseren, koos men in 1871 het chiken 地券-systeem. Dit waren certificaten waarmee de grondeigenaars hun eigendomsrecht konden bewijzen. In 1871 werd de Tahata eitai baibai no kinrei 田畑永代売買禁令 afgeschaft, een wet die van kracht was sedert het begin van de Tokugawa-periode en die de koop en verkoop van grond voor altijd verbood. Voortaan kon grond vrij gekocht en verkocht worden, weliswaar via een ingewikkeld systeem van opbod, dat door de overheid werd gecontroleerd. Het systeem was niet waterdicht en werd al snel afgeschaft. In 1871 werd er een definitieve grondbelastinghervorming doorgevoerd, die de grenzen van de lokale overheid precies omschreef. Deze Chiso kaisei jōrei 地租改正条例 bepaalde onder meer het volgende:

  • De aanslagbasis was niet langer de geschatte opbrengst, maar de grondprijs.
  • De aanslagvoet werden vastgelegd op 3 procent en schommelde niet meer mee met de voorspoedige of rampspoedige oogsten.
  • Belastingen moesten in klinkende munt betaald worden en niet langer in natura.
  • De grondeigenaar werd belastingplichtig en niet langer de pachter of de feitelijke gebruiker van het land.
  • De regionale grondbelasting mocht niet meer dan een derde van de opbrengst bedragen.

De wet bleef vrijwel zonder gevolg, totdat een bureau werd opgericht, de Chiso kaisei jimu-kyoku 地租改正事務局, dat erop toe diende te zien dat er adequate belastinginspecties kwamen (het werd opgeheven in 1881). Na veelvuldige boerenopstanden werd de aanslagvoet teruggeschroefd tot 2,5 procent. Uit de grondbelasting kon de regering nu op betrekkelijk stabiele wijze 80 procent van haar inkomsten betrekken. De relaties tussen eigenaar en pachter werden er echter niet beter op. De belastingen werden gewoon doorgerekend naar de pachter, zonder dat de traditionele vorderingen verlicht werden. Toen de rijstprijzen stegen, werden de winsten voor de grondeigenaars enorm. Binnen de boerenklasse groeide de kloof tussen de rijke eigenaars en de arme pachters. Alle voordelen van de nieuwe wetten kwamen de eigenaars ten goede.

Boerenopstanden

Al kunnen we niet beweren dat de overheid het boerenbedrijf veronachtzaamde, de egoïstische toepassing van de nieuwe wetten door de grondeigenaars leidde in elk geval tot een verslechtering van de levensstandaard der boeren. Het naasten door de overheid van de gronden van collectief nut, de iriaichi 入会地, was de druppel die de emmer deed overlopen. Deze gemene gronden waren betrekkelijk waardeloze terreinen, waar elke familie van de gemeenschap wel gratis brandhout, mest, water, ... kon vinden. De nationalisering was een ramp voor de kleine boeren en landarbeiders. Op korte termijn breidde de overheid haar grondbezit spectaculair uit. Bij het begin van de Meiji-periode waren nauwelijks twee procent van het grondgebied staatsgrond, in 1881 was dat al 31 procent, en in 1890 maar liefst 63 procent. De vele belastende maatregelen, (dienstplicht, belastingen, dwingelandij van grondeigenaars) gaven aanleiding tot verspreide opstanden, die weinig gecoördineerd verliepen en meestal tegen de verkeerde gezagsdragers gericht waren, zodat ze nooit de stabiliteit van het nieuwe regime bedreigden. In 1869 beleefde men het grootste aantal opstanden, 42 in totaal, nadien namen ze af tot in 1876 een opstand zich verspreidde vanuit Ibaraki en Mie naar andere prefecturen waaronder Nara, Gifu en Aichi. De voornaamste eis, een verlaging van de belastingdruk, werd uiteindelijk ingewilligd, zoals hoger beschreven.

Invoering van het moderne kapitalisme

Naast de centralisering van de politieke macht was het stimuleren van handel en nijverheid (shokusan kōgyō 殖産興業) een topprioriteit voor de nieuwe overheid. Een welvarend land met een sterk leger was immers haar doelstelling. Aanmoedigingspremies en andere overheidsinitiatieven waren erop gericht om de feodale industriële structuren te vervangen en de slappe ondernemingslust aan te moedigen. Aldus ontstond in Japan een modern kapitalisme onder bescherming van de overheid. Haar maatregelen wierpen vruchten af. Her en der ontstonden door de overheid geleide fabrieken, een modern transport- en wegennet, een modern bankwezen, ...

Afschaffing van feodale economische structuren

Feodale instellingen, die een vrije nationale distributie en communicatie in de weg stonden, werden radicaal afgeschaft. Zo verdwenen alle privileges van de gilden en geldschieters (kabu-nakama 株仲間), evenals de handelsmonopolies van de han, op grond van een voorstel van Yuri Kimimasa in 1868, dat bekend is als de shōhō taii 商法大意('krachtlijnen van het handelswezen'). In 1872 kregen boeren, edelen en samurai het recht handel te drijven. Uiteindelijk werden in 1871 en 1872 de belemmeringen in verband met de teeltkeuze en de vrije verkoop van grond opgeheven.

Overheidsinstellingen die de economische ontwikkeling begeleiden

Reeds in het voorjaar van 1868 richtte de regering het shōhōshi 商法司 op, een overheidsdienst die de afschaffing van de feodale economische structuren moest uitvoeren. Begin 1869 werd deze dienst omgedoopt tot tsūsōshi 通商司en kwam zij onder de voogdij van Ōkubo Toshimichi. Onder zijn leiding werd de greep van de overheid op handel, distributie en distributiekanalen geïnstitutionaliseerd. Er ontstond een kliek van machtige industriëlen die in nauwe samenwerking met de overheid de industriële en mercantiele politiek zou uitstippelen en uitvoeren. Zij staan bekend als de 'politieke handelaars' (seishō 政商). In 1870 werd deze instelling opgeslorpt door het pas opgerichte ministerie voor Industrie. Het verdere beleid tot stimulering van handel en nijverheid werd toevertrouwd aan Itō Hirobumi, de allereerste minister van Industrie.

Overheidsbedrijven

Naast de invoer van westerse machines en technieken en de modernisering van de voormalige han- en bakufu-bedrijven (bijvoorbeeld de mijnen van Sado, Ikuno, Miyake; de scheepswerven van Yokosuka, Hyōgo, Nagasaki; de munitiefabriek van Meguro; de fabrieken van legermateriaal in Ōsaka en Tōkyō; de spinnerijen van Sakai, ...) richtte de overheid met de opbrengst van de landbouwbelastingen modelfabrieken op. De bedoeling was op lange termijn de afhankelijkheid van de import te verminderen, de steeds groeiende buitenlandse schulden terug te dringen en te ontkomen aan de situatie van een halve kolonie. Deze modelfabrieken waren geconcentreerd in de textiel- en de militaire sector. Wegens het ontbreken van technische knowhow deed men in het begin intensief beroep op westerse specialisten, terwijl aan briljante jonge elementen studiereizen en studiebeurzen voor het buitenland werden aangeboden.

Landbouwschool van Sapporo in 1880

De overheid bleef aandacht besteden aan haar voornaamste bron van inkomsten, de landbouw. Grote aandacht ging naar de ontwikkeling van Hokkaidō, waarbij zeker ook militair-strategische motieven meespeelden. In 1869 reeds werd een commissaris voor Ontwikkeling aangesteld. Kuroda Kiyotaka (zie hoger) liet extensieve landbouwmethodes uit Amerika invoeren. De Amerikaan Horace Capron(1804- 1885) werd uitgenodigd om in Sapporo een landbouwschool op te richten om de nieuwe technieken te onderwijzen, de Sapporo Gakkō 札幌学校. Hieruit groeide later de universiteit van Hokkaidō. Bij deze enorme inspanningen en investeringen om Hokkaido te 'nipponiseren', werd zoveel mogelijk beroep gedaan op een kolonistenleger (tonden-hei 屯田兵) van werkloze ex-samurai. Zij werden vooral ingezet in politionele functies en bij het werk op experimentele landbouwstations.

Een modern bank- en financiewezen

De hervorming van het monetaire stelsel verliep als volgt. Op het einde van de Edo-periode waren er drie officiële speciën: goud (kin 金), zilver (gin 銀), en sen of zeni 銭, een honderdste van een yen. Daarnaast bestonden er nog meer dan 1.800 lokale munten die door de han werden uitgegeven, zowel van metaal als van papier. Na de openstelling van de grenzen raakten ook westerse munten in omloop. Er was dus geen sprake van een eenvormig en overzichtelijk muntstelsel. In 1868 besloot de overheid de lokale muntstelsels af te schaffen en nieuw papiergeld met gouddekking uit te geven, de dajōkan-satsu 太政官札('kanseliersbiljetten') genoemd. In 1871 werd het bureau voor de Munt afgeschaft en werd een nieuwe Munt opgericht, de Zōheikyoku 造幣局, die al snel een nieuwe naam kreeg : Zōheiryō 造幣寮. Twee jaar later werd ook in Ōsaka een munt geopend, waar yen 円, sen 銭 en rin 厘 werden geslagen, met waarden volgens het tiendelige stelsel. Op voorstel van Itō Hirobumi, die dit tijdens zijn verblijf in de Verenigde Staten had gemerkt, werd een nieuwe wet uitgevaardigd, de Shinka jōrei 新貨条例, die bepaalde dat alle munten gouddekking moesten hebben. Men slaagde daar pas in 1897 volledig in. Op een goede tien jaar tijd werd het nieuwe papiergeld in omloop gebracht en werden alle oude gouden en zilveren munten ingehouden.

10 Yen-biljet uit 1873

Als onderdeel van de reorganisatie van het financiewezen richtte de overheid in 1869 wisselkantoren op (kawase-gaisha 為替会社), waar spaarrekeningen, uitgifte van papiergeld, wisselverrichtingen en geld wisselen tot de opdrachten behoorden. Omdat dit systeem weinig gecentraliseerd was, ging de overheid in 1872 over tot het oprichten van een Nationale Bank, op basis van de wet op de Nationale Bank, de Kokuritsu Ginkō jōrei 国立銀行条例. Er kwam een grote centrale bank met vier filialen. In 1876 werd die wet aangevuld, zodat het aantal filialen kon uitgebreid worden en privébanken opgericht konden worden. De bekendste daarvan is de Mitsui-bank 三井銀行. Tegen 1879 waren er in Japan reeds 153 banken.

Ontwikkeling van transport en wegennet

In 1869 werd tussen Tōkyō en Yokohama de eerste telegraafverbinding tot stand gebracht. Van hieruit werd een nationaal netwerk uitgebouwd. Op initiatief van Maejima Hisoka 前島密(1835-1919), een geleerde die in Europa het post- en bankwezen had bestudeerd, werd tevens een postwezen naar westers model ingevoerd. Vanaf maart 1871 bestonden er regelmatige postverbindingen tussen Tōkyō, Ōsaka en Kyōto. Een jaar later bestreken de posterijen reeds heel Japan. In 1877 trad Japan toe tot de Internationale Postunie. Verzet vanwege oude vervoersmaatschappijen en koeriersdiensten vermocht niets tegen het efficiënte nationale postwezen.

In september 1872 reed tussen Yokohama en Tōkyō de eerste trein. In 1874 werd de spoorlijn tussen Ōsaka en Kōbe, in 1877 die tussen Kyōto en Ōsaka en in 1889 de hele Tōkaidō-route geopend. In 1882 werd in Tōkyō een paardentramdienst ingelegd, die vooral vanaf 1900 bijzonder populair werd, mede omwille van de gunstige tarieven. Toen vanaf 1904 de trams elektrisch werden aangedreven, verdwenen de paardentrams. In Kyōto reden reeds in 1895 elektrische trams.

De ontwikkeling van privéondernemingen

De opbloei van de privéondernemingen vanaf 1877 was een rechtstreeks gevolg van de inflatie en de maatregelen die de overheid daartegen trof. De overheid voerde een strikt uitgavenbeleid en verkocht een aantal modeloverheidsbedrijven voor een prikje. Zij kwamen in handen van de industriëlen die nauwe banden met de overheid onderhielden (seishō 政商). In deze periode ontstonden de machtige financiële monopolies die bekend zijn onder de naam zaibatsu 財閥.

Aanzwellende inflatie

Zoals hoger aangegeven, had de overheid enorme bedragen uitgegeven om haar beleid te realiseren. Bovendien had de nationale bank teveel niet-converteerbaar papiergeld uitgegeven. Vooral na de Seinan-rebellie werd Japan geconfronteerd met een enorme inflatie. Mede door de daling van de export zorgde ze voor grote financiële problemen voor de overheid en grote prijsstijgingen.

Het soberheidsbeleid van Matsukata Masayoshi

Matsukata Masayoshi

De minister van Financiën, Matsukata Masayoshi 松方正義(1835-1924) voerde een streng soberheidsbeleid. Hij verhoogde de belastingen en zette de hakbijl in de overheidsuitgaven. Voorts ontwierp hij een volledig door de overheid gecontroleerde centrale bank, de Bank van Japan (Nippon Ginkō 日本銀行), die als enige het recht had geld uit te geven en die al het niet converteerbare in omloop zijnde papiergeld moest inzamelen.

Resultaten van het Matsukata-beleid

De prijzen stabiliseerden zich, de uitvoer nam weer toe en het metaalgeld groeide in belang en hoeveelheid. Bovendien werd na de oprichting van de Bank van Japan de vroegere Nationale Bank geprivatiseerd. In 1899 ging ze bankroet. Door het strakke overheidsbeleid brak er nu een periode van deflatie aan, bekend als de Matsukata-deflatie. De daaraan inherente prijsdalingen veroorzaakten het faillissement van talloze kleine ondernemingen, terwijl ook op het platteland de tegenstellingen tussen arm en rijk toenamen. Kleine eigenaars konden de belastingen niet meer betalen en zagen zich genoodzaakt hun gronden te verkopen, terwijl de grootgrondbezitters hun eigendom konden uitbreiden met relatief goedkope gronden.

Privatisering van de modelfabrieken

Om een gezond financieel beleid te voeren, besloot de overheid de modelfabrieken te privatiseren. Vanaf 1884 werden ze een na een overgelaten aan de seishō. Daar al deze bedrijven, behalve de militaire toeleveringsbedrijven, verlieslatend waren, werden ze tegen gunstige voorwaarden van de hand gedaan. Omdat ze weinig investeringen vergden, leverden de meeste van deze bedrijven, eenmaal in privéhanden, snel winst op. Zo groeide het privékapitalisme spectaculair.

Groei der privéondernemingen

Spoorwegen in 1885

Naarmate de overheid privatiseerde, groeide de appetijt bij de privéondernemers tot uitbreiding en modernisering. De hervorming van het financiewezen, de mogelijkheid om te lenen van de staat, de goedkope arbeidskrachten (vooral verarmde boeren), het stimulerend beleid van de overheid en de toename van de technische mogelijkheden, schiepen de voorwaarden voor een grote bloei van de privéondernemingen. In 1873 ontstond de eerste grote privéonderneming, de Katakura-spinnerij, in 1874 de suikerraffinaderij van Ōsaka, in 1875 een weefgetouwenfabriek, ... De Japanse Spoorwegmaatschappij (Nippon Tetsudō-gaisha日本鉄道会社) begon winst te maken vanaf 1881. Het bedrijf was opgericht door de uitgifte van obligaties, gefinancierd door kazoku en shizoku. Privéspoorwegen waren erg in trek bij privé-investeerders. In 1891 opende deze Japanse Spoorwegmaatschappij een lijn tussen Tōkyō en Aomori en in 1901 opende de San'yō Tetsudō-gaisha 山陽鉄道会社 een lijn tussen Kōbe en Shimonoseki.

Iwasaki Yataro 岩崎弥太郎 uit Tosa stichtte in 1870 een firma voor zeetransport en scheepvaart, de Tsukumo Shōkai 九上商会, die in 1873 werd herdoopt tot de Mitsubishi Shōkai 三菱商会. In 1875 richtte hij de Mitsubishi-stoomvaartmaatschappij op die onder de bescherming van de overheid een grote bloei kende. Onder de vorm van een 50-50-participatie richtten Mitsui 三井en de overheid een concurrerende transportmaatschappij op, die ervoor zorgde dat de prijzen sterk gingen dalen. Tegen 1885 zaten beide maatschappijen diep in de rode cijfers en werden ze na overheidsbemiddeling gedwongen te fuseren. Zo ontstond de Japanse Pakketbootmaatschappij (Nippon Yūsengaisha 日本郵船会社). In de Kansai-streek fuseerden een aantal kleine bedrijfjes die het transport in de Japanse Binnenzee verzorgden tot de Ōsaka Shōsen Kaisha 大阪商船会社.

Import van Westerse levensstijl

Import van westerse levensstijl

Leidraad

De actieve vergaring van kennis over het Westen, gebeurde onder het motto Bunmei Kaika 文明開化 ('Beschaving en Verlichting'). Het strekte zich over alle mogelijke domeinen van het leven uit: kleding, voeding, en levensstijl. Het dagelijkse leven ging steeds meer westerse trekjes vertonen. Er kwam een uitgebreid algemeen onderwijsnet en er werden allerlei soorten scholen opgericht. Ook op straat legde men grote belangstelling aan de dag voor het westerse denken. De publicatie van kranten en tijdschriften had een grote invloed op de levensstijl. Naarmate de kennis van het Westen toenam, ontstonden er echter ook negatieve tendensen. De overheid begon steeds meer kenmerken te vertonen van een door enkele voormalige han beheerste oligarchie en onderdrukte bepaalde westerse invloeden. Zij bezondigde zich aan indoctrinatie, hetgeen een volledige emancipatie van het volk in de weg stond.

Overname van westerse voorbeelden

De overheid verzamelde actief zoveel mogelijk westerse kennis via voorwerpen en boeken, met het doel het volk te onderwijzen. Alleen via een breed onderwijs van het volk kon de basis gelegd worden voor het uitbouwen van een 'rijk land en een sterk leger'. De positieve ingesteldheid van de overheid bevorderde dus zeker de verspreiding van westerse kennis. Aanvankelijk ging het wel eens om kritiekloze nieuwlichterij, en Tokio nam daarin het voortouw. Toch verbeterde de levensstandaard, en nam de kennis van begrippen als sociale gelijkheid en dergelijke toe. Dit laatste werd echter niet aangemoedigd door de overheid en zou het voorwerp worden van een hardnekkige repressie. Op enkele jaren tijd verspreidde zich de westerse stijl in kleding, schoeisel, hoeden, paraplu's, enz. Aan het einde van het bakufuwaren reeds westerse uniformen ingevoerd om te tonen hoe een efficiënt leger eruit moest zien en van 1872 af werd westerse kledij verplicht in de ambtenarij. Ook in de eetgewoonten vond een revolutie plaats: melk, rundvlees, brood en bier waren tot dan vrijwel onbekend en werden nu normale voedingswaren. Sukiyaki すき焼き werd een Japanse delicatesse, terwijl westerse restaurants en theehuizen (kissaten 喫茶店 ) als paddenstoelen uit de grond schoten. De leefgewoonten werden aangepast: er verschenen bakstenen gebouwen, tafels en stoelen, gaslantaarns op Ginza 銀座 (1872), elektrische stadsverlichting (1882). In de sector van het vervoer werden jinrikisha 人力車, paardentrams, fietsen, elektrische en stoomtrams symbolen van de vooruitgang.

In 1871 stond de overheid aan alle burgers toe hun haar naar eigen goeddunken te knippen, ook in de samurai-stijl (chonmage丁髷). Het dragen van zwaarden in het publiek werd verboden. Deze maatregel werd vrijwel niet opgevolgd, omdat er geen straf op overtreding stond. Daarom werd in 1876 het Haitō Rei 廃刀令 (Decreet op de afschaffing van de zwaarddracht) uitgevaardigd en werd het verbod bindend. De samurai-stijl raakte in onbruik en de westerse snit werd zeer populair.

De maankalender werd afgeschaft en voortaan berekende men de kalender naar westerse wijze op basis van de zonnestand. 3 december in het vijfde jaar van Meiji werd uitgeroepen tot 1 januari van het zesde jaar van Meiji (1873), samenvallend met 1 januari elders in de wereld. Tegelijkertijd werd de dagindeling in 24 uren in gebruik genomen en werd in de administratie de zondag een verplichte rustdag.

Veronachtzaming van de autochtone culturele erfenis

De keerzijde van deze enthousiaste modernisering naar westers voorbeeld was een totale verwaarlozing van de eigen culturele en artistieke tradities, die met achterlijkheid geassocieerd werden. De vijf verdiepingen tellende pagode van de Kōfukuji-tempel in Nara werd zelfs voor 25 yen te koop aangeboden. Alleen omdat de kosten voor afbraak en transport te hoog lagen, werd er geen koper gevonden. Japanse prenten (ukiyo-e 浮世絵) waren veel lichter en handiger, zodat talloze meesterwerkjes naar het buitenland verdwenen. Vele kunstenaars schakelden over op westerse technieken. Zo kende bijvoorbeeld de Brit Charles Wirgman (1834-1891) veel navolging met zijn olie- en waterverfschilderijen. Toch was er geen sprake van een volkomen verwerping van de traditionele kunst. In het begin van de Meiji-periode beleefde het ukiyo-e genre bijvoorbeeld nog een bloeiperiode, omdat de populairste meesters met de nieuwe technieken experimenteerden. Geleidelijk ontworstelden de kunstenaars zich nu ook aan de beperkingen van het traditionele gildesysteem. Tot dan was het gebruikelijk dat een aspirant-kunstenaar als leerjongen in een atelier in de leer ging en daar enkel de werken van de meesters van de school leidde ook tot een zekere verstarring. In de Meiji-periode kwamen nu ook artiesten aan bod die een ander traject volgden: sommigen waren autodidact, anderen gingen in meerdere scholen "shoppen" en verwerkten diverse stijlen in hun werken. Zo slaagden de traditionele kunsten erin om in de vloedgolf van westerse elementen stand te houden en zich van binnenuit te vernieuwen of te heruitvinden. De bekendste voorbeelden hiervan zijn Kobayashi Kiyochika (1847-1915), een autodidact, en Kawanabe Kyōsai (1831-1889), die onderricht werd in de traditie van de Kanō-school, maar ook een tweetal jaar bij de grootmeester van de ukiyo-e Utagawa Kuniyoshi (1798-1861) in de leer was geweest. Tsukioka Yoshitoshi (1839-1892), Kuniyoshi's beroemde leerling, ging ook over het muurtje kijken: hij volgde lessen bij Kobayashi Eitaku en bestudeerde eveneens de westerse schilderkunst.

Het onderwijs

Algemene leerplicht

In 1872 werd aan het pas opgerichte ministerie van Onderwijs door een groep geleerden, geleid door Mitsukuri Rinshō 箕作麟祥, een ex-vazal van de shōgun, een Fundamenteel Decreet op het onderwijs, de Gakusei 学制, opgesteld. De wet had tot doel de volledige ontplooiing van het individu, de gelijkheid van de burgers, en gelijke kansen voor iedereen te waarborgen en stelde voor de algemene leerplicht in te voeren. Het Franse systeem lag aan de basis van de indeling van het onderwijsnet. Het land werd opgedeeld in acht departementen, elk met een universiteit. Onder deze universiteit stonden 32 middelbare scholen, in elk district één, en onder elke middelbare school dan weer 210 lagere scholen. Omwille van de financiële nood werd het volledige plan nooit uitgevoerd. Als schoolboeken werd er veel gebruik gemaakt van vertaalde Amerikaanse boeken. Het onderwijs was niet gratis. Elk kind moest 50 zeni per maand betalen. Omdat dit voor de boeren een zware last was en zij bovendien in de oogsttijd arbeidskrachten verloren, kwamen zij her en der in opstand tegen de leerplicht.

De onderwijswet

Het onderwijsnet breidde zich niettemin snel uit en in 1873 bedroeg de deelname aan het onderwijs reeds 31 procent en in 1878 41 procent, al dient hierbij vermeld dat de cijfers sterk van regio tot regio uiteenlopen. Het gehele systeem werd in 1879 vervangen na de publicatie van een nieuw decreet op de opvoeding (Kyōiku Rei 教育令), ditmaal op het Amerikaanse systeem geïnspireerd. Het principe van de regionale autonomie inzake onderwijs werd ingevoerd, zodat een systeem kon uitgebouwd worden dat beter beantwoordde aan de specifieke noden van iedere streek. Deze beleidsoptie was ook geen lang leven beschoren. In 1880 werd in het 'Herziene Decreet op de opvoeding' (Kaisei Kyōiku Rei 改正教育令) opnieuw voor een centraal systeem geopteerd.

Stichting van vrije scholen en gespecialiseerde scholen

De overheid was echter niet bij machte een volledig onderwijsnet te financieren. Parallel met de oprichting van een officieel onderwijsnet ontstonden er ook tal van vrije scholen. In 1872 werd, onder toezicht van de overheid, een school voor de opleiding van leerkrachten gesticht, de Shihan Gakkō 師範学校, onder leiding van de Amerikaanse pedagoog Marion McCarrell Scott. Weldra kreeg ze filialen in alle prefecturen. In 1874 kwam er in Tokio een school voor de opleiding van onderwijzeressen en in 1886 een school voor de opleiding van leraars middelbaar onderwijs. Alle scholen voor hogere opleiding die bestonden op het einde van de Edo-periode fuseerden tot een universiteit, de Keizerlijke Universiteit van Tokio, met vier faculteiten: geneeskunde, rechten, literatuur en fysica.

De meest bekende privéscholen waren de Keiō Gijuku 慶応義塾, opgericht in 1868 door Fukuzawa Yukichi en tot universiteit gepromoveerd in 1903, de Tokio Senmon Gakkō 京専門学校, door Ōkuma Shigenobu gesticht en in 1903 omgevormd tot de Waseda-Universiteit 早稲田, de in 1875 door Niijima Jō 新島 襄 opgerichte Dōshisha Eigakkō 同志社英学校 , later omgedoopt tot Dōshisha-universiteit. De Amerikaanse pedagoog David Murray werkte als adviseur voor de Japanse overheid en bekommerde zich in het bijzonder om het onderwijs van vrouwen. De in Amerika afgestudeerde Tsuda Umeko (zie hoger) stichtte de Tsuda Eigaku-juku 津田英学塾en Naruse Jinzō 成瀬仁蔵 richtte de Nihon Joshi Daigaku 日本女子大学 op.

Filosofie en ideologie

Introductie van westerse wijsbegeerte

In de sfeer van 'Beschaving en Verlichting' (Bunmei Kaika 文明開化) werden de eerste filosofische werken uit het Westen in Japan geïntroduceerd. Aanvankelijk bestond er vooral belangstelling voor de Britse utilitaristen en de Franse republikeinen. Later breidde de interesse zich ook uit tot Amerikaanse humanisten en sociologen die zich inspireerden op het christelijke gedachtegoed, en het Duitse nationalisme. Het utilitaristische denken van Adam Smith, John Stuart Mill, Thomas Malthus en David Ricardo, voerde vrijheid (van het individu, in het economische initiatief, e.d.) hoog in het vaandel. Fukuzawa Yukichi (zie hoger) vertolkte dit gedachtegoed in werken als Seiyō jijō 西洋事情('De toestand in het Westen'), Gakumon no susume 学問のすすめ ('Een pleidooi voor de studie'), Bunmeiron no gairyaku 文明之概略('Een kort vertoog over beschaving'). Nakamura Masanao 中村正直(1832-1891) vertaalde On Liberty van J.S. Mill, en Taguchi Ukichi 田口卯吉(1855-1905), een uitmuntend economist en historicus die vrije handel en politieke burgerrechten voorstond, legde de basis van de moderne Japanse geschiedschrijving met zijn Nihon kaika shōshi 日本開化小史 ('Een korte geschiedenis van de verlichting van Japan'). De invloed van deze nieuwe ideologen droeg in grote mate bij tot het vervagen van het feodale denken.

Het gedachtegoed van Montesquieu, Voltaire, Rousseau, e.a. inzake de natuurlijke rechten van de mens werd in Japan ingevoerd door Katō Hiroyuki 加藤 弘之(1836-1916), rector van de Keizerlijke Universiteit van Tokio, in werken als Shinsei taii 真政大意('Essentie van de ware regering') en Kokutai shinron 国体新論 ('Een nieuwe theorie over de staat'), en door Itagaki Taisuke, Ōi Kentaro 大井健太郎(1843-1922) en Ueki Emori 植木諮(1857-1892). Vooral Le contrat social van J.J. Rousseau, door Nakae Chōmin 中江兆民 (1847-1901) vertaald als Min'yakuron 民約論 had een grote invloed op de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten, die de door enkele voormalige han gedomineerde oligarchie onder vuur zou nemen. De sociaal-humanistische ideologieën uit de Verenigde Staten, gebaseerd op de christelijke ethiek, werden in Japan verkondigd door Niijima Jō, de stichter van de Dōshisha Eigakkō. Ook de op de landbouwschool van Sapporo werkzame William S.Clark droeg hiertoe bij. Hij had een grote invloed op een van de eerste Japanse socialisten, Nishikawa Kōjirō 西川光二郎, en op een christelijk propagandist Uchimura Kanzō 内村 鑑三, die beiden navolgers kenden. Na het utilitarisme en de republikeinse denkbeelden raakte het Duitse nationalistische denken (Bismarck, Stein) in Japan bekend, en oefende een vrij grote invloed op het beleid en de administratie uit. Het was Katō Hiroyuki die vanaf 1876 essays en studies over deze denkrichting publiceerde.

De Meirokusha

Een groepering die een belangrijke rol speelde bij de verspreiding van westers gedachtegoed was de Meirokusha 明六社, een genootschap dat in 1873 werd gesticht door Mori Arinori 森有礼, een westersgezind politicus, die later door nationalisten werd vermoord om zijn opvattingen. In de verwarde periode van hevige debatten tussen conservatief-feodale opvattingen en westerse vernieuwing openden de leden van dit genootschap nieuwe wegen, zowel op politiek, economisch, pedagogisch, geschiedkundig als op natuurwetenschappelijk vlak. Coryfeeën van de Meirokusha waren de reeds vermeld Fukuzawa Yukichi, Nishi Amane 西 周, vertaler van Mills Utilitarianism, Mitsukuri Rinshō, Nishimura Shigeki 西村 茂樹(een ethicus), en Tsuda Mamichi 津田 真道. In 1874 begon deze groep met de publicatie van een tijdschrift Meiroku zasshi 明六雑誌, een blad dat het traditionele denken sterk bekritiseerde en het westerse liberalisme propageerde. Het blad was gematigd progressief, maar werd toch tegengewerkt door de overheid, zodat het in 1875 werd stopgezet. De groep bleef de facto nog bestaan tot 1879, maar hief toen zichzelf op.

Publicatie van kranten en tijdschriften

Op het einde van de bakufu-periode verscheen er een overheidskrant voor ambtenaren, de Kanpan Batabia Shinbun 官版バタビア新聞, eigenlijk een vertaling van de Javasche Courant. Daarnaast waren er enkele privé-initiatieven: het door een Nederlander uitgegeven Chūgai Zasshi 中外雑誌 en het eerste volledig Japanse tijdschrift Seiyō Zasshi 西洋雑誌 . Toen na de Meiji-Restauratie Motoki Shōzō 本木昌造 met losse karakters begon te drukken, en de overheid een staatsblad begon te publiceren, kwam er een stroom van publicaties op gang.

In 1870 werd de allereerste echte Japanse krant gepubliceerd: de Yokohama Mainichi Shinbun 横浜毎日新聞, in 1872 gevolgd door de regeringsgezinde Tokio Nichinichi Shinbun 東京日々新聞 onder de hoofdredactie van Fukuchi Gen'ichirō 福地源一郎(1841-1906), journalist en kunstkenner, die vele kabuki-spelen moderniseerde. In 1877 verscheen het satirisch ingestelde Maru maru chinbun 団団珍聞, dat herhaalde malen publicatieverbod kreeg. Vanaf 1879 begon in Osaka de Asahi Shinbun 朝日新聞 te verschijnen.

De journalistiek viel grosso modo in twee groepen uiteen: enerzijds de daishinbun 大新聞, het ernstige werk, waarin politieke en sociale problemen aan de orde waren, bedoeld om het volk in te lichten en op te voeden; anderzijds de shōshinbun 小新聞, journalistiek met een voornamelijk verstrooiende functie die het lokale nieuws en allerlei faits divers bracht. Haast alle journalisten werkten in die tijd zelfstandig. Uiteraard kwam er ook snel een uitgebreide waaier van gespecialiseerde en meer intellectuele publicaties, zoals Meiroku Zasshi, en kunst- en literatuurbladen, zoals Gakugei Shirin 学芸志林.

Godsdienst

Heropbloei van shintō

Onmiddellijk na de restauratie kwam er een heropbloei van shintō, zoals het gepropageerd werd door de Kokugaku-autoriteit Hirata Atsutane 平田 篤胤. Opvallende leerpunten waren de vergoddelijking van de keizer en de herwaardering van het unieke en heilig mythologische verleden van Japan. Al snel kreeg dit shintoïsme intolerante trekjes. Radicalen als Ōkuni Takamasa 大国隆正, Fukuba Bisei 福羽美静, Yano Harumichi 矢野玄道,e.a. zetten er de overheid toe aan de scheiding van boeddhisme en shintō te bevelen (1868) en de eenheid van politiek en de shintō-godsdienst af te kondigen (1870).

Naderhand plaatste de overheid inderdaad alle shintō-heiligdommen onder haar bescherming en verhief shintō tot staatsgodsdienst. De heiligdommen werden onderverdeeld in kanpei-sha 官幣社 en kokuhei-sha 国幣社, regionale en nationale heiligdommen. Naast dit door de overheid beschermde shintō, ontstonden ook nieuwe vormen van shintō, zoals de sekten Kurozumi-kyō 黒住教, Konkō-kyō 金光教 en Tenri-kyō 天理教.

Boeddhisme

De scheidingen van boeddhisme en shintoïsme door het jonge Meiji-bestuur betekende voor de boeddhistische kerk, die bijna drie eeuwen had genoten van een geprivilegieerde status, een zware klap. Het gewone volk maakte hiervan gebruik om zijn frustratie over eeuwen verdrukking onder het bakufu op de boeddhistische instellingen uit te werken. Er ontstond een ware beeldenstorm onder de leuze haibutsu-kishaku 廃仏毀釈 ('schaf het boeddhisme af, verwerp de leer van Shaka'). Tempels, beelden, relikwieën en soetra's moesten het ontgelden en zelfs geweldpleging jegens personen die met de boeddhistische zaak werden vereenzelvigd kwam veelvuldig voor. Deze vervolging werd de aanleiding voor een heroriëntering van het boeddhisme. Bonzen als Shimaji Mokurai 島地黙雷(1838-1911) trokken naar India op zoek naar de spirituele bronnen van het boeddhisme. Vooral dankzij zijn inspanningen behield het boeddhisme als geloof toch zijn centrale plaats in het religieuze leven. Andere geleerden die het boeddhisme filosofisch uitdiepten, waren Hara Tanzan 原坦山, Inoue Enryō 井上円了 en Nanjō Bun'yū 南條文雄. Inoue was een hevig nationalist, die zich ook tegen het christendom keerde met het verwijt dat het antiprogressief en antiwetenschappelijk was.

Het christendom

In de eerste jaren van de Meiji-periode bleef het christendom een verboden godsdienst en trad men tegen de christenen op, bijvoorbeeld tijdens de vervolging van Urakami. Tegen dit beleid kwam veel protest van buitenlandse mogendheden, zodat de overheid de verordeningen tegen het christendom in 1873 introk. Na de opheffing van het verbod op de prediking van het christendom kwamen er vele missionarissen van alle mogelijke strekkingen naar Japan. Zo ook de presbyteriaan James Hepburn, de uitvinder van het Hepburn-romanisatiesysteem, dat hij gebruikte om een Japans-Engels woordenboek samen te stellen. Vooral leerlingen van de landbouwschool van Sapporo (zie hoger) en van de Kumamoto Yōgakkō 熊本洋学校 kwamen sterk onder de invloed van hun buitenlandse leraars en zouden op hun beurt een rol gaan spelen bij het uitdragen van de christelijke idealen.

Kunst en literatuur

In het begin van de Meiji-periode stimuleerde de geest van Bunmei Kaika 文明開化 en van de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten een, zij het oppervlakkige, belangstelling voor westerse kunst en literatuur. Ze was niet voldoende geïnspireerd om een echt interessante ontwikkeling op gang te brengen.

Literatuur

De klemtoon lag zeker op de politieke en sociale veranderingen. In de literatuur verschenen er vele politieke romans en vele vertalingen van westerse literatuur. De literaire waarde van deze werken was meestal gering. De meeste vroege vertalingen zijn belabberd, zowel qua keuze als qua stijl. De bekendste en productiefste auteur was Kanagaki Robun 仮名垣魯文(1829-1894), schrijver van onder andere Agura nabe 安愚楽鍋. Doorgaans beschreef hij op spitse en komische wijze de nieuwe westerse trends die de Japanner in zijn dagelijkse leven trachtte te integreren.

De politieke romans werden vooral populair rond 1878 in het kader van de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten. Het bekendste voorbeeld is Keikoku Bidan 経国美談 van Yano Ryūkei 矢野竜渓 , een politicus uit het kamp van Ōkuma Shigenobu. Het boek bezingt de democratische rechten en beschrijft het leven van de Thebaanse generaals Epaminondas en Pelopidas, die streden voor democratie en nationale onafhankelijkheid.

Andere schrijvers waren Tōkai Sanshi 東海散士 en Suehiro Tetchō 末広鉄腸. In Kajin no Kigū 佳人之奇遇 beschrijft Tōkai Sanshi hoe een Japanse samurai staten die ooit welvarend waren bezoekt, en er contacten met patriotten legt.

Schone kunsten en muziek

De bewondering voor het Westen leidde in 1875 tot de oprichting van een departement voor westerse kunst aan de kunstacademie, de Kōbu daigakkō 工部大学校. Italiaanse leraars werden aangetrokken, Antonio Fontanesi voor landschapsschilderkunst en Vincenzo Raguza voor beeldhouwkunst. Ze onderwezen de westerse technieken en hadden een duurzame invloed op hun leerlingen. De Japanse pionier van de westerse schilderkunst in Japan was Takahashi Yuichi 高橋由一, die zijn stijl verfijnde bij de eerder genoemde Charles Wirgman. In de architectuur kwam baksteen in de mode voor openbare gebouwen en op muzikaal vlak ging de aandacht uit naar militaire marsmuziek en koorzang voor het onderwijs.

Politieke stromingen die ijveren voor een grondwet

Inhoudelijk overzicht

Overzicht inhoud

Ontstaan van de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten

De al te grote concentratie van macht in de handen van een kleine groep bewindslieden (oligarchie) riep een sterke oppositie in het leven. De ontevredenheid vond men vooral onder de ex-samurai. Misnoegdheid barstte geregeld uit in geweld, maar werd ook gekanaliseerd in een beweging die ijverde voor vrijheid en burgerrechten. De drie voornaamste doelstellingen van de beweging waren de oprichting van een parlement, verlaging van de grondbelasting en herziening van de onrechtvaardige verdragen. Na de Seinan-rebellie kreeg de beweging de wind in de zeilen, toen de bevolking beurtelings te lijden had van inflatie en deflatie. De overheid reageerde sussend, maar onderdrukte brutaal de radicale elementen. Zij streefde een bestuurlijke structuur na waarvan de keizer de top en de spil moest vormen. Deze doelstelling kreeg haar beslag in de eindredactie van de grondwet van het Grote Japanse Keizerrijk. De grondwet reikte enkel een soort wettelijke structuur aan, en gaf aan de Japanse politiek het uiterlijke aanschijn van een (voor de normen van die tijd) democratisch en grondwettelijk bewind. Ook na de installatie van een parlement bleef de regering gedomineerd door enkele voormalige han. Niettemin begonnen politieke partijen, omwille van de groei van het kapitalisme en het ontstaan van een burgerij, een belangrijke rol in het politieke leven van Japan te spelen.

Ontstaan van de beweging voor vrijheid en burgerrechten

De Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten begon als een protest tegen de autocratische overheid. Al bestond ze bij haar oprichting voornamelijk uit ontevreden ex-samurai en kwam ze vooral op voor de rechten van deze groep, toch evolueerde ze naar een bredere beweging die de burgerlijke vrijheden voor het volk opeiste. De overheid kon de beweging een tijdlang onderdrukken, maar tijdens de Seinan-rebellie, toen debatten over vrijheid van meningsuiting de politieke wereld beheersten, herleefde ze. Ze speelde handig in op de noden van het gewone volk, en op de wensen van welvarende boeren en handelaars, die inspraak wensten in de aanwending van hun belastinggeld. Zo werd het een nationale beweging. De politieke hervormingen van 1881(Meiji 14) realiseerden grotendeels haar doelstellingen en er ontstonden barsten in de beweging, ook omwille van nutteloze discussies over de deflatie en de mogelijkheden om ze op te vangen. Een radicale linkerzijde scheurde zich af en bracht door haar drieste acties de beweging in diskrediet. Ze verloor het vertrouwen van de bevolking en verpieterde.

Opkomst van de beweging

De Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten (Jiyū Minken Undō 自由民権運動) stelde dat de mens de natuurlijke rechten van vrijheid en gelijkheid bezit. Deze rechten zijn hem door de hemel gegeven (tenpu jinken 天賦人権). Dit principe vormde het bindmiddel tussen vele ontevreden groepen in de maatschappij. De beweging werd gelanceerd door voormalige ministers en regeringsambtenaren die ongelijk hadden gekregen in het Korea-dispuut en naar hun geboortestreek (vooral Tosa en Hizen) waren teruggekeerd.

Petitie voor door het volk gekozen representatieve organen.

In Tosa hadden reeds op het einde van de Edo-periode voorstanders van vrije meningsuiting en verkiezingen van zich laten horen. Ze waren evenwel niet sterk genoeg om tot een echte politieke beweging uit te groeien. Hun nieuwe ideeën vormden wel de voedingsbodem voor politici als Itagaki Taisuke, Gotō Shōjirō 後藤象二郎, Etō Shinpei en Soejima Taneomi, toen die wegens hun ongelijk in het Korea-dispuut de centrale overheid de rug hadden toegekeerd en naar hun provincie waren weergekeerd. Samen met enkele medestanders richtten zij in januari 1874 een petitie tot het Sain 左院, het hoogste wetgevende orgaan, waarin zij om de oprichting van representatieve organen vroegen. Dat zou de eerste stap zijn naar de oprichting van deliberatieve raden en een parlement, waardoor een einde zou komen aan het autocratische bestuur. Enkele politici werkten zeker aan de beweging mee uit persoonlijke ambitie. De petitie werd gepubliceerd in een door de Schot John Reddie Black uitgegeven krant en veroorzaakte een enorme deining, maar werd als voorbarig afgedaan, zodat hervormingen uitbleven. Democratisch in de hedendaagse betekenis van het woord was de petitie niet. Zij eiste inspraak voor belastingbetalers, dus voor ex-samurai, welvarende boeren (gōnō 豪農) en handelaars, voor die tijd toch behoorlijk vernieuwend.

Ontstaan van politieke organisaties en partijen

Rond de tijd dat deze petitie werd overhandigd, ontstonden her en der in den lande politieke genootschappen die sterke kritiek uitten op het door Satsuma en Chōshū gedomineerde autocratische bewind. In januari 1874 richtten Gotō Shōjirō en Itagaki Taisuke in Tōkyō de Aikoku kōtō 愛国公党('Publieke Partij van Patriotten') op, die moest dienen als een organisatie waarbinnen politici konden werken buiten en boven het factionalisme. Ideologisch steunden ze op de Hemelse rechten van de mens, maar ondanks de nobele beginselen slaagde de partij er niet in steun te krijgen bij brede lagen van de bevolking.

Na deze mislukking keerde Itagaki terug naar zijn oude han, Tosa. Daar stichtte hij, samen met Kataoka Kenkichi 片岡健吉, eveneens uit Tosa, die de Amerikaanse instellingen had bestudeerd,en Hayashi Yūzō 林有造 een nieuwe partij, Risshi-sha 立志社('Genootschap voor Zelfhulp'). Haar eerste doelstelling was het steunen van verarmde samurai. Al snel ging ze een belangrijke rol spelen in de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten, door via toespraken en publikaties de nieuwe gedachten te verspreiden. Ook in andere streken van Japan werden gelijkaardige genootschappen opgericht.

Om de krachten te bundelen, besloten de leiders van deze genootschappen een partij op te richten. Op een meeting te Ōsaka in februari 1875 werd het Patriottisch Genootschap (Aikoku-tō 愛国党) opgericht. Dit was Japans eerste echt nationale politieke vereniging. Zij koos haar hoofdkwartier in Tōkyō. Zij bleef actief tot aan de oprichting van de Partij voor Vrijheid (Jiyū-tō 自由党).

De reactie van de regering

Toen de beweging opkwam, was Ōkubo Toshimichi de meest invloedrijke bewindsman in het Meiji-bestuur. Hij besefte dat hervormingen noodzakelijk waren. In een eerste fase ging hij omzichtig te werk. Hij belegde in februari 1875 een conferentie te Ōsaka met als deelnemers, naast zichzelf, Kido Kōin, die uit de regering was gestapt na zijn afkeuring van de Taiwan-campagne, Itagaki Taisuke en de latere premier Itō Hirobumi. Alle partijen kwamen overeen langzaam maar zeker te streven naar de oprichting van een grondwettelijk parlementair stelsel, dat rekening zou houden met de scheiding der machten.

Kido en Itagaki werden opnieuw in de regering opgenomen en de resultaten van de conferentie werden een soort regeringsprogramma. Een eerste tegemoetkoming was het oprichten van een wetgevend orgaan, de Genrōin 元老院, in 1875. Dit was een versmelting van de Hoven van Links en Rechts (Sain en Uin). Het werd belast met het bestuderen en formuleren van nieuwe wetsontwerpen en een grondwet. De leden ervan werden door de keizer aangeduid. Het poogde zich te profileren als een tegenwicht tegen de regering, met andere woorden de rol te spelen van wetgever die de uitvoerende macht controleert. De regering slaagde er echter in de invloed van de Genrōin te beperken. Itagaki gaf er daarom in oktober van datzelfde jaar (1875) reeds de brui aan. Hij nam ontslag om zich weer geheel voor de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten te kunnen inzetten. Volgens hem was de centrale overheid te halfslachtig bij het invoeren van hervormingen.

Ōkubo Toshimichi had gepoogd de voornaamste leiders van de beweging voor Vrijheid en Burgerrechten aan zich te binden en was daar tijdelijk in geslaagd. Daarnaast probeerde hij ook greep te krijgen op de meningsuiting. Er werd een wet inzake laster afgekondigd, en een wet inzake dagbladjournalistiek, die aan alle dagbladen een vergunning oplegde, bepaalde dat alle stukken ondertekend moesten worden, en censuur uitoefende op ideologisch gevaarlijke artikelen. De vrije pers in Japan had slechts een kort, zij het vruchtbaar leven geleid. Zelfs voor de oppervlakkige toeschouwer werd nu wel duidelijk hoe weinig hervormingsgezind Ōkubo in feite was.

Verdere ontplooiing van de beweging

Heropleving van de beweging

Vanwege de repressieve maatregelen en de opname van Itagaki in de regering geraakte de beweging tijdelijk in het slop, maar nadat de Seinan-opstand was neergeslagen, zag een groot deel der malcontenten in dat geweld weinig kans maakte en dat ze best aansloten bij het politiek verzet. Zo kreeg de beweging vers bloed. Kataoka Kenkichi (1843-1903) publiceerde in juni 1877 als voorzitter van het Genootschap voor Zelfhulp een 'Voorstel tot oprichting van een parlement'. Een jaar later kreeg ook het Patriottisch Genootschap weer wind in de zeilen. De ex-samurai kregen de steun van de boeren, die belastingverlaging eisten, en het volk, dat inspraak eiste in de politieke besluitvorming. Zodoende werd de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten een breed platform voor ex-samurai, boeren, grondeigenaars en het gewone volk.

Voorbereidselen tot de oprichting van een parlement

Tegen het jaar 1880 begonnen van overal in den lande petities voor de oprichting van een parlement toe te stromen. Het Patriottisch Genootschap overhandigde in april een petitie getekend door meer dan 87.000 mensen uit 24 prefecturen. Binnen het genootschap was een aparte actiegroep voor dit doel opgericht. De andere politieke groeperingen vreesden dat het Patriottisch Genootschap deze actie zou monopoliseren en stichtten een tweede alliantie met hetzelfde doel, de Liga voor de Oprichting van een Parlement (Kokkai Kisei Dōmei 国会期成同盟). Beide organisaties zouden later fuseren en zo het ontstaan geven aan de Partij voor Vrijheid (Jiyū-tō). De pers speelde een belangrijke rol in het bewustwordingsproces, in die mate dat op 3 maart 1881 Saionji Kinmochi, een edelman, samen met Nakae Chōmin de Tōyō Jiyū Shinbun 東洋自由新聞('Courant voor Vrijheid in het Oosten') oprichtte. Saionji was hoofdredacteur, maar zijn politieke ideeën werden niet gewaardeerd door de overheid en de krant kreeg na nauwelijks een maand publicatieverbod. Ondanks haar weigerachtige houding kwam de overheid steeds meer onder druk om tot de creatie van een parlement over te gaan. Beteugelende maatregelen op meetings zoals de wet op de samenscholing (Shūkai Jōrei 集会条例) van 1880, die een meldingsplicht inhield, politietoezicht tijdens de vergaderingen, en een vergunningsstelsel voor politieke partijen konden het tij niet doen keren.

De omwenteling van het viertiende jaar van Meiji

In deze periode van toenemende politieke bewustwording kwam in 1881 een groot politiek schandaal aan het licht, bekend als het 'incident van de verkoop van overheidsbezit door de commissaris voor Ontwikkeling' (kaitakushi kan'yūbutsu haraisage jiken 開拓使官有物払い下げ事件). Net voor de opheffing van het commissariaat voor de Ontwikkeling van Hokkaidō werd commissaris Kuroda Kiyotaka betrapt op pogingen om winstgevende bedrijven tegen een prikje te verkopen aan de in Ōsaka gevestigde handelsfirma Kansai Bōeki Shōkai 関西貿易商会 van de eveneens uit Satsuma afkomstige Godai Tomoatsu 五代 友厚. De bedoeling was om de overheidsbezittingen op Hokkaidō, waarin voor meer dan 14.100.000 yen was geïnvesteerd, te verkopen tegen de prijs van 390.000 yen, te betalen over een termijn van dertig jaar. Toen dit plan uitlekte, brak een storm van protest los. De eis om een parlement op te richten als controleorgaan klonk steeds luider. Ook binnen de regering was er kritiek, met name vanwege Ōkuma Shigenobu, die voorstander was van een snelle invoering van het parlementaire systeem.

De regering werd gedwongen toegevingen te doen. Zij belegde een vergadering in het bijzijn van de keizer en nam de volgende besluiten: er werd een keizerlijk bevel uitgevaardigd waarin de afkondiging van de grondwet uitdrukkelijk werd beloofd. Wel werd er een termijn van negen jaar in het vooruitzicht gesteld.

De verkoop van overheidsbezittingen op Hokkaidō aan de Kansai Bōeki Shōkai ging niet door. Ōkuma Shigenobu en zijn medestanders werden ontslagen.

Dit laatste punt was een overwinning voor de regering. Ōkuma was immers een outsider uit Hizen in de door Satsuma en Chōshū gedomineerde regering. Na de moord op Ōkubo Toshimichi in 1878 was hij niettemin de belangrijkste figuur in de regering geworden. Omdat hij uit een kleinere han stamde, moest hij voortdurend een aantrekkelijk programma aan de anderen bieden om hun steun te verwerven. Daarom steunde hij waarschijnlijk de oprichting van een parlement naar Brits model. Hij maakte zich echter onmogelijk bij Satsuma en Chōshū, die voor hun privileges vreesden. Op initiatief van Itō Hirobumi werden Ōkuma en zijn medestanders, de minister van Landbouw en Handel Kōno Togama 河野敏鎌, minister van Postwezen Maejima Hisoka 前島密, de latere eerste minister Inukai Tsuyoshi 犬養毅, de kampioen van de burgerrechten Ozaki Yukio 尾崎行雄 en anderen uit de regering gezet. Deze hervorming wordt de omwenteling van het viertiende jaar van Meiji genoemd. Zij resulteerde in een trage tegemoetkoming aan de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten - het parlement zou er komen - maar ook in een versteviging van de greep van Chōshū op de politiek. Itō Hirobumi en Inoue Kaoru, beide uit Chōshū, werden de meest invloedrijke figuren.

Het ontstaan van politieke partijen en de Beweging voor Politieke Rechten

Reactie van de overheid op het ontstaan van politieke partijen

Als voorbereiding op een rol in het parlement richtte Itagaki Taisuke in 1875 de Partij voor Vrijheid (Jiyū-tō 自由党) op, waarvan hij voorzitter werd. De partij was ontworpen naar Frans model. Ze was vrij radicaal en vond aanhang bij ex-samurai, handelaars, industriëlen en landbouwers. Ōkuma Shigenobu volgde in 1882 met de Constitutionele Partij voor Vooruitgang (Rikken Kaishin-tō 立憲改進党), naar Brits model en iets gematigder. Hij werd de eerste voorzitter. Hij kreeg de steun van landeigenaars, kapitalisten en intellectuelen. Als reactie steunde de overheid de oprichting van een neppartij, de Constitutionele Partij voor een Keizerlijk Bewind (Rikken Teisei-tō 立憲帝政党) onder leiding van Fukuchi Gen'ichiro. Deze laatstgenoemde partij bestond slechts een jaar (1882-1883), maar de andere twee bloeiden. Vooral Itagaki Taisuke was een charismatisch en populair leider. Toen hij bij een aanslag in Gifu gewond werd, deed een slogan de ronde: "Al sterft Itagaki, de vrijheid is onsterfelijk". Voor Japan waren er opvallend veel vrouwen betrokken bij de politieke campagnes, zo bijvoorbeeld Kishida Toshiko, de latere vrouw van de ondervoorzitter van de Partij voor Vrijheid Nakajima Nobuyuki 中島信行, en Fukuda Hideko 福田英子, alias Kageyama Hideko 影山英子, een maatschappelijk werkster.

Opheffing van de Partij voor Vrijheid

Het geringe succes van haar eigen partij zette de overheid ertoe aan andere middelen te zoeken. De wet op de samenscholing werd verscherpt en de overheid zaaide verdeeldheid tussen de Partij voor Vrijheid en de Constitutionele Partij voor Vooruitgang om ze tot wetsovertredingen te verleiden. Om de gemoederen te bedaren, besloot Itagaki in november 1882 om samen met Gotō Shōjirō een reis naar het buitenland te ondernemen. De Constitutionele Partij voor Vooruitgang maakte van zijn afwezigheid gebruik om aan zijn aanhang te knabbelen. De Partij voor Vrijheid kreeg gebrek aan fondsen om campagne te voeren en het aantal leden liep terug. De afwezigheid van Itagaki liet zich sterk gevoelen, aangezien de andere leiders van weinig politieke vindingrijkheid blijk gaven. Toen radicale tendensen de kop opstaken, werd eind oktober 1884 besloten de partij op te heffen. In datzelfde jaar staakte ook de partij van Ōkuma Shigenobu haar activiteiten.

Radicalisering van de linkerzijde

De tanende invloed van de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten veroorzaakte een verlinksing, in de hand gewerkt door het soberheidsbeleid van Matsukata. In verscheidene regio's werden Konmin-tō 困民党(Partij voor Behoeftigen) gesticht. Eerst reageerden ze tegen te hoge pachtrente en de belastingen, maar al snel namen ze radicaler standpunten in en propageerden gewapende opstand om het pachtstelsel totaal af te schaffen. Er braken een hele reeks incidenten uit.

De Grote Coalitiebeweging (Daidō Danketsu Undō 大同団結運動)

De Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten verloor gedurende enige tijd veel van haar elan, maar flakkerde vanaf 1887 weer op. Minister van Buitenlandse Zaken Inoue Kaoru was rond deze tijd bezig met te onderhandelen over de herziening van de verdragen met het Westen, maar de radicalen beschouwden zijn inspanningen als onvoldoende en de richting die de onderhandelingen uitgingen als te onderdanig tegenover Europa. Ze leverden hevige kritiek op de overheid. Gotō Shōjirō deed een oproep tot alle progressieve elementen en stichtte de Teigai-club (Teigai kurabu 丁亥倶楽部), die het voortouw van de Grote Coalitiebeweging nam. Om tegen de buitenlandse druk te kunnen optornen, moesten de Japanners hun geschillen opzijzetten en solidair aan de opbouw van het land werken. De overheid moest het land besturen overeenkomstig de wil van het volk. Diverse belangrijke figuren publiceerden open brieven waarin de volgende eisen aan de regering gericht werden: - vrijheid van vergaderen en vrijheid van meningsuiting; - een nieuwe en meer assertieve diplomatieke koers; - verlaging van de grondbelastingen.

De regering trad zeer repressief op tegen de Daidō Danketsu Undō. In december 1887 legde het eerste Itō-kabinet zowat 570 activisten voor politieke rechten het verbod op zich in de hoofdstad op te houden. Gotō Shōjirō viel echter niet onder dat verbod en zette zijn activiteiten verder. Toen de beweging tegen 1889 haar vroegere kracht had herwonnen, pleegde Gotō vaandelvlucht en aanvaardde hij de portefeuille van minister van Communicatie in het kabinet van Kuroda Kiyotaka. De beweging verwaterde eens te meer tot een groep die ijverde voor stemrecht van rijke boeren en grondbezitters.

Uitvaardiging van een grondwet en oprichting van een parlement

An example of a Japanese parliament in session

Als reactie op de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten nam de regering uiteindelijk het besluit een grondwet uit te vaardigen. Ze wilde er wel alles aan doen opdat de positie van de machthebbers zo min mogelijk aangetast zou worden en de Keizer een onaantastbare plaats zou bekleden. Itō Hirobumi bestudeerde in Europa verschillende grondwettelijke systemen. Besloten werd dat het Pruisische model het meest aangepast was aan de Japanse behoeften. Het voorbereidende werk verliep in het geheim en in 1889 werd de Grondwet van het Groot Japanse Keizerrijk uitgevaardigd. Pas dan werd bekend dat de inhoud van deze grondwet als een geschenk van de keizer beschouwd werd.

Voorbereidselen voor het uitvaardigen van een grondwet

De Genrōin

In 1875 had de overheid het Hof van Links (Sain 左院) en het Hof van Rechts (Uin 右院) afgeschaft en vervangen door de Genrōin 元老院, dat nu als hoogste wetgevende orgaan dienstdeed. Binnen dit orgaan werden Gotō Shōjirō, Katsu Kaishū 勝海舟, en Katō Hiroyuki, een jurist die de absolute macht van de keizer als ideale bestuursvorm voor Japan beschouwde, belast met de leiding van een studiegroep die de grondwet moest voorbereiden. In 1880 hadden zij een voorstel klaar, maar het werd door Iwakura Tomomi niet ontvankelijk verklaard. Hij wenste de legerleiding alleen onder de controle van de keizer te houden.

De studiereizen van Itō Hirobumi

De overheid besloot Itō Hirobumi naar Europa te sturen om enkele grondwettelijke modellen te bestuderen. Met hem reisden ook Itō Miyoji 伊藤巳代治 uit Nagasaki, en Hirata Tōsuke 平田東助 af. Vlak voor hun afreid verklaarde de meest invloedrijke politicus van de regering, Iwakura Tomomi, dat de Pruisische grondwet hem de meest geschikte leek, zodat Itō vooral zijn licht ging opsteken aan Duitse en Oostenrijkse universiteiten. In Berlijn leerde hij van professor Rudolf von Gneist (1816-1895) voor- en nadelen van een grondwet en de stelregel dat de regering er vooral moest voor zorgen dat ze nooit buiten spel kon gezet worden. Handig hiertoe was bijvoorbeeld de regel dat indien de begroting niet aangenomen raakte, die van het vorige jaar dan automatisch overgenomen werd. Van Lorenz von Stein in Wenen leerde Itō de werking van de Pruisische grondwet in een stelsel waar de keizer ook soeverein was. Na de terugkeer van Itō werd een bureau opgericht dat moest onderzoeken hoe de Pruisische grondwet het best aan de Japanse situatie kon worden aangepast.

Institutionele hervormingen

De overheid paste haar instellingen zo goed mogelijk aan de komende grondwet aan. De keizer kreeg een aantal bestuurlijke prerogatieven, terwijl politici van Satsuma en Chōshū stormliepen om sleutelposities in bestuur en administratie in te nemen. In 1884 hervormde de overheid de rangen van de adel. De oude hofadel, voorname samurai-families en mensen die zich in het nieuwe bewind uitzonderlijk verdienstelijk gemaakt hadden, werden erin opgenomen. Vijf hofrangen werden ingesteld: hertog (kōshaku 公爵), markies (kōshaku 侯爵), graaf (hakushaku 伯爵), burgraaf (shiskaku 子爵), baron (danshaku 男爵). Het was in feite een kunstmatig systeem zonder enige traditie, maar deze nieuwe adel mocht in de nog op te richten Nationale Vergadering (Kokkai 国会), meer bepaald in het Hogerhuis zetelen (vgl. Engelse House of Lords).

Als beschermers van de keizerlijke belangen zouden ze een tegenwicht vormen tegen het Lagerhuis, waarin de verkozenen des volks zouden zetelen. Het hoeft ons niet te verwonderen dat bij de nieuwbakken adel vele mensen uit Satsuma, Chōshū, Tosa en Hizen voorkwamen. In 1885 schakelde men over van het Dajōkan-stelsel naar het kabinetsstelsel, met de bedoeling de besluitvorming beter te stroomlijnen en de verantwoordelijkheid en bevoegdheid van de bewindslieden beter te omschrijven. Alle kabinetsleden waren persoonlijk verantwoordelijk voor een ministerie en stonden onder het toezicht van de eerste minister. Men stelde een organiek en deontologisch reglement voor ambtenaren op en men voerde een examenstelsel in voor benoemingen en promoties. Itō Hirobumi werd de eerste premier van Japan. Onder hem stonden tien ministers, vier uit Satsuma, vier uit Chōshū, één uit Tosa en één voormalig bakufu-ambtenaar. Er kwam niemand van de traditionele adel in voor.

Los van het kabinet werd een minister van Binnen (naidaijin 内大臣) aangesteld, die het Staatszegel en het Keizerlijk Zegel bewaarde en de raad van Keizerlijke Adviseurs voorzat. Eveneens buiten het kabinet stond de minister van het Keizershuis (kunaidaijin 宮内大臣), die aan het hoofd stond van het ministerie voor het Keizershuis (kunaishō 宮内省 ). Deze beide ministers waren uitsluitend verantwoording aan de keizer verschuldigd. Zij stonden daardoor min of meer op voet van gelijkheid met de eerste minister. Itō Hirobumi cumuleerde aanvankelijk beide functies. Aritomo Yamagata (山縣 有朋) werd de eerste minister van Binnenlandse Zaken (naimudaijin 内務大臣). De Minister van Binnenlandse Zaken was de belangrijkste kabinetsfunctie op die van de eerste minister na. De begroting van het kunaishō stond los van de nationale begroting en telkens wanneer de gelegenheid zich voordeed, werd de dotatie aan het Keizershuis vergroot. De Geheime Raad (Sūmitsuin 枢密院) werd gesticht in 1888, aanvankelijk met het doel advies te geven over het ontwerp van grondwet en het ontwerp van de wet op het keizershuis. De raad vergaderde in aanwezigheid van de keizer en werd om advies gevraagd over wetsontwerpen en ontwerpen van decreet, in het bijzonder om ze aan de grondwet te toetsen.

De leden ervan werden door de keizer aangesteld. Ook hier was Itō Hirobumi de eerste voorzitter. De raadslieden werden gekozen uit oudere en ervaren politici en overheidsambtenaren. De Geheime Raad was in principe de hoogste raadgevende instantie van de keizer en stond geheel los van de uitvoerende macht. In de praktijk komt men echter steeds dezelfde figuren tegen, die nu eens in de Geheime Raad zetelen en daarna weer een post in het kabinet bekleden. De Geheime Raad was dus, net als het kabinet, het jachtterrein van de hanbatsu 藩閥, van Chōshū, Satsuma, Tosa en Hizen. Er bestond dus een grote vervlechting tussen beide instanties. De Geheime Raad waakte erover dat de keizer geen privileges prijs diende te geven en dat het status-quo tussen de hanbatsu in de machtsverdeling behouden bleef. Verder deed hij er alles aan om de macht van de politieke partijen te fnuiken. Als later het kabinet door de politieke partijen samengesteld zal worden, zal het herhaaldelijk met de Geheime Raad botsen.

De grondwet van het Grote Japanse Keizerrijk

Uitvaardiging

Om op basis van de bevindingen van Itō Hirobumi de definitieve redactie van de grondwet op te stellen, werd een werkgroep in het leven geroepen. Hiervan maakten, naast Itō, ook uit Itō Miyoji en Kaneko Kentarō 金子堅太郎, die rechten had gestudeerd in Harvard, deel uit. Als adviseurs kozen ze Albert Mosse (1846-1925) en Karl Roesler (1834-1894), die ook een belangrijke rol speelde bij het tot stand komen van de eerste Japanse handelswetgeving. De besprekingen werden in het grootste geheim gevoerd, opdat niets zou uitlekken naar de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten.

Hun voorstel was pas klaar nadat het kabinetsstelsel was ingevoerd. In 1889, op 11 februari, volgens de Nihonshoki de verjaardag van de troonsbestijging van de legendarische eerste keizer Jinmu, onder het eerste ministerschap van Kuroda Kiyotaka, werd de nieuwe grondwet afgekondigd. Op dezelfde dag werd de wet op het keizershuis (Kōshitsu tenpan 皇室典範) uitgevaardigd, waarin de troonsopvolging, het protocol bij de troonsbestijging, de opleiding van de kroonprins en enkele andere beschikkingen omtrent de keizerlijke soevereiniteit waren vastgelegd. Hij werd in 1947 grondig herzien. De Meiji-grondwet, officieel de 'de grondwet van het Grote Japanse Keizerrijk' genoemd, werd voorgesteld als een geschenk van de keizer aan zijn volk (kintei kenpô 欽定憲法), en niet als de uitdrukking van de soevereine wil van dat volk.

Inhoud en strekking

De Japanse grondwet bewijst dat er geen sprake is van imitatie. De hervormers inspireerden zich op wat bruikbaar was en pasten het creatief in hun eigen systeem in. Naar de letter geïnterpreteerd, garandeerde de grondwet aan de keizer op grond van zijn goddelijke afkomst verregaande prerogatieven op het wetgevende, uitvoerende en rechterlijke vlak, ook al zou hij daar in de praktijk geen gebruik van maken. Hij had het recht ministers van Staat, hoge ambtenaren en het opperbevel van het leger te benoemen. Alleen hij kon oorlogsverklaringen, vredesovereenkomsten en internationale verdragen bekrachtigen. Het Hogerhuis, waarin edelen en door de keizer benoemde vertegenwoordigers zetelden, stond op gelijke voet met het Lagerhuis.

Het kabinet was wettelijk geen verantwoording verschuldigd aan het parlement. Het werd beschouwd als een orgaan dat boven de partijpolitieke bindingen stond, en alleen tegenover de keizer verantwoording moest afleggen. Dit noemt men een chōzen naikaku 超然内閣 (transcendent kabinet, kabinet boven de partijen), in tegenstelling tot een seitō naikaku 政党内閣 (partijkabinet), dat tegenwoordig gebruikelijk is en dat zich tegenover het parlement (als vertegenwoordiging van het volk) moet verantwoorden. Daardoor was de regering steeds in staat om in crisissituaties op keizerlijk bevel wetten uit te vaardigen of in te trekken zonder het parlement te consulteren. Het parlement heette Teikoku gikai 帝国議会 of Keizerlijke Vergadering.

Het was een stelsel met twee kamers: een door het volk verkozen Lagerhuis of Kamer van Volksvertegenwoordigers en een door de Keizer benoemd Hogerhuis of Kamer van Edelen. In theorie bezaten beide gelijke macht, maar die reikten niet verder dan adviesrecht inzake wetsvoorstellen en het budget. Alle wetsvoorstellen werden na beraad in de Geheime Raad aan de keizer voorgelegd, die een beslissing nam. De keizer had ook het recht het parlement bijeen te roepen, zittingen op te schorten of het parlement te ontbinden. Het volk werd in de grondwet shinmin 臣民(onderdanen) genoemd. Het had dus in theorie geen soevereiniteit. De fundamentele rechten werden gewaarborgd, maar vaag omschreven. De volksvergadering had niet het recht om een voorstel tot grondwetswijziging in te dienen. Dat had alleen de keizer. Niettemin waren in de grondwet de meeste burgerlijke, liberale en politieke vrijheden die men in westerse grondwetten vond, vervat, zoals:

  • formele scheiding der machten;
  • het recht van het volk op participatie in de besluitvorming;
  • duidelijke omschrijving van de functies van de Nationale Vergadering;
  • rechtspraak op basis van wetcodices;
  • onaantastbaarheid van het privé-eigendom, vrijheid van godsdienst, vrijheid van meningsuiting, vrijheid van pers, vergaderen, partijvorming, enz. dat alles weliswaar binnen de grenzen van de wet.

De redactie van de tekst was evenwel zo vaag dat de invulling ervan door bijzondere wetten steeds de zogenaamde rechten van het volk kon inperken.

Redactie en afkondiging van diverse wetboeken

Japan beschikte, naast de grondwet, over weinig moderne wetgeving. Opdat de regering op voet van gelijkheid met het buitenland over de opheffing van de Ongelijke Verdragen zou kunnen onderhandelen, werd werk gemaakt van de redactie en uitvaardiging van moderne wetboeken.

Het strafrecht

Reeds in 1870 hadden de Meiji-leiders een nieuwe strafwet uitgevaardigd: de Shinritsu kōryō 新律綱領, nog geïnspireerd op de strafwetcodes en gebruiken van Ming 明- en Qing-China. Dit was echter nog geen moderne humane wetgeving. Er werd bijvoorbeeld onderscheid gemaakt tussen mensen van verschillende rang en stand, en lijfstraffen en foltering bleven tot op zekere hoogte behouden. In 1873 werd de wet herzien en werden de barbaarse kantjes ervan afgeschaft, bijvoorbeeld kruisiging en tentoonstelling van gehangenen tot lang na hun dood.

In 1880 werd de Franse jurist Gustave de Boissonade (1825-1910) in dienst genomen als regeringsadviseur om naar westers model een strafwet (keihō 刑法) en een wet inzake strafrechtelijke procedures (chizaihō 治罪法) te helpen uitwerken. Hij liet foltering om bekentenissen af te dwingen afschaffen. Onder Duitse invloed werden sommige van zijn overige inzichten later teruggeschroefd. In 1889 kwam er een wetgeving op de werking van de rechtbanken en werd de wet inzake strafrechtelijke procedure grondig herzien.

Burgerlijk recht

Op advies van de Boissonade was in 1890 een ontwerp van burgerlijk wetboek (minpō 民法) klaar, dat drie jaar later na kleine herzieningen van kracht werd. De Franse invloed kwam tot uiting in de nadruk op het individu, maar dit hield een grote bedreiging in voor het autoritaire Japanse familiestelsel. De traditie kende immers een bijzondere positie toe aan de pater familias, die de familie in al haar vertakkingen domineerde en onder wiens verantwoordelijkheid alle bezittingen vielen. De erfenis en het gezag kwamen traditiegetrouw aan de oudste zoon toe. In dit stelsel werden meisjes en jongere zonen ongelijk behandeld. Conservatieven wensten dit systeem niet op te geven, en er brak een hevig politiek dispuut uit over het burgerlijk wetboek. De uitvaardiging van het vierde en vijfde deel van het burgerlijk wetboek (familierecht en erfenisrecht) liep daardoor grote vertraging op. Pas na een herziening door een groep conservatieve Japanse juristen, waarvan een deel in het Hogerhuis zetelde, werden ze aanvaard. De rechten van het familiehoofd werden gevrijwaard en de traditionele erfenisregels bleven behouden.

Handelsrecht

Het handelsrecht kwam tot stand op grond van adviezen van Roesler en trad in voege in 1891. Wegens technische onvolkomenheden werd het herzien en in 1899 in een definitieve vorm gegoten.

Het eerste parlement

Om de werking van het eerste parlement (van 1890 tot het uitbreken van de Sino-Japanse oorlog in 1894) te begrijpen, moeten we twee principes voor ogen houden: het transcendentalisme en de hanbatsu, met nog steeds Satsuma en Chōshū in de hoofdrollen.

De eerste landelijke verkiezingen

In 1890 vonden op basis van de nieuwe grondwet verkiezingen plaats om volksvertegenwoordigers af te vaardigen naar het parlement. Algemeen stemrecht was nog onbekend, alleen mannen boven de 25 jaar die meer dan 15 yen belasting per jaar betaalden, mochten stemmen. In de praktijk betekende dit dat alleen grootgrondbezitters aan deze norm voldeden, nauwelijks meer dan 1 procent van de bevolking, 450.000 kiezers. Voor elke verkiesbare plaats waren er gemiddeld 2,5 kandidaten en 93 procent van de stemgerechtigden bracht zijn stem uit. De overgrote meerderheid der verkozenen kwamen uit twee partijen: Jiyū-tō en Rikken Kaishin-tō, soms in één adem Mintō 民党 genoemd. Vooral gewezen samurai en welvarende boeren, meestal uit Tosa en Hizen, werden verkozen. Op Hokkaidō en Okinawa was er nog geen stemrecht. In het Hogerhuis werden afgevaardigden van de hoge adel, industriëlen en ambtenaren uit de centrale bureaucratie, na voordracht door hun achterban, benoemd door de keizer.

De Keizerlijke Vergadering (Teikoku gikai 帝国議会)

De volksvertegenwoordigers kwamen energiek voor hun belangen op, maar op allerlei manieren werden ze tegengewerkt: zittingen werden gesloten, stemmingen gemanipuleerd, parlementsleden werden omgekocht, en soms werd het parlement ontbonden door keizerlijke tussenkomst. Bij de eerste zitting (1890-1891) had de Rikken Jiyū-tō, gevormd vlak voor de verkiezingen door de fusie van de Daidō Kurabu en de Aikoku Kōtō, 130 leden in het parlement. De Rikken Kaishin-tō had er 41. Beide partijen hadden samen de absolute meerderheid (171 op 300) tegenover de kleinere conservatieve partijen. De eerste debatten draaiden vooral rond de eis om de regering 10 procent te doen besparen op haar begroting.

Door het omkopen van een deel der Jiyū-tō-parlementsleden werd deze eis gesmoord. Tijdens de tweede en de derde zitting begon het er toch naar uit te zien dat de regering zou moeten snoeien in haar militaire uitgaven. De uit Satsuma afkomstige minister van Marine Kabayama Sukenori 樺山資紀 schold in een ophefmakende verklaring de oppositie uit. Hij schreef alle Japanse voorspoed toe aan het wijze beleid van Satsuma en Chōshū. Hierop werd het parlement door de keizer ontbonden. De daaropvolgende verkiezingen werden door de uit Chōshū afkomstige minister van Binnenlandse Zaken Shinagawa Yajirō 品川弥二郎 niet alleen bemoeilijkt maar zelfs vervalst, onder andere door het inschakelen van rijkswacht en politie als verkiezingscontroleurs. Het kon niet verhinderen dat de progressieve partijen een klinkende overwinning behaalden.

De derde zitting werd vooral gekenmerkt door kritiek op het kabinet van Matsukata Masayoshi, geformeerd op basis van de vervalste campagne. Shinagawa werd tot ontslag gedwongen. Omdat in de vierde zitting de volkspartijen het budget voor de bouw van oorlogsbodems trachtten te verlagen, ontbond de keizer opnieuw het parlement. Hij financierde het plan zelf en hield een solidariteitspremie van 10 procent in op de wedden van de ambtenaren. Om dezelfde reden werden ook de vijfde en de zesde zitting gesloten.

Hanbatsu bepalen nog steeds de politiek

Toenemende macht van de politieke partijen

De politieke bewustwording groeide en de macht van politieke partijen nam toe. De hanbatsu-regering die na de Meiji-restauratie redelijk autonoom had kunnen besturen, werd steeds meer gedwongen compromissen te sluiten en uiteindelijk kwam er zelfs een met een politieke partij verbonden kabinet tot stand. Itō Hirobumi was de eerste die besefte dat de politieke partijen voortaan het vehikel van de macht waren. Hij vormde een eigen conservatieve partij, de Associatie van Politieke Vrienden, die bereid was de grote lijnen van het regeringsprogramma te steunen.

Samenwerking tussen regering en politieke partijen

Na zijn overwinning in de Sino-Japanse Oorlog moest Japan de bittere pil slikken dat het door het Westen het grootste deel van de territoriale winst werd ontzegd. De overheid besloot de oorlogsschade waartoe China veroordeeld was te gebruiken voor bewapening en het stimuleren van de nijverheid. Ze had de steun nodig van de politieke partijen om de publieke opinie te overtuigen. De politieke partijen van hun kant, die in enkele jaren nog niets hadden gerealiseerd, zagen hierin een kans om via samenwerking een deel van de reële macht in handen te krijgen. Deze toenadering zorgde ervoor dat de tweede fase van het parlementair werk aanzienlijk verschilde van de vorige. Onder het tweede Itō-kabinet was er reeds samenwerking geweest met de Jiyū-tō自由党(de oude Rikken Jiyū-tō立憲自由党), die uitmondde in de benoeming van Itagaki Taisuke tot minister van Binnenlandse Zaken. Onder het tweede Matsukata-kabinet (1896) nam de Shinpo-tō 進歩党(de nieuwe naam voor de Kaishin-tō改進党)deel aan het beleid. Ōkuma Shigenobu werd minister van Buitenlandse Zaken. De reden voor regeringsdeelname was het protest tegen de teruggave van het Liáodōng 遼東-schiereiland, waarmee de Kaishin-tō niet accoord ging. De Jiyū-tō belandde weer in de oppositie. Wegens conflicten met de steeds meer geld eisende militairen, vooral uit Satsuma afkomstig, moest Ōkuma ontslag nemen. De Kaishin-tō trok vervolgens haar steun terug en het Matsukata-kabinet kwam ten val. Het derde Itō-kabinet probeerde de geldhonger van het leger te stillen door nieuwe verhogingen van de grondbelasting. Na amper vijf maanden bracht de steeds sterker wordende oppositie het ten val. Politieke partijen hadden nu de macht om regeringen te maken of te breken.

Een coalitiekabinet van politieke partijen

Itō propageerde vervolgens de noodzaak van een overheidsgezinde politieke partij. Omdat zijn senpai (senior) Yamagata Aritomo het grondwettelijke transcendentalisme inriep, raakte Itō een tijdlang uit de gratie van zijn Chōshū-factie. Toch kwam er wat later voor het eerst een coalitieregering van politieke partijen aan de macht. Na een fusie van de Jiyū-tō en de Shinpo-tō tot de Kensei-tō 憲政党 werd de voorzitter Ōkuma Shigenobu premier en Itagaki minister van Buitenlandse Zaken. Met wat goede wil kan men 1898 beschouwen als het aanbreken van de periode van bestuur door politieke partijen, wat Yamagata Aritomo de teloorgang van de Meiji-omwenteling noemde. Omdat de fusie van de partijen van Ōkuma en Itagaki niet tot in de puntjes geregeld was, bleek hun kabinet vrij wankel. Niet alle partijcenakels steunden het en er bestonden ernstige meningsverschillen tussen ex-Jiyū-tō en Shinpo-tō leden. De ambtenarij boycotte de uitvoering van besluiten van deze populistische regering en enkele 'anti-republikeinse' uitspraken van de minister van Onderwijs Ozaki Yukio deden zulke hoogoplopende discussies losbarsten dat de minister ontslag moest nemen. In een lezing tegen de door geld en corruptie beheerste politieke zeden had hij het republikeinse systeem het meest verderfelijke genoemd, omdat het de poorten zou openen voor stromannen van de zaibatsu 財閥 om de leiding van het land over te nemen. Dit werd door politici van de vroegere Jiyū-tō verklaard als een goedkeuring van het door de keizer beheerste bestaande stelsel. Later viel het kabinet en werd de coalitie ontbonden. Beide partijen voeren weer een onafhankelijke koers. De ex-Jiyū-tō bleef zich Kensei-tō noemen, en de ex-Shinpo-tō werd de Kensei hontō 憲政本党 ('De echte Kensei-tō). Het hele experiment had vier maanden geduurd.

Het kabinet van Yamagata Aritomo

Nu werd de tweede Yamagata-regering gevormd. Hij matigde zijn transcendente standpunt en verbond zich met de Kensei-tō. Ondanks zware tegenkanting van onder de crisis gebukt gaande boeren en behoudsgezinde grootgrondbezitters slaagde hij erin de belastinghervorming van Itō door te drukken. Hij wierp een dam op tegen de te verregaande greep van de politieke partijen op de administratie. Zo wou hij de baantjesjagerij doorbreken die was ontstaan tijdens het Ōkuma-kabinet. Vele partijleden waren erin geslaagd zich tot ambtenaar te laten benoemen zonder voor de vereiste examens te slagen. Yamagata kon bereiken dat dit onmogelijk werd behalve voor de ministers en enkele uitzonderingen binnen de administratie. Hij vrijwaarde ook de belangen van de militairen door bij wet te laten bepalen dat ook in burgerregeringen de minister van Oorlog steeds een militair zou zijn (Gunbu daijin gen'eki bukansei 軍部大臣現役武官制). Waarschijnlijk was het niet zijn bedoeling, maar zo kreeg het leger een grote inspraak in de vorming van elke regering. Het kon op elk ogenblik de minister terugroepen en zo de regering ten val brengen. Deze wet, alsook de politiewet (Chian keisatsu hō 治安警察法), waren bedoeld om de toenemende greep van Chōshū op de nationale politiek te bestendigen.

Oprichting van de Associatie van Politieke Vrienden

Itō Hirobumi vond dat de politieke partijen door hun kortzichtige visie de nationale belangen schade toebrachten. Daarom rijpte bij hem het plan een eigen partij met nobelere doelstelling op te richten. Met Hoshi Tōru 星亨(1850-1901), een van de populairste leden van de Kensei-tō, die de politieke kuiperijen om een ministerpost te bemachtigen beu was, stichtte hij in 1900 de Rikken Seiyū-kai 立憲政友会 (Associatie van Politieke Vrienden voor een Constitutionele Regering). De bedoelingen van Itō waren niet alleen nobel, maar ook door praktische overwegingen gemotiveerd. Onder de autocratische leiding van de voorzitter, Itō zelf, moest de partij steeds de grote lijnen van het overheidsbeleid steunen. In ruil daarvoor zou de partij steeds het eerste ministerschap kunnen opeisen en zelf de regering mogen samenstellen. De partijvoorzitter zou de ministerportefeuilles toewijzen en hoefde geenszins alleen partijleden in zijn kabinet op te nemen. Hierover ontstonden dadelijk controversen, vooral met ambtenaren die zijn partij genegen waren. Toen Itō zijn vierde kabinet samenstelde, liet hij zoveel partijleden in de kou staan dat deze prompt naar de oppositie overliepen en zijn kabinet ten val brachten.


Doorbraak op de internationale scène

Inhoudelijk overzicht

Inhoudelijk overzicht hoofdstuk 3

Herziening van de Ongelijke Verdragen

Leidraad

Herziening van de verdragen was noodzakelijk om Japan politiek en economisch meer onafhankelijkheid te geven. Het was een onderneming van lange adem, en het probleem werd op diverse wijzen benaderd. De meest omstreden punten waren het principe van de extraterritorialiteit en de toltarieven. Uiteraard wilden de westerse mogendheden hun verworven rechten niet zomaar prijsgeven. Japan getroostte zich vele inspanningen om het Westen te tonen hoe beschaafd het wel was en hoe betrouwbaar het als bondgenoot kon zijn. Een opvallend, zij het enigszins anekdotisch voorbeeld hiervan was de bouw van de Rokumeikan 鹿鳴館 ('Hal van de Hertenroep').

Tegen de als kruiperig bestempelde houding van de overheid kwam vaak protest van de publieke opinie. Ook werden de pogingen tot overeenkomsten vaak gedwarsboomd door diplomatieke incidenten. Vele malen werden de onderhandelingen hervat en weer afgebroken. De herziening der verdragen was dus allesbehalve een goedkoop diplomatiek succes. Dat het toch lukte was enerzijds te danken aan de toegenomen macht van Japan, vooral op militair vlak, en anderzijds aan het handig uitspelen van de Brits-Russische rivaliteit, die beide partners tot allianties noodzaakte.


Moeizame onderhandelingen

De Ongelijke Verdragen waren afgesloten op het einde van de bakufu-periode door onwetende ambtenaren, die de draagwijdte van hun beslissingen niet beseften, in naam van een onmachtige overheid. De Meiji-regering deed decennialang verwoede pogingen om een gunstige herziening van deze verdragen mogelijk te maken.


Minister van Buitenlandse Zaken Terashima Munenori 寺島宗則.

De delegatie die in 1871 naar de Verenigde Staten en Europa was gereisd onder leiding van Iwakura Tomomi om de verdragen opnieuw ter sprake te brengen, was onverrichter zake teruggekeerd. Terashima Munenori, die Minister van Buitenlandse Zaken werd na Iwakura en Soejima Taneomi, begon in 1876 op zijn beurt onderhandelingen. Hij besefte dat Japan nog niet kon bogen op een moderne en internationaal aanvaarde wetgeving, maar zag in dat alle andere landen protectionistische tolheffingen hadden ingesteld, terwijl Japan slechts zeven tot acht procent van zijn belastinginkomsten uit tolheffingen haalde, ondanks het feit dat de import de export ruim overtrof. Hij wenste het zelfbeschikkingsrecht over deze materie voor Japan te heroveren. Amerika aanvaardde zijn uitleg en tekende een verdrag maar Groot-Brittannië weigerde koppig zijn privileges op te geven. Het weigerde zelfs onderhandelingen te starten. Toen uiteindelijk toch onderhandelingen op gang kwamen, brak het 'Opiumsmokkelincident' uit. Dit noopte de overheid ertoe ook het probleem van de extraterritorialiteit aan te kaarten. Deze Japanse 'impertinentie' deed de onderhandelingen mislukken.


Minister van Buitenlandse Zaken Inoue Kaoru 井上馨.

De volgende Minister van Buitenlandse Zaken legde de nadruk op een fel doorgedreven beleid van europeanisering. Een van zijn meest ophefmakende projecten was de oprichting in 1883 van het bovengenoemde internationaal ontmoetingscentrum, de Hal van de Hertenroep (Rokumeikan 鹿鳴館), waar concerten, bals, verklede danspartijen, e.d. in Europese stijl werden georganiseerd, om te bewijzen dat Japan de Europese cultuur reeds geassimileerd had. De Rokumeikan is typerend voor de mondaine en trendgevoelige sfeer die toen in de Japanse hoofdstad heerste.

Inoue trachtte niet de zelfbeschikking over de toltarieven te heroveren, maar beperkte zich tot het vragen van een optrekking van de maximumtarieven. Zijn grootste bekommernis was het afschaffen van de extraterritorialiteit. In ruil voor de afschaffing stelde hij voor:

  • Buitenlanders op te nemen in de Japanse gerechtshoven en buitenlandse rechters inspraak te geven in zaken waarbij buitenlanders betrokken waren.
  • Buitenlanders toe te laten zich elders in Japan te vestigen dan in de hun toegewezen gebieden.

Deze compromisvoorstellen werden bekritiseerd door de Franse adviseur de Boissonade en door de ijveraars voor politieke rechten voor het volk. Ook reageerden velen tegen de 'verwerpelijke praktijken' die in de Rokumeikan plaatsvonden, onder andere de Minister voor Landbouw en Handel, de ultranationalist Tani Tateki 谷干城. De protesten liepen vaak uit de hand en waren mede aanleiding voor de uitvaardiging van een wet op de openbare veiligheid en orde. Het valt niet te ontkennen dat de ultranationalisten belachelijke voorwendsels inriepen, maar de arrogante en racistische houding van vele buitenlanders was soms stuitend. Een sprekend voorbeeld is het Normanton-incident. Toen dit vaartuig schipbreuk leed, bood de kapitein alleen hulp aan de Britse opvarenden en liet 23 Japanners verdrinken. Door een rechtbank van het Britse consulaat werd de kapitein vrijgesproken en van alle blaam gezuiverd. Japan tekende beroep aan en in extremis werd de kapitein tot 3 maanden gevangenis veroordeeld, maar de flagrante onrechtvaardigheid had de bevolking diep getroffen. Men eiste zelfs de sluiting van het Britse consulaat.

Inoue werkte in een periode van toenemende xenofobie. Na een voorbereidende onderhandelingsronde in 1885 zouden zijn voorstellen in 1886 bekrachtigd worden. Door het uitlekken van zijn voorstellen en de reactie van de beledigde bevolking geraakte hij in politiek isolement. Hij moest de conferentie uitstellen tot 1887 en uiteindelijk zag hij zich genoodzaakt onder druk van de publieke opinie en de militairen ontslag te nemen, zodat zijn plan nooit uitgevoerd werd.

Minister van Buitenlandse Zaken Ōkuma Shigenobu 大隈重信.

Zijn opvolger had ongeveer dezelfde doelstelling, maar legde andere accenten voor de verwezenlijking ervan. Om de extraterritorialiteit te doen afschaffen, liet hij eerst de Ongelijke Verdragen naar de letter toepassen, waardoor hij zowel ultranationalisten en xenofoben als de buitenlanders ervan kon overtuigen dat deze wetten onredelijk waren.

Hij benoemde westerse rechters in het Ministerie van Justitie, liet wetsvoorstellen ontwerpen die de buitenlanders een grotere bewegingsvrijheid in geheel Japan garandeerden en de aankoop van grond mogelijk maakten. Dankzij deze tegemoetkomingen kon hij gunstige onderhandelingen voeren met Mexico in 1888, en met de Verenigde Staten, Duitsland en Rusland in 1889. Met Mexico werd overigens het eerste Gelijke Verdrag gesloten in november 1889.

De inhoud en reikwijdte van de nieuwe verdragen werd gepubliceerd in de London Times en raakte bekend bij het brede publiek in Japan. Vanuit nationalistische hoek kwam er enorm protest tegen wat de uitverkoop van Japan werd genoemd. In toepassing van de pas uitgevaardigde nieuwe grondwet kon de benoeming van buitenlandse rechters ongrondwettelijk worden verklaard. Er werd een aanslag op Ōkuma gepleegd door een lid van de ultranationalistische groepering Gen'yōsha 玄洋社. Ōkuma verloor een been bij de aanslag en diende af te treden.

Minister van Buitenlandse Zaken Aoki Shūzō 青木周造.

Zijn opvolger stelde zich tot doel de verdragen te herzien vooraleer het eerste parlement zou gevormd worden. Het compromis dat hij uitwerkte was minder verregaand dan dat van Ōkuma. In ruil voor de afschaffing van de extraterritorialiteit en het recht autonoom tolrechten te heffen, stond hij buitenlanders verblijfsrecht in geheel Japan toe. Hij wees echter eigendomsrechten voor buitenlanders van de hand, evenals de benoeming van buitenlandse rechters, en de verplichting om regelmatig rapport uit te brengen over de voortgang van de modernisering van de wetgeving. Paradoxaal genoeg verklaarde Groot-Brittannië nu wel met het nochtans schrale aanbod akkoord te gaan. De reden hiervoor was van geopolitieke aard. Het hoopte Japan tot bondgenoot te kunnen maken tegen het Russische Keizerrijk, dat aan een zuidwaartse expansie richting China bezig was. Er was ook een economische reden. Merkend dat het moderne kapitalisme in Japan vorm begon te krijgen, hoopten de Britten ook buiten de voor buitenlanders toegankelijke gebieden vaste voet aan de grond te krijgen, vooral als leverancier van technische knowhow.

Het sluiten van het verdrag leek nog maar een formaliteit, toen plots het Ôtsu-incident plaatsvond (zie verder). Het veroorzaakte het ontslag van de regering. De nieuwe minister Enomoto Takeaki slaagde er niet in Aoki's plan af te werken, omdat ook de regering-Matsukata al snel viel.

Ultiem succes

Minister van Buitenlandse Zaken Mutsu Munemitsu 陸奥宗光.

Toen Mutsu Munemitsu Minister van Buitenlandse Zaken werd in het tweede kabinet Itō, liet hij zijn adviseur een plan uitwerken, waarover hij met elke mogendheid afzonderlijk ging onderhandelen. Hij benoemde Aoki Shūzō tot ambassadeur in Londen en belastte hem met de onderhandelingen. De tegenstand in Japan werd resoluut de kop ingedrukt. Het parlement werd zelfs tot tweemaal toe ontbonden. De onderhandelingen verliepen voorspoedig en vlak voor het uitbreken van de Sino-Japanse Oorlog werd in juli 1894 het Japans-Britse Verdrag voor Handel en Zeevaart (Nichi-Ei tsūshō kōkai jōyaku 日英通商航海条約) geratificeerd, waarin de algehele afschaffing van de extraterritorialiteit werd overeengekomen. Een oude Japanse wensdroom ging in vervulling. Groot-Brittannië en Japan bleven bevriende naties, Japan mocht zijn invoerrechten verhogen, en de Britten mochten zich voortaan in heel Japan vestigen. De Verenigde Staten en vijftien andere westerse landen volgden vrij snel het Britse voorbeeld, vooral na de overwinning van Japan op China. Reeds in 1897 was de verdragsaanpassing door de meeste landen toegestaan. Alle verdragen traden in werking in 1899.

Minister van Buitenlandse Zaken Komura Jutarō 小村寿太郎.

Nu de eerste kaap omzeild was, bleef er nog de kwestie van de tolrechten. Minister Komura Jutarō slaagde er in 1911 in, na de Japanse overwinning op Rusland, om ook dit probleem op te lossen. In nauwelijks vijftig jaar tijd was Japan er dus in geslaagd volledige soevereiniteit te verwerven en respect van het buitenland afdwingen. De laatste details, zoals de aanspraak op het eeuwige eigendomsrecht van ambassadeterreinen, werden pas in 1925 definitief geregeld, toen eindelijk de Wet betreffende het recht van buitenlanders op grondbezit door de Diet goedgekeurd werd.

De Sino-Japanse oorlog en de eerste industriële revolutie

De Sino-Japanse Oorlog en de eerste industriële revolutie


De oorzaak van deze oorlog was de onenigheid over Korea, waar twee facties tegenover elkaar stonden: een pro-Chinese en een pro-Japanse. De oorlog brak in 1894 uit en werd, tot verbazing van de hele wereld, gewonnen door Japan, dat een modern en gedisciplineerd leger bezat. Japan veroverde een enorme markt, eiste hoge schadevergoedingen en kon veel geld investeren in de modernisering van de industrie. Het kapitalisme kwam in een stroomversnelling terecht, en sociale problemen staken de kop op. De arbeidsomstandigheden waren inderdaad vaak schrijnend.

Wrijvingen met China over Korea

Japan had door het stimuleren van handel en nijverheid (shokusan kōgyō 殖産興業) een kapitalistisch systeem uitgebouwd, dat nu op zoek ging naar grotere afzetmogelijkheden. Korea was een voor de hand liggend gebied voor dat streven. Geen wonder dus dat er een conflict ontstond met China dat het nog sterk feodale Korea als een natuurlijke en historische tribuutstaat beschouwde.

Het Jingo 壬午-incident

De heerschappij in Korea was reeds lang in handen van conservatieve krachten, van wie de vader van de Koreaanse koning, de daiinkun 大院君, zich als morele leider opwierp. Hij leunde sterk bij China aan en was xenofoob. Daartegenover stond een hervormingsgezinde partij, gesteund door de koningin, die het land wilde moderniseren naar Japans voorbeeld. De tegenstellingen werden scherper en op 23 juli 1882 slaagde de daiinkun erin de slechtbetaalde soldaten van de koning op te hitsen tot rebellie. De kopstukken van de hervormingsgezinde partij werden uitgeschakeld en het gebouw van de Japanse diplomatieke vertegenwoordiging werd in brand gestoken. Deze opstoot van geweld staat bekend als het Jingo-incident. Het leidde tot een gewapende confrontatie tussen China, dat Korea als vazal beschouwde, en Japan, dat tussenbeide kwam onder het voorwendsel landgenoten te willen repatriëren. Deze eerste confrontatie was van korte duur. In hetzelfde jaar nog werd het Verdrag van Saimoppo (Chemulpo, 30 augustus 1882) gesloten, waarin de partijen overeenkwamen dat Japan troepen in Seoul mocht stationeren om relletjes te voorkomen en de Japanse diplomatieke vertegenwoordiging te beschermen en dat de Koreaanse regering schadevergoeding zou betalen. Bovendien werd de opening van enkele haven voor buitenlandse handel in het vooruitzicht gesteld. Voor de symboliek loont het de moeite op te merken dat het verdrag dateringen gebruikt volgens de Koreaanse kalender, en niet volgens de Chinese. Een tribuutstaat van China diende eigenlijk de Chinese kalender te gebruiken in officiële documenten.

De daiinkun was inmiddels door de Chinezen naar China meegevoerd, zodat hij geen invloed meer kon hebben op de politiek. Het eigenzinnige optreden van de Japanners deed de progressieve partij evenwel van idee veranderen en partij kiezen voor China.

Het Kōshin 甲申-incident (1884)

Er ontstonden in Korea opnieuw twee vijandige strekkingen. De pro-Chinese Daijitō 大事党 en de pro-Japanse Dokuritsu-tō 独立党 (Onafhankelijkheidspartij). De pro-Chinese partij voerde een meedogenloze repressie. De Onafhankelijkheidspartij poogde gebruik te maken van de moeilijkheden van de Chinezen in de Frans-Chinese oorlog om in december 1884 een poging tot staatsgreep te ondernemen. De Chinezen bleken heel wat weerbaarder dan verwacht en hun bezettingsleger slaagde er al na twee dagen in de staatsgreep te verijdelen. In de strijd kwam het Japanse consulaat opnieuw in de vuurlijn te liggen. Er vielen enkele doden. Deze gebeurtenissen staan bekend als het Kōshin-incident. Verontwaardigd eiste Japan in januari 1885 verontschuldigingen en schadevergoeding van Korea in ruil voor een nieuw vredesvoorstel. De Japanners kregen voldoening en het Verdrag van Seoul werd getekend (9 januari 1885).

In de lente van datzelfde jaar 1885 reisde Itō Hirobumi naar China om er met de Chinese Minister van Buitenlandse Zaken Li Hongzhang 李鴻章 (Ri Kōshō) een fundamentele regeling te treffen. Dit leidde tot de ondertekening van het Verdrag van Tianjin (Tenshin jōyaku 天津条約, 18 april 1885), dat onder meer de volgende punten bevatte:

  • terugtrekking van Chinese en Japanse troepen (in 1885);
  • de belofte dat geen van beide landen militaire adviseurs naar Korea zou sturen;
  • beide landen moesten elkaar waarschuwen vooraleer troepen naar Korea te sturen, mocht dit in de toekomst weer nodig blijken.

In principe betekende dit het einde van de tribuutrelatie tussen China en Korea, alhoewel dat niet expliciet zo gesteld werd in het verdrag. Zowel China als Japan hadden nu gelijkwaardige aanspraken op Korea. Dat was de interpretatie die Japan aan het verdrag gaf, maar China was niet van plan om zomaar zijn invloedrijke positie in het land prijs te geven.

De Tonghak 東学-opstand (1894)

De spanningen tussen China en Japan op het Koreaanse schiereiland bleven toenemen. In mei 1894 kwam de Tonghak, in het Japanse bekend als Tōgaku-tō 東学党 ('Partij van de Oosterse Wijsheid'), die gekant was tegen alles wat westers en katholiek was, in opstand. Het geloof van deze sekte was gebaseerd op een mengsel van Boeddhisme, Confucianisme en Taoïsme. Vooral in het zuiden van Korea waren de opstandelingen succesvol en bezetten enkele provincies. Om de rebellie het hoofd te bieden riep Korea de hulp van China in. Overeenkomstig het Tianjin-verdrag brachten de Chinezen de Japanners ervan op de hoogte dat ze zouden ingrijpen. Japan reageerde door op zijn beurt troepen te sturen "om het eigen legatiegebouw te beschermen". Zo stonden beide legers toch weer tegenover elkaar.

De Sino-Japanse Oorlog

Escalatie

Na het neerslaan van de rebellie van de Partij van de Oosterse Wijsheid trok China noch Japan hun leger terug. Japan deinsde er niet voor terug zich in Korea's bestuurszaken te mengen. Zowel tussenkomsten van de Chinese minister van Buitenlandse zaken Li Hongzhang als waarschuwingen van Rusland bleven zonder gevolg. In juli 1894 brak de oorlog uit. De Japanse militairen vonden steun bij de nationalistische publieke opinie, en bij de industrie, die hoopte op uitbreiding van de markten en op goedkope grondstoffen. De bewindslieden sloten zich aan bij de anti-Chinese en anti-Koreaanse gevoelens om de aandacht af te leiden van hun omstreden beleid in verband met de herziening van de verdragen. Vrijwel de gehele Japanse samenleving stond achter de militaire campagne.

De oorlog brak uit op 25 juli 1894, al liet de officiële oorlogsverklaring op zich wachten tot 1 augustus. Het hoofdkwartier van de Japanse strijdkrachten werd te Hiroshima gevestigd en stond onder de directe leiding van Kawakami Sōroku 川上操六, die zijn strepen reeds had verdiend in de strafexpeditie naar Hakodate (1870) en de Seinan-rebellie (1877). In september 1894 versloeg de Japanse vloot de Chinese in de Slag van de Gele Zee (Kōkai kaisen 黄海海戦), terwijl ook te land de strijd gunstig verliep. Onder leiding van Yamagata Aritomo en Ōyama Iwao 大山巌 veroverde het Japanse leger Mantsjoerije en het schiereiland Shandong, zodat Běijīng (Peking) binnen handbereik lag. China capituleerde. Japan had totaal onverwacht een gigant overwonnen, dankzij een efficiënt modern leger en het betere moreel van zijn troepen.

Het verdrag van Shimonoseki

In maart 1895 startten Eerste Minister Itō Hirobumi en de Minister van Buitenlandse Zaken Mutsu Munemitsu in de Japanse stad Shimonoseki 下関 onderhandelingen met Li Hongzhang. Na een maand bereikten de partijen een overeenkomst en het verdrag werd getekend op 7 april 1895. De voornaamste bepalingen waren de volgende.

  • China moest ondubbelzinnig de onafhankelijkheid van Korea erkennen.
  • China stond Taiwan, de Pescadoren-eilanden en het Liaodong-schiereiland, ten zuiden van de Liao-rivier, af aan Japan. (Tot 1945 bleef Taiwan Japans).
  • China moest binnen de zeven jaar aan Japan 310 miljoen yen schadevergoeding betalen. Japan investeerde een deel van dit geld in de wapenindustrie (226 miljoen), een deel in het onderwijs en schonk een deel aan de keizerlijke schatkist. Van deze periode dateren de enorme buitenlandse schulden van China. Om zijn schadevergoeding te kunnen betalen, diende het ruime staatsleningen in het Westen uit te schrijven.
  • China moest bepaalde havens openen voor Japan en er het recht van extraterritorialiteit toekennen. Suzhou en drie andere havens werden voor de Japanse koopvaardij geopend.

De Drie Landen-Interventie (Sangoku kanshō 三国干渉)

Zes dagen na de ratificatie (8 mei 1895) van het Verdrag van Shimonoseki vroegen Frankrijk, Duitsland en Rusland Japan het Liaodong-schiereiland aan China terug te geven. Vooral Rusland vreesde Japanse gebiedsuitbreiding ten koste van zijn eigen zuidwaartse expansie. Het bezit van dit schiereiland door Japan werd voorgesteld als een gevaar voor de vrede in China en een aanfluiting van de onafhankelijkheid van Korea. Onder de internationale druk, en omdat het zijn militaire limiet bereikt had, bond Japan in. In ruil kreeg het 36 miljoen yen extra schadevergoeding. De publieke opinie reageerde razend op deze capitulatie en de overheid, die erg verveeld zat met het probleem, begon een lastercampagne tegen Rusland, dat als staatsvijand nummer één werd afgeschilderd.

Gevolgen

Japan verwierf de status van grote mogendheid in het Verre Oosten. Dit hielp aanzienlijk bij het herzien van de Ongelijke Verdragen. De enorme vergoedingen stimuleerden het Japanse kapitalisme en dankzij dit verse geld kon het land de goudstandaard invoeren. De politieke invloed van de kapitalistische groepen nam toe, samen met de groeiende macht van de politieke partijen. De Japanse overwinning bracht ook aan het licht hoe zwak China was. Dit werd het sein voor de jacht op concessies ('the scramble for concessions'), waarbij de westerse imperialistische mogendheden (Groot-Brittannië, Duitsland, Frankrijk en Rusland) in een nietsontziende competitie verwikkeld waren om hun eigen invloedssfeer in China uit te bouwen. In 1898 verwierf Duitsland de Baai van Jiaozhou 胶州 (Japans: Koshuwan 膠州湾) als pachtgebied, Rusland pachtte Port Arthur (Japans: Ryojun 旅順, Chinees: Lǚshùnkǒu 旅順口)en Dalian 大連 (Japans: Dairen) in hetzelfde jaar, en Groot-Brittannië verwierf Wēihǎiwèi 威海衛. In 1899 tekende de Chinese overheid een overeenkomst met Frankrijk voor de concessie van de Baai van Guangzhou 廣州 gedurende 99 jaar.

In China zelf zond de nederlaag een schokgolf door het land. Onder de bestuurlijke en culturele elite heerste een gevoel van crisis, en velen kwamen tot het besef dat het zelfingenomen vasthouden aan de eeuwenoude superieur gewaande traditie geen optie meer was. Corruptie van de ambtenarij, het hopeloos achterhaalde examensysteem, de wijdverspreide opiumverslaving en de voetbinding voor vrouwen waren de voornaamste chronische kwalen waaraan de Chinese samenleving leed. De Chinese maatschappij diende grondig hervormd te worden, wilde China als soevereine staat kunnen voortbestaan in de moderne wereld. Vele jongeren gingen in Japan studeren, omdat dat land in de omslag naar modernisering geslaagd was, en omdat men daar de westerse kennis en technologie, onontbeerlijk voor de modernisering, kon leren.

De eerste industriële revolutie

De Japanse overheid had de modernisering van de Japanse industrie gestimuleerd door een reeks spitsbedrijven met overheidssteun op te richten. Na de Sino-Japanse oorlog komt de lichte industrie, vooral de textielsector, tot grote bloei.

Ontwikkeling van de garen- en spinnijverheid

Vooral de garenspinnerij werd de motor van Japans eerste industriële revolutie. Ze evolueerde van het traditionele spinnen met de hand, naar het spinnen op spoelen en vervolgens naar het spinnen op mechanische en elektrische spinmachines. In 1883 richtte Shibusawa Eiichi 渋沢栄一 (1840-1931) de Osaka Spinning Company op (Osaka Boseki Kaisha), die als eerste op moderne wijze begon te spinnen. Later volgden grote spinnerijen in andere steden. In 1890 werd de Japanse economie geconfronteerd met een ernstige crisis die leidde tot grote productieverminderingen in de textielnijverheid, maar dankzij de expansie op het Aziatische continent kon zij zich herstellen.


Ontwikkeling van de lichte nijverheid

Na de spinnerij ontwikkelden zich ook andere takken zoals de wolweverij, de zijdenijverheid en de papierproductie. Dankzij de invoer van westerse machines namen kwantiteit en kwaliteit van de inheemse zijde- en textielproductie gevoelig toe. In het begin van de Meiji-periode werden een paar Britse weefgetouwen ingevoerd die het beginpunt waren van de ontwikkeling van Japanse manufacturen. Rond 1886 werd het oorspronkelijke machinepark vervangen door een compactere en krachtigere generatie die de verdere bloei van het weven als huisnijverheid stimuleerde. Vanaf 1894 had de machinale productie de ambachtelijke volledig verdrongen. Na de Sino-Japanse Oorlog ontwikkelden zich enkele textielgiganten, waarvan Gunze グンゼ (ondergoed) vandaag de dag nog steeds een vooraanstaande plaats inneemt. In Kyōto kende de Nishijin 西陣-zijde een grote bloei. De papierproductie hield gelijke tred met de expansie van de pers en de uitgeverswereld in Japan. In 1889 begon de productie van papier uit houtpulp op massale schaal. Tegen het einde van de Sino-Japanse Oorlog kon niet alleen voldaan worden aan de binnenlandse vraag, maar begon men ook te exporteren.

Invoering van de goudstandaard

Japan gebruikte tot 1897 de zilverstandaard. Vanaf 1887 waren de internationale zilverprijzen beginnen dalen. Daarom wilde Japan op de goudstandaard overschakelen, maar het miste vooralsnog de financiële middelen daartoe. In 1897 was het zover. Het voerde de goudstandaard in, mede dankzij de enorme Chinese schadevergoedingen, en vaardigde de Wet inzake de Munt (Kahei Hō 貨幣法) uit. Hierdoor versterkte het zijn positie in de internationale handel en opende het zijn deuren voor buitenlandse investeringen.

Anderzijds werd in 1882 de Bank van Japan als centrale bank opgericht, naar het model van de Nationale Bank van België. Deze instelling moest de financiële structuur van Japan verstevigen. Daarnaast verschenen er tal van kassen en privébanken die uiteindelijk door de zaibatsu 財閥, de grote economische conglomeraten, werden opgeslorpt, zodat deze grote concerns de geldmarkt volledig gingen domineren.

De Arbeidersbeweging

Incidenten wijzen op dieperliggende problemen

Door de industrialisering ontstond er een klasse van arbeiders, die niet de minste wettelijke bescherming genoot. Vooral in de mijnindustrie was de toestand schrijnend. De bedrijven hadden nog geen besef van personeelsbeleid en rekruteerden hun arbeidskrachten bij wat men in Vlaanderen 'koppelbazen' pleegt te noemen. Deze tussenpersonen oefenden een schier totale controle uit over hun werkvolk en behandelden hen als horigen. Zij huisvestten hen in schamele barakken, controleerden hun arbeid en beheerden hun loon. Vaak hadden ze zelfs echtparen of gezinnen in dienst. Aangezien er geen arbeidersbeweging bestond, bleef deze schrijnende toestand lange tijd verborgen of minstens onbekend aan de publieke opinie. Daar kwam verandering in toen journalisten van het sociaal bewogen tijdschrift Nihonjin日本人 ('Japanners') in 1888 de toestanden die heersten in de mijn van Takashima aan het licht brachten. De mijn van Takashima (Takashima tanko) lag in de baai van Nagasaki. In de bakufu-periode werd uit deze mijn steenkool gehaald om de enkele buitenlandse schepen die er aanlegden te bevoorraden. In de Meiji-tijd kwam de mijn onder staatstoezicht, maar na enige tijd werd hij geprivatiseerd en aan Mitsubishi 三菱 verkocht. Omdat er een tekort aan arbeidskrachten was, deed de mijndirectie beroep op koppelbazen. De arbeiders woonden in schamele barakken en moesten in mensonwaardige omstandigheden werken. De journalist Matsuoka Kōichi 松岡好一 kwam incognito in de mijn werken en bracht in 1888 in Nihonjin 日本人 verslag uit over de gang van zaken, wat een storm van verontwaardiging veroorzaakte. De regering stelde een onderzoek ter plaatse in en drong bij Mitsubishi aan op verbeteringen, die schoorvoetend werden uitgevoerd.

Een ander probleem dat opschudding verwekte was het vergiftigingsschandaal van de kopermijn van Ashio 足尾 (in de prefectuur Tochigi), dat in 1892 aan het licht kwam. Niet alleen leidde de vervuiling van de rivier de Watarasegawa 渡良瀬川 tot massale vissterfte, maar vervuild water spoelde in de velden, waardoor ze niet langer voor de rijstteelt geschikt waren. Dit was een van de eerste gevallen van industriële pollutie in Japan. Het plaatselijke parlementslid Tanaka Shōzō 田中正造 kwam op voor zijn streek en eiste schadevergoeding en sluiting van de mijn, maar de regering negeerde zijn pleidooien, tot hij uiteindelijk in 1901 een petitie tot de Keizer zelf richtte. Dit had tot gevolg dat de regering uiteindelijk de mijnuitbaters dwong een einde aan de vervuiling te maken, en werken liet uitvoeren om de rivier in te dijken en zo verdere pollutie van de rijstvelden te voorkomen. Voor deze werken diende een dorp onder dwang geëvacueerd te worden, en de getroffen boeren moesten met een schamele schadeloosstelling genoegen nemen. Het probleem is eigenlijk nooit echt bevredigend opgelost geworden. Nog in de jaren zestig van de twintigste eeuw protesteerden de boeren tegen de lozingsnormen van de milieuwet, omdat ze die niet streng genoeg achtten.

Arbeidersorganisatie en actie vóór de Sino-Japanse Oorlog

In 1882 werd onder de invloed van de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten de Shakai-tō 車界党 De 'Bond van de riksja' opgericht, een bond van riksjatrekkers, die hun belangen wilde verdedigen tegen de oprukkende paardentrams. In hetzelfde jaar stichtte Tarui Tōkichi 樽井藤吉 (1850-1922) de Tōyō Shakai-tō 東洋社会党 ('Sociale partij van het Oosten'), die ijverde voor sociale gelijkheid en verdeling van het land. Zij telde vooral onder de arme boeren aanhangers, maar werd in hetzelfde jaar nog verboden. In 1892 stichtte Ōi Kentarō de Tōyō Jiyū-tō 東洋自由党 ('Partij voor Vrijheid van het Oosten'), die pleitte voor algemeen stemrecht. Toch mogen we niet beweren dat deze bewegingen echte vakverenigingen waren.

Van in het begin van de Meiji-periode braken her en der ongeregeldheden uit in mijnen, maar de eerste echte staking greep plaats in 1886, toen textielarbeidsters in Kōfu 甲府, in de prefectuur Yamanashi, het werk neerlegden uit protest tegen de erbarmelijke werkomstandigheden. De arbeiders en arbeidsters begonnen zichzelf duidelijk als een aparte belangengroep te zien. Er zij hier op gewezen dat het aantal fabrieksarbeiders in die jaren nog niet zo groot was, en dat vrouwen een groot percentage uitmaakten, vooral in de textielsector. Na de Sino-Japanse Oorlog zal de arbeidersklasse steeds vaker naar het wapen van de staking grijpen, hoewel er uiteraard geen stakingsrecht bestond.

Het Comité tot Oprichting van Arbeidersbonden

In 1890 richtten Japanse arbeiders in Amerika de Shokkō Giyū Kai 職工義友会 ('Coöperatieve van Textielarbeiders') op. Een van de leden was de autodidact en sociaal bewogen journalist Takano Fusatarō 高野房太郎. Na de Sino-Japanse Oorlog keerden zij naar Japan terug om hun activiteiten in eigen land verder te zetten. In 1897 stichtte Takano Fusatarō, samen met Katayama Sen 片山潜, een leider van de socialistische beweging en later uitvoerend lid van de Comintern, het invloedrijke Comité tot Oprichting van Arbeidersbonden (Rōdō Kumiai Kisei Kai 労働組合期成会), dat actief streefde naar het oprichten van vakbonden in diverse nijverheidstakken. Het comité stichtte hetzelfde jaar nog de Bond van Metaalarbeiders (Tekkō Kumiai 鉄工組合), Japans eerste moderne vakvereniging. De macht van deze organisatie kwam aan het licht in 1898, toen zij een staking van de machinisten van de Japanse Spoorwegen steunde.

Sociale groeperingen na de Sino-Japanse Oorlog

In 1899 werd de Liga voor de Invoering van het Algemeen Stemrecht (Futsū Senkyo Kisei Dōmei Kai 普通選挙期成同盟会) opgericht, een beweging die voor algemeen stemrecht pleitte, zonder veel succes overigens. In haar kielzog ontstonden er heel wat studiegroepen die zich over de sociale problemen bogen en naar oplossingen zochten. Tarui Tōkichi richtte in 1897 het Genootschap voor de Studie van Sociale Problemen (Shakai Mondai Kenkyū Kai 社会問題研究会)op, terwijl de politicus Shimada Saburō en de econoom Taguchi Ukichi (ook bekend als historicus) de Vereniging voor Studie van de Maatschappij (Shakai Gakkai 社会学会) stichtten. In 1898 stichtten Katayama Sen, Kōtoku Shūsui, Abe Isō, ... het Genootschap voor de Studie van het Socialisme (Shakaishugi Kenkyū Kai 社会主義研究会), dat aanvankelijk vrij theoretische studies publiceerde, maar na zijn naamsverandering in Socialistische Associatie (Shakaishugi Kyōkai 社会主義協会) aan concrete bewustmaking werkte.

Overheidsrepressie

Naarmate de invloed van het Comité tot Oprichting van Arbeidersbonden toenam, voerde de overheid haar repressie op. In 1900 verscherpte het tweede kabinet-Yamagata de wetten inzake de openbare orde en de politiecontrole. Het aantal mensen dat zich nog met het comité durfde in te laten, nam af en uiteindelijk ging het in 1901 ter ziele.

Het ontstaan van socialistische partijen

Toch wakkerde deze repressie het radicalisme en de overtuiging van de activisten aan. In 1901 werd de eerste socialistische partij van Japan, de Sociaaldemocratische Partij (Shakai minshu-tō 社会民主党) door Katayama Sen, Kōtoku Shūsui 幸徳秋水, Abe Isō 安部磯雄, e.a. gesticht. Een dag na haar officiële registratie werd zij reeds verboden.

De Russisch-Japanse oorlog en de tweede industriële revolutie

De Russisch-Japanse oorlog en de tweede industriële revolutie


De inmenging van de westerse mogendheden in de interne aangelegenheden van China werd na de Boksersopstand intenser. Ook Japan wierp zich in de strijd om vaste voet aan de grond te krijgen in dat land. Het kwam vooral in aanvaring met Rusland. Dankzij de steun van Amerika en Groot-Brittannië kon Japan zich hard opstellen tegen Rusland. In Japan zelf wist de regering zich gesteund door een hetze tegen Rusland, dat werd afgeschilderd als Japans grootste vijand. De militaire overwinning op Rusland leverde de militairen dan ook een enorme winst aan prestige op. Nu kwamen er stilaan moeilijkheden met Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, die de toenemende invloed van Japan in het Verre Oosten begonnen te vrezen. Paradoxaal genoeg leidde dit tot een Japanse toenadering tot Rusland. In deze periode kreeg de Japanse overheid af te rekenen met steeds grotere financiële en economische problemen, die hoofdzakelijk te wijten waren aan een grote buitenlandse schuld, veroorzaakt door de tweede industriële revolutie, en een grootscheeps bewapeningsprogramma, dat de militairen doordrukten nu hun reputatie een hoogtepunt bereikt had. Massale armoede, uitbuiting van de gekoloniseerde volkeren en monopolievorming om de crisis te kunnen oplossen, waren de weinig aantrekkelijke gevolgen. Ze zorgden voor grote sociale spanningen, die tot politiek extremisme leidden en vaak in geweld uitmondden. Het hoogtepunt hiervan was het incident van de Majesteitsschennis (Taigyaku jiken 大逆事件) in 1910.


De Boksersopstand

Het Chinabeleid van de westerse mogendheden

Op het einde van de negentiende eeuw vierde het kolonialisme hoogtij. Afrika werd verdeeld en ook de verscheuring van Azië was volop aan de gang. China ontsnapte er evenmin aan, zeker na zijn nederlaag tegen Japan. Rusland, Duitsland en Frankrijk, de landen die na de vrede van Shimonoseki waren tussengekomen en Japan gedwongen hadden om het Liáodōng-schiereiland terug te geven, waren de eersten die als prijs voor hun tussenkomst de Chinese soevereiniteit begonnen aan te tasten. Groot-Brittannië sloot zich hierbij aan, terwijl ook Japan opnieuw trachtte een rol te spelen op het vasteland. De doelstellingen en gebruikte technieken kunnen in drie categorieën worden ingedeeld:

  1. uitbouw van een invloedssfeer door grote gebieden in pacht te nemen;
  2. het verwerven van rechten op gebieden waar delfstoffen werden gewonnen of spoorwegen aangelegd;
  3. het land afhankelijk maken door leningen toe te staan.

Rusland leende, samen met Frankrijk, zes miljoen keizerlijke roebels aan China onder gunstige voorwaarden. In ruil daarvoor kreeg Rusland het recht een bank op te richten, die zich uitsluitend bezighield met Russische handelsbelangen. Het sloot ook een geheime alliantie met China om de Japanse invloed te keren (Ro-Shin mitsuyaku 露清密約). Rusland kreeg het recht de Oost-Chinese spoorweg (Tōshin tetsudō 東清鉄道) aan te leggen en uit te baten, kon Port Arthur en Dairen voor 25 jaar in pacht nemen en mocht ook in Mantsjoerije een spoorweg aanleggen en delfstoffen ontginnen.

Frankrijk verwierf een invloedssfeer in het huidige Zuid-China, waar het voor een periode van 99 jaar Guǎngzhōu in pacht mocht nemen. Duitsland maakte gebruik van het voorwendsel dat een aantal missionarissen vermoord waren om de Baai van Jiaozhou voor 99 jaar in pacht te krijgen, samen met het recht een spoorweg uit te baten op het Shāndōng-schiereiland en er delfstoffen te ontginnen.

Groot-Brittannië kreeg gebieden langs de Jangtsekiang (Yángzǐ Jiāng 揚子江) in handen en, ter compensatie voor wat de Duitsers en Fransen hadden gekregen, kreeg het Wēihǎiwèi en het Kowloon (Jiǔlóng 九龍)-schiereiland in pacht voor 99 jaar. Japan nam als volleerde grootmacht deel aan de goldrush en kreeg de gehele provincie Fújiàn 福建, tegenover Taiwan, onder zijn beheer.

Amerika was, wegens de burgeroorlog, te laat op het appel verschenen om deel te nemen aan de wedren voor het verwerven van rechten ('the scramble for concessions'). Omdat er niet veel meer te rapen viel, stelde het land zich soepel op en maande het de andere mogendheden tot matiging aan. In 1899 drong het aan op een 'open deur politiek': de zelfstandigheid en de eenheid van het Chinese Rijk moesten gewaarborgd blijven, maar overal in China moest de buitenlandse handel gelijke kansen krijgen.

China ontwaakt

Chinees verzet tegen het Westen was reeds vroeg op gang gekomen (bijvoorbeeld de Tàipíng 太平-opstanden van 1851-1865), maar had weinig resultaat opgeleverd. Vervolgens trachtte een hervormingsbeweging, onder de invloed van Kāng Yǒuwéi 康有為 (1858-1927), China uit te bouwen naar westers model. Sun Yat-Sen 孫逸仙 (Chinees: Sūn Yìxiān, Japans: Son Issen) probeerde in 1895 diverse keren een opstand tegen het regime te ontketenen, maar mislukte. Wel legde hij de basis voor een grote revolutionaire organisatie. Hij moest vluchten naar Japan, waar hij bewustmakingswerk onder de Chinese studenten deed, wat leidde tot de vorming van de Tóngméng Hui 同盟会 (Jap.: Dōmei Kai), de latere Guómíndǎng 国民党 of Chinese Nationale Volkspartij (Jap.: Kokumin-tō), ook wel gemeenzaam de "De Nationalistische Partij" genoemd.

In 1899 brak de Boksersopstand uit. De Boksers (Giwadan 義和団) waren afgescheurd van de geheime sekte van de Witte Lotus, die streefde naar de verdrijving van alle buitenlanders en het herstel van een stevig bestuur onder de Qing-dynastie. In 1900 keerden de Boksers zich tegen de residentiële wijken van de Europeanen in Tiānjin en de Duitse en Japanse missies in Běijīng, waarbij zowel aan Duitse als aan Japanse kant personeel het leven liet. Na een kort beraad werd een internationaal expeditieleger gevormd, waarin vooral Rusland en Japan sterk vertegenwoordigd waren, en de opstand werd onderdrukt. Het gevolg was een nieuwe vernedering voor de Chinese overheid. China moest zijn verontschuldigingen aanbieden, de raddraaiers werden ter dood veroordeeld en er werd een zeer hoge schadevergoeding gevorderd, bovenop de sommen die China reeds moest betalen aan Japan. Aan de afbetaling werden voor lange tijd de inkomsten van de Chinese Keizerlijke Douane besteed. Door dit voorval verhoogde Japans internationaal prestige nog aanzienlijk.

Russische expansiedrang

De zuidwaartse strategie van Rusland

Na de concessies die Rusland in China had verworven, stuurde het een groot leger naar Mantsjoerije onder het voorwendsel dat het een verdediging tegen de Boksers moest bieden en dat zulks behoorde tot de voorbereidselen voor de aanleg van de spoorweg. Met de troepen kon Rusland China onder druk zetten om het geheime Russisch-Chinese pact tegen Japan te sluiten. De facto nam Rusland heel Mantsjoerije in bezit.

Het ondernam eveneens verwoede pogingen om Korea tot bondgenoot te maken. Dit was vrij gemakkelijk omdat de Japanse ambassadeur in China een beweging steunde die de Koreaanse koningin wou vermoorden. In de periode 1896-1898 werd tot tweemaal toe een geheim Russisch-Koreaans akkoord (Ro-Kan mitsuyaku 露韓密約) gesloten. Rusland kreeg het recht troepen in Korea te detacheren, militaire adviseurs te sturen en een kamer van koophandel te openen. In 1900 mocht het een Russisch-Koreaanse Bank openen en kreeg het militaire havenfaciliteiten.

Japanse reactie

De Japanse leiders waren verdeeld over de houding die ze dienden aan te nemen tegenover de Russische machtsuitbreiding. Itō Hirobumi, Inoue Kaoru, Ozaki Yukio, e.a. waren voorstander van een verzoeningsgezinde koers, die aanstuurde op samenwerking met Rusland. Voorstanders van deze doctrine (Nichi-Ro teikei-ron 日露提携論) wilden eventueel Ruslands greep op Mantsjoerije aanvaarden in ruil voor een Japans alleenrecht in Korea. Lijnrecht daartegenover stonden Yamagata Aritomo, Katsura Tarō en Komura Jutarō, die meenden dat dit de Russische appetijt alleen maar zou aanscherpen, en voor de confrontatie opteerden. In maart 1901 diende Japan een officiële protestnota in bij de Russen tegen de feitelijke bezetting van Mantsjoerije. Hierop kwam geen reactie, zodat Japan besloot uit te kijken naar een bondgenoot tegen Rusland. Uiteindelijk was Groot-Brittannië, dat de uitbreiding van de Russische invloedssfeer met lede ogen aanschouwde, bereid tot samenwerking. In ruil voor de Japanse erkenning van haar concessies in China aanvaardde Groot-Brittannië in januari 1902 een alliantie met Japan (Nichi-Ei Dōmei 日英同盟).

De Brits-Japanse Alliantie

Deze alliantie bevatte onder meer de volgende punten:

  • beide landen zouden instaan voor de onafhankelijkheid en de bescherming van China en Korea en zouden elkaars belangen in die landen respecteren.
  • als een van de ondertekenaars in een oorlog betrokken zou raken, beloofde de andere strikt neutraal te blijven.
  • als twee of meer mogendheden in een conflict met een van de ondertekenaars betrokken zouden worden, zou de andere ondertekenaar hulp verlenen.

Deze alliantie verhinderde dat Groot-Brittannië zou toetreden tot de Frans-Russische Entente, hoewel het dat later toch deed (de Triple Entente). Ook Duitsland sprak het verlangen uit om toe te treden tot de Brits-Japanse Alliantie, om op die manier de Russische plannen in Azië te dwarsbomen, maar zover kwam het niet. De alliantie bleef bestaan tot 1921 en werd tweemaal herzien. Eerst was de alliantie gericht tegen Rusland, maar later verplaatste de focus zich naar Duitsland.

Russische reactie

Eerst reageerde Rusland door te verklaren dat zijn entente met Frankrijk ook in het Verre Oosten van toepassing zou zijn, maar later bond het wat in. In 1902 gaf het Mantsjoerije terug aan China en aanvaardde het in anderhalf jaar tijd de Russische troepen terug te trekken.

De Russisch-Japanse Oorlog vanuit internationaal perspectief

Het uitbreken van de oorlog

Overeenkomstig zijn belofte trok Rusland in 1902 een deel van zijn troepen terug, maar de vooropgestelde datum voor een volledige terugtrekking ging voorbij zonder dat het zijn verplichtingen nakwam. Integendeel, het bracht nieuwe divisies in stelling, eiste van China dat het in Mantsjoerije een 'open' beleid zou voeren, en bouwde een reeks communicatieposten juist over de Koreaanse grens. Dit alles werd in Rusland doorgedrukt door een groep keizersgetrouwen (waaronder aandeelhouders van de maatschappij die de bossen rond de Yalu-rivier ontgon) tegen de op vrede aansturende partij van Sergej Witte in. Japan verwachtte weinig goeds van de koerswijziging van Rusland en begon via de minister van Buitenlandse Zaken, Komura Jutarō, onderhandelingen met de Russische gevolmachtigde Roman Romanovitsj Rosen. Dit leidde niet tot een overeenkomst. De publieke opinie was ronduit anti-Russisch. Het virulente anti-Russische standpunt van zeven doctores van de Keizerlijke Universiteit van Tōkyō, waaronder Konoe Atsumaro 近衛篤麿, vader van de latere eerste minister Konoe Fumimaro 近衛文麿, goot olie op het vuur. In februari 1904 brak de regering de diplomatieke betrekkingen af en verklaarde de oorlog aan Rusland.

Het verloop van de strijd

De oorlog begon met een veldslag voor de monding van de Inchon-rivier, die voor de Japanners gunstig verliep. Onder leiding van de opperbevelhebber Ōyama Iwao vielen één voor één de steden Liáoyáng 遼陽, Ānshān 鞍山, en Port Arthur, tot in maart 1905 de Russen te Mukden (Chin.: Fèngtiān 奉天, Jap.: Hōten, thans Shěnyáng瀋陽) de definitieve klap kregen. Op zee had Japan de haven van Port Arthur hermetisch afgesloten, zodat Ruslands vloot nooit in de strijd kon komen. Het te hulp gekomen Baltische eskader werd in de Slag van de Japanse Zee totaal vernietigd.

De houding van de Westerse mogendheden

Zodra de oorlog uitbrak, verklaarden Amerika, Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië zich neutraal. Vooral Amerika stelde zich positief op tegenover Japan door te dreigen dat als Frankrijk of Duitsland tussenbeide zou komen, de Verenigde Staten Japan te hulp zouden snellen. De neutraliteit was in feite niet volledig, want Groot-Brittannië en de Verenigde Staten stonden toe dat Japan buitenlandse staatsleningen uitschreef op de financiële markten van Londen en New York om de oorlogsuitgaven te dekken. Daartoe had het ook binnenlandse leningen uitgeschreven en de belastingen verhoogd, maar deze maatregelen waren verre van toereikend. De oorlogsuitgaven waren eenvoudig te hoog in verhouding met de nationale begroting en de economische draagkracht van het land. Toen Japan zijn limiet bereikte, zocht het naar een geschikt moment om over vrede te onderhandelen. De vernietiging van het Baltische eskader bood daartoe de gedroomde gelegenheid.

Het Verdrag van Portsmouth

Militair gezien had Japan de oorlog over de gehele lijn gewonnen, maar economisch verkeerde het in grote ademnood. Van zijn kant had de tsaristische regering te kampen met de revolutie van 1905. Duitsland en Frankrijk spoorden Rusland aan om de wapens neer te leggen. Japan vroeg de Amerikaanse president Theodore Roosevelt om als bemiddelaar op te treden. Komura Jutarō was gevolmachtigd onderhandelaar voor Japan, terwijl Rusland zich liet vertegenwoordigen door Sergej Witte. Op 5 september 1905 werd in het Amerikaanse stadje Portsmouth het gelijknamige verdrag ondertekend. Voor zijn bemiddeling ontving T. Roosevelt in 1906 de Nobelprijs voor de Vrede.

Inhoud van het verdrag en binnenlandse protesten in Japan

De overeenkomst behelsde de volgende punten:

  • Rusland erkende de Japanse invloedssfeer in Korea;
  • Japan kreeg de Russische pachtgebieden in Guǎndōng 廣東 (Japans: Kantō, het huidige Liáoníng 遼寧) met de steden Port Arthur en Dairen, alsook de uitbatingsrechten van alle Russische spoorweg- en mijnfaciliteiten ten zuiden van Chángchūn 長春;
  • Japan kreeg de zuidelijke helft van Sachalin (onder de vijftigste breedtegraad);
  • Japan kreeg visserijrechten in de territoriale wateren van Rusland in het Verre Oosten.

Het verdrag voorzag niet in schadevergoedingen. Japan had het maximum uit het verdrag gehaald, maar de Japanse publieke opinie, die geen idee had van de ware machtsverhoudingen en meende dat de zege van Japan absoluut was, wou ook geld. Er ontstonden groeperingen die zich tegen het verdrag kantten. De ergste relletjes vonden plaats in Hibiya 日比谷, waar een publieke meeting die de Japanse laffe internationale houding aan de kaak stelde, uitdraaide op protest tegen de overheidsrepressie en de belastingverhogingen. De opgehitste gemoederen leidden tot plunderingen. Het publiek maakte duidelijk geen juiste inschatting van de reële machtsverhoudingen.

Gevolgen van de oorlog

De overwinning van de Aziatische dwerg op de Europese kolos verhoogde Japans aanzien in het buitenland gevoelig. Het land blaakte van zelfvertrouwen en het ging werk maken van de uitbouw van een invloedssfeer op het vasteland. De tendensen die sedert de Sino-Japanse Oorlog reeds aan het licht waren gekomen, namelijk monopolievorming en militarisering, drukten steeds meer nadrukkelijk hun stempel op het nationale beleid. De grote buitenlandse schuld liet echter vooralsnog niet genoeg speelruimte.

Imperialisme

In de industrie tekenden zich monopolies af. Enkele grote concerns slaagden erin door de concentratie van kapitaal de hele industrie te controleren. Overtollig kapitaal werd geïnvesteerd in het buitenland of in bewapening, die dan weer diende om de kolonisering op het vasteland te ondersteunen. Industrie en leger werden objectieve bondgenoten.

Zware belastingdruk

De oorlog had enorme kapitalen verslonden. De totaalkost liep tegen de twee miljard yen, meer dan zesmaal het nationale product van Japan. Zeshonderd miljoen werd door binnenlandse obligaties gefinancierd, en nog eens tweehonderd miljoen werd via belastingverhogingen gerecupereerd. Toch dienden nog achthonderd miljoen yen in het buitenland geleend te worden. Ook de betaling van de intresten ten bedrage van honderd miljoen vormde een groot probleem. Bovendien verlangden de militairen in de overwinningsroes de begroting voor het leger nog aanzienlijk te verhogen. De overheid was dus koortsachtig op zoek naar geld. In dat kader moet de nationalisering van de Japanse spoorwegen gezien worden. In hetzelfde jaar werd ook de Spoorwegmaatschappij van Mantsjoerije opgericht met Japan als voornaamste aandeelhouder. De financiële situatie bleef uiterst penibel en de belastingdruk werd tot de limiet van het draaglijke opgedreven. 1907 was een echt crisisjaar. Indexeren we de belastingdruk per persoon op 100 in 1900, dan bedroeg hij in 1906 reeds 208, meer dan het dubbele, en in 1908 zelfs 258.

Annexatie van Korea

In februari 1904, dus voor het uitbreken van de Russisch-Japanse Oorlog, tekende Japan met Korea een geheim protocol (Nik-Kan giteisho 日韓議定書). Dit gaf de Japanse regering het recht zich in de binnenlandse politiek van Korea te mengen en zijn troepen in het land te stationeren. In augustus van datzelfde jaar drong Japan aan Korea een Samenwerkingsakkoord op (het Nik-Kan kyōyaku 日韓協約). Door Japan aangestelde adviseurs, onder wie de Amerikaan Stevenson, bepaalden voortaan mede het financiële beleid en de buitenlandse politiek van Korea. Toen door het Verdrag van Portsmouth internationaal aanvaard werd dat Japan in Korea tussenbeide kwam, was het hek helemaal van de dam. Japan beredderde nu openlijk de volledige politiek van Korea. Eind 1905 werd in Seoul het Tōkan-fu 統監府 opgericht, belast met het toezicht op de modernisering van Korea, met Itō Hirobumi als eerste tōkan 統監 (supervisor). De Koreanen stuurden een geheime delegatie naar de Internationale Vredesconferentie in Den Haag, om hun zaak voor de internationale publieke opinie te brengen, maar dat haalde niet veel uit. Itō Hirobumi reageerde boos, en eiste het aftreden van de Koreaanse koning, die de delegatie gestuurd had. Een nieuwe koning besteeg de troon en pro-Japanse politici kwamen in het kabinet. Met dit kabinet sloot Japan een overeenkomst die Korea degradeerde tot protectoraat. In elk ministerie werd een Japanse directeur-generaal aangesteld en het Koreaanse leger werd ontbonden. In 1909 werd de totale annexatie een feit, zonder noemenswaardig protest vanwege de westerse mogendheden. Tot 1945 hield de Koreaanse staat op te bestaan. Voortaan kende Korea een repressief koloniaal beleid, gevoerd door het gouvernement van de resident-generaal (sōtoku-fu 総督府), Terauchi Masatake 寺内正毅.

Japans continentale beleid

De overwinning op de Russen maakte de Japanners tijdelijk tot de grote vrijheidshelden van Azië. Hun handelswijze tegenover Korea deed de in Japan gestelde hoop echter snel omslaan in scepsis. Vooral toen Japanse troepen Mantsjoerije binnenvielen en het gebied werd afgesloten voor buitenlandse inmenging begon de internationale achterdocht te groeien. Groot-Brittannië en Amerika verzetten zich heftig tegen het Japanse optreden.

De Amerikanen werden door de toenemende Japanse macht verontrust en vreesden dat Japan ook zijn invloed in de Filippijnen zou willen vestigen. William H. Taft, Amerikaans minister van Defensie, reisde in 1905 naar Japan, waar hij met premier Katsura besprekingen voerde. De Katsura-Taftovereenkomst, gesloten in juni 1905, bevestigde de natuurlijke belangen van Japan in Korea, in ruil voor Japans aanvaarding van Amerika's zeggenschap over de Filippijnen. De inhoud van deze overeenkomst werd pas in 1922 bekend.

De Japans-Britse Alliantie werd in 1905 herzien op twee punten:

  • Het toepassingsgebied van het Verdrag werd uitgebreid tot India, omdat Londen vreesde dat de Russen ook belangstelling hadden voor het Indische subcontinent.
  • Londen erkende de specifieke belangen van Japan in Korea en het Japanse militaire en politieke optreden in dat land.

In 1911 werd het Verdrag nogmaals herzien.

Japan, dat stilaan problemen kreeg met de Verenigde Staten, zocht in het geheim toenadering tot zijn oude vijand Rusland en sloot drie verdragen. Voor de buitenwacht proclameerden de nieuwe vrienden dat ze het status-quo in het Verre Oosten en de soevereiniteit van China bevestigden. Bovendien kwamen ze in het geheim overeen elkaars belangen in Korea en Buiten-Mongolië te erkennen (het eerste verdrag), elkaar te helpen om hun belangen te beschermen tegen het opdringende Britse en Amerikaanse kapitaal (het tweede verdrag), Buiten- en Binnen-Mongolië als wederzijdse invloedssferen te handhaven tegen het groeiende Chinese nationalisme (het derde verdrag). Ook Frankrijk sloot een verdrag af met Japan, waarin beide landen elkaars belangen in Azië erkenden.

De tweede industriële revolutie

Ontwikkeling van de zware industrie

Bij deze tweede industriële revolutie lag de nadruk meer op de zware nijverheid. Aanvankelijk verliep de ontwikkeling weinig opvallend, maar vooral in de wapenindustrie was een gestage ontplooiing merkbaar. De staalproductie was haast uitsluitend voor militaire doeleinden bestemd. In 1897 werd de Yawata-gieterij (Yawata seitetsu-sho 八幡製鉄所) opgericht als overheidsbedrijf. In 1901 werd ze operationeel. Het ijzererts werd geleverd door de mijnen die in China in concessie waren verkregen. Deze fabriek gaf de aanzet tot de tweede industriële revolutie. Vooral Noord-Kyūshū ontwikkelde zich tot een belangrijk centrum van staalproductie. In de productie van machines investeerde de overheid nauwelijks, maar de privésector had een belangrijke producent, Mitsubishi Denki. De zware nijverheid kon niet opbloeien zonder voldoende grondstoffen. Ondanks de relatieve armoede van Japan steeg de productie van steenkool zeer snel naarmate de staalnijverheid opbloeide en het genationaliseerde spoorwegnet werd uitgebreid. Koper, goud en zilver werden opnieuw interessante delfstoffen, nu Japan met grote buitenlandse schulden zat. In 1900 kregen buitenlandse maatschappijen, als eerste het Amerikaanse Standard Oil (Esso), de vergunning om naar olie te boren, een techniek die Japan nog niet meester was.

In Yokosuka kwam een grote scheepswerf voor militaire doeleinden, terwijl de bouw van handelsschepen grote werven in het leven riep in Tōkyō (op het eiland Ishikawajima), Kōbe (Kawasaki Steel), Nagasaki, ... Japan werd snel een der grootste maar ook kwalitatief beste scheepsbouwers ter wereld. Het land kon dank zij de vele riviertjes met groot verval tal van hydro-elektrische centrales bouwen, die het mogelijk maakten hier en daar tram- en treinnetten te elektrificeren en tot in de huizen van de gewone man elektrische voorzieningen te brengen. Verder bloeiden de cement- en kunstmestnijverheid.

Ontstaan van kapitaalmonopolies

De ontwikkeling van de industrie werkte de monopolisering en concentratie van bedrijven in de hand. Talloze kleine ondernemingen waren na 1890 failliet gegaan en degene die overeind bleven, waren meestal bedrijven die aan kartelvorming deden binnen hun eigen sector. Tijdens de crisis van 1901 kwamen vele banken in moeilijkheden, met hetzelfde gevolg: enerzijds faillissementen, anderzijds fusies. Rond de eeuwwisseling werden de beroemde zaibatsu 財閥 gevormd. Enkele zakenlui met politieke connecties accumuleerden kapitaal in een paar grote banken en kochten met dat geld hele nijverheidssectoren op. Mitsui 三井, Mitsubishi 三菱, Sumitomo 住友 en Yasuda 安田 zijn de meest bekende zaibatsu. In deze tweede fase van de industriële revolutie ontstond dus ook een monopolistisch kapitalisme, dat zich bewust of onbewust innestelde in de imperialistische politiek van Japan.

De landbouw

Door de invoer van goedkope grondstoffen, voornamelijk uit China en Korea, ging de kweek van katoen, vlas, linnen, e.d. achteruit, maar dankzij de bloei van de zijde-industrie bleef de kweek van zijderupsen en het exporteren van zijde een winstgevende bezigheid. Deze zijde veroverde de wereldmarkten en vond vooral in Amerika een gretige afzet. De welvaart van de zijdeproducenten steeg aanzienlijk, terwijl de gewone boerenbevolking kreunde onder de bijzonder zware lasten die haar werden opgelegd door de grondeigenaars en de staat. De pacht kon tot de helft van de opbrengst bedragen, zodat ook dagloners en weddetrekkende boerenknechten het zeer zwaar hadden. Pachtersbonden concentreerden zich op de eis van verlaging van de pachtgelden.

Sociale beweging en strijd

Vakbonden waren verboden. De repressie van de socialistische bewegingen leidde tot radicalisering en extremisme. Het volk groeide nu snel in politiek bewustzijn. De eis om algemeen stemrecht en vrouwenemancipatie klonk steeds luider.

Pacifistische tendensen

Toen de Russisch-Japanse Oorlog onafwendbaar leek, stichtte de journalist Kuroiwa Ruikō, eigenaar van de krant Yorozu Chōhō 万朝報, een groepering van pacifisten, die de oorlog en de repressieve wetten bekritiseerde. Vlak voor het uitbreken van de oorlog veranderde hij evenwel van mening, zodat zijn drie medestanders Kōtoku Shūsui (1871-1911), Sakai Toshihiko 堺利彦 (1870-1933) en Uchimura Kanzō 内村鑑三 (1861-1930) in 1903 de beweging verlieten. Samen met Ishikawa Sanshirō 石川三四郎, Nishikawa Kōjirō, Abe Isō, Kinoshita Naoe 木下尚江 en Katayama Sen (zie hoger) stichtten Kōtoku en Sakai de Heimin-sha 平民社, een socialistische organisatie die via haar weekblad Heimin shinbun 平民新聞 pacifistische ideeën verspreidde. De overheid vond dit staatsgevaarlijk en verbood de organisatie in 1905. De Heimin-sha had een uitstraling op literair vlak, want bij het begin van deze eeuw verschenen er enkele pacifistische romans, bijvoorbeeld Hi no hashira 日の柱 ('Een zuil van vuur') van Kinoshita Naoe. Uchimura van zijn kant was een overtuigd christen en humanist die heel wat aanhang vond bij de jeugd, zowel omwille van zijn vredelievende standpunt als omwille van de moed waarmee hij zijn idealen beleed. Hij weigerde bijvoorbeeld te knielen voor een foto van de keizer. Andere auteurs die zich aansloten bij de pacifistische idealen waren o.m. de dichteres Yosano Akiko 与謝野 晶子 (zie verder) en de schrijfster Ōtsuka Naoko die in Ohyakudo mōde (お百度詣で) het verdriet beschrijft van een vrouw wier man naar het oorlogsfront moet.

De sociale beweging na de Russisch-Japanse Oorlog

Parallel met de tweede industriële revolutie en de opkomst van de zaibatsu werden de arbeidsvoorwaarden steeds slechter. Al waren vakbonden verboden, toch braken wilde stakingen en ongeorganiseerd geweld uit. Om de rechten van de arbeiders beter te beschermen, werkten juristen en leiders van de sociale beweging samen aan voorstellen voor een sociale wetgeving voor fabrieken (kōjō-hō 工場法), maar hun voorstellen waren te radicaal volgens de ondernemers en raakten nooit door het parlement. In 1911 werd uiteindelijk een compromis aanvaard, dat pas in 1916 van kracht werd. Het uitgangspunt was dat de gezondheid van arbeiders en arbeidsters beschermd moest worden, maar in de rangorde van de ondernemers hadden economische en militaire noden voorrang op bijvoorbeeld de bescherming van zwangere vrouwen. Een grote handicap voor deze wet was eveneens dat ze slechts van toepassing was op bedrijven waar minstens vijftien man tewerkgesteld waren.

Na het verbieden van de Heimin-sha probeerden twee groeperingen een eigen leven te leiden: een van sociaalchristelijke inspiratie, de kirisutokyō-ha キリスト教派 met onder andere Abe en Kinoshita (tijdschrift: Shinkigen 新紀元), en een van materialistische oriëntatie, de yuibutsuron-ha 唯物論派, met onder andere Kōtoku, Sakai, Nishikawa (orgaan: Hikari 光). In januari 1906, na de formatie van het liberale Saionji-kabinet, kwamen beide facties weer bijeen en vormden de Japanse Socialistische Partij (Nihon Shakai-tō 日本社会党). Het werd de eerste wettelijk erkende partij in Japan die opkwam voor de belangen van alle arbeiders. Het partijreglement was wel zo voorzichtig te stipuleren dat ze haar doeleinden alleen met wettelijk toegelaten middelen zou nastreven. Later zou Kōtoku, onder invloed van de anarchistische denkbeelden van de Rus Kropotkin, oproepen tot directe actie, wat hem in de partij in botsing bracht met de zogenaamde parlementaire factie, dit wil zeggen de groep die langs parlementaire weg de situatie van de arbeiders wenste te verbeteren. Omwille van deze tegenstelling viel in 1907 de Socialistische Partij uiteen.

Samen met de socialistische beweging kwam er ook een beweging op gang die de bewustwording en emancipatie van de vrouw nastreefde. Een van de vurigste voorvechtsters van het eerste uur was Fukuda Hideko 福田英子, die in 1907 een petitie richtte aan het parlement om vrouwen politieke rechten te geven. In 1911 stichtte Hiratsuka Raichō 平塚雷鳥 (1886-1971) een literaire club, de Seitō-sha 青鞜社, het Genootschap van de Blauwe Kous, dat met zijn tijdschrift Seitō 青鞜 (Blauwe Kous) vastgeroeste denkbeelden wilde doorbreken.

Toenemende repressie

In 1908, tijdens het eerste kabinet-Saionji Kinmochi, vond het Rode Vlagincident (Akahata jiken 赤旗事件) plaats. Een aantal socialisten kwam bijeen om een kameraad te begroeten die uit de gevangenis werd vrijgelaten in Kanda (Tōkyō). Er werden opruiende speeches gehouden vanop het dak en er werd gezwaaid met een rode vlag waarop de leuze 'anarchistisch communisme' stond. Sakai Toshihiko en Ōsugi Sakae 大杉栄 werden om die reden gearresteerd. Toen Katsura Saionji als eerste minister opvolgde, verscherpte hij de socialistenvervolgingen nog, wat velen in de richting van het anarchisme dreef.

Onder het tweede Katsura-kabinet werd de Saisei-Kai 濟生会 gevormd, die zich inliet met hulpverlening aan de armen, maar tevens een beschuldigende vinger uitstak naar de onverschillige overheid.

In mei 1910 werd het Hoogverraadincident (Taigyaku jiken 大逆事件) de aanleiding om een niets ontziende repressie in te zetten van al wat rood was. Kōtoku Shūsui werd aangehouden samen met zijn vrouw en honderden andere socialisten onder het voorwendsel dat ze een complot smeedden om de keizer te vermoorden. De beschuldiging was nergens op gegrond, maar toch werden Kōtoku en elf anderen achter gesloten deuren berecht en ter dood veroordeeld. Ondanks internationaal protest werden ze terechtgesteld. Hiermee brak voor de socialistische beweging een lange ijzige periode aan.


De moderne cultuur

Leidraad

Leidraad hoofdstuk 4

Evolutie op ideologisch vlak

Ontwikkelingen in het onderwijs

Het erg breeddenkende decreet op de opvoeding (Kyōiku Rei 教育令) uit 1879 werd reeds in 1880 herzien. Dit was een eerste stap in de richting van een meer nationalistisch georiënteerd onderwijs. Een volgende stap ging uit van de Japanse keizer zelf. Hij keurde de doelstellingen van de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten af, misschien op influisteren van de regering, en gaf zijn privéleraar Motoda Eifu 元田永孚 opdracht het onderwijs te 'herdenken'. Het resultaat van dit denkwerk werd het boek Yōgaku Kōyō 幼学綱要 ('Beginselen voor het basisonderwijs'), dat in 1882 aan alle betrokken ambtenaren en schoolhoofden in lager en hoger onderwijs werd bezorgd. Centraal in zijn pedagogische visie stonden confucianistische waarden als toewijding aan de ouders, de familie, staat en keizer.

In 1886 liet de Minister van Onderwijs Mori Arinori 森有礼 (1847-1889) een reeks schoolwetten (Gakkō rei 学校令) afkondigen. Voor elke categorie van school kwam er een aparte wet. Zo was er een wet op de keizerlijke universiteiten, een op de hogescholen, op het middelbaar onderwijs en het lager onderwijs. Deze wetgeving werd het wettelijke kader voor het Japanse onderwijsnet tot het einde van de Tweede Wereldoorlog. De universiteiten van Tōkyō, Kyōto, Tōhoku en Kyūshū kregen de titel van "keizerlijke universiteit".

In de loop der jaren werden daar nieuwe wetten aan toegevoegd om beroepsonderwijs, privéonderwijs en onderwijs voor meisjes te regelen. Afgezien van de organisatorische aspecten was deze wetgeving geïnspireerd door de gedachte dat de leerlingen een nationaal bewustzijn bijgebracht diende te worden. Toewijding aan keizer en vaderland werd beklemtoond. De wetgeving werkte ook de ongeschreven regel in de hand dat overheidsambtenaren afgestudeerden van een keizerlijke universiteit moesten zijn.

In dezelfde richting ging het Keizerlijk Decreet op het Onderwijs (Kyōiku chokugo 教育勅語), dat in 1887 werd uitgevaardigd. Het werd opgesteld door Inoue Kowashi 井上毅 en Motoda Eifu en legde opnieuw de klemtoon op confucianistische deugden in het onderwijs.

In het kader van de toepassing van de schoolwetten werd een controlesysteem voor leerboeken ingevoerd, dat aanvankelijk alleen voor het lager onderwijs gold, maar vanaf 1903 ook op het hoger onderwijs van toepassing werd.

In 1907 werd de duur van de leerplicht opgetrokken van vier tot zes jaar (volledig lager onderwijs). Dankzij deze wetgeving genoot in 1911 reeds 98 procent van de kinderen onderwijs.

Groeiend nationalisme

Als reactie tegen het soms al te extreme "Europeanisme" van onder andere de Rokumeikan, gingen de Japanse filosofen en ideologen op zoek naar de nationale culturele identiteit. Nishimura Shigeki 西村茂樹 (1828-1902), een van de kopstukken van de Meirokusha, gaf een reeks voordrachten aan de Keizerlijke universiteit van Tōkyō, waarin hij de lichtzinnige overname van westerse waarden en zeden bekritiseerde en opriep tot een "typisch Japanse" moraal. Deze was gebaseerd op confucianistische ethische principes, aangevuld met denkbeelden uit het boeddhisme en de westerse filosofie. De notie van 'keizer' diende centraal te staan in de ethische opvoeding. Zijn denkbeelden vatte hij samen in “Een vertoog over de Japanse ethiek” (Nihon dōtoku-ron 日本道徳論), gepubliceerd in 1887.

In 1888 werd het Genootschap voor Politieke Opvoeding (Seikyō-sha 政教社) boven de doopvont gehouden. Het publiceerde het tijdschrift Nihonjin 日本人, dat nationalistische ideeën propageerde. Een jaar later startte een van de grondleggers van het genootschap, Kuga Katsunan 陸羯南(1857-1907), met de uitgave van een dagblad Nihon 日本. Het credo van deze krant was het begrip 'natie' als een organisch geheel met een historische continuïteit en de keizer als focus. Vanuit deze notie van organisch volksnationalisme leverde de krant vaak kritiek op het beleid van de regering, die haar doel, namelijk de uitbouw van een moderne nationale staat, veeleer via sterke centrale instellingen poogde te realiseren. Haar kritische standpunt leverde de krant vaak verschijningsverbod op.

De nationalistisch geïnspireerde intellectuelen leverden vaak kritiek op de overheid, ook al werd deze laatste evenzeer door nationalistische motieven gedreven. De intellectuelen hadden echter een meer romantische visie op het nationalisme, zij wilden het volk hogerop stuwen, en wilden daarom een democratisch bestuur. De overheid wilde een sterke natiestaat, maar wilde haar doel bereiken via autoritaire instellingen. Daar lag dus een groot verschil. In vele gevallen zien we echter hoe na verloop van tijd de nationalistisch geïnspireerde intellectuelen hun kritische houding vaarwelzeggen en zich door het systeem laten coöpteren. Een goed voorbeeld daarvan is Tokutomi Sohō (1863-1957) 徳富蘇峰, die in 1887 de progressieve uitgeverij Min'yū-sha 民友社('De Volksvriend') oprichtte en zowel Kokumin shinbun 国民新聞 ('De Volkskrant')als Kokumin no tomo 国民の友 ('De Volksvriend') publiceerde, waarin hij vanuit democratische inspiratie schreef. Zo publiceerde hij ook het artikel "Rechtvaardiging van de Koreaanse Oorlog" van de maatschappijkritische en pacifistische publicist Uchimura Kanzō. Na de Sino-Japanse Oorlog, en met name door de Drie Landen-Interventie geraakte hij er echter van overtuigd dat Japan een onafhankelijke en compromisloze koers moest varen. In 1897 trad hij in overheidsdienst, wat hem het verwijt opleverde een windhaan te zijn. Vanaf dat moment zou hij zich meer en meer met de Japanse politiek identificeren. Hij werd een verdediger van Katsura Tarō, en stond achter de idee dat Japan een zending in Azië te vervullen heeft. Uiteindelijk zette hij zich in de jaren dertig in voor het militaristische regime. Na de Tweede Wereldoorlog belandde hij zelfs op de lijst van de oorlogsmisdadigers.

De Sino-Japanse Oorlog en zijn gevolgen speelden dus een belangrijke rol in de vorming van de nationalistische denkbeelden. De Russisch-Japanse Oorlog versterkte zeker nog die nationalistische tendens, maar nu maakten ook naturalistische, individualistische en socialistische denkbeelden opgang. Deze oorlog had de economie zwaar op de proef gesteld, en de sociale problemen in de stad en op het platteland verergerd. Het tweede kabinet-Katsura liet daarom het zogenaamde Edict van het jaar Boshin (Boshin shōsho 戊辰詔書 (1908) uitvaardigen, waarin het de bevolking bij monde van de keizer tot eenvoud, zuinigheid, vlijt en zedelijkheid aanspoorde. Het gebruikte dus de keizer om de bevolking ertoe aan te zetten de economische en maatschappelijke problemen voor lief te nemen, en zich niet te laten meeslepen in als bedreigend ervaren ideologische stromingen zoals individualisme en socialisme. Samen met het Edict van de Opvoeding (Kyōiku chokugo 教育勅語) zou dit edict van kracht blijven tot 1948.

Godsdienst en nationaal gevoel

Het aanvankelijk door shintō overvleugelde boeddhisme kon zich herstellen door op de trend van nationalisme in te spelen. Het mocht opnieuw deelnemen aan grote nationale plechtigheden. Het christendom dat als nieuwe religie halfweg de Meiji-periode een niet onaardige verspreiding kende, vooral dankzij het missioneringswerk van buitenlandse priesters en Japanners als Kozaki Hiromichi 小崎弘道, geraakte nu in de verdrukking. Het feit dat Uchimura Kanzō bijvoorbeeld de foto van de keizer niet wou eren, kostte hem zijn baan als leraar, maar bracht ook het christendom in diskrediet. Ook de voorstanders van de Japanse ethiek en de herwaardering van de Japanse culturele identiteit vonden dat dit niet met het christendom te verzoenen viel.

Wetenschappelijke ontwikkelingen

Menswetenschappen

Na de Britse en Franse invloed begon er nu meer belangstelling te komen voor het Duitse Idealisme. Als verspreider van het Duitse gedachtengoed verdient vooral de Duitse hoogleraar Raphael Koeber (1848-1923) vermelding, die aan de Keizerlijke Universiteit van Tōkyō doceerde, en de Japanner Inoue Tetsujirō 井上鉄次郎. De meest oorspronkelijke filosoof was Nishida Kitarō 西田幾太郎(1870-1945), hoogleraar aan de Keizerlijke Universiteit van Kyōto, die in 1911 Zen no kenkyū ('Een studie over het goede') publiceerde, waarin hij een synthese van oosterse en westerse wijsheid probeerde te maken. Hij lag aan de basis van de zogenaamde Kyōto-school.

Geschiedschrijving en antropologie ontwikkelden zich vooral onder impuls van de Duitser Riess en de Amerikaan Edward S. Morse. Deze laatste was een zoöloog, die in Japan de antropologie introduceerde. In de geschiedschrijving werd de benadering van de traditionele kronieken vervangen door een positivistisch georiënteerde werkwijze. De eerste Japanners die zich verdienstelijk maakten, waren Shigeno Yasutsugu 重野安繹 en Kume Kunitake 久米邦武, die aan het Instituut voor Geschiedschrijving van de Universiteit van Tōkyō een nieuwe geschiedenis van Japan samenstelden: de monumentale Dai-Nihon hennen-shi 大日本編年史. Kume moest een schitterende carrière afbreken vanwege een artikel over shintō, waarin hij de shintō-rituelen als een folkloristisch en bijgelovig anachronisme bestempeld had. Hij mag beschouwd worden als de grondlegger van de historische kritiek, de bronnenstudie en de paleografie in Japan. De coryfee van de eerste wetenschappelijke geschiedschrijving over China was Naka Michiyo 那珂通世. Het werk van de Boissonade en Roesler vormden de basis voor hervormingen in de studie van de Rechten. Dankzij de grote inspanningen van Japan in dit domein, traden enkele Japanse juristen op de voorgrond: Tomii Masaaki 富井政章, Ume Kenjirō 梅謙次郎, beiden specialist in het Franse recht, en Hozumi Nobushige 穂積陳重, een kenner van het Britse recht. Zij maakten deel uit van de studiecommissie die het burgerlijk wetboek opstelde.

In de economische wetenschappen was aanvankelijk het Engelse liberalisme toonaangevend, maar halfweg de Meiji-periode werd deze benadering overvleugeld door Duitse protectionistische theorieën. Ook het marxisme deed zijn intrede in Japan als economische wetenschap.

Anesaki Masaharu 姉崎正治 verrichtte baanbrekend werk in de godsdienstwetenschappen door zijn studie over de eerste christenen in Japan. Bekendheid verwierf ook Inoue Enryō, een boeddhistisch filosoof, die zich ook met theologische vraagstukken bezighield maar het christendom veroordeelde omwille van "onwetenschappelijke" principes.

Positieve wetenschappen

Om een militair sterke en economisch welvarende staat uit te bouwen, was de vooruitgang van het positief-wetenschappelijke onderzoek een conditio sine qua non. Om het proces zo snel mogelijk te laten verlopen, deed men van meet af aan beroep op buitenlandse specialisten en instructeurs. Onderwijs en onderzoekscentra schoten als paddestoelen uit de grond. Zij vormden wetenschappers die internationale bekendheid verwierven.

De Duitsers Theodor Eduard Hoffman (1837-1894) en Erwin von Bälz (1849-1913) en de Nederlander Guido Verbeck (1830-1890) hebben een belangrijke rol gespeeld als onderwijzers van de jonge natie. De eerste Japanse wetenschapper van wereldformaat was de bacterioloog Kitazato Shibasaburō 北里柴三郎 (1852-1931), die bij de Duitser Robert Koch studeerde en samenwerkte met von Behring aan een tetanusvaccin. In 1894 ontdekte hij de bacil van de builenpest en in 1898 de bacil die dysenterie verspreidt. In 1914 stichtte hij het Kitazato Onderzoeksinstituut, dat de bakermat van de Japanse bacteriologie werd. Een van zijn leerlingen was Shiga Kiyoshi 志賀潔 (1870-1957), die studeerde bij de Duitse geleerde Paul Ehrlich en een belangrijke bijdrage leverde aan de ontdekking van de bacillen die melaatsheid en tyfus veroorzaken.

Aan de ontwikkeling van de natuurwetenschappen in Japan leverde de Duitse geoloog Edmund Naumann (1850-1927) een belangrijke bijdrage. Internationaal hoog geacht was de Japanse fysicus Tanakadate Aikitsu 田中舘愛橘 (1856-1952), die aardbevingen en aardmagnetisme onderzocht, en Nagaoka Hantarō 長岡半太郎 (1865-1950), een pionier van de toegepaste scheikunde en de fysica. Takamine Jōkichi 高峰譲吉 (1854-1922) was een bekend scheikundige, die de adrenaline ontdekte. Suzuki Umetarō 鈴木梅太郎 werd een wereldautoriteit op het gebied van proteïnen, chemische meststoffen en het onttrekken van vitamine B aan planten.

Als seismoloog genoot vooral Ōmori Fusakichi 大森房吉 (1868-1923) grote bekendheid. Hij ontwikkelde de zogenaamde Ōmori-seismograaf, formules om aardtrillingen te voorspellen en kaarten met seismische zones op te stellen. Als astronoom vermelden we Kimura Hisashi 木村栄(1870-1943). Hij verwierf wereldfaam door zijn onderzoek inzake de bewegingen van de aardas.

Kunst en literatuur

Leidraad

In de tweede helft van de Meiji-periode maakte Japan kennis met het realisme, de romantiek en later ook het naturalisme, dat een getrouwe en ongevleide weergave van mens en maatschappij nastreefde. In de beeldende kunsten kwam er, mede in verband met het opflakkerende nationalisme, een herwaardering van de inheemse schilderstijlen. Daarnaast was er een sterke stroming van door het Westen beïnvloede impressionisten.

Literatuur

Realisme

In de jaren 1880 breekt het realisme vrij bruusk door in de Japanse letteren. De grote voortrekker van deze stroming was Tsubouchi Shōyō 坪内逍遥 (1859-1935), die een tweedelig theoretisch werk schreef, Shōsetsu Shinzui 小説真髄 ('Het wezen van de roman'), waarin hij poneert dat literatuur zowel psychologisch als objectief- realistisch moet zijn. Hij zet zich af tegen de traditionele literatuur, die stichtend behoorde te zijn en waarin goed en kwaad en de uitingen van beide polen precies waren vastgelegd. Hij paste zijn theorie zelf toe in zijn romans, maar met ongelijk succes. Veel geslaagder waren de pogingen van Futabatei Shimei 二葉亭四迷 (1864-1909), schrijver en journalist. Hij was de eerste die de spreektaal als volwaardig literair medium gebruikte. Hij vertaalde meerdere auteurs uit de klassieke Russische literatuur en onderging er de invloed van in eigen creatief werk. Zijn bekendste werk is Ukigumo 浮雲 ('Vlietende wolken'), waarin hij de psychologische ontwikkeling van de hoofdfiguur in fijn detail beschrijft. Het is de eerste belangrijke realistische roman in Japan. Onder de invloed van Futabatei stond Ozaki Kōyō 尾崎紅葉(1867-1903), wiens bekendste werk Konjiki Yasha 金色夜叉 ('De goudkleurige duivelin') is. Dit werk is opmerkelijk door zijn beschrijving van Edo en de couleur locale die erin verwerkt is. In 1885 stichtte hij met enkele andere schrijvers het Genootschap Vrienden van de Inktsteen (Ken'yū-sha 硯友社). Hun tijdschrift Garakuta Bunko 我楽多文庫 ('De brocante boekerij') leverde een belangrijke bijdrage tot het gebruik van de spreektaal als literair medium.

In 1882 verscheen Shintaishi-shō 新体詩抄 ('Een bloemlezing van gedichten in nieuwe stijl'). Dit was een bundel van in het Japans vertaalde westerse gedichten, bezorgd door onder andere Toyama Masakazu 外山正一, die het gebruik van een Japans alfabet verdedigde, Yatabe Ryōkichi 矢田部良吉, .... Hun doelstelling was de westerse dichtkunst naar vorm en geest na te volgen. Dit belette niet dat ook de traditionele genres waka 和歌 en haiku 俳句 hun verdedigers vonden. In 1893 stelde Ochiai Naobumi 落合直文 vernieuwingen in het waka-genre voor. Masaoka Shiki 正岡子規 (1867-1902) streefde naar een vernieuwing van tanka en haiku door een realistische en natuurgetrouwe benadering. Hij had een grote invloed op zijn leerlingen en navolgers.

Idealisme en Romantiek

Het rauwe en ongezouten naturalisme sprak lang niet iedereen aan. Anderzijds leefde het land in de jaren 1890 in een sfeer van patriottisme, oorlogskoorts en heroïek. Daardoor was er grote belangstelling voor subjectivistische, utopische en gevoelsgeladen stromingen in de literatuur. Een vooraanstaand vertegenwoordiger van idealisme en classicisme was Kōda Rohan 幸田露半 (1867-1947). Tot zijn bekendste werken behoren Unmei 運命 ('Het Lot') en de biografie Yoritomo 頼朝. De grote vernieuwer in de dichtkunst was Kitamura Tōkoku 北村透谷 (1868-1894), stichter van het tijdschrift Bungakkai 文学界 ('De Wereld der Letteren').In zijn kritische essay Naibu seimei-ron 内部生命論 ('Een vertoog over het innerlijke leven')hield hij een vurig pleidooi voor de bevrijding van het individu en de vrijheid van de mens.

Shimazaki Tōson 島崎藤村 (1872-1943), die meewerkte aan Kitamura's tijdschrift, legde de basis van het lyrisch romantisme in zijn dichtbundel Wakana-shū 若菜集, die de jeugdige onbezonnenheid en de passie bezingt. Andere dichters van romantische werken zijn Mori Ōgai 森鴎外, Susukida Kyūkin 薄田泣菫, Ueda Bin 上田敏, .... In 1900 richtte Yosano Tekkan 与謝野鉄幹 samen met zijn vrouw Yosano Akiko 与謝野晶子 het Genootschap van de Nieuwe Poëzie (Shinshisha 新詩社) op. Het publiceerde het tijdschrift Myōjō 明星 ('Morgenster'). Tekkans gedichten waren gepassioneerd romantisch. Zijn vrouw Akiko poogde via haar gedichten ook de maatschappij te beïnvloeden. Haar bundel Midaregami 乱れ髪 ('Verwarde haren') pretendeerde een instrument te zijn van de vrouwenemancipatie door op te roepen tot het verbreken van geestelijke en lichamelijke kluisters. Met de dichters Takamura Kōtarō 高村光太郎,Ishikawa Takuboku 石川啄木 en Kitahara Hakushū 北原白秋 vormden zij de Myōjōha 明星派 ('De Morgensterschool'), die de waka wilde vernieuwen.

Als concurrenten die een andere vorm van vernieuwing nastreefden, stichtten in 1908 leerlingen van Shiki het tijdschrift Araragi アララギ, dat al snel Myōjō overvleugelde. Het is nog steeds een vooraanstaand tanka 短歌-magazine. In de waka speelde ook Sasaki Nobutsune 佐左木信綱 een vooraanstaande rol. Hij was de drijvende kracht achter het tijdschrift Kokoro no hana 心の花 ('Bloem van het hart'), dat zoveel mogelijk wenste aan te sluiten bij een traditionele romantiek. Hij was ook een kenner van de Man'yōshū. Het haiku-tijdschrift Hototogisu ホトトギス ('Het koekoekje') werd geleid door leerlingen van Shiki, onder andere Takahama Kyoshi 高浜虚子 (1874-1959), en Kawahigashi Hekigodō 河東碧梧桐. Deze laatste zou zich later afzetten tegen het subjectivisme van Kyoshi en de meer objectieve Nihonha 日本派 scheppen.

In de romanliteratuur zijn de meest representatieve werken uit de romantische school Gyūniku to bareisho 牛肉と馬鈴薯 ('Rundsvlees en aardappelen') van Kunikida Doppo 国木田独歩, en de werken Teriha Kyōgen 照葉狂言, Kōya Hijiri 高野聖 e.a. van Izumi Kyōka 泉鏡花. Een schrijfster die met veel verve het leven van vrouwen in de benedenstad van Tōkyō beschreef, was Higuchi Ichiyō 樋口一葉 (1872-1896). De bedoeling van de auteurs uit deze periode was door hun meeslepende stijl en overtuigende ik-verhalen het publiek te emanciperen en de weg naar de moderne tijd te wijzen.

Naturalisme

Na de romantiek keerde de slinger weer naar het andere uiterste. Onder de invloed van de theorieën en literaire werken van Zola en de Maupassant werd niet alleen geprobeerd de werkelijkheid zo natuurgetrouw mogelijk te beschrijven maar bovendien door te dringen tot de kern van de sociale realiteit door een grondige analyse van mens en maatschappij. Wegens de enorme veranderingen in de sociaaleconomische realiteit slaagde geen enkele auteur erin een helder inzicht te verwerven in wat er met Japan als natie aan de hand was, zodat het naturalisme verviel in de confessionele ik-roman (Watakushi-shōsetsu 私小説), geconcentreerd op de ervaringen en zieleroerselen van de auteur. Baanbrekende werken waren Musashino 武蔵野 van Kunikida Doppo en Hayari uta はやり唄 van Kosugi Tengai 小杉天外, maar de naturalistische roman kreeg pas een eigen gelaat met Hakai 破戒 van Shimazaki Tōson 島崎藤村 en Futon 蒲団 van Tayama Katai 田山花袋.

De voornaamste naturalistische romans zijn Inaka kyōshi 田舎教師, Ippeisotsu no jūsatsu 一兵卒の銃殺, Sei 生 en Tsuma 妻 van Tayama Katai, Ashiato 足跡 en Arakure あらくれ van Tokuda Shūsei 徳田秋声, Tsuchi 土 van Nagatsuka Takashi 長塚節, en Doko e 何処へ van Masamune Hakuchō 正宗白鳥. Binnen het naturalisme ontstonden kleinere stromingen, zoals de sociale roman (shakai-shōsetsu 社会小説) met als belangrijkste voorbeelden Kokushu van Tokutomi Roka 徳冨蘆花, Otto no Jihaku 良人の自白 en Hi no Hashira 火の柱 van Kinoshita Naoe. Een andere stroming was de 'huiselijke roman' (katei-shōsetsu 家庭小説) met als voorbeeld Hototogisu 不如帰 van Tokutomi Roka. Later zou het naturalisme naar een soort esthetisme evolueren, voornamelijk door de grote invloed van Nagai Kafū 永井荷風 met werken als Sumidagawa すみだ川, Amerika Monogatari あめりか物語 en de werken van Tanizaki Jun'ichirō 谷崎潤一郎.

Binnen het naturalisme waren de bekendste dichters Onoe Saishū 尾上柴舟 en zijn leerling Wakayama Bokusui 若山牧水(1885-1928), verder Maeda Yūgure 前田夕暮 en Kaneko Kun'en 金子薫園. Zij muntten uit door een beschrijvende naturalistische stijl. Ishikawa Takuboku 石川啄木 trachtte de waka te vernieuwen door er drieregelige verzen van te maken. Hij behandelde vooral de problematiek van het dagelijkse leven. Aan het einde van zijn korte leven kwam hij onder de invloed van het socialisme en trachtte hij geëngageerde socialistische verzen uit te geven, maar hij stootte op de censuur. De uit de romantiek afkomstige Sōma Gyōfu 相馬御風 en Miki Rofū 三木露風 poogden het naturalisme te verrijken door het invoeren van een vrije stijl gebaseerd op de gesproken taal. Er ontstond ook een stroming van symbolistische poëzie, waarvan de voornaamste vertegenwoordigers waren Kanbara Ariake 蒲原有明 met Shunchō-shū 春鳥集 en Ariake-shū 有明集, Kitahara Hakushū met zijn bundel Jashūmon 邪宗門 en Takamura Kōtarō.

Mori Ōgai 森鴎外 en Natsume Sōseki 夏目漱石

Hoewel het moeilijk is deze twee auteurs ergens in een school of stroming onder te brengen, of misschien juist daarom, worden ze algemeen erkend als de belangrijkste schrijvers van hun tijd. Mori Ōgai 森鴎外 was een vooraanstaand legerarts, die in Duitsland had gestudeerd. Hij was zeer veelzijdig en uiterst productief. Hij vertaalde tal van westerse meesterwerken, waaronder Faust van Goethe. Daarnaast genoot hij grote bekendheid als literair criticus in het door hemzelf uitgegeven blad Shigarami-sōshi しがらみ草紙. Ook als romanschrijver leverde hij enkele meesterwerkjes af, zoals Seinen 青年 ('Jongen') en Gan 雁 ('Wilde Gans'). Natsume Sōseki 夏目漱石 was dichter en romanschrijver. Tijdens een studieverblijf in Europa (1900-1903) onderging hij een sterke westerse invloed, in het bijzonder van het individualisme. Zijn romans zijn origineel qua thema en ademen een bijzondere sfeer uit. Zijn taalgebruik is meesterlijk en vaak klinkt er onderdrukte ironie doorheen. Tot zijn bekendste werken behoren Wagahai wa neko de aru 吾輩は猫である ('Een kat ben ik') en Botchan 坊っちゃん('Het joch').

Internationale uitstraling van de Japanse cultuur

We mogen hier niet voorbijgaan aan de belangrijke bijdrage die Lafcadio Hearn leverde met zijn vele studies en boeken. Hij liet zich naturaliseren en nam als naam Koizumi Yakumo 小泉八雲. De bekendste van zijn Engelstalige werken zijn Kokoro 心 en Glimpses of Unfamiliar Japan.

Beeldende kunsten en architectuur

Herleving van de inheemse stijlen

De Japanners gingen in hun grote appetijt voor de modernisering zo ver dat zij alles wat naar traditie rook gingen veronachtzamen. Dit werd op overtuigende wijze aangetoond door de Amerikaan Ernest Fenollosa. Hij koesterde een grote bewondering voor de klassieke Japanse kunsttraditie en spoorde de Japanners aan ze te herwaarderen. Daartoe richtte hij een vereniging op, waarvan ook Okakura Tenshin 岡倉天心 (1862-1913) deel uitmaakte. In 1888 kon de Nihon Bijutsu Gakkō 日本美術学校(De School voor Japanse Kunst) opgericht worden. Onder hun invloed begon de Japanse overheid aan het catalogeren van alle kunstschatten die nog in het land aanwezig waren, zodat er een wetgeving kon komen op de bescherming van kunstwerken. Okakura legde de basis voor de stichting van de Japanse Academie voor Schone Kunsten de Nihon Bijutsu-in 日本美術院 die prestigieuze tentoonstellingen (inten 院展) organiseerde. Later werd hij conservator van het Departement voor Oosterse Kunst van het Museum in Boston (waar o.a. de rijke collecties van Fenollosa bewaard werden). Hij schreef een inleiding tot de Japanse cultuur onder de titel The Book of Tea, dat een ruime verspreiding kende in de Verenigde Staten en Europa. Ook Cees Nooteboom verwijst in zijn roman Rituelen (1980) nog uitgebreid naar dit essay.

Als tegenhanger van deze Academie organiseerde de Japanse overheid, via het ministerie voor Onderwijs, een eigen tentoonstelling, de Monbushō bijutsu-ten 文部省美術展. In Kyōto groeide een levendige school van westers georiënteerde kunstenaars, vooral geïnspireerd door Takeuchi Seihō 竹内栖鳳 (1864-1942).

Westerse schilderstijlen

Bij de aanvang van de Meiji-periode waren er reeds enkele schilders als Asai Chū 浅井忠 en Koyama Shōtarō 小山正太郎, die onder de invloed van de Italiaan Antonio Fontanesi in westerse trant schilderden. Door de groeiende belangstelling voor de Japanse culturele traditie en identiteit verzeilde hun werk echter naar het achterplan. Daarom groepeerden Asai, Koyama en enkele andere vooraanstaande schilders in westerse trant zich in 1889 in de Meiji bijutsu Kai 明治美術会(Kunstvereniging Meiji). Kuroda Seiki 黒田清輝 en Kume Keiichirō 久米桂一郎 verlieten de groep in 1896 en stichtten de Hakuba Kai 白馬会 (Vereniging Het Witte Paard). Beide hadden in Frankrijk gestudeerd en werkten in de trant van het pleinairisme.

Beeldhouwkunst

In de beeldhouwkunst vinden we weinig grote werken. Het voorbeeld van de Italiaan Ragusa werd nagevolgd, onder andere door Shinkai Taketarō 新海竹太郎 en Hagiwara Morie 萩原守衛, die lessen volgde bij Rodin.

Architectuur

De belangrijkste gebouwen van deze tijd werden opgericht in westerse stijl, met gebruik van baksteen en natuursteen. De Brit Josiah Conder ontwierp gebouwen als het Keizerlijk Museum van Tōkyō, de Rokumeikan 鹿鳴館 (de Hal van de Herteroep), .... Zijn voornaamste pupil was Tatsuno Kingo 辰野金語 (1854-1919) die de hoofdzetel van de Nationale Bank en het station van Tōkyō ontwierp.

Podiumkunsten

Muziek

In 1887 werd de Tōkyō Ongaku Gakkō 東京音楽学校(het Conservatorium van Tōkyō) opgericht, die zich snel ontwikkelde onder leiding van Izawa Shūji 伊沢修二. In 1903 werd onder de directie van Miura Tomaki voor het eerst een westerse opera opgevoerd. De invoering van de liedvorm, van in het onderwijs en vooral het stimuleren van krijgshaftige marsmuziek in de periode van de oorlogen tegen China en Rusland zorgde voor een snelle inburgering van westerse genres en uitvoeringstechnieken (fanfares bijvoorbeeld). De invoering van de fonograaf droeg daar nog verder toe bij. In 1909 werd het Hibiya Muziekensemble opgericht en in 1910 het Filharmonisch Orkest van Tōkyō, dat regelmatig concerten van westerse muziek ten gehore bracht. De bekendste componist uit deze tijd was de jonggestorven Taki Rentarō 滝廉太郎 (1879-1903) die vooral liederen componeerde.

Kabuki 歌舞伎

Onder impuls van Kawatake Mokuami 河竹黙阿弥 - onderging het kabuki 歌舞伎-theater grondige vernieuwingen. Zijn stukken, voor het eerst opgevoerd in Ōsaka in 1872, werden omschreven als zangiri-mono 散切物 en katsureki-mono 活歴物, wat betekent dat de acteurs hun haar naar westerse mode droegen. Hij schreef eveneens realistische toneelstukken waarin de historische feiten zo getrouw mogelijk werden weergegeven.

Terwijl het kabuki een zekere verwestersing onderging, ontstond in deze tijd van verwoed 'europeanisme' de Engeki kairyō kai 演劇改良会 (Vereniging voor een Beter Theater), die volledig westers theater trachtte te bevorderen, maar het initiatief kende weinig succes, in tegenstelling tot kabuki dat door het nationalisme opbloeide. In 1889 ontstond in Tōkyō het theater Kabukiza 歌舞伎座, met als belangrijkste acteur Ichikawa Danjurō IX 市川団十郎, wellicht de beste acteur van de Meiji-periode.

Dramaturgen van de Nieuwe Lichting

Het Sōshi shibai 壮士芝居 werd door Kawakami Otojirō 川上音二郎 opgericht als tegenhanger van het klassieke kabuki. Inhoudelijk was het doordrongen van de denkbeelden van het liberalisme, onder meer in verband met de democratie. Samen met zijn vrouw was Kawakami de bezielende kracht van deze theatervorm, die al snel de naam Shinpageki 新派劇 ('Theater van de Nieuwe Lichting') kreeg. Dit nieuwe theater kende zijn grootste populariteit in het eerste decennium van de twintigste eeuw, toen een leerling van Kawakami, Ii Yōhō 伊井蓉峰 optrad in stukken over de oorlog en romantische drama's.

Het nieuwe theater

De dramaturgen van de Nieuwe Lichting brachten hoofdzakelijk politiek toneel. Het Shingeki 新劇 ('het nieuwe theater') daarentegen was een stroming die onder impuls van auteurs als onder andere Mori Ōgai 森鴎外, Shimamura Hōgetsu 島村抱月, Osanai Kaoru 小山内薫 echt modern theater wou opvoeren, naar het leven getekend. In 1906 richtte Tsubouchi Shōyō de Bungei kyōkai 文芸協会 op, die aandacht begon te besteden aan de acteursopleiding. Er ontstonden ook andere groepen, zoals in 1909 de Jiyū gekijō 自由劇場 en in 1913 de Geijutsu-za 芸術座. Ze droegen er alle toe bij dat het westers drama vaste voet kreeg in Japan.

Japan en de eerste wereldoorlog

Inhoudelijk overzicht

Inhoudelijk overzicht hoofdstuk 5

De Eerste Wereldoorlog en Japan

Toen in juli 1912 keizer Meiji overleed en door zijn zoon, keizer Taishō opgevolgd werd, stond Japan aan de vooravond van een nieuw tijdperk. Dat kan ook gezegd worden over Europa, waar de belle époque twee jaar later voorgoed zou verdwijnen in slagvelden van de Eerste Wereldoorlog. Voor de met een crisis kampende Japanse economie was deze oorlog een zegen, al versterkte hij de tendens tot de vorming van kapitaalmonopolies (dokusen shihon 独占資本). Ook de neiging tot imperialisme werd meer uitgesproken, met als voorlopig hoogtepunt: de 21 Eisen aan China. De economische expansie stond in contrast met de toestand van het onder prijsstijgingen en inflatie gebukt gaande volk. Na de oorlog beleefde Japan een massale politieke bewustwording, een afspiegeling van de internationale tendens tot democratisering en een reactie van de arbeiders tegen de sociale onverschilligheid van de kapitaalmonopolies. Door de verhoogde bewustwording werden ook in Japan de politiek partijen ernstige gesprekspartners in de politieke besluitvorming.

Japan in de eerste wereldoorlog

De Beweging voor de Vrijwaring van de Grondwettelijke Rechten mag men beschouwen als een prelude tot de zogenaamde Taishō-democratie. Het was een uitbarsting van wrevel en afkeer tegen de klieken (facties) en bureaucraten die al te lang de dienst uitgemaakt hadden. Voor het eerst in de moderne geschiedenis van Japan kwam de regering ten val door protest van het volk. Toch slaagde ook het door het volk gewenste kabinet-Yamamoto er niet in democratische vernieuwingen door te drukken. De Eerste Wereldoorlog stimuleerde de economie en bracht Japan ongekende welvaart. De roep om democratisering verloor daardoor haar voornaamste drijfveer. De monopolies konden ongehinderd kapitaal accumuleren. Om grondstoffen en afzetmarkten te vinden, richtte de Japanse expansie zich op het vasteland, met name op China en Siberië. De welvaart werd zeer ongelijk verdeeld. De arbeidslonen bleven zeer laag, terwijl de prijzen en de winsten verhoudingsgewijze enorm stegen. Ook werden er nieuwe belastingen ingevoerd om de militaire inspanningen te financieren. Een nieuwe heffing op de rijst werd oorzaak van hevige rellen, die hardhandig werden neergeslagen.

Het Katsura-Saionji-tijdperk

Na het vierde Itō-kabinet werd Katsura Tarō , beschermeling van Yamagata Aritomo en net als hij afkomstig uit Chōshū, eerste minister. Om beurt zouden hij en Saionji Kinmochi 西園寺金望 (1849-1940), de opvolger van Itō Hirobumi als voorzitter van de Rikken Seiyū-kai 立憲政友会, de kabinetten leidden en het politiek milieu bepalen. De periode van de Russisch-Japanse oorlog tot de aanvang van de Taishō-periode wordt daarom wel eens naar deze twee premiers genoemd.

De kabinetten

In 1901 werd het eerste kabinet-Katsura gevormd, op basis van het transcendentalisme dat Yamagata Aritomo zo dierbaar was. Het kreeg overigens de bijnaam "Klein-kabinet-Yamagata". Onder dit kabinet werd de Russisch-Japanse oorlog beslecht en kwam de tweede industriële golf op gang. Wegens de oorlogsuitgaven bleef de situatie van de regering erg precair. In 1906 vormde Saionji zijn eerste kabinet, dat moest optornen tegen de naoorlogse situatie. De problemen voor de schatkist bleven huizenhoog, aangezien er geen sprake was van uitbetaling van schadevergoeding door de Russen. Toch voerde hij een expansionistisch beleid dat de bewapening opvoerde, de nijverheid stimuleerde en de spoorwegen nationaliseerde. De verwachte vruchten van het beleid kwamen echter trager dan gepland en het kabinet kwam ten val wegens te hoge staatsuitgaven. Katsura kreeg een nieuwe kans in 1908. Hij annexeerde Korea en breidde de Japanse invloed op het vasteland verder uit. Op binnenlands vlak voerde hij een stringent soberheidsbeleid. Door de economische crisis en het Hoogverraad-Incident kwam zijn kabinet in de problemen. Een poging om meer ministers uit de Seiyū-kai te benoemen mislukte en ook hij moest aftreden wegens het falen van zijn financiële beleid. In 1911 kon Saionji zijn tweede kabinet vormen. Om een einde te maken aan het tweeslachtige beleid van enerzijds besparingen en anderzijds verhoogde uitgaven, dwong hij ook de militairen en de overheid hun uitgaven terug te schroeven. Het gewone volk stond volledig aan zijn kant, maar de militairen protesteerden hevig. Zij beweerden dat ze de situatie op het vasteland niet onder controle konden houden zonder de in het bewapeningsplan vastgestelde twee nieuwe divisies (zōshi mondai 増師問題). Saionji weigerde dit, waarop de militairen hun minister van Oorlog Uehara Yūsaku 上原勇作 terugtrokken uit het kabinet en weigerden een nieuwe minister te benoemen. Door deze obstructie kwam het kabinet ten val in december 1912.

De politieke krachten tijdens deze periode

De voornaamste politici die de Meiji-restauratie in goede banen hadden geleid, bereikten stilaan een hoge leeftijd en trokken zich uit de actieve politiek terug. Wel bleven ze achter de schermen nog lange tijd het beleid en de benoeming van de premiers bepalen. Ze vormden een club van wijzen, de genrō 元老 genoemd. Zij fungeerden als raadgevers van de keizer. Het waren Itō Hirobumi, Yamagata Aritomo, Kuroda Kiyotaka, Inoue Kaoru, Matsukata Masayoshi, Ōyama Iwao en Saigō Tsugumichi. Later zouden ook Katsura Tarō en Saionji Kinmochi lid worden van dit selecte clubje. De genrō bepaalden het binnen- en buitenlandse beleid en bepaalden wie eerste minister kon worden. De facties die zij rondom zich hadden gevormd, zorgden voor de uitvoering van hun plannen. Ook de militairen en de grote ondernemers wonnen echter aan politieke macht. De militairen profiteerden van hun populariteit om als minister van Oorlog steeds een militair in actieve dienst te laten benoemen. Aangezien ze onder het rechtstreekse bevel van de keizer stonden, slaagden ze erin de verder schrijdende bewapening te laten financieren buiten de controle van het parlement om. In 1912 waren ze zo machtig dat ze het tweede kabinet-Saionji ten val konden brengen. Door de versteviging van de positie van het zakenleven brachten enkele ondernemers het tot minister. In die functie konden ze hun eigen belangengroep steun en voordelen bezorgen. De belangrijkste politieke partij was de door Itō Hirobumi gestichte (Rikken) Seiyū-kai (立憲)政友会. Zij was de eerste Japanse partij met een landelijk draagvlak. Haar politieke macht werd ingeperkt door de genrō, militairen en zakenlui. De invloed van de Kensei hontō 憲政本党 was veel kleiner omwille van de interne verdeeldheid (zie hoger). Deze partij trachtte door een naamsverandering, Rikken kokumin-tō 立憲国民党, een bredere aanhang te verwerven, maar vermits de oude ruzies bleven aanslepen, veranderde er niet veel.

De eerste Beweging voor de Vrijwaring van de Grondwettelijke Rechten

Vorming van het derde Katsura-kabinet

Na de val van het tweede kabinet-Saionji trad Katsura Tarō weer aan met de steun van de kliek van Chōshū. Katsura was toevallig naidaijin 内大臣, en wenste deze functie niet zomaar op te geven. Op die post stond hij wel onder de keizer, maar boven het parlement en de uitvoerende macht. Hij vroeg de keizer een edict uit te vaardigen om cumulatie van naidaijin met die van premier mogelijk te maken. Door een tweede edict werd de zittende minister van Marine in zijn functie bevestigd. Deze ongrondwettelijke handelingen waren de druppel die de emmer deed overlopen.

De Taishō-omwenteling (Taishō seihen 大正政変)

Het kabinet-Katsura, dat openlijk de traditionele facties, de kapitaalmonopolies en de militairen begunstigde, kreeg zeer veel tegenwind vanuit de publieke opinie. In december 1912 werd in Tōkyō de Kensei Yōgo-kai 憲政擁護会 (Vereniging voor de Verdediging van het Grondwettelijke Bestuur) opgericht. Zij ontketende een landelijke protestbeweging tegen het gebrek aan democratisch bestuur. De politieke macht was in handen van de gevestigde politieke klieken en van machtige bureaucraten, twee groepen die niet echt of slechts heel onrechtstreeks verantwoording aan het parlement dienden af te leggen. De beweging werd geleid door Ozaki Yukio 尾崎行雄 (1859-1954) van de Rikken Seiyū-kai en Inukai Tsuyoshi 犬養毅 (1855-1932) van de Rikken Kokumin-tō. De beweging noemt men de Eerste Constitutionele Beweging (Daiichiji goken undō 第一護憲運動). Voor het eerst in de Japanse geschiedenis werd het partijbelang boven het staatsbelang gesteld. De Rikken Seiyū-kai sloot zich aan bij de massale protestbeweging, ondanks de eis van voorzitter Saionji om de regering te blijven steunen. Om de oppositie te verdelen, kondigde Katsura de oprichting van een nieuwe constitutionele partij aan, de Rikken Dōshi-kai 立憲同志会, terwijl hij anderzijds het plan opvatte te proberen zijn uitvoerende macht te behouden door het parlement te ontbinden. Het volk kwam massaal betogen voor het Keizerlijk Parlement, waar Katsura in plenaire zitting zijn plan wou doorvoeren. Er brak geweld uit en na amper 53 dagen kwam het Katsura-kabinet ten val. Dit noemt men de Taishō-omwenteling (Taishō seihen 大正政変).

Bureaucratie en klieken blijven kabinetten beheersen

Yamamoto Gonnohyōe 山本権兵衛, een admiraal uit Satsuma, vormde met de steun van de Rikken Seiyū-kai een nieuw kabinet. Het volk noemde de partijleiders verraders en een groot deel van haar leden liep over naar een nieuwe partij, de Seiyū kurabu 政友倶楽部, opgericht in 1913. Door de omstandigheden kon Yamamoto geen al te hard beleid voeren. Toch wist hij een aantal administratieve hervormingen door te voeren. Deze maatregelen remden de opgang van de afgescheurde partij, tot in 1914 het Siemensschandaal uitlekte, een geval van corruptie onder de hoge militairen. Opnieuw werden er marsen op het parlement gehouden, zodat Yamamoto moest aftreden. De genrō trachtten een stabielere regering op de been te helpen onder de leiding van een van hun eigen mensen. Dit werd de zesenzeventigjarige Ōkuma Shigenobu (zie hoger), die eerste minister werd op het ogenblik dat de Eerste Wereldoorlog op uitbreken stond.

De rol van Japan in de Eerste Wereldoorlog

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog

Op het einde van de negentiende eeuw waren de westerse mogendheden in een hevige concurrentieslag om invloed en kolonies gewikkeld. Bondgenootschappen en allianties speelden een belangrijke strategische rol. Op initiatief van Bismarck sloten Duitsland, Oostenrijk en Italië de Triple Alliantie (Japans: Sangoku dōmei 三国同盟). Als reactie hiertegen ontstond de Frans-Russische Entente. Groot-Brittannië, dat de Duitse macht wou fnuiken, sloot in 1904 een entente-verdrag met Frankrijk en na de Russische nederlaag tegen Japan sloot het, met de bedoeling zijn Aziatische belangen te vrijwaren, een gelijkaardig verdrag met Rusland. Zo werd de Triple Entente (Japans: Sangoku Kyōshō 三国協商) tussen Rusland, Frankrijk en Groot-Brittannië een feit. Een sterk opkomend nationalisme bij de kleinere volkeren in Oost-Europa en de Balkan speelde een belangrijke rol in de complexe relatie tussen de Europese grootmachten. Duitsland trachtte de Balkanstaatjes in zijn invloedssfeer te krijgen, uitgaande van een pangermaanse ideologie. Het kwam in botsing met Rusland, dat een panslavisme huldigde en verwoed op zoek was naar ijsvrije havens in het zuiden. De moord op de Oostenrijkse troonopvolger te Sarajevo op 28 juni 1914 was de lont in het kruitvat. Italië, nochtans lid van de Triple Alliantie, verklaarde zich eerst neutraal, maar liep later over naar de Triple Entente (Engeland, Rusland, en Frankrijk). Turkije en Bulgarije sloten zich bij de Triple Alliantie aan.

De Brits-Japanse Alliantie treedt in werking

Engeland verzocht Japan, op basis van de Brits-Japanse Alliantie, om zijn vloot in Aziatische wateren te beschermen tegen Duitse aanvallen. In naam van Japan aanvaardde de minister van Buitenlandse Zaken deze opdracht, minder uit trouw aan het verdrag dan uit opportunisme. Japan kreeg een prachtig excuus voor interventie op verscheidene plaatsen in Azië. Een bijkomende reden voor de genrō om de vraag in te willigen, was dat ze hoopten op die manier de bekoelde relaties met de Verenigde Staten en Engeland wat op te kunnen warmen. Het lijdt geen twijfel dat zowel de genrō als de Engelsen schrokken toen Japanse legers, om de Britten te beschermen, de Duitsers onder druk zetten om de baai van Jiāozhōu 膠州 in Shāndōng 山東 te ontruimen. Toen de Duitsers dit weigerden, vielen de Japanners in september 1914 Shāndōng binnen. In de Stille Zuidzee veroverden de Japanners de onder Duits bestuur staande Caroline-, Mariana- en de Marshall-eilanden. In 1915 detacheerden ze een deel van hun oorlogsvloot om de ravitailleringslijnen van de geallieerden te beschermen.

De 21 Eisen aan China

Japan verklaarde dat, indien de Duitsers hun basissen en bezittingen in Shāndōng zonder voorwaarde zouden opgeven, het deze bezittingen aan China zou teruggeven. Japan knoopte aan de teruggave wel een aantal voorwaarden vast, de zogenaamde 21 Eisen aan China. De bedoeling was de Japanse positie in China in één klap gevoelig te versterken. Ondanks de schijn van het tegendeel was de positie van Japan in het noorden van China verre van verzekerd. De pacht in Guāndōng (Kantō) liep ten einde in 1923. Japan wilde die verlengen en uitbreiden. In 1911 had Sun Yat-sen de geslaagde Xīnhài-revolutie (Japans: Shingai kakumei 辛亥革命) op gang gebracht tegen de corruptie en onmacht van de Qing-dynastie en tegen het imperialisme van de grootmachten. In 1912 werd de Republiek afgekondigd met Sun Yan-sen als voorlopige president, na korte tijd opgevolgd door Yuán Shìkăi 袁世凯. De Japanse genrō vonden dit een gevaarlijke evolutie en mogelijks een slecht voorbeeld voor hun eigen monarchistisch model en een bedreiging voor hun belangen in Mongolië. Japan steunde bijgevolg Mongoolse onafhankelijkheidsbewegingen en lokte opstanden uit. De Republiek was stevig genoeg om dit te overleven. Vervolgens sloot Japan een geheim verdrag met Rusland om Mongolië te verdelen. In 1913 brak een nieuwe strijd uit in China, tussen Yuán Shìkăi en de nationalisten van de Guómíndăng, de partij van Sun Yat-sen (de zogenaamde "Tweede Revolutie"). In een van de relletjes werd in Nanking (Nánjīng 南京) een Japanner gedood. De Japanse militairen maakten gretig gebruik van dit incident in hun propaganda en bezetten met de instemming van de publieke opinie in 1914 de streek van Qīngdăo 青岛 (Jap.: Seitō). Ze verwierven ook de controle over de Shāndōng-spoorlijn. De Chinese bevolking werd zich echter steeds meer van haar recht op soevereiniteit bewust en eiste dat Japan zich zou terugtrekken. Hierop formuleerde Japan zijn 21 Eisen. De eisen werden in januari 1915 voorgelegd aan China en op 25 mei 1915 aanvaard. Het eisenpakket viel in vijf categorieën uiteen:

  1. overdracht van de Duitse rechten in Shāndōng aan Japan;
  2. erkenning van de bijzondere belangen van Japan in Mantsjoerije en Binnen- Mongolië, een 99-jarige verlenging van het pachtverdrag met betrekking tot Dàlián en Port Arthur (Lüshun), alsook de Zuid-Mantsjoerije-spoorweg, die Japan sedert 1905 in concessie verworven had van Rusland;
  3. Japanse inspraak in het beheer van China's enige zware nijverheid, het Hànyepíng meítie gōngsī (Jap.: Kan'yahyō Baitetsu Konsu)-concern, een soort staatsholding;
  4. de toezegging geen kustplaatsen aan derde mogendheden te zullen afstaan;
  5. aanstelling van Japanse adviseurs in diverse sectoren van het openbare leven: bestuur, politie en leger, economie.

China verzette zich hevig en na een diplomatieke tussenkomst van Amerika, dat nog niet in de Eerste Wereldoorlog betrokken was en een opendeurpolitiek propageerde, liet Japan de vijfde categorie eisen vallen. Een ultimatum dwong China de andere eisen te slikken. Later werd 9 mei, de dag van de officiële bekendmaking van het ultimatum, uitgeroepen tot dag van nationale schande in China. Op de conferentie van Washington (1921-22) trok Japan nog een aantal van deze eisen weer in. De relaties tussen China en Japan verslechterden en er ontstonden anti-Japanse groeperingen in China. Tevens groeide het wantrouwen van de grote mogendheden tegenover Japan. Om zijn goede trouw te bevestigen, tekende Japan de Ishii-Lansing-overeenkomst (1917). Ishii Kikujirō 石井菊次郎 was een topdiplomaat, die als speciaal gezant naar de Verenigde Staten werd gestuurd om met buitenlandminister Lansing over het Chinese probleem te onderhandelen en een gemeenschappelijke verklaring af te leggen. De belangrijkste punten van hun overeenkomst waren :

  • erkenning van de natuurlijke rechten van Japan in Chinese gebieden dicht bij Japan;
  • erkenning van de Chinese soevereiniteit en de belofte het land niet binnen te vallen;
  • nastreven van een opendeurpolitiek in China en het erkennen van het recht op handel voor iedereen.

De Nishihara-lening

Na de revolutie van 1911 werd Yuán Shìkăi president van China geworden. Eind 1915 riep hij zichzelf tot keizer uit. De aanvaarding van de 21 Eisen deed hem een enorm gezichtsverlies lijden, zodat hij na amper 83 dagen van zijn ambitie afzag. In 1916 overleed hij en ontstond er een machtsvacuüm. Provinciale militaire machthebbers bestreden elkaar in steeds wisselende coalities. In de periode van 1916 tot 1926 heersten de krijgsheren (warlords) over China. De nationale regering bleef bestaan, beheerst door wisselende militaire groepen, maar ze had slechts nominaal gezag. Het kabinet-Terauchi nam een houding van strikt non-interventionisme aan, maar stelde later de nodige fondsen ter beschikking van de Chinese regering om aan de oorlog tegen Duitsland te kunnen deelnemen. Omdat de persoonlijke raadgever van Terauchi Masatake, Nishihara Kamezō 西原亀三, de onderhandelingen voerde, noemt men dit de Nishihara-lening. De lening was ongedekt en werd nooit gerecupereerd.

Sino-Japans Pact tegen gemeenschappelijke vijanden

Het aansporen tot oorlogsdeelname stelde Japan in de gelegenheid om zijn invloed in het Chinese leger te versterken. Beide landen sloten een pact dat tot het einde van de oorlog van kracht bleef en dat de facto het Chinese leger onder Japans bevel plaatste. De publieke bekendmaking van deze overeenkomst lokte luid protest uit bij de bevolking. Het was een van de factoren die tot de 4 Meibeweging zouden bijdragen.

De Siberische invasie

Tsaristisch Rusland was, onder andere door de Eerste Wereldoorlog, in economische moeilijkheden geraakt. In 1917 brak er tot tweemaal toe een revolutie uit. Tijdens de tweede poging slaagde Lenin erin de Sovjet-Unie te stichten. Zijn regering sloot vrede met Duitsland, zodat het land voortaan buiten de oorlog kon blijven. De andere grootmachten, die een socialistisch staatsmodel vreesden, gebruikten de bevrijding van het Tsjechoslowaakse leger, dat in Rusland vastzat, als een voorwendsel om de strijd tegen het nieuwe regime aan te binden. In 1918 stuurde ook Japan enkele divisies naar Siberië, om een antirevolutionaire marionettenstaat op te richten. Na hevige strijd tegen het Rode Leger bleek de onderneming tot mislukken gedoemd. De andere mogendheden trokken hun troepen terug tegen juni 1920, maar Japan bleef pogingen ondernemen om een antirevolutionair bewind in Siberië te vestigen. Het verzet van het Rode Leger bleef zeer sterk. In Japan zelf kwam een protestbeweging op gang en ook omwille van de buitenlandse druk werden de Japanse troepen uiteindelijk in oktober 1922 teruggetrokken, onder het kabinet van Katō Tomosaburō 加藤友三郎. Het invasie had meer dan 3.000 Japanse levens geëist en meer dan een miljard yen gekost.

Grote economische bloei en rijstrellen

Industriële opbloei

Ongeveer een jaar na het uitbreken van de oorlog in Europa zat de Japanse export duidelijk in de lift. Samen met de Verenigde Staten profiteerde de Japanse economie enorm van de vraag naar goederen in de oorlogvoerende landen. Omdat bovendien de Europese economie was overgeschakeld van export- naar oorlogsproductie konden de Japanse producten de Europese vervangen op de Aziatische markten. Het stilvallen van de export van machines en afgewerkte producten uit Europa naar Japan vormde dan weer een sterke impuls om ze zelf te gaan produceren. Vooral de groei van de textielnijverheid was opvallend. Tijdens de oorlogsjaren verdubbelde de productiecapaciteit en Japan monopoliseerde de Aziatische markten. Ook de zijde-export naar de Verenigde Staten nam sterk toe, zodat de welvaart op het platteland steeg. Afgesneden van de buitenlandse leveranciers van scheikundige producten, voornamelijk Duitsland, ontwikkelde Japan zijn eigen bloeiende scheikundige nijverheid. Door de grote vraag naar schepen bloeiden ook de zware staalnijverheid en de scheepsbouw op. De opbrengst van het maritiem transport verdrievoudigde en op korte tijd kon Japan opklimmen tot de derde plaats in de wereld voor het vervoer over zee.

Zaibatsu domineren de industrie

De enorme economische groei bracht vooral voordeel voor een kleine groep van grootindustriëlen. Dankzij de oorlog breidden de zaibatsu hun controle uit over de meest uiteenlopende sectoren. Ze bezondigden zich aan kartelvorming en kochten KMO's op. Drie grote concerns, Mitsui, Mitsubishi en Sumitomo konden via vijf grote banken die zij controleerden, Mitsui, Mitsubishi, Sumitomo, Yasuda en Daiichi, het leeuwendeel van de oorlogswinsten binnenrijven. Deze winsten stelden hen in staat hun wil op te leggen aan de industrie in Japan en te investeren in China en Mantsjoerije. De rol van de zaibatsu is omstreden. Zonder te stellen dat zij voorstanders waren van militaire expansie is het toch duidelijk dat zij de economische voordelen van die expansie niet links lieten liggen. Bovendien voerden ze een personeelsbeleid dat allerminst van sociaal bewustzijn getuigde. Ze verzuimden niet alleen hun werknemers via loonsverhoging in de winst te laten delen, maar ze verzetten zich ook tegen eisen in die richting en werden daarin gesteund door de politieke en militaire overheid. Dit resulteerde in een dualistische economie, waarbij een moderne nijverheid opbloeide op de rug van een traditionele. Als grootste werkgever bepaalde de traditionele nijverheid de norm voor lonen en arbeidsomstandigheden en omdat de winsten daar veel kleiner waren, was er ook maar weinig ruimte voor loonsverhoging en betere werkomstandigheden. De zaibatsu schikten zich maar al te graag naar de normen van de traditionele nijverheid. De grote winsten die zij maakten hoefde zij zo niet om te zetten in hogere lonen.

rijstrellen

Door de oorlog, de groei van de zaibatsu en de oorlogsuitgaven van het leger floreerde de economie, maar de modale burger zag weinig van die grotere welvaart. Prijsstijgingen waren legio en de sociale onvrede groeide. Dit leidde tot ernstige arbeidsdisputen. Toen de plannen voor de invasie van Siberië in 1918 gestalte begonnen te krijgen, kochten rijsthandelaren grote hoeveelheden rijst op en manipuleerden de prijs, die verdubbelde tussen juli en september 1918. Rellen braken uit in Hozu (prefectuur Toyama), waar vissersvrouwen de lokale rijstvoorraad plunderden. De pers gaf ruchtbaarheid aan deze wanhoopsdaad en in 32 prefecturen braken er nu rellen uit. Het geweld sloeg over op de steden Tōkyō en Ōsaka en hield aan tijdens de maanden augustus en september 1918. Zowel de boerenbevolking als de stadsarbeiders eisten prijsverlagingen en overvielen opslagplaatsen. De regering trad eerst hardhandig op. Een strikte perscensuur op de berichtgeving over de ongeregeldheden werd opgelegd en politie en leger grepen op bloedige wijze in. Terauchi moest ontslag nemen. De nieuwe regering gelastte prijsverlagingen en importeerde zelf rijst uit Korea.

Betekenis van de rijstrellen

Deze rellen zijn belangrijk omdat ze de kloof aantonen tussen de bloei van de industrie en de benarde sociale toestanden. Zij waren de rechtstreekse aanleiding tot de val van het Terauchi-kabinet en de vorming van het Hara-kabinet. De uitbarstingen van geweld maakten duidelijk dat de kracht van massabewegingen niet te onderschatten was, en lagen mede aan de basis van het ontstaan van politiek actieve sociale bewegingen.

De naoorlogse wereld en de partijpolitiek

Het grootste internationale probleem na de beëindiging van de Eerste Wereldoorlog was de bestraffing van Duitsland. De veertien vredespunten van de Amerikaanse president Woodrow Wilson kregen een lovende pers maar werden op de vredesonderhandelingen voor het overige genegeerd. Om een heropstanding van het Duitse Rijk voorgoed onmogelijk te maken, legde de overwinnaar zeer zware vredesvoorwaarden op. Om de herhaling van een wereldconflict te voorkomen werd de Volkenbond opgericht, die regelmatig ontwapenings- en vredesconferenties organiseerde vanuit de oprechte wens de wereldvrede te handhaven. Japan kreeg tijdens deze periode zijn eerste echt partijpolitieke kabinet, onder Hara Kei. Tegen het einde van de Taishō-periode was partijpolitiek een gewoon fenomeen geworden en had het Japanse Parlement het algemeen stemrecht voor mannen goedgekeurd. Op sociaal vlak bleven de problemen enorm en ging het belang van de arbeidersklasse een grotere rol spelen in de politieke besluitvorming.

Hara Takashi (原敬) (9 februari 1856 – 4 november 1921)

Toenemende internationale integratie

De wapenstilstand en de vredesbesprekingen

Aanvankelijk verliep de Eerste Wereldoorlog in het voordeel van de Triple Alliantie. De Britten konden de Duitse aanwezigheid op de wereldzeeën weliswaar bijna volledig neutraliseren, maar Duitsland repliceerde met zijn roemruchte onderzeeërsoorlog. Ook schepen van neutrale mogendheden zoals de Verenigde Staten werden het doelwit van de Duitse torpedo's, zodat de Verenigde Staten in 1917 beslisten de kant van de geallieerden (de Triple Entente) te kiezen. Hierdoor keerden de kansen en in november 1918 capituleerde Duitsland. In januari 1919 begonnen in Parijs vredesonderhandelingen, die in de loop van het jaar tot de ondertekening van het Verdrag van Versailles leidden. De veertien punten van de Amerikaanse president Woodrow Wilson hadden als uitgangspunt moeten dienen, maar die waren voor de Fransen en de Britten te idealistisch. Frankrijk wilde Duitsland zwaar straffen en stelde zijn eigen veiligheid boven alles. De Britten wilden het status-quo en de traditionele machtsverhoudingen bevestigd zien. Het aan Duitsland opgedrongen verdrag zorgde voor groot ressentiment in dat land, en zaaide de kiemen van de Tweede Wereldoorlog. De linker-Rijnoever werd gedurende vijftien jaren bezet, in het Rijnland mochten geen Duitse troepen gelegerd worden, Elzas-Lotharingen werd weer Frans, alle Duitse overzeese gebieden en protectoraten werden afgenomen, het Duitse leger werd aan drastische beperkingen onderworpen, en het land diende enorme sommen schadevergoeding te betalen. Het onafhankelijkheidsstreven van de kleinere volkeren in Europa was een van de oorzaken van de oorlog geweest. Nu werd het zelfbeschikkingsrecht van deze volkeren erkend. In Noord- en Oost-Europa werden acht landen onafhankelijk.

Japan en het Verdrag van Versailles

Japan stuurde Saionji Kinmochi en Makino Nobuaki 牧野伸顕, een zoon van Ōkubo Toshimichi, als gevolmachtigden naar Versailles. Naast de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Frankrijk en Italië werd Japan erkend als vijfde grootmacht. Als resultaat van de onderhandelingen verwierf Japan de voormalige Duitse rechten in Shāndōng. Onder toezicht van de Volkenbond kreeg het als mandaatgebieden alle eilandjes in de Stille Oceaan ten noorden van de evenaar die voorheen onder Duits gezag stonden, met uitzondering van het eiland Yap. Op moreel vlak moest Japan evenwel een vernedering slikken. Het had gevraagd dat de Volkenbond rassengelijkheid in zijn handvest zou opnemen, maar vooral Groot-Brittannië en Amerika verzetten zich hiertegen. In Amerika bestond een vrij grote discriminatie van de Japanse immigranten en de Britten wensten hun eigen positie in hun multiraciale koloniale rijk niet te ondermijnen. In het Verdrag was geen sprake van een herziening van de 21 Eisen, zoals China had gevraagd. Japan beloofde de soevereiniteit over de provincie Shāndōng aan China terug te geven, maar er werd geen datum afgesproken. Terwijl de Vredesconferentie nog bezig was, braken er op 4 mei 1919 in Peking hevige rellen uit onder studenten en arbeiders. Weldra werd heel China het toneel van demonstraties en rellen gericht tegen het internationale imperialisme in het algemeen en Japan in het bijzonder. Dit was het begin van een golf van nationale en politieke bewustwording en culturele vernieuwing, bekend als de 4 MeiBeweging. Op 1 maart 1919 braken er ook onlusten uit in Korea, waar reeds sedert de aanhechting bij Japan sterk verzet bestond. De Koreanen eisten zelfbeschikkingsrecht. Meer dan twee miljoen mensen namen deel aan diverse demonstraties, over een periode van een half jaar. Bij deze onlusten kwamen 7.907 mensen om het leven en werden er meer dan 50.000 tot gevangenisstraffen veroordeeld. Japan accepteerde op de Conferentie van Versailles het opendeurprincipe, waardoor alle landen gelijke kansen kregen in China.

De stichting van de Volkenbond

In 1920 kregen de voorstellen van president Wilson voor de stichting van een internationale vredesorganisatie concrete vorm: de Volkenbond, met de Zwitserse stad Genève als hoofdkwartier. De doelstellingen waren:

  • streven naar ontwapening door de lidstaten;
  • vastleggen en respecteren van elkaars territorium;
  • aanvaarden van het status-quo en het oplossen van geschillen met vredelievende middelen.

De Volkenbond bestond uit een algemene vergadering van lidstaten, een raad en een secretariaat. Samen met Engeland en Frankrijk werd Japan een van de permanente leden van de raad. De Verenigde Staten, die het Verdrag van Versailles niet geratificeerd hadden, werden geen lid, en evenmin de Sovjet-Unie. Daarom werd de Volkenbond aanvankelijk gezien als een clubje van overwinnaars. Het dagelijks bestuur was vooral een Franse en Britse aangelegenheid. In 1926 werd Duitsland echter ook lid. Gedurende enkele jaren deed de organisatie behoorlijk werk, maar vanaf de jaren dertig moest ze steeds vaker haar onmacht vaststellen. Toch is de Volkenbond van groot historisch belang geweest. Het was de eerste keer in de geschiedenis dat een permanente internationale organisatie werd opgericht met het doel de vrede te handhaven en te bevorderen.

Ontwapening en veiligheidsgaranties

De idealen van wereldvrede, stabiliteit en ontwapening bepaalden de internationale politiek gedurende de jaren twintig. Diverse conferenties werden belegd om deze nobele doeleinden te realiseren. Ook Japan liet zich niet onbetuigd. De Conferentie van Washington duurde van 1921 tot 1922 en resulteerde in het Washington Naval Treaty. Met de Amerikaanse president Harding als voorzitter werd het een grote diplomatieke overwinning voor de Verenigde Staten. De minister van Marine Katō Tomosaburō leidde de Japanse delegatie. Hij diende heel wat water in zijn wijn te doen, maar dat was de prijs die zijn land moest betalen om internationaal niet in het isolement gedrukt te worden. Voor hem en de Japanse regering was het herstel van de vriendschappelijke betrekkingen met de Verenigde Staten de hoogste prioriteit. Japan diende nu af te zien van verdere militaire avonturen op het Aziatische continent, de vrede in het Stille Zuidzeegebied te respecteren en de soevereiniteit van China te erkennen. Er was geen sprake meer van exclusieve en natuurlijke rechten van Japan op het vasteland. Verder werd op deze conferentie een akkoord gesloten over de toegestane tonnenmaat voor oorlogsbodems en slagschepen. De verhouding was: 5 voor Engeland, 5 voor de Verenigde Staten, 3 voor Japan, en 1,67 voor Italië en voor Frankrijk elk. Men ging uit van het standpunt dat Japan slechts één oceaan te beveiligen had. Uit de conferentie vloeide ook een vierstatenverdrag voort tussen Japan, Groot-Brittanië, de Verenigde Staten en Frankrijk. Zij kwamen overeen elkaars rechten in de Stille Oceaan te eerbiedigen en een eventueel conflict vreedzaam op te lossen op een conferentie, waar de vier ondertekenaars aanwezig zouden zijn. Dit verdrag betekende het einde van de speciale Brits-Japanse Alliantie. Een derde verdrag dat uit deze conferentie voortsproot, was het Pact der Negen Landen, met als ondertekenaars Japan, Groot-Brittanië, de Verenigde Staten, Frankrijk, Italië, België, Nederland, Portugal en China. Het pact formuleerde de principes van het Chinabeleid. In zijn algemene strekking bevestigde het de opendeurpolitiek. Ieder land moest gelijke kansen krijgen om in China aanwezig te zijn, in oorlogstijd zou China als neutraal land erkend worden, het Chinese grondgebied moest gerespecteerd worden. China aanvaardde zich naar deze bepalingen te schikken. De Ishii-Lansing-overeenkomst, die Japans exclusieve rechten duidelijk erkend had, kwam hierdoor te vervallen. Japan schonk de soevereiniteit over Shāndōng terug aan Beijīng. In 1927 nam de Amerikaanse president Calvin Coolidge het initiatief de Conferentie van Genève samen te roepen. Amerika, Engeland en Japan onderhandelden er over de mogelijkheid om beperkingen af te spreken voor de bouw van kleinere oorlogsbodems. Wegens onverenigbare opvattingen draaide deze conferentie op een mislukking uit. De Amerikaanse staatssecretaris Frank Kellogg en de Franse minister van Buitenlandse Zaken Aristide Briand organiseerden in 1928 een conferentie in Parijs. Vijftien landen, waaronder Japan, sloten een pact waarin zij afzagen van oorlog als middel om internationale problemen te beslechten, behalve in geval van zelfverdediging. Wegens het mislukken van de Conferentie van Genève organiseerde de Britse minister van Buitenlandse Zaken MacDonald een nieuwe conferentie in London in 1930. Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, Frankrijk, Italië en Japan praatten er opnieuw over het beperken van het aantal oorlogsbodems. De Japanse delegatie werd geleid door oud-premier Wakatsuki Reijirō. Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en Japan kwamen overeen om negen slagschepen te ontmantelen: Groot-Brittannië vijf, de Verenigde Staten drie, Japan één. De conferentie bepaalde ook maxima voor kruisers, duikboten en destroyers (Londen Naval Treaty). In 1935-1936 wou men nog verdergaan tijdens een vervolg op deze conferentie, maar dit mislukte. Voornamelijk Japan voelde zich tekort gedaan en trok zich op 15 januari 1936 terug.

Ontstaan van partijpolitiek

De Taishō-Democratie

Terauchi Masatake

Tijdens de Eerste Wereldoorlog kwam het kabinet-Ōkuma, dat een imperialistische buitenlandse politiek had gevoerd, ten val. Gesteund door de regionale kliek uit Chōshū, kwam de leider van de legerlobby, Terauchi Masatake (1852-1919), aan de macht. Hij vormde een transcendentaal kabinet van hoge ambtenaren. In deze periode publiceerde de politieke wetenschapper Yoshino Sakuzō 吉野作造 (1878-1933), die doceerde aan de Keizerlijke Universiteit van Kyōto, zijn theorie over verregaande democratie in Japan zonder te raken aan het statuut van de keizer. Dit bracht lijn in het verzet tegen de regionale en bestuurlijke facties, en de verzuchting naar democratie kon concretere vorm aannemen in de Beweging voor Algemeen Stemrecht en Bredere Constitutionele Bescherming en Rechten. Dit streven naar meer democratie en participatie van het hele volk dienen we ook te situeren in een internationale context. De korte periode van toenemende bewustwording wordt de Taishō-democratie genoemd.

Een "gewone burger" wordt premier

Het Terauchi-kabinet herinnert men zich vooral om de Nishihara-lening en de invasie in Siberië. Het kwam ten val wegens de rijstrellen. Om uit de impasse te geraken en de volkswoede te doen luwen, suggereerde de genrō Saionji Kinmochi een gewone burger als premier: Hara Kei 原敬 (1856-1921), voorzitter van de Rikken Seiyū-kai 立憲政友会. Hij vormde het eerste echte partijkabinet. Op de functies van minister van Zeemacht, Landmacht en Buitenlandse Zaken na, waren alle ministers lid van de Seiyū-kai. In tegenstelling tot zijn voorgangers was Hara niet van adel, daarom werd hij verwelkomd door het volk als de "burger-premier"(heimin saishō 平民宰相). Voorheen was de premier altijd iemand van de adel (kazoku) geweest. Hara was niet de grote hervormer of de radicale democraat waarop men wellicht hoopte, maar zijn beleid zorgde toch voor een grotere democratisering. Hij realiseerde verdere groei van nijverheid, verkeerswezen, onderwijs en landsverdediging, terwijl hij met de steun van de publieke opinie de kracht van het Hogerhuis en de militairen probeerde te temperen door een kleine wijziging van het stemrecht. Hij was geen groot voorstander van algemeen stemrecht en beperkte zich ertoe de kiesdrempel te verlagen. In plaats van 10 yen volstond voortaan 3 yen belastingen om te mogen kiezen. Toen Katō Tomosaburō deelnam aan de Conferentie van Washington, werd Hara de eerste burgerambtenaar die de functies van minister voor de Zeemacht en eerste minister cumuleerde. Hij vertrouwde ook het bestuur van Korea, Taiwan en Guāndōng toe aan burgerministers. Het buitenlandse beleid van Hara was gericht op verstandhouding met de Verenigde Staten. Vanuit militaire hoek kreeg hij heel wat kritiek te slikken. Toen bleek dat enkele kabinetsleden in kleine corruptiezaken betrokken waren, werd de kritiek heviger. In 1921 werd Hara vermoord door een rechts fanaticus en zijn kabinet kwam ten val.

De Tweede Constitutionele Beweging

Na de moord op Hara werd Takahashi Korekiyo 高橋是清 (1854-1936) tot voorzitter van de Rikken Seiyū-kai verkozen. Hij vormde een nieuw kabinet, dat evenwel geen lang leven beschoren was. Wegens interne strubbelingen binnen de regeringspartij kwam het ten val. Nu volgden kort op elkaar enkele kabinetten, waarvan de samenstelling geen rekening hield met de politieke partijen. Deze trend zette de drie grote partijen in het Lagerhuis ertoe aan hun futiele geschillen uit te praten en samen te werken. Deze drie partijen waren: de Rikken Seiyū-kai 立憲政友会, met als voorzitter Takahashi Korekiyo 高橋是清, de Kensei-kai 憲政会, met als voorzitter Katō Takaaki 加藤高明 en de Kakushin Kurabu 革新倶楽部 met als voorzitter Inukai Tsuyoshi. Ze eisten dat er een einde zou komen aan de 'elitaire' kabinetten en de onmiddellijke invoering van het algemeen stemrecht. Dit was het startsein voor de tweede Beweging voor Vrijheid en Constitutionele rechten. Het parlement werd ontbonden en er werden nationale verkiezingen gehouden. De drie coalitiepartijen kwamen als overwinnaars uit de bus, en in juni 1924 werd Katō Takaaki (1860-1926) eerste minister. Takahashi Korekiyo werd minister van Landbouw en Handel, en Inukai Tsuyoshi minister van Communicatie en Transport. Dit was de eerste kennismaking met een coalitieregering in Japan. Van dit ogenblik tot mei 1932 (de val van de regering-Inukai) werden coalitieregeringen de norm. De Rikken seiyū-kai en de Kensei-kai vormden samen de regering. Samen hadden ze immers de meeste zetels in het Lagerhuis.

Wetten inzake het algemeen stemrecht en openbare orde

Na de rijstrellen bleven diverse groeperingen ijveren voor meer democratie. Vanaf het Hara-kabinet begonnen ook de vakbewegingen voor algemeen stemrecht te ijveren. De gevestigde politieke partijen bleven echter koud en warm tegelijk blazen, mede omdat ze er niet van overtuigd waren dat hun steun aan deze trend hun stemmenwinst zou opleveren, maar de trend viel niet te stuiten. In 1925 stemden de conservatieve partijen ermee in hun verkiezingsbelofte gestand te blijven en de wet op het algemeen stemrecht (Futsū senkyo hō 普通選挙法) door te drukken. Dit is de grootste verwezenlijking van de Taishō-democratie. Algemeen betekende dit de belastingsnorm werd afgeschaft en dat alle mannen ouder dan 25 jaar mochten stemmen. In 1925 vaardigde de regering de wet inzake de openbare orde(Chian iji hō 治安維持法) uit om de sociale en politieke emancipatie van de arbeidersklasse tegen te gaan en concreet de verspreiding van het communisme onmogelijk te maken. Menig volks politicus was immers onder de bekoring geraakt van de Russische Oktoberrevolutie. De wet stelde een absoluut verbod in om groeperingen te organiseren die de heersende politieke structuren en het recht op privébezit aanvielen, en/of om lid te worden van zulke groeperingen. Op overtreding stond 10 jaar dwangarbeid, maar in 1928 werd er de doodstraf op gezet. Zo werd een efficiënte oppositie onmogelijk.

Overheid tegenover sociale beweging

Met de wet inzake de openbare orde smeedde de overheid een sterk wapen tegen radicale oppositiebewegingen. Tegelijkertijd probeerde ze deze oppositie via institutionele wegen te verdelen en aan zich te binden. Zo werd de Arbeidersbeweging een tijd lang aan het lijntje gehouden met een wet over de arbeidersverenigingen, die echter nooit goedgekeurd geraakte, terwijl voor de boeren een nieuwe wetgeving betreffende huur en pacht en het oprichten van individuele landbouwondernemingen werd aanvaard. Deze wetgeving was een verzoeningsgebaar, dat uiteindelijk eerder het kapitaal en de grondbezitters beschermde dan de boeren. De Communistische Partij werd resoluut verboden en vervolgd. Zware klappen werden uitgedeeld tijdens het incident van 15 maart 1928, bekend als het San-ichigo jiken 三・一五事件, en het incident van 16 april 1929, bekend als het Yon-ichiroku jiken 四・一六事件. Deze zogenaamde incindenten waren zuiveringsacties waarbij communisten werden gearresteerd (zie hoger) en vele sleutelfiguren werden geliquideerd op basis van de wet inzake de openbare orde.

De economische crisis en de politieke partijen

Het kabinet-Wakatsuki

Na het overlijden van Katō Takaaki in 1926 werd een kabinet gevormd met Wakatsuki Reijirō 若槻礼次郎 (1866-1949) als premier. Van deze voormalige ambtenaar van financiën verwachtte men een oplossing voor het budgettaire probleem. Zijn regeringsploeg werd echter geconfronteerd met een structurele economische crisis die steeds dieper het staatsbestel aantastte en de steeds radicaler wordende sociale bewegingen stimuleerde. Daarom concentreerde hij zijn beleid op maatschappelijke tegemoetkomingen en voerde hij inzake buitenlandse betrekkingen een koers die gericht was op internationale samenwerking. In maart 1927 brak een reeks financiële schandalen uit. Om eigen beheersfouten te verdoezelen, had een groot aantal banken de in 1923 door de overheid gegarandeerde aardbevingswissels gebruikt om eigen tekorten te financieren. Daarnaast werd een paar grote regionale banken en overheidskredietinstellingen, waaronder die van Formosa, door bankroet bedreigd na het roekeloos toestaan van leningen. Om deze faillissementen te voorkomen wou Wakatsuki nieuwe overheidsgaranties toestaan, maar de Geheime Raad(Sūmitsuin) blokkeerde dit voorstel omwille van het naar zijn zin te verzoenende buitenlandse beleid van minister Shidehara. Dit veto noopte de regering-Wakatsuki tot aftreden.

De inschikkelijke diplomatie van Shidehara

Kijūrō Shidehara

Een van de uitlopers van de 4 Meibeweging, gericht tegen het westerse imperialisme, was de oprichting van de Chinese Communistische Partij (Zhōngguó Gòngchăndăng 中国共産), gesteund door de pas gestichte Sovjet-Unie. In 1924 sloot zij een alliantie met de Guòmíngdăng 国民党, de Nationalistische Partij van Sun Yat-sen in een historische partijvergadering te Kanton (Guăngdōng 廣東). Na Sun Yat-sens overlijden in 1925 begon Chiang Kai-shek 蔣介石 (Chin.: Jiăng Jièshí; Jap.:Shō Kaiseki),opperbevelhebber van de Nationalistische legers, stilaan de partijlijn in anti-communistische zin om te buigen. Hij lanceerde in 1926 een campagne tegen de noordelijke warlords in een poging om China te herenigen. Een jaar later bezette hij Nánjīng en Shànghăi 上海 en riep een nationale regering uit. Hiertegen kwam de krijgsheer Zhāng Zuòlín 張作霖 (Jap.: Chō Sakurin), die vanuit Mantsjoerije een groepering van warlords aanvoerde in het verweer. Zowel in de regering van Katō als in die van Wakatsuki was Shidehara Kijūrō 幣原喜重郎 (1872-1951) minister van Buitenlandse Zaken. Zijn diplomatie ging uit van drie premissen: de internationale macht en het status-quo van de westerse mogendheden, de binnenlandse crisis en de anti-imperialistische beweging in China. Dit zette hem aan tot samenwerking met Groot-Brittannië en de Verenigde Staten om zo rationeel mogelijk Japans belangen internationaal, maar vooral in de Aziatische regio, te behartigen. Daarom streefde hij ernaar directe inmenging in de noordelijke campagne van de Guòmíngdăng te vermijden. Deze voorzichtige politiek werd internationaal gewaardeerd maar ze maakte hem persona non grata bij de militairen en de Geheime Raad, terwijl ook de conservatieve oppositie van bijvoorbeeld de Rikken Seiyū-kai vooral om verkiezingsdoeleinden de Shidehara-diplomatie hekelde.

Het Tanaka-kabinet

Na de val van de regering-Wakatsuki vormde in april 1927 Tanaka Giichi 田中義一 (1863-1929), een gewezen militair en voorzitter van de Rikken seiyū-kai 立憲政友会, een nieuwe regering die plots wel de banken mocht helpen. Hij stond een nieuw, drie weken durend moratorium op depositorekeningen toe (Shiharai Yūyo Rei 支払猶予令) en een grote lening door de Bank van Japan. Zo werd de crisis bezworen maar ze was wel funest geweest voor vele kleine en regionale banken, die het bankroet niet konden afwenden. De financiële markt werd nog steviger gemonopoliseerd door de vijf grote zaibatsu, Mitsui, Mitsubishi, Sumitomo, Daiichi en Yasuda. Toen na de eerste algemene verkiezingen bleek dat de proletarische partijen het erg goed deden, ontpopte Tanaka zich als de man van de ijzeren hand en werd het begrip 'ideologisch misdrijf' een realiteit in het Japanse politieke leven. De wet inzake de openbare orde werd nog strenger toegepast en harde zuiveringsacties liquideerden de kopstukken van de Communistische Partij, zoals hoger vermeld. Ook de Tokkō 特高, afkorting van Tokubetsu kōtō keisatsu (Speciale veiligheidspolitie) 特別高等警察, werd versterkt. Deze dienst dateerde uit 1911, toen hij de overheid op de hoogte moest houden van ideologische broeinesten, om incidenten als het Hoogverraadincident te voorkomen. Hij had het vooral op socialistische en communistische bewegingen gemunt. Aanvankelijk werkte deze dienst alleen in de belangrijkste verstedelijkte gebieden, maar vanaf 1928 werd er in elke prefectuur een geheime cel geïnstalleerd. De cellen stonden onder rechtstreekse controle van de minister van Binnenlandse Zaken en hadden veel invloed. De activiteiten van deze cellen slorpten een groot deel van het budget van de geheime diensten op. Ze leidden niet alleen spionnen op, maar vormden ook een doodseskader, dat terreuracties uitvoerde: onder andere het martelen en vermoorden van communistische sympathisanten. Meer in het algemeen onderdrukten de cellen alle vormen van vrije meningsuiting, sociale activiteiten en de Koreaanse Onafhankelijkheidsbeweging. In 1945 werden ze ontbonden. In 1927, onder de Tanaka-regering, fuseerde de Kensei-kai met de Seiyū Hontō. Samen vormden ze de Rikken minsei-tō 憲民政党. Later zou deze, afwisselend met de Rikken Seiyū-kai, de kabinetten vormen.

Tanaka's assertieve buitenlandse beleid

In samenwerking met de militairen boog het Rikken Seiyū-kai-kabinet van Tanaka het buitenlands beleid om in assertieve zin, mede om de aandacht van het volk en de drukkingsgroepen van de binnenlandse problemen af te leiden. Aangezien hij de functies van eerste minister en de vice-minister van Buitenlandse Zaken cumuleerde, was dit mogelijk zonder al te veel discussie. De concrete strategie werd door de Mitsui-handelfirma (Mitsui Bussan) en de vice-minister van Buitenlandse zaken Mori Kaku 森格 uitgewerkt. De resultaten van deze kordate houding werden reeds zichtbaar op de Conferenties van Genève (1927) en Parijs (1928).De drie Shāndōng-expedities waren ingegeven door de misnoegdheid van conservatieven, opgezweept door de militairen, over de aan de onderhandelingstafel overeengekomen teruggave van Shāndōng aan China. Hieruit wou Tanaka voordeel halen. Toen Chiang Kai-sheks Nationalistische legermacht in haar Noordelijke campagne steeds meer succes boekten, stuurde Japan in 1927 troepen naar Shāndōng om hun opmars te stuiten, al was de officiële reden het beschermen van Japanse residenten. Zo werd de Chinese eenmaking tijdelijk vertraagd. In 1928 zette Chiang Kai-shek een nieuwe noordelijke campagne op het getouw. Opnieuw greep Japan in om zijn burgers te beschermen. Tijdens deze tweede campagne deed zich het Jinán- incident (Japans:Sainan jiken 済南事件) voor. Hierbij vielen Japanse burgerslachtoffers, al waren die eerder te wijten aan pogingen van het Japanse leger om Chinezen de doorgang te beletten door de stad Jinán. De moord op Zhāng Zuòlín leidde tot een verdere escalatie. Na de eerste Shāndōng-expeditie hadden de Japanners in Tōkyō de Conferentie over het Oosten (Tōhō kaigi 東方会議) gehouden, waar ingewijden van Buitenlandse Zaken en de generale staf van het leger waren overeengekomen Mantsjoerije van China los te weken en er een Japanse vazalstaat van te maken. Op basis van deze strategie werd een overeenkomst gesloten met de warlord in Mantsjoerije Zhāng Zuòlín. In ruil voor Japanse militaire steun zou deze de Japanse privileges in Mantsjoerije erkennen. Ondanks de oorspronkelijke bereidheid tot samenwerking verstrakte Zhāng Zuòlín zijn houding, wellicht omdat hij meer heil zag in een eigen onafhankelijke koers of toch geloofde een betere kans te maken in een verenigd China. Daarom werd van Japanse zijde besloten hem uit de weg te ruimen. Toen Zhāng Zuòlín met zijn troepen tot Beijīng afzakte, lieten de Japanners hem weten dat ze dit niet konden dulden om strategische redenen, en ze gaven hem het bevel zich tot in Shenyáng terug te trekken. In juni van dat jaar werd hij in de buurt van Shenyáng in een hinderlaag gelokt. De trein waarin hij reed, werd op 4 juni 1928 op de rails tot ontploffing gebracht. De warlord was zwaar gewond en stierf enkele dagen later aan zijn verwondingen. De ware toedracht werd uiteraard niet publiek bekendgemaakt, maar lekte toch uit. Het publiek refereerde aan het voorval als 'een zeker zwaar incident in Mantsjoerije' (Manshū bō jūdai jiken 満州某重大事件). Tanaka, die de moord persoonlijk afkeurde, kwam in nauwe schoentjes te staan. Hij wenste op zijn minst disciplinaire straffen tegen de schuldigen, maar werd daarin niet gevolgd door de militairen, vooral de staf van het landleger, noch door zijn eigen regeringspartij. De keizer (Hirohito) moest hem wegens gebrek aan gezag in gebreke stellen, wat hem tot aftreden dwong.

Premier Hamaguchi

In juli 1929 werd de voorzitter van de Rikken Minsei-tō Hamaguchi Osachi 浜口雄幸 (1870-1931) eerste minister. We zouden hem een verzoener kunnen noemen. Hij voerde strenge soberheidsmaatregelen door om de internationale economische crisis het hoofd te kunnen bieden. Op het vlak van het buitenlandse beleid verdedigde hij weer de internationale samenwerking. De spilzucht van Tanaka had zware gevolgen voor de schatkist gehad; omwille van de internationale crash zou de crisis zeer moeilijk op te lossen zijn. Hamaguchi wou een positief budgettair beleid voeren. Hij trachtte de export aan te zwengelen, onder andere door de goudexport opnieuw toe te staan, al was goudimport gewenst, hij ging geen leningen meer aan en probeerde de staatsschuld te herschikken. Om een aanvaardbare regeling uit te dokteren, werd de in zakenkringen populaire gouverneur van de Bank van Japan, Inoue Junnosuke 井上準之助 (1869-1932) aangetrokken als minister van Financiën. Hij spoorde de bevolking aan tot zuinigheid en de industrie tot verdere rationalisering. Spijtig genoeg namen de westerse mogendheden allerlei maatregelen die een toename van de Japanse export belemmerden en de afzet van de gerationaliseerde bedrijven verhinderden. De sociale problemen verergerden en de militairen namen radicalere standpunten in, nu ook hun budgetten niet van de hakbijl gespaard bleven. De herleving van een op internationale samenwerking gerichte diplomatie was te danken aan een accentverschuiving in de regering. Het volledige afzweren van een assertief buitenlands beleid was onmogelijk onder een constitutioneel stelsel waarin het Hogerhuis en het leger de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid hadden, maar de gebruikte methodes konden verschillen. Over de dieper-liggende persoonlijke motieven van de protagonisten binnen de verschillende facties spreken we ons hier niet uit. Onder Hamaguchi werd Shidehara weer minister van Buitenlandse Zaken. In de geest van zijn politiek streefde Japan naar positieve samenwerking met de andere mogendheden. Het stuurde daarom een delegatie geleid door Wakatsuki naar de Conferentie van Londen (1930) om over wapenbeperking te onderhandelen. Shidehara trachtte ook de scherpe kantjes van de internationale controverse rond de Japanse inmenging in Shāndōng af te vijlen. De ontwapeningsconferentie van Londen zorgde voor grote spanningen binnen het kabinet, die voor het eerst duidelijk de ambities van de militairen aan het licht brachten. Hamaguchi slaagde erin de goedkeuring van de keizer te verwerven voor het Verdrag van Londen, hoewel het een voor de Amerikanen gunstige verhouding van oorlogsbodems stipuleerde. Tegen de zin van de generale staf van de Zeemacht in, die om het overwicht in de Stille Oceaan te bewaren een 10:7 verhouding als de limiet had beschouwd, aanvaardde hij een iets lagere verhouding. Hamaguchi's welslagen berustte echter op een louter politieke constructie van politici die ernaar streefde het prerogatief van de militairen (Tōsuiken 統帥権) terug te schroeven. Toen het Verdrag werd voorgelegd aan de Geheime Raad beweerde Hamaguchi dat de Zeemacht akkoord ging, omdat de minister van Maritieme Zaken zulks had beweerd, ook al had de generale staf van de Zeemacht wellicht een andere opinie. Formeel had hij gelijk, maar de facto haalde de Zeemacht haar slag thuis door de minister van Maritieme Zaken tot ontslag te dwingen. Voortaan zouden de regeringen meer rekening moeten houden met de wensen van de Zeemacht om nog een minister te kunnen benoemen.

De weerslag van de internationale crisis

Versterking van de monopolies

In oktober 1929 kende de kapitalistische wereld de zwaarste financiële crisis uit zijn geschiedenis, de beurscrash van New York. Het was het startschot voor een wereldwijde economische recessie. Japan zou vooral na 1930 de gevolgen beginnen te ondervinden. Twee maanden na de crash bleek dat alle landen hun goudvoorraden gingen beschermen en dat Japan er niet in slaagde zijn export te vermeerderen. Het goudembargo werd opnieuw ingevoerd. Tijdens de liberalisering die slechts één jaar had geduurd, was er veel goud weggevloeid. Het deflatoire beleid, de geringe vraag uit het buitenland en de voorspoedige rijstoogsten leidden tot enorme prijsdalingen. De overheid trachtte te reageren met de wet op de controle op de zware industrie (Jūyō Sangyō tōsei Hō 重要産業統制法), wat in feite neerkwam op het aanmoedigen van kartelvorming. Men sprak van rationalisering van de productie en steunde de samenwerking tussen gelijkaardige bedrijfstakken. Zo kon men vooral op het sociale vlak besparen. Het goudembargo werd verlengd in 1931. Japan ging dus de internationale concurrentie te lijf door in de productie voornamelijk de arbeidskosten te beperken. De productie nam nog enorm toe, al was de kwaliteit soms van bedenkelijk allooi. Deze politiek leverde Japan het verwijt van sociale dumping op. De reeds sterke tendens tot monopolievorming nam nog toe en de band tussen politiek en kapitaal werd openlijker. Zo geraakte de Seiyū-kai bekend als waterdrager van Mitsui, terwijl de Minsei-tō de belangen van de Mitsubishi-groep verdedigde.

Werkomstandigheden van de boeren

Alweer kreeg het platteland het zwaarst te lijden.

  • Vele jongeren keerde terug naar het platteland nu er in de industrie geen werk meer te vinden was.
  • Amerika nam plots veel minder zijde af, zodat vele zijderupskwekerijen en landbouwers die met zijde wat trachtten bij te verdienen, hun inkomsten of een belangrijke aanvulling ervan zagen teloorgaan.
  • Was de rijstoogst in 1930 zeer goed, zodat de prijzen te sterk daalden, dan was 1931 een waar rampjaar, vooral in de Tōhoku-regio, waar hongersnood uitbrak.
  • Pacht, grondbelastingen en de prijs van de meststoffen veranderden vrijwel niet, terwijl de ineenstorting van de prijzen het inkomen vrijwel halveerde.

Vele boeren werden bedreigd met bankroet en uitdrijving, waardoor een vlaag van nieuwe pachtgeschillen (kosaku sōgi 小作争議)ontstond. Nevenverschijnselen waren de verkoop van boerendochters aan bordelen en de chronische ondervoeding van de niet-productieven, kinderen en ouderen.

Uitbreiding en radicalisering van de Arbeidersbeweging

Door de aanslepende crisis en de industriële rationaliseringen van Hamaguchi werd ook het bestaan van de arbeiders bedreigd. Japan telde drie miljoen werklozen, waarvan de meesten langdurig en structureel werkloos werden, zodat ze een 'permanent' reservearbeidsleger vormden dat de reële lonen laag hield of zelfs nog deed verlagen. Ettelijke sociale conflicten (rōdō sōgi 労働争議) braken uit, waarin arbeiderspartijen en/of vakbonden doorgaans aan het kortste eind trokken. De overheid trad meedogenloos op en verbood communistische tendensen. Meestal waren de arbeiders ook te verdeeld over de te volgen strategie en ideologie. Radicale kleine groepen veroorzaakten strenge en hardnekkige repressie van de overheid.

Bronnen

  • Vande Walle, Willy. Een Geschiedenis van Japan: Van Samurai tot Soft Power. Leuven: Uitgeverij Acco, 2007.

Cultuur in de Taishō-periode

Cultuur in de Taisō-periode

In de Meiji-periode was de ontwikkeling op cultureel vlak eerder een van hogerhand gestuurd gegeven, en tevens een leerproces. Men zou het nationalistisch georiënteerd kunnen noemen. In de Taishō-periode waren de mensen meer geëmancipeerd en democratisch bewuster geworden, terwijl Japan ook een eigen koers ging varen. Ontwikkelingen in economie, wetenschappen, ... hadden ook hun weerspiegeling in de culturele wereld. In zekere zin kunnen we hier spreken van een massa- of consumptie-cultuur.

Algemene kenmerken

In vergelijking met de Meiji-periode kunnen we wijzen op:

  • De bloei van een burgerlijke cultuur. De ontwikkeling van het kapitalisme en de toename van het democratisch bewustzijn op internationaal vlak waren een gevolg van de Eerste Wereldoorlog en stimuleerden vlak na de oorlog vooral in de verstedelijkte gebieden het ontstaan van een bloeiende burgerlijke samenleving.
  • Versterking van democratische eisen. Internationaal wonnen democratische beginselen duidelijk veld. Onder druk van de massa kende ook Japan een vloedgolf die Taishō-democratie wordt genoemd. In dit kader vonden liberalisme en humanisme een voedingsbodem en tevens ideologisch bestaansrecht. Naarmate sociale bewegingen aan belang gingen winnen, won ook de socialistische ideologie terrein. Het valt niet te ontkennen dat, gezien de beperkingen van de tijd, de Taishō-periode toch een aantal individuele en collectieve vrijheden opleverde voor de burgers.

Onderwijs en wetenschappen

Veralgemening van het onderwijs en de natuurwetenschappen

De ontwikkeling van het kapitalisme ging gepaard met krachtige investeringen in meer en beter hoger onderwijs en onderzoek. De leerplicht werd voor vrijwel honderd procent gerealiseerd. De gestage verhoging van het onderwijsniveau en de toename van de studiemogelijkheden hadden een grote invloed op de burgerlijke samenleving. Onder de regering Hara werd in 1918 de wet op de keizerlijke universiteiten (Daigaku rei 大学令) herzien en versoepeld. Naast de reeds erkende keizerlijke universiteiten werd nu ook de oprichting van onderwijsinstellingen van het korte type, van privé-universiteiten en privéscholen toegestaan, zodat het aantal universiteiten enorm toenam. Er ontstond een nieuwe klasse in Japan: de intellectuelen en de technocraten, die vaak doordrongen waren van democratische en liberale ideeën. Ze vormde een belangrijke klasse van weddetrekkenden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de invoer van tal van goederen stopgezet of erg bemoeilijkt. Chemische producten, machines en Westerse technologie dienden voortaan zelf vervaardigd te worden, wat uiteraard een sterke stimulans betekende voor de Japanse wetenschappelijke instituten. Het groeiende kapitalisme zorgde voor de nodige investeringen. Een belangrijk instituut was het Instituut voor Onderzoek in de Natuurwetenschappen (Rikagaku kenkyūjo 理化学研究所), waar autoriteiten als Takamine Jōkichi en Nishina Yoshio 仁科芳雄 hun krachten bundelden. Een andere geleerde, Honda Kōtarō 本田光太郎 van de Tōhoku Universiteit, staat bekend als de ontdekker van het K.S.-staal, toentertijd het stevigste ter wereld. Aan de Keizerlijke Universiteit van Tōkyō werden onderzoekscentra opgericht voor luchtvaart en seismologie. Gericht tegen het eenzijdige slik- en spui-onderwijs en het allesoverheersend nationalisme kwam er een stroming op gang die vrij en autonoom onderwijs voorstond, de zogenaamde Nieuwe Onderwijsbeweging. Echt veel succes kende deze beweging niet, al werden op sommige plaatsen toch vrij verregaande alternatieve onderwijsplannen gerealiseerd. In de lagere school die afhing van de Normaalschool voor Meisjes te Nara (Nara joshi kōtō shihan gakkō fuzoku shōgakkō 奈良女子高等師範学校付属小学校) werd bijvoorbeeld het vak Algemene Vorming ingevoerd. Daarnaast waren er privéscholen die op socialistische idealen geïnspireerd onderwijs verschaften, zij het door overheidsrepressie gehinderd. Dit soort alternatieve onderwijsverstrekking was uiterst schaars, maar zou toch een startpunt vormen voor een democratischer onderwijstype na de Tweede Wereldoorlog.

Humane wetenschappen

Onder de invloed van de democratische gedachten ontstonden ook in de menswetenschappen vernieuwende strekkingen. De groei van een elite die over kennis en vorming beschikte, werd vervolgens de motor voor een bredere en algemenere ontwikkeling van de massa. De filosoof Nishida Kitarō 西田幾太郎, die reeds actief was tijdens de Meiji-periode, publiceerde in 1911 zijn Zen no kenkyū 善の研究 ('Onderzoek van het Goede'), nog steeds het meest gelezen filosofische werk van de hand van een Japanner. Een ander bekend werk van hem is Jikaku ni okeru chokkaku to hansei 自覚における直覚と反省 ('Intuïtie en reflectie in het zelfbewustzijn'). Ook Kuwaki Gen'yoku 桑木厳翼, een Kantkenner, verdient vermelding. Hij was de pionier van de analytische filosofie in Japan. In het algemeen kregen het idealisme en het humanistische denken ruime belangstelling van de intelligentsia.In de rechtswetenschap vermelden we Minobe Tatsukuchi 美濃部達吉 (1873-1948), hoogleraar aan de Keizerlijke Universiteit van Tōkyō, die de theorie van de keizer als overheidsinstelling, de zogenaamde Tennō kikan setsu 天皇機関説 poneerde, waarna een controverse uitbrak met Uesugi Shinkichi 上杉慎吉, die voorstander was van de theorie van het goddelijke recht van de keizer, de zogenaamde Tennō shinken setsu 天皇神権説. De stelling van Minobe strookte wonderwel met de idee van constitutionele democratie (minponshugi 民本主義) van Yoshino Sakuzō(1878-1933), die karakteristiek voor de periode van de Taishō-democratie genoemd mag worden. Een andere vooraanstaande figuur was Nakata Kaoru 中田薫, grondlegger van de Japanse rechtsgeschiedenis. De hoger vernoemde stelling dat de keizer een overheidsinstelling is, hield in dat de Staat beschouwd moest worden als een juridisch lichaam, dat de soevereiniteit bij de overheid lag en dat de keizer alleen maar de emanatie, het orgaan was van deze staatssoevereiniteit. In de jaren twintig was die visie overwegend en 'bon ton' in de 'denkende' kringen, maar bij de aanvang van de Shōwa-periode werd ze door militairen en rechtse nationalisten op de korrel genomen. Uiteindelijk leidden de polemieken tot een parlementair verbod op het verkondigen van deze theorie. De economische wetenschappen ondergingen grote invloed van het Duitse liberale denken. De belangrijkste econoom was Fukuda Tokuzō 福田徳三, die in Duitsland had gestudeerd bij Ludwig Joseph Brentano. Hij was professor aan het College voor Handelswetenschappen (de latere Hitotsubashi Universiteit) in Tōkyō. Onder invloed van de opkomende socialistische beweging raakte ook de marxistische economie ingeburgerd in academische kringen. Haar belangrijkste exponent was Kawakami Hajime 河上肇, vertaler van Das Kapital. Omwille van zijn politieke overtuiging zat hij tijdens de jaren dertig meestal in de gevangenis. In de historische wetenschappen genoten Shiratori Kurakichi 白鳥庫吉 en Naitō Torajirō 内藤虎次郎 grote bekendheid als kenners van de westerse en de wereldgeschiedenis. Maar ook de Japanse archeologie kende een grote bedrijvigheid. De belangrijkste oudheidkundige was Tsuda Sōkichi 津田左右吉 (1873-1961), die van 1920 tot 1940 aan de Waseda Universiteit doceerde. Hij publiceerde kritische studies over de aardrijkskunde en de geschiedenis van Mantsjoerije, over Chinees confucianisme en taoïsme en over de Japanse oudheid. In 1940 publiceerde hij een boek over de Kojiki en Nihonshoki, waarin hij de goddelijke afstamming van Japan van de hand wees. De overheid plaatste het boek op de index. We vermelden verder Nishida Naojirō 西田直二郎, hoogleraar aan de Keizerlijke Universiteit van Kyōto en grondlegger van de discipline cultuurgeschiedenis in Japan. Vermelding verdient ook Yanagita Kunio 柳田国男, de pionier van de folklorestudie en heemkunde in Japan.

Modernisering van de levenscultuur

Het dagelijks leven

In de Taishō-periode onderging het dagelijks leven een grote mate van modernisering en verwestering, niet meer alleen in de steden, maar in vrij grote mate ook op het platteland. Eerst en vooral op het gebied van kleding, haardracht, voeding, maar nadien volgden elektriciteit, gas, waterleiding, vanuit de steden naar de kleinere dorpen. Na de aardbeving onderging Tōkyō een grondige verandering door het oprichten van de eerste gebouwen in gewapend beton.

Vermaak voor de massa

Vrij snel kwam er een eigen filmindustrie van de grond en vanaf 1925 werden regelmatig radio-uitzendingen verzorgd. De muziek stond onder sterke Westerse invloed en vooral na de Eerste Wereldoorlog verzorgden vele artiesten een optreden in Japan. Elke moderne stad richtte een eigen symfonieorkest op. Ook sport als massavermaak werd erg populair, in de eerste plaats honkbal. In 1912 zond Japan voor het eerst atleten naar de Olympische Spelen in Stockholm. In 1915 werd gestart met een honkbaltoernooi voor de middelbare scholen, dat nu nog steeds erg populair is. Op andere terreinen bevorderde de gestage opgang van democratische gedachten de groei van een intelligentsia met een brede interesse. Het politiek mondiger worden van het volk zorgde op zijn beurt voor een opbloei van journalistiek en voor een zeer breed informatief aanbod.

Literatuur

De bloei van de uitgeverswereld en de journalistiek zorgde samen met de verbetering van het onderwijsniveau voor een sterke interesse bij het grote publiek voor de literatuur in de brede zin van het woord. In deze literatuur zaten tevens democratische of democratiserende en humanistische tendensen. In het naturalistische genre vermelden we Shimazaki Tōson 島崎藤村, die onder meer Shinsei 新生 ('Nieuwe leven') publiceerde, Tokuda Shūsei en de toneelschrijver Masamune Hakuchō. Daartegenover stonden idealistische schrijvers als Mori Ōgai 森鴎外, of de meer op het 'ik' gerichte auteur Natsume Sōseki 夏目漱石 met zijn beroemde roman Kokoro ('Gemoed'). Nagai Kafū en Tanizaki Jun'ichirō werden beschouwd als de voornaamste auteurs van de esthetiserende strekking.

De Shirakaba-school

Het medium waarin de vernieuwing van de Taishō-literatuur het best tot uitdrukking kwam, was het literaire tijdschrift Shirakaba 白樺 ('Zilverberk'), dat verscheen van 1910 tot 1923. Het was de spreekbuis van een generatie jonge schrijvers die idealisme en humanisme propageerden, tegen het naturalisme in. Zij probeerden in hun werk de tegenstellingen waarmee de nieuwe Japanse intellectueel werd geconfronteerd zo eerlijk mogelijk te illustreren, wat hun een grote herkenbaarheid gaf voor de Japanse maatschappij in de overgang. De belangrijkste schrijvers waren Mushanokōji Saneatsu 武者小路実篤 (1885-1976), Shiga Naoya 志賀直哉 (1883-1971) en Arishima Takeo 有島武郎 (1878-1923). Zij probeerden hun idealisme niet alleen in de literatuur te realiseren. Mushanokōji was ook actief bij het scheppen van nieuwe leefgemeenschappen, 'nieuwe dorpen' (atarashiki mura 新しき村), in de prefecturen Miyazaki en Saitama. Arishima die contact had gehad met de anarchist Kropotkin, zette zich in voor de emancipatie van de landbouwers.

De Shinshichō-stroming

Ongeveer gelijktijdig verscheen het tijdschrift Shinshichō 新思潮 ('Nieuwe gedachtenstromingen'), dat weliswaar minder populair was en aanvankelijk vrij onregelmatig verscheen tot 1916-1917, maar vanaf dan groeide het uit tot een vaste waarde. De twee stuwende figuren van dit tijdschrift waren Akutagawa Ryūnosuke (芥川龍之介 (1892-1927)) en Kikuchi Kan 菊池寛 (1888-1948), intellectuele stilisten die tevens een soort van neorealisme nastreefden. Akutagawa begon als leerling van Natsume Sōseki. Akutagawa was een groot twijfelaar, zowel wat zijn eigen kunnen betreft, als in verband met de richting die hij wilde uitgaan. Deze eigenschappen leidden tot een soort nihilisme dat hem naar zelfmoord dreef. Deze zelfmoord heeft hem, natuurlijk naast zijn literaire kwaliteiten, onsterfelijk gemaakt. Zijn zelfmoord werd sacrosanct verklaard als uiting van het ultieme gebaar van de mens van goede wil, intellectueel op drift geraakt in een doldraaiende wereld. Ter nagedachtenis van Akutagawa werd in 1935 de Akutagawa-literatuurprijs ingesteld door het tijdschrift Bungei shunjū文藝春秋.

Proletarische literatuur

Pioniers van de socialistische beweging, zoals Ōsugi Sakae 大杉栄, hadden een invloed op de proletarische literatuur, die wellicht haar hoogtepunt vond in het boek Umi ni ikuru hitobito 海に生くる人々 ('De mensen die op zee leven') van Hayama Yoshiki 葉山嘉樹 (1894-1945). De beweging gaf het ontstaan aan een hele rits tijdschriften, waarvan de voornaamste Tanemaku Hito 種蒔く人 ('De zaaier'; eerste nummer verscheen in 1921)en Bungei sensen 文芸戦線 ('Front der Kunsten'; eerste nummer in 1924) waren. In 1928 verenigde de twee belangrijkste strekkingen zich in de Zen-nihon musansha geijutsu renmei 全日末ウ産者芸術連('Japanse Landelijke Liga voor Proletarische Kunst', Nippona Artista Proleta Federacio, NAPF, afgekort ナップ). Hun orgaan wordt Senki 戦旗 ('Strijdvlag'). In dit blad publiceert Kobayashi Takiji 小林多喜二 (1903-1933) zijn 'Kani Kōsen' (蟹工船) en Tokunaga Sunao 徳永直 (1899-1958), een schrijvende arbeider, zijn Taiyō no nai machi 太陽のない街 ('De straat waar de zon nooit schijnt'), twee van de meest representatieve werken van de proletarische strekking. Het verhaal is gebaseerd op Tokunaga's eigen ervaringen tijdens een grootscheepse staking in een drukkerij te Tōkyō in 1926, en de ontslagen die erop volgden. De roman werd goed ontvangen in de literaire wereld en nog voor het feuilleton afliep verscheen het werk in 1929 al in boekvorm. Het boek werd in 1954 verfilmd door Yamamoto Satsuo 山本薩夫. Kobayashi werd in 1933 door een infiltrant van de geheime politie, die zich als partijlid van de verboden communistische partij uitgaf, in de val gelokt en gearresteerd wegens zijn subversieve activiteiten. De dag na de arrestratie bezweek hij in de gevangenis aan de folteringen van de politie. Zijn tragische dood maakte van hem een martelaar, maar zond ook een schokgolf in kringen van de proletarische schrijvers en de ondergrondse communistische partij. Velen waren bang dat hun hetzelfde lot beschoren was en spraken zich uit voor tenkō転向, hetgeen letterlijk betekent:"tot inkeer komen". Het slaat op het openlijk afstand doen van de communistische of anti-fascistische ideologie. De meest opvallende voorbeelden hiervan waren Sano Manabu 佐野学 en Nabeyama Sadachika 鍋山貞親, de twee leiders van de communistische partij, die in 1933 vanuit de gevangenis een verklaring de wereld instuurden dat zij het communisme afzwoeren. Ook Tokunaga bezweek na de dood van Kobayashi in zekere mate voor tenkō. Hij liet in 1937 de verkoop van Taiyō no nai machi stopzetten omdat het te gevaarlijk werd. Zo kon hij aan het verbod op schrijven, dat aan vele andere proletarische schrijvers opgelegd was, ontkomen. Hij bleef echter schrijven over het lot van de arbeider, maar weerhield zich van openlijke kritiek op de overheid en het regime. Zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog gepubliceerde Hikari o kakaguru hitobito 光をかかぐる人々 ('Zij die het licht dragen') is een van humanistisme doordrongen relaas van de typografie in Japan en zo indirect een aanklacht van oorlog en militarisme.

Literatuur voor het brede publiek

Met de popularisering van lectuur als tijdverblijf namen vervolgverhalen, feuilletons en romanreeksen een hoge vlucht. Zowel beroemde schrijvers als mindere goden probeerden aan de grote vraag te voldoen. Een van de reuzen van het genre was Nakazato Kaizan 中里介山, die in de Miyako shinbun都新聞 ('Hoofdstedelijke krant') een ontzettend langlopend vervolgverhaal Daibutsu tōge大仏峠 ('De pas van de Grote Boeddha') had lopen, een verhaal gebaseerd op boeddhistische ideeën. Een andere schrijver werd vooral beroemd om zijn historische evocaties. Miyamoto Musashi宮本武蔵 van Yoshikawa Eiji 吉川英治 behoort nog steeds tot de populaire lectuur en er werden tv- en dramabewerkingen van gemaakt.

Poëzie

Sinds het einde van de Meiji-periode kende de neoromantiek een grote bloei. De bekendste dichters waren Kitahara Hakushū 北原白秋, Kinoshita Mokutarō 木下杢太郎 en Miki Rofū 三木露風. Hierop volgde een idealistische stroming met als voornaamste figuren Senke Motomaro 干家元麿 en Murō Saisei 室生犀星. In de tweede helft van de Taishō-periode trokken de esthetische dichters Takamura Kōtarō 高村 光太郎 en Hagiwara Sakutarō 萩原朔太郎 de aandacht. In waka, de traditionele dichtkunst, bleef de groep rond het tijdschrift Araragi de voornaamste plaats bekleden met onder meer Saitō Mokichi 斎藤茂吉 (1882-1953) en Shimaki Akahiko 島木赤彦 (1876-1926). Deze laatste was voorstander van realisme.

Beeldende kunsten en theater

De Westerse schilderkunst had reeds vroeg in de Meiji-periode zijn adepten gevonden, maar in de Taishō-periode werden de traditionele stijlen opnieuw naar waarde geschat dank zij de beweging tot herwaardering van de Japanse kunst. In beide stijlrichtingen valt vooral de reactie tegen het academisme op tijdens de Taishō-periode. Er was meer streven naar authenticiteit, originaliteit en frisheid. Vanaf de Meiji periode genoten de traditionele schilders als Yokoyama Taikan 横山大観 (1868-1958), Shimamura Kanzan 島村観山, Takeuchi Seihō 竹内栖鳳, 鏑木清方, faam, tijdens deze periode aangevuld met Hirafuku Hyakusui 平福百穂 (1877- 1933), ook bekend als waka-dichter, Kobayashi Kokei 小林古径 (1883-1957), Yasuda Yukihiko 安田靭彦 (1884-1978), Kawabata Ryūshi 川端竜子, Maeda Seison, enz. Yokoyama en Shimamura stapten aan het eind van de Meiji-periode uit de Bunten 文展 (=Monbushō tenrankai 文部省展覧会), het door het ministerie van onderwijs georganiseerde kunstsalon dat zij te conservatief vonden en stichtten de Academie voor Japanse Kunsten (Nihon bijutsuin 日本美術院, organisator van een alternatief salon, de Nihon bijutsuin tenrankai, kortweg Inten 院展. Zij pleitten voor het tolereren van evolutie binnen aloude Japanse stijlen. Hun invloed veroorzaakte een nieuwe oriëntatie binnen het Bunten, dat na reorganisatie de naam Teikoku bijutsuin 帝国美術院 kreeg. In het kader van de Bunten leefde vooral de Westerse manier van schilderen. De olieverfschilder Ishii Hakutei 石井柏亭 (1882-1958) vormde samen met Arishima Ikuma 有島生馬(1882-1974) de Nika-kai 二科会. Hierbij sloten zich Kishida Ryūsei 岸田劉生 (1891-1929), Yasui Sōtarō 安井曽太郎 (1888-1955) en Umehara Ryūzaburō 梅原龍三郎(1888- ) aan. Tot ver in de Shōwa-periode heeft deze Nika-kai een stuwende rol gespeeld bij het doorbreken van goede schilders. Binnen de Nika-kai ontstonden er afdelingen die een bepaald aspect van de picturale kunst als specialiteit gingen behartigen. Nu bestaan er afdelingen voor olieverf schilderen, beeldhouwen, commerciële kunsten, fotografie en kunstgeschiedenis. De beeldhouwkunst kende niet zo'n spectaculaire ontwikkeling als de schilderkunst. Te onthouden namen zijn Asakura Fumio, de lyrische Fujii Koyū die trouwens ook als dichter bekendheid genoot zoals de hierboven vermelde Takamura Kōtarō. In het kabuki werd eerst en vooral voortgeborduurd op de vernieuwingen van de Meiji-periode. Een van de bekendste acteurs was Nakamura Kichiemon 中村吉衛門 die zich vooral specialiseerde in historische drama's. In het moderne drama, Shingeki 新劇 genaamd, werd in 1913 door Yamamura Hōgetsu en de actrice Matsui Sumako de toneelgroep Geijutsu-za 芸術座 opgericht, die grote bekendheid verwierf door de opvoering van westerse stukken (Ibsen, Tolstoi, enz.). Na de dood van de stichters verliet Sanada Shōjirō het gezelschap en stichtte een nieuwe groep, Shin-kokugeki 新国劇 genoemd, die met volkse mantel- en degenspelen enorme populariteit verwierf bij de massa. Aan het andere uiterste van het nieuwe theaterspectrum zag men de oprichting van het Tsukiji Shōgekijō 築地小劇場 ("Het kleine theater van Tsukiji") in 1924 door de toneelschrijver en acteur Osanai Kaoru 小山内薫 die met zijn experimentele uitvoeringen en zijn vertalingen van Ibsen, Tchekow en Gorki grote successen kende. Omdat hij voornamelijk sociaal bewogen thema's, en dan nog wel van Russische schrijvers, op de planken bracht, werden zijn activiteiten door de overheid onderdrukt. In 1930 werd de groep ontbonden.

Bronnen

  • Vande Walle, Willy. Een Geschiedenis van Japan: Van Samurai tot Soft Power. Leuven: Uitgeverij Acco, 2007.

Japan en de Tweede Wereldoorlog

Inhoudelijk overzicht

Inhoudelijk overzicht hoofdstuk 6

Opkomst van het fascisme en het Mantsjoerije-incident

Leidraad

De factoren die Japan uiteindelijk op het oorlogspad voerden, waren de onmacht van de politieke partijen om een beleid te voeren dat het volk verlangde en de verregaande corruptie, die het gevolg was van de banden tussen politiek en grootkapitaal. Vooral dit laatste gegeven gaf de rechterzijde een gedroomd voorwendsel om haar eigen agenda door te drukken. In het bijzonder de militairen waren zeer actief en het volk liet zich meeslepen door de plannen voor staatsgrepen en moordaanslagen en, op buitenlands vlak, het Mantsjoerije-incident. Dit incident vormde het cruciale moment in het proces van verrechtsing, en leidde Japan op het pad van het militarisme. Het belang van het vaderland leek alles te rechtvaardigen: geweld, onderdrukking, annexatie etc. Vooral de lagere officieren vonden een geweldige motivatie in dat extreme patriottisme, en zij deinsden er niet voor terug om staatsgrepen als het 15 mei- en 26 februari-incident te plegen in de naam van het belang van het vaderland. De nogal theatrale reacties van de hogere militairen op deze incidenten droegen bij tot de invoering van een echte militaire dictatuur.

Het fascisme ontwaakt

Het Japanse fascisme was een trend waarin extreem nationalisme en militarisme hand in hand gingen. Het uitte zich in een hevige territoriale expansiedrang en op binnenlands vlak in een eenpartijstelsel, waaruit alle communistische en democratische invloeden brutaal geweerd werden. Gestimuleerd door de wereldcrisis dook het fascisme voornamelijk op in landen met weinig nationale rijkdom en grondstoffen, en vrijwel zonder kolonies. In dit opzicht vertoonde Japan heel wat gelijkenis met Duitsland en Italië.

Het crisisbeleid van de westerse mogendheden

Buiten de Sovjet-Unie had geen enkel land het gemakkelijk om een deugdelijk anti-crisisbeleid te voeren. Binnen de kapitalistische wereld tekenden zich twee tendensen af: het beleid gevolgd door de ontwikkelde landen en dat van de nog in ontwikkeling zijnde landen. De democratische president Franklin Delano Roosevelt van de Verenigde Staten ontwierp in samenwerking met een groep deskundige ambtenaren de 'New Deal', een programma van staatstussenkomst ter bestrijding van de crisis. Het omvatte nieuwe sociale wetgeving, grootscheepse openbare werken en een devaluatie van de Amerikaanse munt. Een van de meest opzienbarende projecten was de Tennessee Valley Act, die onder meer voorzag in de constructie van stuwdammen, de uitbouw van elektriciteitsvoorziening en steun aan de werklozen. Door de binnenlandse vraag te stimuleren, slaagde Roosevelt er uiteindelijk in de crisis het hoofd te bieden.

Engeland en Frankrijk streefden naar de vorming van een blokeconomie. Beide landen gingen met hun respectievelijke koloniën aparte economische sferen uitbouwen, die door middel van een protectionistisch beleid zoveel mogelijk buitenlandse producten weerden. Italië was arm aan grondstoffen en had als geallieerd land en mede-overwinnaar van de Eerste Wereldoorlog in verhouding weinig oorlogsschade uitbetaald gekregen. De grote openbare schuld zorgde voor een tijdelijke populariteit van de Communistische Partij. In 1921 stichtte Benito Mussolini de 'Strijdbonden', de fascistische partij (Partito Nazionale Fascista), die hem een jaar later reeds naar Rome bracht en door koning Victor Emmanuel III tot eerste minister liet benoemen.

In Duitsland stichtte Adolf Hitler de NSDAP (Nationaal Socialistische Duitse Arbeiderspartij/Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei, kortweg Nazipartij), die vooral populariteit verwierf door het aanklagen van de onrechtvaardigheid van het Verdrag van Versailles. Mede door de enorme inflatie tekende zich een ruk naar rechts af bij vele gewone mensen. Na een spectaculaire verkiezingscampagne, die met intimidatie door knokploegen gepaard ging, werd de NSDAP de sterkste partij in de Rijksdag.De regering Hitler liet in een volksstemming haar dictatuur legitimeren. Niet alleen de kleine burgers, maar zelfs vele arbeiders, die geen hoge pet ophadden van de praatzieke parlementairen, werden in Hitlers armen gedreven en kwamen onder de hypnose van uniformen, partijlegers, discipline en massameetings. Eens de partij aan de macht was, werd haar wil ook de wil van de staat: in alle sectoren besliste zij.

Terreur van de rechtervleugel

In Japan was de macht van de rechterzijde in de jaren twintig niet zo manifest. Terwijl de overheid een nogal sociaal georiënteerd beleid poogde te voeren, was de politieke rechterzijde vooral begaan met het communistische gevaar en naarmate de gevolgen van de wereldcrisis zich lieten voelen, wilde rechts eigen recepten toepassen om het nationale herstel op gang te brengen. Al vroeg werd de werkwijze van uiterst rechts duidelijk. In 1921 werd de stichter van de Yasuda-zaibatsu, Yasuda Zenjirō, vermoord. In 1930 werd de eerste minister Hamaguchi Osachi 浜口雄幸 levensgevaarlijk gewond omwille van zijn rol in de zogenaamde kwestie van het 'Prerogatief inzake het Militaire Opperbevel' (tōsuiken 統帥権), in februari van het jaar 1932 werd de voormalige minister van Financiën Inoue Junnosuke vermoord, en in maart van hetzelfde jaar was het de beurt aan de voorzitter van de raad van bestuur van Mitsui, Dan Takuma. Deze moorden kaderden in de reeks van zogeheten Ketsumeidan jiken 血盟団事件 (Bloedverbondincidenten). Het Bloedverbond was een ultranationalistische organisatie opgericht door Inoue Nisshō, die het plan had opgevat om alle reële machthebbers in Japan uit de weg te ruimen. Inoue werd na deze moorden berecht en tot levenslang veroordeeld, maar al in 1940 kwam hij vrij. Hamaguchi diende na de aanslag noodgedwongen af te treden - hij zou 6 maanden later overlijden - en voor de tweede maal vormde Wakatsuki Reijirō 若槻礼次郎 met de Minsei-tō een regering.

Intriges van de militairen

Vooral jonge legerofficieren waren verontwaardigd over de corruptie en het wanbeheer die zij in het bestuur van het land meenden waar te nemen. Zij stelden de politieke partijen en de zaibatsu daarvoor verantwoordelijk. Zij hadden nauw contact met de meestal van het platteland afkomstige gewone soldaten, van wie ze konden horen hoezeer de landbouwers te lijden hadden onder de economische crisis. Zij gingen op zoek naar oplossingen om het nationaal herstel te bespoedigen. Dit was de idealistische kant van de medaille, maar er zat ook een minder mooie kant aan vast. Er was immers een diepe kloof tussen de oudere, meer conservatieve officieren, en de grondig geïndoctrineerde en zichzelf opzwepende jongeren die snakten naar actie en promotie. Door hun oversten werden ze evenwel op beide terreinen gefrustreerd. Geleidelijk vond een radicalisering plaats en kwamen ze tot het besluit dat alleen uitzonderlijke en kordate acties de problemen zouden kunnen oplossen. In 1930 werd door een groep officieren uit de middenrangen de Vereniging van de Kersenbloesem (Sakura-kai 桜会) opgericht. Deze groep stelde het nationaal herstel als haar voornaamste prioriteit. In hetzelfde jaar begon de Zeemacht zich met de politieke besluitvorming te bemoeien, door de uitkomst van het Londen Naval Treaty en de handelwijze van de regering in dit verband, te hekelen als een inbreuk op het Prerogatief inzake het Militair Opperbevel. De extremistische groepjes beriepen zich op de fascistische ideologie van Kita Ikki 北一輝(1883-1937), zoals hij die had verwoord in Nihon kaizō hōan 日本改造法案, een voorstel dat hij in 1919 had voorgelegd aan de Geheime Raad. Vooral de Sakura-kai was zeer actief in haar pogingen om een militaire regering te installeren, met twee staatsgrepen als gevolg in maart (sangatsu jiken) en oktober (jūgatsu jiken) 1931.

Onder de leiding van luitenant-kolonel Hashimoto Kingorō 橋本五郎 werd in samenwerking met rechtse burgeractivisten zoals de ultranationalist Okawa Shūmei 大川周明(1886-1957)een staatsgreep gepleegd in maart 1931. De bedoeling was de opperbevelhebber van de Landmacht Ugaki Kazushige 宇垣一成 tot regeringsleider uit te roepen, maar omdat deze op het laatste ogenblik terugkrabbelde, mislukte de poging. Nadien vatte de Sakura-kai onder Hashimoto het plan op om eerste minister Wakatsuki en minister van Buitenlandse Zaken Shidehara uit de weg te ruimen en Araki Sadao 荒木貞夫(1877-1966), de opperbevelhebber van de Zeemacht, tot premier uit te roepen. Het leger zou dan Mantsjoerije moeten veroveren en op binnenlands vlak zou een grootscheepse ommezwaai van het bestuur doorgevoerd worden: de Shōwa-restauratie. Onder de samenzweerders ontstond er evenwel een dispuut omtrent de prioriteit van deze twee doelstellingen, waardoor de plannen gedeeltelijk uitlekten in september 1931. Overhaast werd besloten een binnenlandse staatsgreep uit te voeren, maar ook deze plannen lekten uit en de voornaamste kopstukken werden opgepakt. Ze kregen nochtans lichte straffen en hun proces had veel weg van een forum waarop zij hun gedachten konden uiteenzetten en de zuiverheid van hun motieven naar voren brengen. De lankmoedige houding van de rechters bleek voor de militairen naderhand veeleer een aanmoediging tot insubordinatie.

Achtergronden van het Mantsjoerije-incident

Het Mantsjoerije-incident

Op zich was deze door de Japanners Mantsjoerije-incident (Manshū-jiken 満州事件) genoemde gebeurtenis een louter militaire aangelegenheid. De militairen en de grote economische monopolies meenden de economische problemen te kunnen oplossen door het veroveren van gebied op het vasteland. De invasie betekende voor Japan wel het startsein van een vijftien jaar durende oorlog in een geest van alles of niets.

Na de Russisch-Japanse Oorlog had Japan het pachtgebied van Kantō 関東 (Chinees: Guāndōng, in het Westen vaak als Kwantung getranscribeerd), incluis Dàlián en Port Arthur, verworven, alsmede belangen in Zuid-Mantsjoerije, geconcentreerd rond de Zuid-Mantsjoerije Spoorweg. Na de val van het Chinese keizerrijk in 1911 verloor het centrale gezag in Běijīng de facto zeggenschap over Mantsjoerije, het oude stamland van de voormalige Mantsjoe-keizers. Een warlord, Zhāng Zuòlín (1873-1928) zwaaide er de plak. De Japanse regering nam hem in bescherming tegen de nationalisten van Chiang Kai-shek in de hoop zo de Japanse invloed in Mantsjoerije te kunnen versterken. In kringen van het Kantō-leger vond men hem echter niet gedwee genoeg. Op 4 juni 1928 blies een groepje Japanse militairen o.l.v. kolonel Kōmoto Daisaku Zhāngs privétrein op in een voorstad van Mukden. Zhāng Zuòlín werd door zijn zoon Zhāng Xuéliáng 张学良 (Japans: Chō Gakuryō) opgevolgd. Hij stond op goede voet met de nationalisten en hechtte in december 1928 zijn gebied aan dat van de nieuwe nationalistische regering in Nanking (Nánjīng 南京). Zo kwam China weer onder een en hetzelfde gezag te staan. Hij voerde een virulente anti-Japanse politiek en ijverde voor het volledige herstel van de Chinese nationale soevereiniteit. In juni 1931 arresteerden de Chinezen een Japanse spion, luitenant Nakamura Shintarō, en stelden hem zonder vorm van proces terecht. Dit werd een van de voorwendsels voor de militairen om tot actie over te gaan. In juli braken er in Wànbaőshān (Jap.: Manbōzan) ongeregeldheden uit tussen Chinese boeren en Koreaanse boeren, die zich daar als Japanse onderdanen waren komen vestigen. Ook dit zogenaamde Manbōzan-incident grepen de militairen aan om te wijzen om het gevaar dat de Japanse belangen liepen. Het Kantō-leger, dat al in Mantsjoerije aanwezig was, oordeelde de tijd rijp voor actie. Samen met officieren van de Landmacht en met een divisie die in Korea gestationeerd was, werd een plan voor een Blitzkrieg uitgewerkt. Een snelle bezetting van Mantsjoerije zou de binnenlandse politiek en economie in Japan verse zuurstof geven.

In de nacht van 18 september 1931 blaast een Japans commando de spoorweg op bij Liŭtiáohú (Jap.: Ryūjōko), een plaats in de buurt van Mukden (Chin.: Fèngtiān 奉天, Jap.: Hōten; huidige Shěnyáng 瀋陽). De Japanse legerleiding schuift de schuld voor dit Liŭtiáohú-incident (Ryūjōkojiken 柳条湖事件) in de schoenen van de Chinezen, bestookt de troepen van Zhāng Xuéliáng en neemt de volgende dag Mukden in. In vijf maanden tijd zal het Kantō-leger heel Mantsjoerije bezetten. De snelheid en coördinatie waarmee de bezetting plaatsvond, bewezen dat ze vooraf gepland was. Deze onverklaarde, informele oorlog noemt men het Mantsjoerije-incident. Er komt officieel een einde aan dit incident op 31 mei 1933, datum waarop het wapenbestand van Tánggū (Tankū teisen kyōtei) wordt gesloten. Het is pas na de oorlog dat het Japanse publiek te weten zal komen dat het opblazen van de spoorlijn het werk was van een groepje Japanse militairen. In 1956 deed Hanaya Tadashi 花谷正, lid van de staf van het Kantō-leger ten tijde van de sabotage, alles uit de doeken in een interview met de redactie van een Japans tijdschrift. Hoe hard de regering-Wakatsuki ook probeerde verdere escalatie te vermijden, het Kantō-leger handelde voortaan op eigen houtje en ging over tot de verdere bezetting van Mantsjoerije. In een half jaar tijd had het alle belangrijke steden in het gebied in handen. Hoewel er geen formele oorlogsverklaring aan voorafging, luidde dit het begin in van een conflict tussen China en Japan dat vijftien jaar zou aanslepen.

Het Shanghai-incident

Eind 1931 kwam de regering ten val omdat ze de escalatie niet kon vermijden en de Chinese overheid niet kon overhalen tot onderhandelingen. Het Japanse publiek was onder de indruk van de door de militairen geboekte successen, die de nationale trots streelden. Inukai Tsuyoshi 犬養毅(1855-1932) vormde een nieuw Rikken Seiyū-kai-kabinet. Al stond deze partij wel expansief beleid voor, toch was Inukai persoonlijk gekant tegen het eigengereide optreden van de militairen en hij eiste meer discipline. Op economisch vlak probeerde hij de Japanse markt aansluiting te doen vinden met de internationale trends door de goudexport weer vrij te maken. De grote banken hadden dit voorzien en konden grote winsten realiseren door speculaties, wat alweer stof tot agitatie gaf aan de militairen. Zij klaagden de politieke en financiële corruptie aan en vonden gehoor bij het grote publiek.

Inmiddels had China Japans wederrechtelijke inmenging in Mantsjoerije aangeklaagd bij de Volkenbond. Japan voerde aan dat het zijn troepen terugtrok naar het zuiden en de Volkenbond reageerde bijzonder lauw. Pas na hevige Japanse bombardementen te Jǐnzhōu 錦州, keurde de Volkenbond met klem het Japanse optreden af. De Japanse handelwijze in Mantsjoerije verhevigde uiteraard de anti-Japanse gevoelens in China. Verschillende ondergrondse verzetsbewegingen gingen over tot actie. De vijandelijkheden escaleerden snel tot een oorlog in regel. In 1932 vond het eerste Shànghăi-incident (Shanhai jiken 上海事件) plaats. Ten gevolge van de Japanse invasie van Mantsjoerije waren anti-Japanse demonstraties (Hai-Nichi undō 排日運動) er dagelijkse kost. Een boycot van Japanse producten en botsingen tussen Chinese en Japanse inwoners van Shanghai veroorzaakten in januari 1932 een gewapend treffen tussen drie Japanse legerdivisies, gesteund door 3.000 Japanse mariniers, en het negentiende Chinese leger. Door de tussenkomst van de westerse mogendheden sloten de twee partijen op 5 mei een bestand. Eerst trokken de Chinezen zich terug en vervolgens de Japanse troepen, maar de spanning bleef. In juli bezette het Japanse leger de provincie Liáoníng, die in maart 1933 volledig werd geannexeerd. Van daaruit trokken de troepen zuidwaarts over de Grote Muur en bedreigden zij Běijīng en Héběi.

De rol van de media

In de ochtend van 19 september 1931 wordt de ochtendgymnastiek op de Japanse radio onderbroken om in een speciale mededeling het nieuws van het Liŭtiáohú-incident om te roepen. Het is de eerste keer in de geschiedenis dat de Japanse radio voor dit soort directe verslaggeving gebruikt wordt. Een nieuw tijdperk was aangebroken, en het zou niet lang duren voor ook de militairen ingezien hadden welke rol de radio kon spelen om de publieke opinie voor hun onderneming op het vasteland te winnen. Het wordt een van de fundamentele opdrachten van de radio om de bevolking te informeren over de toestand in Mantsjoerije en Mongolië, de 'levenslijn van Japan', zoals het heette. De luisteraar kon ook taallessen in het Manchu en het Chinees op de radio volgend. Hooggeplaatste militairen maakten vaak in gelegenheidsprogramma's hun opwachting. Rechtstreekse verslaggeving over de afvaart van een expeditiecorps, een religieuze plechtigheid van patriottistische inslag, een leger- of marine-oefening vormde een geregeld ingrediënt. De eerste keer dat de Japanse radio een rechtstreekse verslaggeving realiseerde, was in augustus 1927, toen hij het landelijke honkbaltornooi voor hoge middelbare scholieren uitzond. Het werd een groot succes, en vanaf dat moment konden de Japanners alle grote sportevenementen rechtstreeks op de radio volgen. Toen drie geniesoldaten tijdens het Shànghăi-incident het leven lieten toen ze de prikkeldraadomheining rond het vijandelijke kamp wilden opblazen, maakten de media zich prompt meester van deze zelfmoordactie als een voorbeeld van heldenmoed. In liederen, krantenartikels, toneelspelen en speelfilms werd de offervaardigheid van deze 'menselijke bommen' geprezen, en de radio zond de talrijke podiumopvoeringen uit die aan het thema gewijd waren. Volgens een meer nuchtere (latere) versie werd een van de drie in feite neergeschoten en vielen de andere twee, doordat ze niet tijdig wegkwamen voor de springstof ontplofte.

De marionettenstaat Mănzhōuguó

China protesteerde tegen het Japanse optreden bij de Volkenbond. Deze zond een commissie onder de leiding van de Brit Victor Alexander Lytton naar Japan en China. Het Kantō-leger, dat Mantsjoerije bezet had, hielp in maart 1932 de afgezette laatste Manchu-keizer van China Pŭyí 溥儀 (Japans: Fugi) uit Běijīng ontsnappen en maakte hem staatshoofd van een nieuw land : Mănzhōuguó (Manshūkoku 満州国), eerst als regent, vervolgens als keizer. Deze staat zag het levenslicht op 1 maart 1932, toevallig daags na de aankomst van de Lytton-commissie in Japan. Het territorium omvatte de zogenaamde drie noordoostelijke provincies van de Chinese republiek en de provincie Jehol. De staat werd voorgesteld als een multinationale staat, waarin vijf etnieën - de Chinese, de Mantsjoerijse, de Mongoolse, de Japanse en de Koreaanse - vreedzaam zouden samenleven. In september 1932 erkende Japan Mănzhōuguó als onafhankelijke staat, maar in feite had het Kantō-leger de touwtjes in handen. De Lytton-commissie, die van april tot mei 1932 in Mantsjoerije verbleven had, bracht in diezelfde septembermaand een vernietigend rapport uit over de inmenging van het Kantō-leger. In februari 1933 eiste de Volkenbond met 42 stemmen tegen 1 (die van Japan) de terugtrekking van de Japanse troepen uit Mantsjoerije en het ongedaan maken van de Japanse constructie Mănzhōuguó. Japan reageerde door bij monde van zijn ambassadeur bij de Volkenbond Matsuoka Yōsuke 松岡洋右(1880-1946) zijn lidmaatschap bij de Volkenbond op te zeggen. Internationaal kwam het land zo in een geïsoleerde positie te staan. Het stapte uit de internationale orde die uit de Conferentie van Versailles gegroeid was. Italië en Duitsland zagen hoe machteloos de Volkenbond was en gingen ook hun eigen weg.

De constructie Mănzhōuguó had grote gevolgen voor de positie van Japan in Oost-Azië en zijn economische rol in de wereld. De marionettenstaat stond de facto onder de controle van de opperbevelhebber van het Kantō-leger, die tevens de ambassadeur van Japan was. Op papier stond deze onafhankelijke staat los van elke burgerlijk bestuur in Japan. In feite werd het een enorm 'laboratorium', waar de Japanse militairen ongehinderd hun recepten voor planeconomie in de praktijk konden brengen. Na 1931 werd alles in het werk gesteld om Mantsjoerije economisch zelfbedruipend te maken met alle industriële mogelijkheden die het Japanse leger nodig kon hebben. Mantsjoerije was uiteindelijk geen wingewest, maar de zaibatsu investeerden er biljoenen in, die dus niet in Japan zelf werden besteed. Op menig gebied was Mănzhōuguó wel een bewijs van het Japanse organisatietalent. Op korte tijd werd het stadje Xīnjīng (Japans: Shinkyō) uitgebouwd tot een qua infrastructuur goed uitgeruste hoofdstad met zo'n 300.000 inwoners. In minder dan tien jaar tijd legden de Japanners er bijna 3.000 kilometer spoorwegen aan, luchthavens, dammen, hydro-elektrische centrales aan de Yalu-rivier, en zelfs een nieuwe haven aan de kust van de Japanse Zee in Korea, fungerend als draaischijf voor het vervoer tussen Japan, Korea en Mănzhōuguó. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was Mănzhōuguó het meest geïndustrialiseerde land op het Aziatische continent. Met Korea en Japan, dat enorme sociale offers bracht voor deze uitbouw, vormde het één enorm militair-industrieel complex.

Het politieke effect van de gebeurtenissen in 1931 was dat de militairen en het grootkapitaal voortaan het besluitvormingsproces domineerden. Op hun wijze droegen ze bij tot een heropstanding uit de depressie. De noodmaatregelen van de overheid werden bekroond met een spectaculair economisch herstel.

Naast de investeringen in Mantsjoerije vond er een agressief handelsoffensief plaats op wereldschaal, dat de Japanse export tussen 1931 en 1936 verdubbelde. Ondanks de scherpe concurrentie van Engeland, Duitsland en de Verenigde Staten werd Japan de eerste grootmacht die de crisis te boven kwam. Het Westen klaagde op ethische gronden de middelen aan die Japan daarvoor gebruikte: abnormaal lage lonen, malafide handelspraktijken, minderwaardige producten. De fundamentele oorzaak van het herstel ligt echter evenzeer in Japans vermogen nationale inspanningen te leveren en in de waardedaling van de yen door het liberaliseren van de goudexport. Dit maakte de Japanse producten goedkoop en concurrentieel.

De industriële controlewet van 1931 liet de overheid toe te rationaliseren, kartelvorming te bevorderen, verspilling uit te schakelen en de buitenlandse concurrentiepositie planmatig te verstevigen. Vele kleine en middelgrote ondernemingen werden opgeofferd en de levensstandaard bleef zeer laag. De Japanse consument voelde weinig van de economische bloei. Integendeel, de overheid kon de crisis in Mantsjoerije gebruiken om solidariteit met 'onze jongens aan het front' te prediken. Hard werken, soberheid en patriottisme waren de leuzen van de dag, al impliceerden ze wel de belofte van welvaart later.

Eenheid 731

Eenheid 731 was gevestigd in een 610 hectaren groot omheind domein ongeveer twintig kilometer ten zuidoosten van de stad Harbin (Chinees: Hā'ěrbīn 哈爾濱) in Mantsjoerije. Dissidenten of anderzijds als vijandig beschouwde individuen werden hiernaartoe gestuurd en opgesloten. Aan de buitenwereld werd deze inrichting voorgesteld als een houtzagerij, maar in feite werden talloze, vaak zinloze, medische experimenten op de gevangenen uitgevoerd. Men deed er ook onderzoek naar epidemieën, met het oog op het ontwikkelen van biologische en bacteriologische wapens.Hoofd van de afdeling was de beruchte Ishii Shiroō 石井 四郎 (1892-1959). Hij was als arts afgestudeerd aan de Keizerlijke Universiteit van Kyōto en was gespecialiseerd in bacteriologie en bacteriologische wapens. Hij wist het vertrouwen van de legerleiding te winnen en werd in 1932 naar Mantsjoerije gestuurd om er de geheime Eenheid 731 uit te bouwen. Na de oorlog zijn Ishii en zijn medewerkers door het Proces van Tōkyō weliswaar in verdenking gesteld, maar uiteindelijk niet in staat van beschuldiging gesteld. Zij kregen naar verluidt immuniteit in ruil voor het doorgeven van hun onderzoeksresultaten aan het Amerikaanse leger, hoewel deze verklaring niet iedereen overtuigt. Bovendien is het nog maar de vraag hoeveel 'bruikbare' know-how hun twijfelachtige experimenten opgeleverd kunnen hebben.

Verdere opgang van het militarisme en de militairen

Het 15 mei-incident (Go ichigojiken 五一五事件)

De regering-Inukai had bakzeil gehaald voor de militairen na de invasie in Mantsjoerije en voerde zelfs een inflatoir beleid om de militairen ter wille te zijn. Hierdoor wonnen rechtse groeperingen aanzien en er doken extremisten op die het proces nog wilden versnellen door aanslagen uit te voeren op aarzelende politici en financiële 'baronnen'. Op 15 mei 1932 bestormden jonge officieren van de Zeemacht in actieve dienst, samen met extremisten van een fanatiek nationalistisch genootschap, de Aikyōjuku, de ambtswoning van premier Inukai, en doodden hem. Dit incident betekende:

  1. het einde van de rol van politieke partijen in de besluitvorming;
  2. het begin van het opeisen van het grootkapitaal om bij te dragen tot het 'zinvol produceren', dit wil zeggen het investeren in het militair-industrieel apparaat;
  3. een beleid van organisatie en steunverlening aan de landbouw.

Kortom, het was de aanvang van de militaire dictatuur. In feite werd er een beleid gevoerd dat vele parallellen vertoonde met nazi-Duitsland. Ook in Japan werd dit beleid toegejuicht door de grote massa. Dit blijkt uit het feit dat in juli 1932 de hoger genoemde Shakai Minshū-tō 社会民衆党 fusioneerde met de Zenkoku Rōnō Taishū-tō 全国労農大衆党 om de nationaalsocialistische partij Shakai Taishū-tō 社会大衆党 te vormen, die nauw samenwerkte met de militairen.

Tegenstellingen binnen het opperbevel

Dankzij hun successen in Mantsjoerije was de invloed van de militairen op het thuisfront sterk toegenomen, en dit gaf aanleiding tot interne spanningen in het opperbevel. De uiteindelijke doelstellingen van de militairen waren dezelfde, maar zij verschilden van mening over methodes en prioriteiten.

Er liep een ideologische scheidslijn door het officierenkorps. De voornaamste strekking was die van de 'Keizerlijke Weg' (Kōdō-ha 皇道派), 'idealisten' die hoog opliepen met de spirituele kracht van het keizerlijke leger. Ze hadden de moord op Zhāng Zuòlín en het Mantsjoerije-incident gesteund. Daarnaast was er de 'moderniserende', meer pragmatische strekking, die zeker niet vies was van militaire expansie, maar toch in de eerste plaats een betere materiële uitrusting nastreefde, rekening houdend met het militair potentieel van de Sovjet-Unie. Later werd deze groep 'De Disciplinairen' (Tōsei-ha 統制派) genoemd. De groep was voorstander van strenge discipline en leverde strijd met de factie van 'de Keizerlijke Weg' om de totale controle over het leger. De groep distantieerde zich ook van de jongere officieren die een vaak aan insubordinatie grenzende 'directe actie' voorstonden. Het leger had daarnaast ook af te rekenen met de traditionele tegenstellingen tussen Landmacht en Zeemacht en met de generatiekloof tussen jongeren en ouderen.

In de jaren 1930-1934 oefende vooral de Keizerlijke Weg een grote invloed uit op het kabinet-Inukai en op dat van Saitō Makoto 斎藤実, een Zeemacht-generaal die een soort kabinet van nationale eenheid leidde. De grote leider van de Keizerlijke Weg was de generaal van de Landmacht Araki Sadao 荒木貞夫, die later zelfs nog minister van Onderwijs zou worden. Op de processen van Tōkyō werd hij als oorlogsmisdadiger berecht en kreeg hij levenslang.Na 1934 heerste er een scherpe tweestrijd met de 'moderniserende, disciplinaire' factie, toen de Minister van de Landmacht Hayashi Senjūrō 林銑十郎 in het kabinet van Okada Keisuke 岡田啓介 alles in het werk stelde om de invloed van de Keizerlijken te neutraliseren.

Het 26 februari-incident (Ni-niroku jiken 二二六事件)

Jonge officieren die de 'Keizerlijke Weg' genegen waren, vonden de discipline die van hen geëist werd ondraaglijk en besloten een staatsgreep te plegen. Samen met 1.400 cadetten van de Eerste Divisie die in Tōkyō gekazerneerd waren, probeerden ze alle regeringsleiders wier beleid ze afkeurden uit de weg te ruimen. Ze doodden de minister van Financiën Takahashi Korekiyo 高橋是清, de minister van Binnenlandse Zaken Saitō Makoto 斎藤実, en de hoofdadviseur voor het onderwijsbeleid Watanabe Jōtarō 渡辺錠太郎. Zeemacht-admiraal Suzuki Kantarō 鈴木貫太郎, tevens Groot-Kamenier van de keizer werd slechts gewond, terwijl Saionji Kinmochi 西園寺公望 en premier Okada Keisuke 岡田啓介 aan de dood ontsnapten, deze laatste dankzij de treffende gelijkenis met zijn schoonbroer die in zijn plaats werd vermoord. Dit incident vormde de grootste bedreiging die het politieke regime sinds de Satsuma-rebellie moest trotseren. De 'disciplinairen' traden streng op en eisten, met de steun van de keizer, maar ook van het opperbevel van Land- en Zeemacht, strenge straffen. De tucht werd geheel hersteld en relletjes bleven voortaan uit.

De opstandige militairen hadden echter hun doel bereikt. De belangrijkste politieke tegenstanders waren uitgeschakeld en het leger werd beschouwd als de redder van het burgerlijk bestuur. De legerleiding kreeg nu de totale controle over het regeringsbeleid, zowel binnenlands als buitenlands. Een deel van de Landmacht had geaarzeld om partij te kiezen, maar uiteindelijk werd unaniem beslist de muiterij neer te slaan. De leiders van de muitende troepen pleegden zelfmoord of werden tot de doodstraf veroordeeld. Onder hen bevond zich de rechtse ideoloog Kita Ikki 北一輝.

Na het neerslaan van de muiterij verkondigden de militairen dat ze nu eindelijk een totale zuivering binnen hun rangen hadden doorgevoerd (shukugun 粛軍). De factiestrijd binnen het leger was inderdaad beslecht, maar nu kon de legerleiding al haar aandacht richten op het versterken van haar positie in alle geledingen van het bestuur. Er kwam een militair kabinet onder leiding van Hirota Kōki 広田弘毅, die alles in het werk stelde om zoveel mogelijk militairen in de administratie op te nemen. Ook werd de regel dat alleen officieren in actieve dienst tot minister van Oorlog konden worden benoemd weer ingevoerd, een praktijk die uit het begin van de Taishō-periode dateerde. Het gevoerde beleid kreeg uitgesproken militaire trekjes, men maakte zich klaar voor een oorlog. Grote budgetten werden naar het leger versast om het land te kunnen verdedigen. Onder het motto Shosei Isshin 庶政一新 ('vernieuwing van volk en regering'), werd de politieke invloed van het leger haast geïnstitutionaliseerd. In augustus 1936 aanvaardde het kabinet de expansie naar het zuiden als fundament van zijn beleid.

De situatie in Europa

Rusland had zich in de Oktoberrevolutie van 1917 van zijn monarchie en maatschappelijk systeem ontdaan en was nu de Sovjet-Unie, die in de jaren dertig door de Volkenbond als volwaardig lid erkend werd. De Italiaanse dictator Mussolini viel in 1933 Ethiopië binnen en annexeerde het in 1936. Hitler-Duitsland volgde het Japanse voorbeeld en stapte uit de Volkenbond. Het verkondigde de nietigverklaring van het Verdrag van Versailles en zette het licht op groen voor een grootscheepse herbewapening.

De Chinees-Japanse oorlog en de Tweede Wereldoorlog in de Stille Oceaan

Sinds de inval in Mantsjoerije was de bedoeling van Japan duidelijk: verdere expansie op Chinees grondgebied. Het gevolg was oorlog. Tegen de verwachtingen van het militaire opperbevel in bleven de gevechten duren en het werd een uitzichtloos duel dat tot enorme opofferingen leidde. Op binnenlands vlak voerde de overheid een repressief fascistisch beleid en op buitenlands vlak ging het land een alliantie aan met Duitsland en Italië. Door het afkondigen van de nationale mobilisatie, het in het leven roepen van de 'vereniging voor steun aan het keizerlijke bestuur' en het afschaffen van de politieke partijen ging Japan over tot een eenpartijdictatuur. Door zich te verbinden met het grootkapitaal breidde de dictatuur haar macht ook op economisch terrein uit. Op ideologisch vlak bestreed het fascisme ongenadig de linkse oppositie en de democratischgezinde partijen. Na het uitbreken van de totale oorlog in de Stille Oceaan werden al deze tendensen nog versterkt. Uiteindelijk moest het grondstofarme Japan het onderspit delven tegen de materieel veel sterkere Verenigde Staten en hun geallieerden.

Oorzaken van de Tweede Sino-Japanse Oorlog

Invasie in Noord-China

Na de inval in Mantsjoerije was het Kantō-leger doorgestoten naar Jehol (Rèhé 熱河). Sabotagedaden in Tiānjīn begeleidden het langzame oprukken naar Běijīng. In mei 1933 werd een tijdelijke wapenstilstand afgesloten te Tánggū (Tankū teisen kyōtei 塘浩停戦協定), dat een gedemilitariseerde zone ten zuiden van Mantsjoerije afbakende. De luwte was van korte duur, want toen in 1935 Engeland tegen Japans zin in China hielp bij monetaire hervormingen, lanceerden de Japanse troepen een nieuw offensief in Noord-China. Zij slaagden erin hun invloed uit te breiden over de provincies Héběi 河北, Shāndōng 山東, Shānxī 山西, Cháhār 察哈爾 en Sinen (Xīng'ān 興安). Ze steunden ook zogenaamde onafhankelijkheidsbewegingen. De enige bedoeling van deze militaire plannen was incidenten uit te lokken die verdere expansie zouden rechtvaardigen. Een van de problemen was de smokkel tussen China en door Japan gecontroleerde 'vrije' zones, waar Japan hoge invoerrechten hief. Een ander probleem dat bij de Chinezen veel wrevel wekte, was het voortdurend uitbreiden van de Japanse militaire aanwezigheid in deze gebieden, om Japanse residenten te beschermen. De provocerende aanwezigheid lokte aanslagen en onlustgevoelens uit.

Het eerste kabinet-Konoe (1937-1939)

Na het verlaten van de Volkenbond verwierp Japan in 1934 het Washington Naval Treaty van 1922 en het London Naval Treaty van 1930 en verliet het in 1936 voortijdig de Conferentie van Londen. Dit waren symptomen van de toenemende invloed der militairen. Na het 26 februari-incident haalde het kabinet-Hirota de banden met Italië en Duitsland, de zogeheten As Rome-Berlijn, nauwer aan. In december 1936 werd het Anti-Comintern Pact gesloten tussen Japan en Duitsland (Nichi-Doku bōkyō kyōtei 日独防共協定) en in 1937 tussen Japan, Duitsland en Italië (Nichi-Doku-I sangoku bōkyō kyōtei 日独伊三国防共協定). De politieke rechtvaardiging van het pact luidde dat het diende om een front te vormen tegen de Sovjet-Unie en het internationale communisme. In feite verbeterde het de samenwerking tussen de fascistische landen. In 1937 kwam Hirota ten val toen zijn minister van Oorlog Terauchi Hisakazu te ostentatief de wil van parlement en partijen negeerde en zo de wrevel van de publieke opinie opwekte. De facto hadden de militairen het al voor het zeggen, maar voor de vorm diende toch nog een zekere schijn hooggehouden te worden. De politieke partijen wonnen nog steeds de verkiezingen en werden bij de kabinetsformaties betrokken. Vijf maanden na de invasie in Mantsjoerije bezetten de twee traditionele partijen nog 447 van de 466 zetels in het Lagerhuis, een week voor het 26 februari-incident 379, en in april 1937 nog 354 zetels. De verkiezingen van 1936 waren zelfs gewonnen door de Minsei-tō met de slogan: "Wat wordt het: parlementair regime of fascisme?" De nationaalsocialistische Shakai Taishū-tō deed het veel minder goed: 18 zetels in 1936 en 37 in 1937.

De duidelijke keuze van de bevolking vond geen vertaling in politieke zeggenschap. De publieke opinie was verguld met de militaire successen in China en nam graag de economisch-sociale stabiliteit die de militairen hun bezorgden erbij. De militaire successen waren er gekomen tegen de adviezen van de democratische en internationalistisch gerichte partijen in en ze zorgden voor een compromitterende toenadering tussen politieke partijen en leger. Zo werden de militaire activiteiten gelegitimeerd en brokkelde de integriteit van de partijen af.

Na Hirota trachtten de politieke partijen invloed te herwinnen door generaal Ugaki Kazushige 宇垣一成, een 'duif', als premier voor te stellen, maar de militairen weigerden kordaat. Ugaki had zich 'verbrand' door tijdens de jaren twintig het leger vier divisies te doen inleveren. Hayashi Senjurō werd eerste minister en nam tegen alle verkiezingsuitslagen in geen enkele burger op in zijn regering. Vier maanden later leed hij een grote verkiezingsnederlaag. De laatste nog levende genrō, Saionji, probeerde de stuurloosheid te overwinnen door nog eenmaal een 'transcendentale' regering van nationale eenheid te vormen. Hij koos als eerste minister prins Konoe Fumimaro 近衛文麿(1891-1945), telg van de oude Fujiwara-clan. Deze bleek een zwak figuur en een grote opportunist te zijn, die de militairen steunde. In stilte was hij voorstander van expansie in China. Hij richtte in 1937 het Planbureau van het Kabinet (Kikakuin) op, waarin vooral militairen benoemd werden. Zij usurpeerden de mechanismen van de budgetvorming voor het ministerie van Financiën, waardoor de militairen de controle over de bestuursmiddelen van het burgerlijk bestuur in handen kregen. Saionji zag zijn beschermeling met lede ogen aan het werk en riep een raad van oude staatslieden in het leven waarin vooral gematigde admiraals en generaals zaten, die het land weer gezond verstand moesten bijbrengen. Saionji stierf op 24 november 1940, maar toen hadden de militairen reeds alle macht naar zich toegetrokken.

De Tweede Sino-Japanse Oorlog breekt uit

Het Japanse leger hield regelmatig oefeningen dichtbij de Chinese grens. In de nacht van 7 juli 1937 werden er enkele schoten uitgewisseld tussen Chinese en Japanse troepen in de buurt van de Marco Polobrug in de zuidelijke buitenwijken van Běijīng: het beruchte Marco Polobrugincident (Rokōkyō jiken 蘆溝橋事件). De ware toedracht raakte nooit bekend, maar vermoed wordt dat er provocatie van Japanse zijde in het spel was. De Japanse regering verklaarde dat ze niet van plan was de vijandelijkheden te laten escaleren, maar stuurde wel troepenversterkingen uit Korea en Mantsjoerije. Eind juli werden Běijīng en Tiānjīn bezet. In Shanghai werd een Japans officier vermoord, wat de aanleiding werd voor een nieuwe botsing tussen het Chinese en het Japanse leger. Dit leverde het formele excuus om tot oorlog te besluiten. In december 1937 werd Nánjīng, zetel van de regering van de Chinese republiek, belegerd en ingenomen. De val van Nánjīng gaat gepaard met een brutale doding van Chinese soldaten en burgers zonder onderscheid, een gebeurtenis die de geschiedenis is ingegaan als de 'slachting van Nánjīng'. De Chinese legerleiding was gevlucht voor de komst van de Japanse troepen en de Chinese soldaten zaten in de stad gevangen als ratten in de val zonder leiding die zich formeel kon overgeven. Omdat zij zicht niet formeel overgaf, werd Nánjīng als een vijandelijke stad ingenomen. Chinese soldaten die krijgsgevangen genomen werden, werden ontwapend en neergeschoten. Ook soldaten die hun uniform afgeworpen hadden en zich van hun wapens ontdaan hadden, werden gevangen en gedood. Erger nog, omdat de scheidingslijn tussen burger en soldaat nauwelijks te trekken was, werd iedereen ervan verdacht een vermomde soldaat te zijn en werd gedood. De Japanse troepen leken alle normbesef verloren te hebben en vermoordden zo talloze onschuldige slachtoffers. Over het totale aantal bestaat grote controverse. De Chinese overheid zweert bij het getal 300.000, en maakt daar een soort geloofspunt van. Aan Japanse zijde vindt men een hele waaier van standpunten, gaande van aanvaarding van de Chinese versie tot gehele verwerping. Sommigen voeren aan dat de notie van 'slachting' door Chinese nationalisten gefabriceerde propaganda is. Vele onderzoekers betwisten het cijfer 300.000 als onrealistisch, zonder daarom de feiten zelf in twijfel te trekken. De hele zaak is in de loop van de jaren erg gepolitiseerd en gepolariseerd. Zij is symbool gaan staan voor al het oorlogsleed dat Japan in China aangericht heeft. Of het cijfer te hoog is, hangt mede af van de vraag welke periode men onder ogenschouw neemt, en welk territorium men rekent tot Nánjīng, een element dat in de polemiek vaak uit het oog verloren wordt. Het zal wel nooit mogelijk zijn een exact cijfer vast te stellen. De stad werd door de Japanse troepen bezet en bleef dat tot het einde van de oorlog. Zij hadden er geen belang bij om een exacte telling te organiseren en toen de Chinezen acht jaar later de stad opnieuw in handen kregen, waren de meeste sporen voor eeuwig gewist. In het verdict van het Proces van Tōkyō staat dat er in de eerste zes weken na de val van Nánjīng, in de stad en omgeving minstens 200.000 burgers en krijgsgevangenen omgekomen zijn. in dit cijfer zijn weliswaar ook de mensen die van honger en ontbering zijn omgekomen vervat. Een ander heikel punt blijft de vraag in hoeverre de massale executies door de legerleiding gedoogd dan wel gepland waren, en hoe hoog in de militaire en politieke hiërarchie men op de hoogte was van de feiten.

De slachting van Nánjīng blijft de relaties tussen China en Japan vertroebelen. Na het Proces van Tōkyō verdween de zaak uit de aandacht en bleef dat ongeveer een kwarteeuw, tot in de jaren 1970. Ironisch genoeg lijkt de normalisering van de diplomatieke betrekkingen tussen China en Japan (1978) de zaak weer voor het voetlicht gebracht te hebben. De Japanse overheid heeft zich al vele malen in algemene termen verontschuldigd, maar van Chinese zijde blijft men dat onvoldoende en niet echt gemeend vinden. Tegenwoordig is deze traumatische episode een vast element geworden in het steekspel tussen beide landen in de arena's van diplomatie en public relations. De ultieme inzet van dit steekspel is het politiek en moreel leiderschap in de Oost-Aziatische regio. Zo vormt geschiedenis een essentieel ingrediënt in het bepalen van de machtsverhoudingen voor de toekomst.

In oktober 1938 vallen Hànkǒu 漢口 (het huidige Wŭhàn 武漢) en Guăngdōng 廣東. De geografische uitbreiding van het front werd echter funest voor de bevoorradingslijnen van de Japanse troepen, die voortdurend door Chinese guerrillastrijders gehinderd werden. Japan had 600.000 soldaten in China, maar de gesmeerde Japanse oorlogsmachine begon stilaan vierkant te draaien en zakte bij manier van spreken weg in een moeras van Chinese weerstand en versnippering van eigen krachten. De oorlog werd een uitzichtloze uitputtingsslag. De nationalistische regering trok zich terug in de westelijke stad Chóngqìng 重慶 (Japans: Jūkei), waar ze buiten het bereik van de Japanse legers was.

Vorming van een anti-Japans eenheidsfront

In China vertroebelden de betrekkingen tussen de jonge Communistische Partij en de nationalisten van Chiang Kai-shek snel. Beide partijen trachtten politiek voordeel te halen uit de samenwerking. Toen Chiang Kai-shek, die China met zijn legers zou besturen van 1927 tot 1937, in 1927 enkele communistische leiders wegens hoogverraad (spionage voor de Sovjet-Unie) liet executeren, trokken de communisten zich terug. Vanaf 1932 werd China intern verscheurd door een oorlog tussen nationalisten en communisten, waarbij Chiang Kai-shek alle energie besteedde aan het uitschakelen van de communisten. Dat verklaart zijn vrij passieve houding tegenover Japan, dat in 1933 Jehol bezette, de Chinese Muur overstak en in 1935 zelfs heel Noord-China tot neutrale zone uitriep.

Twee redenen deden Chiang Kai-shek aarzelen om de Japanse agressie te beantwoorden met een formele oorlogsverklaring. Ook al bouwde hij met alle macht aan de modernisering van zijn legers, toch meende hij dat China te zwak was voor de oorlog tegen Japan. Daarnaast zag hij het Japanse gevaar slechts als een 'huidziekte' in vergelijking met de interne bedreiging van de communisten. De halfslachtige houding van Chiang Kai-shek veroorzaakte wrevel bij de patriottische officieren, die merkten hoeveel succes de communisten boekten door anti-Japanse gevoelens te bespelen. In 1936 moest Chiang Kai-shek een beslissende veldtocht tegen de communisten afblazen toen zijn eigen officieren hem dwongen een eenheidsfront te vormen met de communisten tegen Japan.

Zoals reeds gezegd, ontketende Japan in 1937 de totale oorlog. Het hele oosten van China van Běijīng tot Guǎngdōng werd veroverd, al strekte de feitelijke macht van de Japanners zich nooit verder uit dan de grote bevolkingscentra en de belangrijkste verbindingslijnen zoals de spoorwegen. Ze slaagden er nooit in het verzet volledig te breken. Wel moest Chiang Kai-shek tweemaal zijn zetel verplaatsen, eerst naar Hànkǒu, later naar Chóngqìng. In de bezette gebieden schiepen de Japanse militairen marionettenregeringen die bereid waren te collaboreren met de Nieuwe Orde, het Pan-Aziatisch Gemenebest onder Japanse hegemonie. In Běijīng trad een zeer conservatief voorlopig bewind op, dat de klassieke deugden propageerde. In Nánjīng werd een 'nieuwe Guómíndăng' opgericht, die verklaarde dat tegenstand alleen maar schadelijk kon zijn voor China.

Pogingen om een escalatie te vermijden

Bemiddelingspogingen strandden omdat er te veel mensen van de harde lijn in leger en administratie doorgedrongen waren. In 1937 bemiddelde Duitsland, maar China wees het aanbod af. In januari 1938 werd duidelijk welke strategie de Japanners voerden. Premier Konoe verklaarde dat hij niet met de Guómíndăng-regering wilde onderhandelen. Een vreedzame oplossing werd daardoor voorgoed onmogelijk. Japan streefde naar een verdeling van China.

Een tegen escalatie gekante factie eiste dat Konoe verder zou onderhandelen, maar het bleef bij een loutere show. Hij herschikte zijn regering, maar eind 1938 bleek bij de bekendmaking van de Drie Beginselen van Konoe (Konoe san gensoku 近衛三原則) dat Japan niet wou terugkrabbelen.

De drie principes waren goed nabuurschap, gezamenlijke defensie en economische samenwerking. Ze pasten echter zo perfect in Japans Pan-Aziatische visie, vastgelegd in de proclamatie over de 'Opbouw van een Nieuwe Orde in Oost-Azië' (Tō-A shinchitsujo no kensetsu 東亜新秩序の建設), dat China ze afwees.

Toch hadden deze voorstellen andere voordelen. Bij de Chinese nationalisten waren er leiders die de toenemende invloed en de populariteit van de communisten vreesden en geneigd waren compromissen te sluiten met Japan. Een van hen was Wāng Jīngwèi 汪兆銘 (alternatieve naam Zhaòmíng, 1883-1944), ondervoorzitter van de Guómíndăng, die Chóngqìng ontvluchtte en bereid was om te collaboreren. De Japanse militairen plaatsten hem als leider van de nieuwe Guómíndăng aan het hoofd van een marionettenregering in Nanjing. Nadat Japan in maart 1940 de regering van Wāng Jīngwèi in China had erkend, besloten de Engelsen hun hulp aan de nationalisten op te voeren. Wāng Jīngwèi was een rivaal van Chiang Kai-shek in de nationalistische beweging. Hij wantrouwde de Sovjet-Unie en de westerse mogendheden, en was bereid tot samenwerking met de Japanners. Zijn regime miste echter de steun van de bevolking en bleef zwak. het bleef afhankelijk van de Japanse militaire steun voor zijn voortbestaan.

Groeiend verzet van het Westen en de eerste spanningen

Naarmate de oorlog in China escaleerde, verhoogden de spanningen met de grote mogendheden die belangen in China hadden. Tot 1939 bleven de Verenigde Staten en Engeland verzoenende verklaringen afleggen om Japan een kans te geven een vreedzame oplossing uit te werken, maar de Japanse psychose liet dit niet meer toe. Waarom zou een militair succesvol land zijn winst prijsgeven zonder iets in ruil te krijgen?

Na de verklaring over de 'Opbouw van een Nieuwe Orde in Oost-Azië' sloeg de houding van de geallieerden om. In 1939 zeiden de Amerikanen eenzijdig het in 1894 gesloten Handels- en Zeevaartverdrag (Nichi-Bei tsūshō kōkai jōyaku 日米通商航海条約) op en een jaar later werd een embargo uitgevaardigd op strategische goederen.

De successen in China staken schril af tegen de moeilijkheden met de Russen. De Sovjet-Unie verleende steun aan de Chinese communisten en had na de Japanse invasie in Mantsjoerije troepenversterkingen naar de grenzen gestuurd. Politieke spanningen en grensgeschillen leidden tot incidenten, waarvan de belangrijkste zijn: het Incident van Zhānggŭfēng (Jap.: Chōkohō jiken 張鼓峰事件), dat in juni 1938 uitbarstte, en het Incident van Nomonhan (Nomonhan jiken ノモンハン事件). Het eerste was een aanval van de Japanners tegen de Russische troepenversterkingen in de grensstreek van Korea, Mantsjoerije en de Sovjet-Unie, om te tonen dat Japan niet alles zou dulden. Na een maand lang vechten werd duidelijk dat Japan niet zo snel oprukte als verwacht. De partijen sloten een bestand, maar de spanning bleef bestaan. In mei 1939 ontbrandde een nieuwe strijd bij de stad Nomonhan aan de grens tussen Mongolië en Mantsjoerije, in het huidige Mongolië. De Japanners verloren volgens sommige schattingen niet minder dan 45.000 manschappen. Het Japanse leger was dan wel met moderne wapens uitgerust, het stond hier oog in oog met een modern, strijdklaar leger dat strategisch beter geschoold was. De Japanners gebruikten bijvoorbeeld hun tanks als een soort aanvullende infanterie, terwijl de Russen ze als een zelfstandige mobiele eenheid aanwendden. In september 1939 aanvaardden de Japanse militairen een bestand, waardoor ze in het thuisland veel van hun prestige inboetten. Japan zag af van verdere expansie in noordelijke richting en richtte zijn blik voorgoed naar het zuiden. Het landleger had steeds gepleit voor de bezetting van Siberië tot aan het Baikalmeer om zich van de grondstoffenrijkdom aldaar te kunnen verzekeren, maar na deze nederlaag opteerde Japan definitief voor de doorsteek naar het zuiden, de benadering die de voorkeur van de Marine genoot. In het zuiden was vooral Nederlands-Indië het doelwit, omwille van zijn rijkdom aan petroleum en mineralen. Een neutraliteitspact met de Sovjet-Unie bracht tot 1945 stabiliteit in Noordoost-Azië.

Toenemende militarisering van het dagelijkse leven

Structuren voor een algemene mobilisatie

Na de invasie in Mantsjoerije schreef de overheid enorme staatsleningen uit om de bewapening te financieren, wat leidde tot ernstige inflatie. De industrie, met de staal- en scheikundige nijverheid voorop, werd afgestemd op de militaire vraag en de staat en de zaibatsu werden aangespoord om ook in Mantsjoerije te investeren. De militarisering van de productie en het deficitair financieren van economische projecten brachten een kortstondige welvaart teweeg die het militaire bestuur populair maakte.

Om hun expansie te steunen, stimuleerden de militairen de opbouw van de 'nieuwe zaibatsu' (Shinkō zaibatsu 新興財閥), gespecialiseerde scheikundige en staalbedrijven. Men beweert dat deze bedrijven sterk promilitair waren. We kunnen onzes inziens slechts bevestigen dat hun productie moderner en militair interessanter was dan die van de traditionele zaibatsu. Uiteindelijk werd de gehele industrie in de oorlogseconomie ingeschakeld en de greep van de zaibatsu op alle sociaaleconomische aspecten van de samenleving nam nog toe.

In deze context begon het kabinet-Konoe, mede onder de invloed van het uitbreken van de oorlog met China, te spreken van algemene mobilisatie. De overheid sponsorde de 'beweging tot de algemene mentale mobilisatie van de natie' (Kokumin seishin sōdōin undō 国民精神総動員運動) en in april 1938 werd door de nationale mobilisatiewet (Kokka Sōdōin Hō 国家総動員法, 1938-1945) de oproep geformaliseerd. De overheid kreeg door deze wet ruime bevoegdheden om mankracht en materieel op te eisen en in te zetten voor de landsverdediging. Deze wet is zo belangrijk omdat hij het parlement buiten spel zette en de militaire dictatuur een wettelijke basis bezorgde, net zoals in Duitsland en Italië. Voortaan werd er met volmachten geregeerd. Er kwam rantsoenering van basisproducten, onmisbaar in het dagelijkse leven, zoals steenkool en ijzer. Naarmate de buitenlandse contacten en handel verslechterden, werden de controlewetten steeds stringenter toegepast.

Intellectuele onderdrukking

De indoctrinatie en de intellectuele controle werden verscherpt. Niet alleen communisme en socialisme waren verboden, maar ook liberale en democratische ideeën. Hierin volgde Japan het voorbeeld van de andere fascistische staten. In 1933 werd de hoogleraar in strafrecht van de Keizerlijke Universiteit van Kyōto Takigawa Yukitoki 滝川幸辰 eerst geweerd uit universitaire kringen en vervolgens ontslagen omwille van zijn Keihō tokuhon 刑法読本 ('Handboek strafrecht'). Hij toonde hierin belangstelling voor het strafrecht van de Sovjet-Unie en vond bijvoorbeeld de bestraffing van overspel navolgenswaard. Na de oorlog werd hij gerehabiliteerd en bracht hij het tot rector van de Universiteit van Kyōto. In 1934 werd de Marxistisch geïnspireerde Noro Eitarō 野呂栄太郎(1900-1934) gearresteerd wegens zijn hoofdrol bij het schrijven en publiceren van Nihon shihonshugi hattatsushi kōza ('Lezingen over het ontstaan en de ontwikkeling van het Japans kapitalisme'). Rond zijn 'natuurlijk overlijden' in hetzelfde jaar rezen heel wat vragen.

In 1935 werd professor Minobe Tatsukichi's stelling dat de staat een juridisch lichaam was, dat de soevereiniteit bij de staat lag en dat de keizer slechts een orgaan van deze soevereiniteit was, op de korrel genomen in de Diet (parlement). Zijn boek Kenpō satsuyō 憲法撮要 ('Samenvatting van de Grondwet') werd verboden en de Kokutai meichō seimei 国体明徴声明 werd uitgevaardigd. Dit was een communiqué dat verduidelijkte dat alle macht en prerogatieven van de soevereiniteit aan de persoon van de keizer werden toegekend.

In 1937 werd de hoogleraar economie (Tōkyō) Yanaihara Tadao 矢内原忠雄 ontslagen toen iemand verklikte dat hij gekant was tegen de kolonisering van Korea en Mantsjoerije. Hij was een actief christen en deed aan bekeringswerk tijdens de oorlog. Van 1951 tot 1957 was hij rector van de Keizerlijke Universiteit van Tōkyō, waar hij optrad als verdediger van de academische vrijheid.

Door de toepassing van de wet inzake de openbare orde vond het Volksfrontincident plaats. De Communistische Partij had zware klappen gekregen in 1928 en 1929. Op 15 maart 1928 werden communisten opgepakt. Op 16 april 1929 voerde de veiligheidspolitie arrestaties van communisten in heel het land uit. 700 mensen werden opgepakt. De overgebleven leiders, waaronder Yamakawa Hitoshi, beraamden de organisatie van een ondergronds antifascistisch Volksfront, met de hulp van een vierhonderdtal leden van de proletarische partij (Musan-tō 無産党) en linkse vakbonden. Ze werden bijna allen opgepakt. Als nasleep van dit incident werden een jaar later nog een aantal linkse professoren en intellectuelen gearresteerd, waaronder Ōuchi Hyōe 大内兵衛, de opvolger van Yanaihara als professor economie in Tōkyō. Op 20 februari 1933 werd de beroemde proletarische schrijver Kobayashi Takiji 小林多喜二 even na middernacht opgepakt. Zeven uren later werd zijn deerlijk toegetakelde lichaam gevonden.

In maart 1935 werd de Communistische Partij als organisatie vernietigd. In 1938 werden de werken van Kawai Eijirō 河合栄治郎, een democraat en antifascist, verboden. Hij werd gearresteerd en overleed in gevangenschap in 1943. De jaren 1942-44 zagen talloze liquidaties van politieke tegenstanders door toedoen van de geheime politie. Niet alleen linkse intellectuelen maar ook liberalen, democraten en alle anti-rechtsen liepen het risico opgepakt te worden.

Controle over ideologie en cultuur

De overheid moedigde het ultranationalisme (chōkokkashugi 超国家主義) aan en richtte het bureau voor Onderwijs en Wetenschap (Kyōgaku kyoku 教学民) op. Het bureau moest dienen als controleorgaan om in het onderwijs en later in de hele samenleving het ideologisch gehalte en de spreiding van het ultranationalisme na te gaan. Het ministerie van Onderwijs kreeg de opdracht de nationale filosofie van Japan, bekend als Kokutai 国体 te verduidelijken. Een werkgroep van filosofen en ethici, onder wie grote namen als Watsuji Tetsurō en Hisamatsu Shin'ichi voorkwamen, werd aan het werk gezet. het resultaat van hun arbeid was Kokutai no Hongi ('De wezenlijke betekenis van het staatsbestel'), een 156 pagina's tellend handboek dat in 1937 verscheen. Tegen 1944 waren ongeveer drie miljoen exemplaren van dit werk verspreid in scholen en allerlei maatschappelijke organisaties. De daarin verkondigde ideologie was een eigenaardige mengelmoes van oude mythologie en ideeën over Japanse superioriteit, omdat alleen Japan een unieke en zuivere keizerlijke familie had. Er stond heel wat in over de wil van de keizer, alsook over confucianistische deugden: harmonie, trouw aan de vorst en toewijding aan de ouders, maar ook over bushidō, de traditionele ethiek van de samurai. Japan werd er voorgesteld als één grote familie, geleid door de keizer als welwillende pater familias. Het boekwerk was uiterst antiwesters, vooral in zijn veroordeling van het individualisme, dat als oorzaak werd aangewezen van alle westerse ondeugden, gaande van democratie tot zelfs ... communisme. Het werk trachtte meer te overtuigen door emotionaliteit dan door intellectuele argumenten. Het goede dat erin stond werd vaag gehouden en werd voortdurend geappelleerd aan waarden als 'de Japanse geest', 'de nationale eigenheid', enz. Het waren noties die in één adem ook de Japanse expansie op het vasteland moesten goedpraten. De vijand werd preciezer beschreven: gluiperige kapitalisten, corrupte politici, individualisten, dreigende maar verwijfde westerlingen. Alle westerlingen in Japan werden met veel argwaan bejegend. In 1943 werd onder de titel Kokushi gaisetsu een door dezelfde geest geïnspireerd geschiedkundig handboek uitgegeven, waarvan minstens 200.000 exemplaren verspreid werden. Vermelding verdient verder ook nog het boek Shinmin no michi 臣民の道 ('De weg van de onderdaan'), waarin de correcte houding en handelwijze van de goede patriot worden beschreven. Vele bizarre theorieën werden in deze tijd bedacht die de speciale roeping van Japan moesten schragen. In verband met de roeping van het land om Azië te leiden, zagen heel wat theorieën die de verwantschap van Japanners met andere Aziatische volkeren moesten aantonen, het licht. Dit ging zover dat sommigen zelfs probeerden aan te tonen dat Joden, ook Aziaten namelijk, en Japanners van dezelfde voorvaderen afstamden.

De fanatieke ideologie doordrong de hele samenleving. Al wat on-Japans was was verwerpelijk of werd verdacht. Salondansen was immoreel, maar honkbal bleef populair, terwijl golf als te snobistisch werd afgedaan. Van straat- en naamborden verdwenen de transcripties in het westers alfabet. Studentengroeperingen, vakbonden en kranten werden verboden. Vrouwen werden aangemoedigd om te gaan werken in de fabrieken, maar werd tevens aangemaand om een goede moeder te zijn voor de kinderen. In 1941 werden alle lagere scholen tot 'Volksscholen' (Kokumin gakkō 国民学校) herdoopt en werd er alleen nog ultranationalistisch onderricht gegeven. Militaire opvoeding was een verplicht opleidingsonderdeel vanaf het lager middelbaar onderwijs.

Ontbinding van de politieke partijen en de Beweging voor een Nieuwe Orde

Nadat tijdens de regering-Hayashi de politieke partijen vrijwel al hun macht verloren hadden, nam het aantal politici en partijleden dat voor samenwerking met de militairen gewonnen was,toe. Enkele politici zoals Saitō Takao van de Rikken Minsei-tō protesteerden tegen de inmenging van de militairen in de politiek. Saitō uitte ook kritiek op de erkenning van het regime van Wāng Jīngwèi. Na 1940 werd protesteren onmogelijk. Toen in januari 1940 admiraal Yonai Mitsumasa 米内光政 een regering vormde, werd voor het eerst het idee gelanceerd om de bestaande partijen op te heffen en een Nationale Partij (Kyokoku seitō 挙国政党) op te richten. In juli 1940 leidde dit tot een actieve Beweging voor een Nieuwe Orde (Shin-taisei undō 新体制運動) die de ruggengraat was voor het streven naar een Nationale Partij. Onder druk van deze beweging hieven de Rikken Minsei-tō en de Rikken Seiyū-kai zichzelf op en gingen hun leden op in wat de basis van de verhoopte Nationale Partij moest worden: de Taisei yokusan-kai 大政翼賛会 ('De vereniging voor steun aan het keizerlijke bestuur'). Vooral Konoe zette zich in om zoveel mogelijk organisaties over te hevelen naar deze koepelorganisatie, maar dat verliep niet vlot. Alle partijen werden ontbonden en opgeslorpt door de parlementaire tak van de brede organisatie. Bij de verkiezingen van 1942 ging evenwel slechts 64 procent van de stemmen naar de officieel voorgestelde kandidaten, zodat het succes relatief bleef. Een stevige massa-organisatie werd uitgebouwd door middel van wijkcomités (tonarigumi). Dit waren op voorbeelden uit de Tokugawa-periode geïnspireerde locale comités voor toezicht en burenhulp, in 1940 door het Konoe-kabinet in het leven geroepen. Zij bestonden uit vaderlandslievende burgers, die de rantsoeneringen controleerden, toezicht op overtredingen van de wet hielden, optraden als informanten, en voor absolute conformiteit in moraal en gedrag onder hun medeburgers ijverden. Later in de oorlog deden ze ook dienst als waarnemers die vijandelijke vliegtuigen en boten moesten spotten en zelfs als een reservemilitie moesten optreden.

Het doel van de Taisei yokusan-kai was het vervullen van de plichten jegens de troon te organiseren. De associatie bezat afdelingen in het hele land en was een middel voor de overheid om alle rangen en standen te bespioneren. Het scheppen van een nieuwe orde in Oost-Azië, nationale defensiestructuren oprichten, de staat dienen in elk beroep, de staatsverplichtingen doen nakomen waren haar principes. Daarom coördineerde de associatie politiek, economie, onderwijs en cultuur. Ter gelegenheid van de viering van het 2.600-jarig bestaan van Japan werd de oprichting van de Taisei yokusan-kai plechtig afgekondigd.

De organisatie was geen politieke partij, maar een volksorganisatie die samenwerking met de overheid voorstond. In 1941 werd een politieke alliantie gevormd als een tak van de organisatie die in 1942 deelnam aan de verkiezingen.

Controle over de zakenwereld

Een strikt rantsoenerings- en bonnenstelsel werd ingevoerd. Heel het land werd herschapen tot een oorlogsmachine, wat zware sociale en economische gevolgen had. De inflatie zorgde voor pijlsnelle prijsstijgingen, terwijl de legerdienst grote arbeidstekorten veroorzaakte. Daardoor stegen ook de lonen. Om dit effect tegen de gaan, werden reeds in 1938 de Kakaku Tōsei Rei 価格統制令 en Chingin tōsei rei 賃金統制令 uitgevaardigd, in 1939 gevolgd door de opeisingswetten Kokumin Chōyō Rei 国民徴用令, waardoor elke burger voortaan gedwongen kon worden mee in te springen voor de militaire productie. Een andere stap in de militarisering van de economie werd gezet in 1940 toen het tweede Konoe-kabinet de Nieuwe Economische Orde (Keizai Shin-Taisei 経済新体制) proclameerde. Alle takken van de zware nijverheid werden onder de controle van een paar reusachtige financiële conglomeraten gebracht. Deze vielen op hun beurt onder overheidscontrole. Voor deze nauwe relatie tussen het fascisme en de kapitaalmonopolies ontstond de term kokka dokusen shihon 国家独占資本. Daarnaast onderwierp de Nieuwe Orde-Beweging de boeren en de arbeiders aan steeds zwaardere beperkingen. Vakbonden verdwenen, alle arbeiders moesten aansluiten bij de arbeidersvleugel van de Taisei Yokusan-kai, de Dai-Nihon Sangyō Hōkoku-kai 大日本産業報国会, een organisme dat vooral ontevredenheid en onpatriottische daden aan de kaak stelde.

Cultuur onder de fascistische dictatuur

Filosofie en menswetenschappen

De vrijheden van de Taishō-periode kwamen stilaan in de verdrukking en uiteindelijk was de enige ideologie die nog aanvaard werd, die van het totalitarisme en het ultranationalisme, zoals in Duitsland. Het ging niet om een bruuske omslag, maar om een gestaag proces. Nishida Kitarō, algemeen beschouwd als Japans grootste moderne filosoof, en andere leden van de Kyōto-school (Kyōto Gakuha 京都学派)werkten het concept uit van een religieus en ethisch reveil van de wereld, met Japan als spil. Zij beschouwden de moderniteit als iets westers en decadents, en zochten een weg 'om de moderniteit te overwinnen' door het cultiveren van Japanse waarden. Waar bij de aanvang van de Shōwa-periode de marxistische geschiedschrijving nog een grote bloei kende, met werken als de Nihon shihonshugi hattatsushi kōza 日本資本主義発達史講座 van Noro Eitarō, werd dit soort benadering van de geschiedenis allengs verdrongen door de zogeheten Keizerlijke Visie (Kōkoku shikan 皇国史観).

Kunst en cultuur

Gevestigde auteurs als Shimazaki Tōson, Tokuda Shūsei e.a. bleven publiceren, maar bij de aanvang van de Shōwa-periode vormden schrijvers als Yokomitsu Riichi 横光利一 en Kawabata Yasunari 川端康成 uit reactie tegen de excessen van het naturalisme, de neosensualistische school (Shin Kankaku-ha 新感覚派). Daarnaast vormden schrijvers als Funabashi Seiichi 舟橋聖一, Hori Tatsuo 堀辰雄, Ibuse Masuji 井伏鱒二 de neo-esthetische school. De eerstgenoemde school mogen we eerder experimenteel of avant-gardistisch noemen, de tweede stond onder westerse invloed en leverde psychologisch sterke romans af. Tijdens de oorlogsjaren deden beide scholen aan zelfcensuur. De Beweging van Proletarische Literatuur daarentegen werd in 1934 door de repressie vernietigd. Vanaf de tweede helft van de jaren dertig stonden alle kunstenaars onder sterke druk om hun talent in te zetten voor de glorie van het vaderland. Ook hiervoor werd een afdeling opgericht in de Taisei yokusan-kai: deDai-Nihon genron hōkoku-kai 大日本言論報国会, die alle oorspronkelijkheid en individualiteit versmachtte. Heel wat schrijvers grepen daarom terug naar thema's uit het verleden omdat die niet politiek geladen waren, en altijd een getuigenis van de Japanse tradities waren.

De oorlog in de Stille Oceaan

Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog

Het fascisme had in Europa geleid tot rechtse militaire dictaturen, al was het niet zo onontkoombaar als velen wilden doen geloven. In Frankrijk kon een sterk antifascistisch Volksfront de fascistische ideologie voorkomen. Er ontstond evenwel een scherpe tegenstelling tussen de asmogendheden Duitsland en Italië, met Spanje en Japan, enerzijds en de geallieerden anderzijds.

In 1936 brak in Spanje de burgeroorlog uit. Duitsland en Italië boden Franco militaire hulp, deels met de bedoeling hun materieel uit te testen. De Sovjet-Unie koos de zijde van de linkse regering, gesteund door internationale brigades uit Engeland, Frankrijk, ... Deze inmenging van linkse krachten werd door Duitsland en Italië als imperialistisch afgeschilderd en was het startsein voor het vormen van de As, in 1937 uitgebreid door een wederzijdse defensieovereenkomst met Japan. Hitler annexeerde in 1938 het Tsjechoslowaakse Sudetenland. De in de lucht hangende oorlog werd nog eenmaal bezworen door de Conferentie van München, maar nadat Hitler in augustus 1939 een niet-aanvalspact met de Sovjet-Unie had afgesloten, en Duitsland vervolgens op 1 september 1939 Polen binnenviel, verklaarden de Fransen en Engelsen op grond van een met Polen gesloten verdrag de oorlog aan Duitsland. Japan, dat op Duitsland rekende voor zijn expansie in Mantsjoerije, was erg van streek door het Duits-Russische niet-aanvalspact. Hitler had Japan niet geraadpleegd of zelfs maar gewaarschuwd. Omdat de regering geen antwoord vond op de vraag waarvoor de As Rome-Berlijn-Tōkyō dan wel diende, nam Yonai ontslag.

Het Drielandenpact en de zuidwaartse opmars

Japan nam aanvankelijk een neutrale houding aan in het wereldconflict en concentreerde zich op de oorlog in China. Toen in mei en juni 1940 Nederland en Frankrijk capituleerden, gingen er in Japan stemmen op om de Aziatische kolonies van deze landen te bezetten. Zo zou het land de aanvoer van voor de oorlog onmisbare grondstoffen kunnen veiligstellen, en tegelijk zou het de aanvoerlijnen van de Amerikanen en de Britten, die de regering van Chiang Kai-shek steunden, kunnen afsnijden

In juli 1940 werd prins Konoe Fumimaro andermaal premier. De verwachtingen waren hooggespannen. Zowel de elite als de gewone bevolking hoopte en geloofde dat deze aristocraat, die nauw verwant was met de keizerlijke familie, het vermogen en de visie zou hebben om een nieuw elan te vinden. Dit tweede kabinet-Konoe verklaarde inderdaad dat het een nieuwe orde in Groter Oost-Azië (Dai Tō-A no shinchitsujo) wilde vestigen. In de eerste versie dacht men vooral aan een partnerschap van Japan, China en Korea, maar 'Groter Oost-Azië' behelsde ook Zuidoost-Azië. Aangestoken door de Duitse successen, drongen de militairen aan op een alliantie met Duitsland. In september 1940 tekende de tweede regering-Konoe, met Matsuoka Yōsuke 松岡洋右 als minister van Buitenlandse Zaken het Drielandenpact, in het Japans bekend als Nichi-Doku-I sangoku dōmei 日独伊三国同盟. Japan beloofde de beide andere ondertekenaars bij te springen als een van hen werd aangevallen door een nog niet bij de oorlog betrokken land, behalve de Sovjet-Unie. In China was Japan inmiddels doorgedrongen tot de grens van Frans Indochina. Frankrijk en ook de Verenigde Staten reageerden verontrust. In juni 1940 marcheerden de Duitse troepen Parijs binnen. In Vichy werd een Duitsgezind regime geïnstalleerd, dat ook jurisdictie had over de Franse kolonies. Dankzij het Drielandenpact kon Japan met de regering in Vichy onderhandelen over een toelating om Japanse troepen te stationeren in het noorden van Indochina. Na de opzegging van het handelsverdrag in september 1940, legden de Verenigde Staten nu een embargo op een aantal producten, waaronder de vitale brandstof. Om zijn bevoorrading veilig te stellen, zette Japan nu Nederland onder druk om vanuit Indonesië grote hoeveelheden petroleum, rubber en tin aan te voeren.

Hitler verbrak het vredesakkoord dat hij met de Sovjet-Unie gesloten had en viel het land in juni 1941 aan. Japan hield zich buiten deze oorlog. Het had in april 1941 nog maar pas een neutraliteitspact met de Sovjet-Unie gesloten. Dit pact was van vitaal belang voor Japan, omdat het heel wat troepen vrijmaakte om in te zetten aan het zuidelijke front. Er gingen stemmen op om het Kantō-leger te versterken en Rusland aan te vallen, maar de krijgsverrichtingen in Zuidoost-Azië lieten geen versnippering van krachten toe. Bovendien gaf de Duitse Blitzkrieg de Russen zozeer de handen vol, dat zijzelf ook niet aan een aanval in Mantsjoerije dachten. Japan breidde het Chinese front uit en bezette met medeweten van het Vichy-regime Frans-Indochina in juli 1941. Eerst was de bezetting strategisch, maar daar Frankrijk zijn handen vol had met de oorlog in Europa, nam Japan het gebied gewoon op in zijn Oost-Aziatische welvaartssfeer.

Verslechterende betrekkingen met de Verenigde Staten

Uiteraard zag Amerika deze evolutie met lede ogen. De Verenigde Staten wilden alleen een voortzetting van een open beleid in Azië. De Japanse top wilde de relaties met De Verenigde Staten zo goed mogelijk houden en zeker een Amerikaanse inmenging in de oorlog voorkomen. Toen in november 1940 Roosevelt voor de derde maal Amerikaans president werd, benoemde men admiraal Nomura Kichisaburō 野村吉三郎 tot Japans ambassadeur in Washington, omdat hij op goede voet stond met Roosevelt. Tot het uitbreken van de oorlog in de Stille Oceaan was hij belast met de diplomatieke betrekkingen tussen Japan en de Verenigde Staten (na de oorlog bleef hij actief als volksvertegenwoordiger).

Vanaf april 1941 hielden Japanse en Amerikaanse diplomaten te Washington gesprekken om de slechte betrekkingen tussen beide landen te verbeteren. De Japanse militairen met voorop het oppercommando van het Kantō-leger stelden zich onverzoenlijk op, terwijl de Verenigde Staten onder geen beding de Japanse terreinwinst wilden erkennen. De betrekkingen verslechterden snel en na korte tijd waren de gesprekken onder de diplomaten nog louter een dekmantel voor de oorlogsvoorbereidselen die aan weerszijden werden getroffen. Na de ondertekening van het niet-aanvalspact met Rusland en de bezetting van Indochina, ging Amerika in juli 1941 tot daden over. Bezittingen van Japanners in de Verenigde Staten werden bevroren en er werd een volledig olie-embargo afgekondigd. Japan ging spreken van de ABCD-blokkade (America, Britain, China, Dutch), een 'point of no return' omdat geen Japanner wou terugkrabbelen, na zo gemakkelijk zoveel te hebben gewonnen.

Het begin van de wereldbrand

In september 1941 besloot de overkoepelende bestuursraad van burgerlijke en militaire zaken (Dai hon'ei seifu renraku kaigi) dat Japan de oorlog aan de Verenigde Staten zou verklaren als de reeds meer dan een jaar aanslepende onderhandelingen niet binnen de maand resultaten zouden afwerpen. Konoe was tegen een oorlog met de Verenigde Staten gekant en werd als premier vervangen door minister van Zeemacht Tōjō Hideki 東条英機(1884-1948). Vanaf 1937 was hij stafofficier van het Kantō-leger geweest en minister van Oorlog in de kabinetten-Konoe I en II. Zijn in oktober 1941 gevormde kabinet was anti-Amerikaans, wat de onderhandelingen niet vergemakkelijkte. De Amerikanen stelden zich ook strak op, omdat ze dit kabinet van de harde lijn levensgevaarlijk vonden en omdat in Amerika de bereidheid tot oorlogvoeren groeide. De nota van minister van Buitenlandse Zaken Cordell Hull was de laatste waarschuwing: Japan moest zich terugtrekken uit China en Indochina. Japan had minstens op een compromis gehoopt, en was weliswaar bereid om zich uit Indochina terug te trekken, maar alle sedert 1931 gemaakte winst opgeven was niet aanvaardbaar. Het stelde nu alle hoop in een krachtige militaire actie van korte duur om een gunstige uitgangspositie voor een onderhandelbare vrede te verwerven. Op 1 december 1941 werd op een keizerlijke conferentie besloten tot de oorlogsverklaring. Toen was al een vloot onderweg naar Pearl Harbor. Na de aanval op 7 december verklaarde Japan op 8 december officieel de oorlog aan de Verenigde Staten, Nederland en Groot-Brittannië. De Grote Oost-Azië Oorlog was begonnen. Op hun beurt verklaarden Duitsland en Italië de oorlog aan de Verenigde Staten.

De Grote Oost-Azië Oorlog is de officiële benaming die de Japanse overheid (de overkoepelende bestuursraad van burgerlijke en militaire zaken, nu voor de oorlog aannam. In juli 1940 had het tweede Konoe-kabinet al de uitbouw van een nieuwe order in Groter Oost-Azië uitgeroepen als fundament van zijn beleid. Matsuoka Yōsuke, minister van Buitenlandse Zaken in dat kabinet, verklaarde kort na zijn aantreden op een persconferentie dat het de bedoeling was om de Dai Tō-A Kyōei-ken (het Engelse equivalent is Greater East Asia Coprosperity Sphere), die in de eerste fase Japan, Mantsjoerije en China zou omvatten, uit te bouwen. Dit was naar verluidt de eerste keer dat de term Greater East Asia Coprosperity Sphere door de Japanse overheid gebruikt werd. Deze term is ideologisch geladen. Hij impliceerde dat Japan de leiding zou nemen over de Aziatische landen om de westerse koloniserende landen te verjagen en een nieuwe orde van welvaart en onafhankelijkheid te vestigen van, voor en door Aziaten. De Grote Oost-Aziatische Oorlog is bijgevolg de oorlog die moest gevoerd worden om die nieuwe orde te realiseren. Dat Japan zulke grote en unieke zending te vervullen had, was gebaseerd op het denkbeeld dat het het land was waarin een door de Japanse goden geïnspireerde geest van vernieuwing en schepping heerste, die 'alle windstreken onder eenzelfde dak zou verenigen' (Hakkō ichiu). Deze uitdrukking vindt men in een van Japans oudste klassieke geschriften, de in 720 gecompileerde Nihonshoki. Het is een van de vele voorbeelden van de wijze waarop klassieke, vaak poëtische passages en termen uit hun oorspronkelijke verband gerukt werden en ten dienste van een eigentijdse ideologie en propaganda werden gesteld. In november 1942 werd een ministerie van Groter Oost-Azië opgericht , maar het functioneerde nooit behoorlijk. Vertegenwoordigers van de vijf staten die deel uitmaakten van de Coprosperity Sphere (Birma, Thailand, China onder Wāng Jīngwèi, de Filippijnen en Mănzhōuguó) hielden welgeteld één conferentie in Tōkyō in november 1943.

Het verloop van de Tweede Wereldoorlog

De Stille Oceaan

Kort na de aanval op Pearl Harbor bezetten de Japanners de Filippijnen, het Maleisische schiereiland, Hongkong, en de Indonesische eilanden Java en Sumatra. Nog geen half jaar na het uitbreken van de oorlog controleerden zij een gebied van de Salomon-eilanden tot het neutrale maar collaborerende Birma. Ze noemden dit van westers kolonialisme bevrijde gebied Dai Tō-A Kyōkei-ken 大東亜共 栄圏 (Greater East Asia Coprosperity Sphere). Deze belofte van gedeelde welvaart werd korte tijd geloofd, maar naarmate de politiek en het openbare leven van deze landen onder groeiende Japanse controle geraakte en de grondstoffen voor de Japanse oorlogsmachine werden gebruikt, groeide het verzet. De 'gedeelde welvaart' ontaardde in een repressieve bezetting nog erger dan het westers kolonialisme. Toen de Japanse oorlogsmachine begon te sputteren en ze de eerste verliezen moest incasseren, werden de plaatselijke bevolkingen steeds harder onderdrukt en zwaarder belast. Het gevoerde beleid voor exploitatie van grondstoffen en beheersing van prijzen mislukte deerlijk.

Het Europese front

Bij de aanvang van de oorlog liep Duitsland met een Blitzkrieg België, Nederland, en een groot stuk van Frankrijk onder de voet. De val van Engeland leek nog enkel een kwestie van tijd. Aan het oostfront stonden de Duitsers vrij snel voor de poorten van Moskou, maar de strenge winter van 1941 en de betere samenwerking tussen Engeland, Rusland en de Verenigde Staten remden het offensief af.

Amerika in de tegenaanval

Door hun overwinningen op alle fronten werden de Japanners overmoedig. Zij rekenden op een spoedige overwinning van Duitsland in Europa, waarna Amerika op twee fronten kon kunnen aangepakt worden. Ze misrekenden zich echter. De raid op Pearl Harbor bleek het middel bij uitstek om de aarzelende publieke opinie in Amerika voor oorlogsdeelname te winnen. De Amerikaanse economie schakelde volledig over op de militaire productie en vanaf 1942 werden de grote middelen ingezet. Het materiële en numerieke overwicht van de Verenigde Staten werd snel duidelijk. De slag om Midway in juni 1942, waarbij Japan zijn vier beste vliegdekschepen en 285 vliegtuigen verloor, was het keerpunt. Amerika werd meester op zee en in de lucht. In augustus 1942 werd een eerste amfibielanding uitgevoerd op Guadalcanal en Japan moest het eiland opgeven in februari 1943. Japan was op terugtrekken aangewezen. Toen de Verenigde Staten in juli 1944 Saigon bezetten, geraakte alles in een stroomversnelling. De zeeslag in de Golf van Leyte tussen 23 en 26 oktober 1944 was de grootste zeeslag in de moderne geschiedenis. Hier gebruikte Japan voor het eerst kamikaze-piloten om de vijandelijke schepen te bestoken. Snel werd dit idee van zelfmoordpiloten ook toegepast op tuigen in het water zoals miniduikboten, menselijke torpedo's, motorboten enz. Hoewel het een Japans woord is, gebruikten de Japanners zelf het woord kamikaze zelden of nooit tijdens de oorlog. Het waren tolken in het Amerikaanse leger die het courant gebruikten. In 1945 tijdens de slag om Okinawa dropten vliegtuigen menselijke bommen, 'kersenbloesems' genaamd.

Vanaf juni 1944 werden de Japanse hoofdeilanden vrijwel dagelijks met bommen bestookt. Eerst vertrokken de Amerikaanse bommenwerpers vanop bases in China, maar nadat de Verenigde Staten de Mariana-eilanden bezet had, vlogen de vliegtuigen van bases op deze eilanden rechtstreeks naar Japan. Het zwaarste bombardement dat op 10 maart 1945 Tōkyō trof, kostte aan meer dan 100.000 mensen het leven en vernielde 270.000 huizen. In totaal kwamen bij de Amerikaanse luchtaanvallen op Japanse steden naar schatting 668.000 Japanse burgers om het leven.

In maart 1945 werd het eerste stuk Japans grondgebied veroverd: Iōjima (Iwo Jima) 硫黄島, een eiland van strategisch belang om de Amerikaanse bommenwerpers en gevechtsvliegtuigen tussenlandingen te laten maken. Het was een van de dodlijkste veldslagen uit de oorlog. De Japanse verdedigingstroepen hadden zich in het vulkanische eiland ingegraven en opereerden volledig onder de grond. Hun rangen telden ongeveer 20.000 manschappen. Zij zagen zich geplaatst tegen een invasiemacht van 100.000 geallieerden. De Japanners waren erop voorbereid om tot de laatste man te vechten en minder dan 300 verdedigers overleefden daadwerkelijk de slag. Bijna 7.000 Amerikanen sneuvelden. Iwo Jima gaf een voorproefje van de hardnekkigheid waarmee de Japanners het thuisland zouden verdedigen. De Amerikaanse oorlogsverslaggever Joe Rosenthal maakte een foto van zes Amerikaanse soldaten die op de berg Suribachi op het eiland Iwo Jima de Amerikaanse vlag planten. De foto lijkt te suggereren dat de soldaten met hun laatste krachten de vlag op de bergtop planten na een moeizaam en duur bevochten overwinning. In feite echter werd de vlag geplant in het begin van de slag om het eiland. Drie van de zes betrokken soldaten zouden het eiland overigens niet levend verlaten. De foto is een van de beroemdste van de Tweede Wereldoorlog, werd met de Pulitzerprijs bekroond en talloze malen gereproduceerd. Hij wordt zelfs de meest gereproduceerde foto in de geschiedenis van de fotografie genoemd, en vormde de inspiratiebron voor tal van monumenten, waaronder het Iwo Jima Memorial nabij de nationale begraafplaats van Arlington, nabij Washington DC.

Een andere geallieerde troepenmacht had in october 1944 de Filippijnen heroverd. Nu stevenden beide aanvalskrachten samen op naar Okinawa 沖縄. Een vloot van 20 slagschepen, 19 vliegdekschepen en 1.500 andere types van schepen verzamelde zich voor Okinawa. Het werd een bijzonder bloedige strijd. 12.000 Amerikaanse soldaten, 110.000 Japanse soldaten en 170.000 burgers van Okinawa lieten er het leven. Het aantal gewonden was een veelvoud van die aantallen. De landing in Okinawa was qua schaal zelfs groter dan de initiële landing van de geallieerden in Normandië op D-Day (6 juni 1944). Toen op 23 juni de Japanse bevelhebbers zelfmoord pleegden, betekende dat het einde van de slag. Japan zat nu vrijwel volledig aan de grond, maar ondanks de demoraliserende bombardementen op de grote steden dachten de Japanse militairen, nog opgezweept door de regering van Koiso Kuniyaki 小磯国昭 die na de val van Saigon Tōjō had opgevolgd, niet aan opgeven. De hardnekkigheid waarmee de Japanners Okinawa verdedigd hadden, en de hoge tol in mensenlevens die de verovering van het eiland gekost had, voorspelde weinig goeds voor de verovering van de Japanse hoofdeilanden. De Amerikanen hadden aanvankelijk het plan om vanuit Okinawa een invasie van de hoofdeilanden te lanceren. Door de bloedige ervaring op Okinawa begonnen zij de atoombom als een ernstig alternatief te zien. Er vielen meer doden in Okinawa dan atoombomslachtoffers in Hiroshima en Nagasaki.

Het terugdringen van de nazi's en de capitulatie van Italië

Toen de Duitsers in de winter van 1943 werden teruggeslagen bij het beleg van Stalingrad nam de oorlog in Europa ook een andere wending. Italië werd door de Amerikanen bezet en gaf zich onvoorwaardelijk over. Op 6 juni 1944 greep de landing in Normandië plaats en verplaatste de oorlog zich naar het Duitse grondgebied, waar Amerikanen, Engelsen en Russen samen de nederlaag van de nazi's bewerkstelligden.

Sociale en economische toestand tijdens de oorlog

Samen met het verslechteren van de oorlogssituatie werden de militaire dictatuur en de repressie heviger. Oorlogspropaganda en toenemend fanatisme maakten vrije meningsuiting totaal ondenkbaar.

Zoals hoger uiteengezet was de Taisei Yokusan-kai geen politieke partij zoals de nazi's maar een organisatie die een façade van nationale consensus zocht te creëren. Vakbonden en partijen waren erdoor opgeslorpt, maar vonden er geen discussieforum of inspraakkansen. Er was alleen controle en supervisie. De abstracte en duistere idee dat het gehele volk gemobiliseerd moest worden, lag aan de basis van de organisatie en naarmate de oorlogstoestand verslechterde, kwam er meer nood aan het 'mobiliseren' van de bevolking. Zo ontstonden nog enkele specifieke organisaties, zoals een federatie van politici en parlementairen die wensten samen te werken met de militairen, de Yokusan giin dōmei 翼賛議員同盟, een organisatie opgericht in September 1941 die verkiezingen uitschreef in 1942, maar weinig succes had (zie hoger). Omdat bijna 40 procent toch nog een reële oppositie uitmaakte, werd een heuse eenheidspartij opgericht, de Yokusan seiji-kai, om een volledige greep te krijgen op de politiek. In mei 1945 werd deze partij nog eens hervormd.

De belangrijkste verwezenlijking op het gebied van de volksmobilisatie waren de Tonarigumi of buurtcomités, volledig ingevoerd in 1941. Ze vormden een piramidale structuur: gemeente, stad, prefectuur, nationale comités. Alle huisgezinnen werden opgenomen zodat niemand aan de controle kon ontsnappen. De buurtcomités werden het ideale middel om het moreel van de thuisblijvers op te krikken en om de richtlijnen en propaganda van de overheid tot in de kleinste uithoek te verspreiden. Ze fungeerden ook als controle-eenheden voor rantsoenering, burgerdefensie en deden inzamelingen voor de jongens aan het front, ... Toen de oorlog ongunstig begon te verlopen, werden inspanningen om dissidenten monddood te maken en de propaganda opgedreven. Slogans als 'De Keizerlijke Weg' (Kōdō 皇道), 'De Yamato-Geest' (Yamatodamashii) e.d. gingen een eigen leven leiden. Een antiwesterse houding was een teken van goede burgerzin.

De militairen kregen steeds meer greep op het economische leven en bogen na 1939 de productie volledig in de richting van een oorlogseconomie om. Naarmate de nederlagen zich opstapelden, verloor Japan ontzettende hoeveelheden materieel en gingen ook gebieden verloren waar de noodzakelijke grondstoffen werden gevonden. Vooral de doorgedreven toepassing van de radar kostte de Japanners een groot aantal vliegtuigen en schepen, die ze niet meer konden vervangen. Vanaf 1943 liep de productie van oorlogsmaterieel achterop. Toen de Japanse steden gebombardeerd werden, gingen vele fabrieken in vlammen op en verloor de industrie vele arbeidskrachten.

Het volk verpauperde zienderogen. Steeds meer levensnoodzakelijke producten werden schaars. Rijst en kleding werden streng gerantsoeneerd en alle bruikbare metalen zoals goud en koper werden opgeëist voor de industrie. Omdat gezonde mannen naar het front werden gestuurd, ontstond er ook een groot gebrek aan arbeiders. Iedereen werd ingeschakeld: studenten en scholieren, vrouwen en ouderen werden opgeroepen voor karweien en wapenproductie. De laatste maanden van de oorlog ging Japan tot het uiterste. Omwille van de bombardementen werden in elke buurt brandweercomités opgericht en iedereen moest deelnemen aan de oefeningen. Toen men vreesde voor een Amerikaanse bezetting, werden verdedigingscursussen verplicht. Iedereen moest leren handgranaten werpen en leren vechten met bamboesperen, voor het geval de handgranaten zouden op zijn.

De capitulatie op 15 augustus 1945

Gezamenlijk offensief tegen Japan

In mei 1945 werd Duitsland vanuit het oosten en het westen volledig onder de voet gelopen door de geallieerden. Het aanvaardde een onvoorwaardelijke capitulatie. Nu hadden de bondgenoten de handen vrij om Japan de doodsteek toe te brengen. Het eindoffensief werd besproken in februari 1945 op de Conferentie van Yalta, waar Stalin, Roosevelt en Churchill ook de verdeling van Duitsland bespraken. Op 26 juli werden de conclusies van Yalta, in de aanwezigheid van Chiang Kai-shek, geformaliseerd in de Verklaring van Potsdam (Potsdamu sengen ポツダム宣言), die de volgende voorwaarden omvatte :

- men zou ervoor zorgen dat Japan de wereldvrede nooit meer kon bedreigen;

- het Japanse grondgebied zou worden beperkt tot de vier hoofdeilanden en een resem kleine eilanden in de onmiddellijke buurt;

- oorlogsmisdadigers zouden worden gestraft;

- de vrijheid en de mensenrechten zouden worden hersteld in Japan.

Omdat het er naar uitzag dat Japan deze voorwaarden niet zou accepteren, liet president Harry Truman op 6 augustus 1945 een atoombom afwerpen op Hiroshima en drie dagen later een tweede op Nagasaki. Dat is de officiële Amerikaanse versie, maar er speelden zeker nog andere motieven, onder andere voorkomen dat de Russen zich in Japan zouden komen moeien. De kiemen van de Koude Oorlog werden zichtbaar. Dat Rusland een echt gevaar betekende, werd duidelijk toen het niet-aanvalspact met Japan op 8 augustus werd verbroken en Rusland Mantsjoerije binnenviel.

De onvoorwaardelijke capitulatie

De atoombom verwoestte in één ogenblik 92% van Hiroshima en 36% van Nagasaki. Men schat dat er in Hiroshima 210.000 mensen stierven als rechtstreeks gevolg van het bombardement. De morele veerkracht van Japan was gebroken.

Op 15 augustus aanvaardde Japan de Verklaring van Potsdam. De besluitvorming had veel moeite gekost, want de atoombom had enkele militairen ertoe aangezet te pleiten voor een gevecht tot de dood. De harde eisen van Potsdam, waarin met geen woord werd gerept over het keizerschap als instituut en de persoon van de keizer, leken velen onaanvaardbaar. De keizer hakte de knoop door. Hoewel in het ongewisse over zijn eigen lot, besliste hij om de capitulatie te aanvaarden. In een memorabele toespraak tot de bevolking kondigde hij het besluit aan. op de bevolking, die voor het eerst haar keizer hoorde, in een omfloerste en archaïsche taal en met veel ruis door de slechte ontvangst, maakten de moeizaam uitgesproken woorden een onwezenlijke indruk, maar dat versterkte alleen maar het besef dat het ondenkbare gebeurd was. Sommigen pleegden ritueel zelfmoord, maar de meesten legden zich gelaten bij het verdict neer, zij het bang en onzeker over wat de toekomst brengen zou.

Op 17 augustus trad het capitulatiekabinet van Suzuki Kantarō 鈴木貫太郎 af. Het werd opgevolgd door het kabinet Higashikuni 東久邇, aangeduid door de keizer zelf.

Op 2 september 1945 werd aan boord van het Amerikaanse oorlogsschip Missouri in de Baai van Tōkyō de onvoorwaardelijke overgave getekend door vertegenwoordigers van de Japanse overheid en van de bondgenoten. De ondertekeningsceremonie werd door generaal Douglas MacArthur (Dagurasu Makkāsā gensui, 1880-1964) zorgvuldig geregisseerd en was op een maximumeffect berekend. Ze werd uitvoerig gefotografeerd en gefilmd door Amerikaanse verslaggevers en cameramensen. De beelden die toen geschoten werden, zijn onsterfelijk geworden en zijn emblematisch voor het einde van een tijdperk.

Japan sinds 1945

Inhoudelijk overzicht

Inhoudelijk overzicht hoofdstuk 7

De opbouw van het nieuwe Japan

Na de capitualtie bezetten de geallieerden Japan. Verregaande hervormingen op politiek, sociaal en economisch vlak moesten ervoor zorgen dat een vrije en democratische staat zou ontstaan. De eigenlijke overgangsperiode na de capitulatie was van korte duur, want al snel werd Japan een pion in het politieke schaakspel van de Koude Oorlog. Japan kreeg een belangrijke rol toebedeeld in het Amerikaanse plan om het land als een bolwerk tegen het communisme uit te bouwen. In 1950 was Japan economische alweer op de been. Een beperkte 'oorlogsindustrie' werd heropgestart om de Amerikanen in Korea te bevoorraden. Er kwam voor het eerst weer een onderdrukking van extreem links. Op de conferentie van San Francisco in 1951 sloot Japan officieel vrede met de geallieerde landen en herwon het zijn onafhankelijkheid, al bleef het onder de 'atoomparaplu' van de Verenigde Staten. In de arena van de binnenlandse politiek stellen we vast dat het zelfvertrouwen groeit en duiken de ideologische tegenstellingen tussen links en rechts weer op. Japan groeide uit tot een economische reus, maar bleef op het politieke en militaire vlak een dwerg. Dit had zijn voordelen, maar het bracht ook grote diplomatieke en geopolitieke complicaties mee. Zowel de Verenigde Staten als velen in Japan en Europa zijn die anomalie steeds luider in vraag gaan stellen, maar tussen droom en werkelijkheid bleven tot dusver wetten en praktische bezwaren bestaan.

Onder Amerikaanse bezetting

Voor Japan was de nederlaag en de allereerste bezetting in de lange geschiedenis van het Keizerrijk uiteraard een traumatische ervaring. Nu kwam pas ten volle aan het licht hoe roekloos het land zich in een heilloos avontuur gestort had. Het land zat economisch totaal aan de grond, economische stabiliteit werd logischerwijs de eerste prioriteit. Hiervoor was Japan geheel overgeleverd aan de V.S. die de voedselbevoorrading verzekerde, maar tevens een sterk gecontroleerd financieel beleid voerden. De galopperende inflatie van de eerste naoorlogse jaren was tegen 1951 onder controle gebracht. Een nieuwe grondwet legde de basis voor grondige politieke hervormingen. Op het regionaal niveau liepen de hervormingen wat stroever. Sommigen konden zich moeilijk bij de nederlaag neerleggen, voor andere waren de hervormingen niet radicaal en diepgaand genoeg.

Organisatie en fundamentele oriëntatie van het bezettingsbeleid

Doelstellingen

Theoretisch was de bezetting de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de geallieerden. Zij lieten er geen twijfel over bestaan dat de basisprincipes van het beleid demilitarisering en democratisering zouden zijn. In september 1945 werd een programma opgesteld met de maatregelen die onmiddelijk na de capitulatie genomen dienden te worden. De Verklaring van Potsdam bevatte de volgende voorwaarden:

  • ontmanteling van de politieke en militaire macht van de legerleiding;
  • militaire bezetting van Japan;
  • beperking van de nationale soevereiniteit en inperking van het grondgebied;
  • materiële afbouw van het leger;
  • berechting van oorlogsmisdadigers en aanmoediging van democratische tendensen;
  • omschakeling van de industrie op vreedzame productie;
  • de bezetting mocht pas opgeheven worden nadat een democratische regering stevig ingebed zou zijn.

Organisatie van de bezetting

Het merendeel van het bezettingsleger bestond uit Amerikanen, aangevuld met een klein aantal Australiërs. De facto begon de bezetting in augustus 1945 en in oktober werd officieel het General Head Quarters (GH Q, Rengōkokugun sōshireibu 連合国軍総司令部), het hoofdkwartier van de Supreme Commander for the Allied Powers (SCAP ) (Rengōkokugun saikōshireikan 連合国軍最高司令官) in Tōkyō geïnstalleerd onder bevel van generaal Douglas MacArthur (1880-1964). Daarnaast werden er twee internationale organen gesticht om op de uitvoering van de bezetting toe te zien. De oprichting van beide lichamen werd op 27 december 1945 in Moskou bekendgemaakt. Het hoogste van de twee werd in Washington gevestigd en bestond uit vertegenwoordigers van alle landen die tegen Japan gestreden hadden: de Far Eastern Commission (Kyokutō Iinkai 極東委員会). Zij moest toezien op een in het begin van 1946 opgerichte en uit vier landen (Verenigde Staten, Sovjet-Unie, Groot-Brittannië, China) bestaande Allied Council for Japan (Tai-Nichi Rijikai 対日理事会), die in Tōkyō zetelde. In de praktijk kreeg SCAP zijn bevelen van de Amerikaanse regering en liet zich maar weinig aan die twee organen gelegen liggen. Het woord SCAP ging al snel zowel de persoon van MacArthur als zijn hoofdzakelijk uit Amerikanen bestaande administratie betekenen. De Verenigde Staten waren de belangrijkste overwinnaar en de enige atoommacht. Het was MacArthur die vanuit het GH Q de bezetting dirigeerde, en de bevelen en richtlijnen aan de Japanse administratie opstelde en verstuurde. Hij werd door de Japanners dan ook shōgun genoemd. De Amerikanen organiseerden de bezetting als een grootse show. De Sovjets voelden er niets voor om troepen onder Amerikaans bevel te plaatsen en Chiang Kai-shek had het te druk met zijn strijd tegen de communisten. De Far Eastern Commission en de Allied Council for Japan waren weinig meer dan windowdressing om de bezetting toch een internationale aura te geven. De Allied Council for Japan evolueerde tot een forum waar Russen en Amerikanen hun ideologische ruzies uitvochten, en door het vetorecht (van de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie, Groot-Brittannië en China) in de Far Eastern Commission was ook dit beleidsorgaan machteloos. MacArthur had trouwens een hekel aan de inmenging van deze geallieerde organen. Zij werden opgeheven toen op 28 april 1952 het Vredesverdrag van San Francisco van kracht werd. Omdat de Amerikanen zich ervan bewust waren dat ze het bestuur van Japan niet helemaal in eigen handen konden nemen – alleen al door het enorme taalprobleem was dit onmogelijk – besloten ze de uitvoering van het beleid aan de Japanners over te laten. Aanvankelijk ontscheepte er een ware vloedgolf van Amerikaanse en Australische troepen, om duidelijk te maken dat elke vorm van verzet nutteloos was. Tegelijkertijd werd in Tōkyō een enorm bureaucratisch apparaat opgezet om de Japanse administratie te controleren. Ook in de regio’s werden kleine teams gevestigd om de resultaten van de hervormingen op te volgen. In het begin bestond het hele apparaat uit militairen, maar na verloop van tijd werden vele burgers aangeworven, al bleef het geheel tot het einde op militaire leest geschoeid. Hoewel de Amerikanen goede redenen hadden om de Japanse administratie te gebruiken, en hoe ‘oprecht’ de Japanse medewerking ook was, toch had deze werkwijze de facto gewichtige gevolgen voor de reikwijdte van de voorgestelde hervormingen. Vanzelfsprekend creëerde men zo een enorme contradictie: een belangrijk deel van de Japanse elite kreeg als opdracht zowel het land als de eigen klasse te zuiveren en te democratiseren. Zowel de opdracht als het vertrouwen dat in de uitvoering gesteld werd, zouden misplaatst blijken. Reeds tijdens de planning vóór de overgave hadden bepaalde beleidsmakers in Washington ervoor gepleit geen al te ver reikende hervormingen door te voeren in Japan. Het waren leden van de zogenoemde ‘Japan crowd’, die aangevoerd werd door Joseph Grew, de voormalige ambassadeur in Japan. Zij pleitten ervoor om de hervormingen beperkt te houden. In Tōkyō waren bepaalde medewerkers van MacArthur dezelfde mening toegedaan, in het bijzonder generaal Charles Willoughby, die MacArthur niet zonder gevoel voor humor ’my pet fascist’ noemde. In hun visie was de oorlog een misstap geweest waarin enkele militaristen het staatsapparaat gekaapt hadden. Het zou daarom volstaan om het leger te ontmantelen en een reeks fundamentele wetten uit te vaardigen om politieke democratie te vestigen. Diepergaande hervormingen riskeerden af te drijven in de richting van een gevaarlijke volksdemocratie. Om dat te vermijden waren zij ervoor om de macht terug te geven aan de ‘verantwoordelijke elementen’ van de vooroorlogse elite, mensen uit de zakenwereld en prowesterse veteranen uit het ministerie van Buitenlandse Zaken zoals Yoshida Shigeru en Shidehara Kijūrō. De keizer kon daarbij dienen als anker van stabiliteit. In het begin van 1947 begon men deze benadering te vertalen in concrete beleidslijnen. Deze omslag wordt in het Engels de ’reverse course’ genoemd. Tegen het einde van de jaren ‘40 vonden de Amerikanen het belangrijker om van Japan een betrouwbare bondgenoot te maken tegen het Chinese en Russische communisme dan een echt democratisch land. Democratiseringsplannen werden afgezwakt, rechtse elementen uit de politieke partijen en figuren die in de oorlog belangrijke functies hadden bekleed, kregen een kans op rehabilitatie, terwijl de voorstanders van echte democratie en communisten het zwijgen werd opgelegd. In dat licht moeten we ook het verbod van MacArthur op een algemene vakbondsstaking op 1 februari 1947 zien. In 1948 schroefden de Amerikanen hun plannen terug om de voormalige dochterbedrijven van de zaibatsu te ontmantelen en in 1949 zagen ze af van elke eis tot schadevergoeding. In 1948 moedigde SCAP de Japanse regering aan om de nieuwe naoorlogse arbeidswetgeving te herzien en in het bijzonder staking door overheidsambtenaren te verbieden en de beschermende arbeidsstandaarden terug te schroeven. Al van in het begin van 1947 moedigden zij de Japanners aan om een nationale politie op te richten en naderhand zouden ze ook herbewapening bepleiten. In juni 1950 bereikte de Koude Oorlog een nieuw stadium van intensiteit toen Noord-Koreaanse troepen de 38e breedtegraad overstaken. Enkele dagen later mengden de Verenigde Staten zich in het Koreaanse conflict. Rond diezelfde tijd gaf GH Q de opdracht aan de Japanse regering om leden van de Communistische Partij uit posities in de publieke sector weg te zuiveren. Dit was het begin van de ‘Rode Zuiveringen’ die aan ongeveer 13.000 personen, verdacht van lidmaatschap van de Communistische Partij of communistische sympathieën, hun baan in de publieke of privésector kostten. De opgegeven reden hiervoor was dat hun politieke activiteiten strijdig waren met de democratisering, een van de doelstellingen van de bezetting. Dezelfde argumentatie had ook gediend om de oorlogsleiders in 1945-46 weg te zuiveren. In een ironische bocht van 180 graden werd een aantal mannen die tijdens de oorlog ‘fout’ geweest waren nu gerehabiliteerd. Sommigen onder hen vonden hun weg naar prominente posities in de politieke wereld. Een aantal historici, vooral Amerikaanse, betwisten dat de maatregel een bocht van 180 graden was, en stellen dat hij gewoon in de lijn van de bezettingspolitiek lag. Vooral Japanse historici, vaak van marxistische inspiratie, zien er een cynische uiting in van een politiek die in de eerste plaats het Amerikaanse imperialisme diende. Hoe dan ook, het is beslist niet toevallig dat in hetzelfde jaar 1950 de republikeinse senator Joseph McCarthy in de Verenigde Staten zelf zijn beruchte heksenjacht op communisten lanceerde.

Ontmanteling van oude instellingen

De vijf grote hervormingslijnen

Onmiddellijk na de oorlog, tot ongeveer 1947-48, koesterde de bezetter wel degelijk de hoop Japan diepgaand te democratiseren, er als het ware een experiment in democratie van te maken. De vloed van plannen en richtlijnen die het GH Q naar de Japanse overheid stuurde, bewijst dat. Ook de invloed van de Amerikanen op de nieuwe wetgeving en vooral op de nieuwe grondwet wijst in die richting. In oktober 1945 trad het capitulatiekabinet-Higashikuni af en werd een nieuwe regering gevormd onder Shidehara Kijūrō, de carrièrediplomaat die voor de oorlog tweemaal minister van Buitenlandse Zaken geweest was en als gematigd en pro-Amerikaans bekend stond. Hij moest de richtlijnen van GH Q in daden omzetten. De vijf voornaamste waren: erkenning van de positie van de vrouw door h −− aar stemrecht toe te kennen; −− de oprichting van vakbonden aanmoedigen; −− democratisering van het onderwijs: −− afschaffing van alle repressieve instellingen en gebruiken; −− democratisering van het industrieel-economische complex. Spijts de vele kritiek kan men niet ontkennen dat het sociaaleconomische leven in Japan hierdoor een evolutie ten goede onderging, ook en met name voor de individuele burger.

Ontmanteling van het Japanse imperium

Op 1 januari 1946 proclameerde keizer Hirohito, middelpunt van de ultranationalistische en totalitaire ideologie, dat hij geen goddelijk wezen was maar een mens. Een belangrijk deel van de hoge adel werd, samen met de vele privileges, door hem afgeschaft. Deze verklaring en de voorbeeldige samenwerking met generaal MacArthur hebben waarschijnlijk hemzelf en het keizerlijk huis als instelling gered. De Amerikanen besloten hem omwille van zijn moreel gezag te behouden als boegbeeld van de Japanse natie. Japan verloor alle territoria die het sinds 1868 gewonnen had. Korea werd onafhankelijk, Taiwan werd aan China overgedragen, de Koerilen en Sachalin kwamen onder Russische bezetting. Een groot deel van de kleine archipels kwam onder Amerikaans bestuur, terwijl ook Okinawa door de in 1945 opgerichte Verenigde Naties als protectoraat aan Amerika werd toegewezen. Het Japanse leger en de marine werden op 30 november 1945 ontbonden en alle exmilitairen werden uit het buitenland gerepatrieerd. 3,7 miljoen soldaten en 3,2 miljoen burgers bevonden zich overzee op het moment van de overgave. Oorlogsleiders en oorlogsmisdagers werden gearresteerd en moesten terechtstaan. Ze werden ingedeeld in categorieën. Categorie A omvatte de voornaamste verantwoordelijken die berecht werden door het Kyokutō Kokusai Gunji Saibansho 極東国際軍事裁判所, het Internationaal Militair Tribunaal voor het Verre Oosten. Dit tribunaal was gehuisvest in Tōkyō en de rechtsgang aldaar werd bijgevolg ook het Proces van Tōkyō genoemd. Rechters uit de elf landen die Japan bestreden hadden, stonden onder het voorzitterschap van de Australiër William Webb. Als openbaar aanklager trad de Amerikaan Joseph Keenan op. De hoorzittingen begonnen in mei 1946 en de vonnissen werden in november 1948 uitgesproken. Van de 28 beschuldigden werden er 25 schuldig bevonden en zeven ervan werden tot de strop veroordeeld, namelijk Tōjō Hideki (oorlogspremier), Doihara Kenji 土肥原賢二 (generaal, luchtmachtcommandant), Hirota Kōki (minister van Buitenlandse Zaken en volksmenner die de bevolking opriep om de totale oorlog vol te houden), Itagaki Seishirō 板垣征四郎 (generaal, aanvoerder van de expeditielegers in China en Singapore), Matsui Iwane 松井石根 (verantwoordelijk voor de slachting in Nanjīng), Kimura Heitarō 木村兵太郎 (vicepremier onder Tōjō) en Mutō Akira 武藤章 (generaal in Sumatra en de Filippijnen). In december 1948 werden de vonnissen voltrokken. In totaal werden zo’n zesduizend militairen berecht en ongeveer 940 geëxecuteerd. Alle bestuurlijke instellingen die banden met leger of politie hadden, werden opgeheven, onder meer de ideologische politie (de zogenaamde ‘thought police’) en de Geheime Raad, die als een fascistisch bestuursorgaan werd omschreven. Ook fascistische organisaties werden ontmanteld, zoals de Taisei Yokusan-kai, na de oorlog snel omgedoopt tot Dai-Nihon Seijikai 大日本政治会. De oorlogswetgeving en een reeks repressieve wetten, zoals de wet inzake de openbare orde, werden nietig verklaard. Er vonden grootscheepse zuiveringen plaats in de wereld van de politiek en de zakenwereld, onder de bestuurders en bij de administratie. Tussen 1945 en 1948 werden meer dan 200.000 personen weggezuiverd. Adellijke rangen en voorrechten werden opgeheven. Shintō-heiligdommen verloren hun officiële status en konden niet langer op staatssubsidies rekenen. In het onderwijs werden het respectvol hardop lezen van keizerlijke edicten, het vak moraal en de vakken aardrijkskunde en geschiedenis geschrapt. Later werd maatschappijleer ingevoerd als een combinatie van geschiedenis en aardrijkskunde. Tegenwoordig zijn beide vakken weer gesplitst.

Democratisering van maatschappij en instellingen

Hervorming van het kiesstelsel

De politieke partijen die in de oorlogsjaren waren opgeheven, werden opnieuw actief in 1945. De conservatieve partijen bleken de grootste veerkracht te hebben. Zij hadden steun in de administratie, politieke ervaring en een goed netwerk. De meeste linkse activisten daarentegen waren gevangen of geliquideerd, en dus was het voor linkse partijen moeilijker herop te staan. Mannen en vrouwen kregen gelijke rechten, te beginnen met het stemrecht. De kiesgerechtigde leeftijd werd op twintig jaar gebracht. Ook werd de kieswetgeving zodanig herzien dat zowel mannen als vrouwen zich op 25-jarige leeftijd kandidaat mochten stellen, dankzij de hervormde wet op de verkiezingen (Kaisei Senkyo Hō 改正選挙法). Op basis van deze hervormingen werden in april 1946 de eerste naoorlogse algemene verkiezingen gehouden. In die stembusgang wonnen zes communisten en 39 vrouwen een zetel in de Diet. Ook op regionaal niveau werden de belangrijkste bestuurlijke en politieke functies gezuiverd. De posities van provinciegouverneur en leden van onderwijscomités werden afhankelijk gemaakt van verkiezingen, wat democratisering op de lagere niveaus ook een reële kans gaf.

Onderwijshervormingen

Het ultranationalistische en militaristisch geïnspireerde onderwijssysteem werd grondig herzien. De Amerikaanse instellingen dienden als voorbeeld. Al in 1946 bezocht een Amerikaanse delegatie van specialisten Japan en adviseerde zij de Japanse overheid het Amerikaanse systeem van zes jaar verplicht lager en drie jaar verplicht middelbaar onderwijs in te voeren. Deze idee werd overgenomen in de in maart 1947 uitgevaardigde fundamentele wet op het onderwijs (Kyōiku Kihon Hō 教育基本法) en de fundamentele wet op de scholen (Gakkō Kihon Hō 学校基本法). In april van dat jaar werd een onderwijsplan ingevoerd van gemengd onderwijs volgens een kalender van vier cycli van resp. zes, drie, drie en vier leerjaren. Het vak ‘maatschappijleer’ verscheen in het studieprogramma. Ook de onderwijsadministratie werd grondig hervormd. Op prefecturaal en stedelijk niveau werden de onderwijscomités (kyōiku iinkai 教育委員会) opgericht, waarvan de raadsleden verkozen moesten worden door het volk. Dit werkt een grotere decentralisering in de hand en verminderde de invloed van het ministerie van Onderwijs. Na de opheffing van de bezetting werd de wet op het onderwijs herzien, en vanaf 1957 werden de onderwijsraden weer door de centrale administratie benoemd in plaats van verkozen. De typisch Amerikaanse gedecentraliseerde visie op onderwijs,lokale autonomie en politie, vond geen vruchtbare bodem in Japan. De vooroorlogse tendens tot uitgesproken centralisatie werkte verder door, en viel uiteindelijk, na het vertrek van de bezettingsmacht, weer in zijn oude plooi.

Ontmanteling van de zaibatsu

Omdat in de ogen van de Amerikanen de zaibatsu grote verantwoordelijkheid gedragen hadden in de vooroorlogse expansie en oorlog, wilde het GH Q deze monopolies ontbinden. Alle aandelen en titels van Mitsui, Mitsubishi, Sumitomo en Yasuda, alsook de titels die deze vier houdstermaatschappijen in andere bedrijven hadden, werden openbaar gemaakt. Vervolgens werd het aan de Japanse overheid overgelaten om al de titels van 83 overheidsholdings en 56 aan de zaibatsu geaffilieerde bedrijven van de hand te doen. De ontmanteling werd om diverse redenen niet grondig uitgevoerd, maar één ervan was het anticiperende optreden van de Japanse zaibatsu zelf. Yasuda kwam met een voorstel tot zelfopheffing op de proppen, waardoor het een verregaande uitverkoop kon voorkomen. De top van de piramide verdween, maar de onderliggende niveaus werden gespaard. Het plan werd door MacArthur aanvaard, maar werd doorde Japanse overheid slechts stapsgewijs uitgevoerd, samen met een zuivering van het leidende personeel. Formeel verdwenen de allergrootste conglomeraten, maar de magnatenfamilieswerden door anonieme beheerraden vervangen en structureel was er zo weinig veranderd dat in 1947 al een wetgeving moest ingevoerd worden om het opnieuw ontstaan van monopolies te beletten: de wet op het verbod van monopolies (Dokusen Kinshi Hō 独占禁止法). In feite bestendigde deze wet het status-quo. In 1947 was de grondige hervorming van de Japanse economie nog verre van gerealiseerd. De voornaamste reden was dat de zuivering van de kaders op zich liet wachten. Bovendien werden de zaken steeds gecompliceerder. Amerika begon over te hellen naar de overtuiging dat de Japanse economie niet mocht worden verzwakt. Hierin speelde de verkoeling van de relaties tussen de Verenigde Staten en de Sovjet- Unie uiteraard een grote rol, maar er was ook druk van Amerikaanse beleggers die in de zaibatsu geinvesteerd hadden. Ten slotte werd ook nauwelijks geraakt aan de banken die een spilrol vervulden in de zaibatsu.

Landhervormingen

Wegens de politieke winst van de conservatieven konden hier wel belangrijke hervormingen gerealiseerd worden. Japan kende tot na de oorlog vele parasiterende grootgrondbezitters die zelf hun gronden niet bebouwden. Daartegenover stond een grote massa kleine boeren en pachters, die voor het gebruik van de grond pacht verschuldigd waren in natura, in de vorm van karweien of in klinkende munt. De Amerikanen waren ervan overtuigd dat de afhankelijkheid van die kleine landbouwers, en vooral van diegenen die te weinig grond bezaten om over een stabiel inkomen te beschikken, een hoeksteen was van de voortwoekerende ‘feodaliteit’ op het platteland. Het GH Q baseerde zijn hervormingsplannen bijgevolg op twee pijlers: −−bescherming van de kleine pachters; −− onteigening van alle gronden die niet door de eigenaars werden bewerkt. In december 1945 begon de Diet met het voorzichtig doorvoeren van enkele wijzigingen. Landeigenaars mochten vijf hectaren grond onvoorwaardelijk houden en 40 procent van alle gepachte gronden zou, over vijf jaar gespreid, eigendom van de pachters moeten worden. Dit ging niet ver genoeg voor de Amerikanen. Zij drongen aan op verdergaande ingrepen. Die gingen in februari 1946 van start. De volgende krijtlijnen werden uitgezet: −− de eigenaars mochten slechts een deel van hun gronden verpachten, en afwezige eigenaars werden onteigend; −− pacht mocht voortaan alleen in baar geld betaald worden en er werd een limiet aangegeven, waarboven men niet mocht gaan. De concrete uitvoering had echter heel wat voeten in de aarde. Er was een tekort aan controleurs en een gebrek aan coördinatie, er ontstonden controversen over wat precies als landbouwgrond moest beschouwd worden, of over de vraag of er geen verworven rechten konden gelden, ... Eigenaars probeerden de pacht op te zeggen om zelf de gronden te bewerken. Anderen wilden hun pachters dwingen om gronden te kopen. Lokale toepassingen van de wet moesten uiteraard door lokale comités worden bepaald en de interpretatie wilde wel eens verschillen, afhankelijk van de samenstelling van die comités. Omdat de Allied Council for Japan landbouwhervormingen heel belangrijk bleef vinden, werd op 21 oktober 1946 een nieuwe wet uitgevaardigd onder de naam ‘wet op de speciale maatregelen voor de instelling van de kleine landeigendom’ (Jisakunō Sōsetsu Tokubetsu Sochi Hō 自作農創設特別措置法). De maatregelen waren precies en concreet geformuleerd: Landeigenaars die in de landbouwgemeenschap zelf −− leefden en werkten mochten slechts 1 hectare (chō 町) als pachtland bezitten, de rest kocht de staat op en deze werd aan de pachters doorverkocht (in Hokkaidō was de norm 4 hectaren). −− Pachtrente mocht niet meer dan 25 procent van de opbrengst bedragen en moest in geld worden betaald. −− Om de toepassing van de herverdeling eerlijk te doen verlopen, werd de samenstelling van het Comité voor Landbouwgrond (nōchi iinkai 農地委員会) gereglementeerd: vijf pachters, drie landeigenaars, twee zelfstandige boeren. Naargelang de houding van de zelfstandige boeren slaagde de herverdeling op de ene plaats al beter dan op de andere. Het gevolg was dat op ongeveer vier jaar tijd 80 procent van de verpachte gronden eigendom van de pachters werd. In feite werd het aantal pachters zo gering dat de klasse als dusdanig verdween. In maart 1949 waren deze maatregelen volledig uitgevoerd en op 21 oktober 1952 eindigde de uitwerking van de wet. Het was een goede wet, met een diepgaand en duurzaam effect op de socio-economische realiteit in Japan. Het succes ervan is toe te schrijven aan de aanwezigheid van een tendens die al voor de nederlaag onderhuids werkzaam was. In de Engelstalige literatuur wordt het doorwerken van vooroorlogse latente krachten tot diep in de periode van de bezetting gekarakteriseerd als een ‘transwar’ transformatie. De landhervorming is daar een goed voorbeeld van. Grote landeigenaars, die in vele gevallen zelf in de stad woonden, zagen vanaf de jaren 1920 hun status en positie onder toenemende druk staan. Pachters organiseerden zich om betere pachtvoorwaarden af te dwingen. Ambtenaren van het ministerie van Landbouw traden vaak op als bemiddelaar in geschillen, en hoewel het resultaat nooit een radicale verbetering van de situatie van de pachters inhield, was het cumulatieve effect door de jaren heen toch een erosie van de rechten van de eigenaars. Om de productie te stimuleren maakte de overheid tijdens de oorlog gebruik van een programma van gesubsidieerde aankoop van rijst, hetgeen de pachters ook weer minder van de eigenaars afhankelijk maakte. Wanneer SCAP de landhervorming doorvoerde gaf ze eigenlijk een gestructureerde vorm aan krachten die al voor de oorlog diffuus en latent werkzaam waren. Het ‘transwar’-karakter van deze maatregelen verklaart het succes en de duurzaamheid van hun effect. Toch verdwenen de zogenaamde ‘feodale’ relaties niet helemaal. Vele boeren slaagden er niet in voldoende grond bijeen te kopen om in hun eigen levensonderhoud te voorzien en moesten in loondienst gaan werken bij de vroegere eigenaars. Nogal wat gewone grond, die niet onder de herverdeling viel, werd nu pas in cultuur gebracht. Vooral in afgelegen gebieden waren de boeren nog steeds aangewezen op de toestemming van de landeigenaar, bijvoorbeeld voor het rapen van sprokkelhout in diens bossen. Toch betekende het resultaat van de hervormingen globaal genomen een geweldige revolutie op het platteland.

Ontvoogding van de arbeiders

De Amerikanen eisten dat vakbonden opgericht zouden worden en garanties gegeven zouden worden over de bestaanszekerheid van de arbeiders. In 1945 werd het verenigingsrecht van de arbeiders erkend. Op last van het GH Q vaardigde de Japanse overheid drie wetten uit: −− De wet op de vakvereniging (Rōdō Kumiai Hō 労働組合法), uitgevaardigd in december 1945, die het recht op vereniging en collectieve arbeidsonderhandelingen garandeerde. −− De wet op de bemiddeling in arbeidsgeschillen (Rōdō-kankei Chōsei Hō 労働関係 調整法), uitgevaardigd in september 1946, die mechanismen voor het regelen van arbeidsdisputen, bijvoorbeeld in comités, regelde. −− De wet op de arbeidsstandaarden (Rōdō kijun Hō 労働基準法), uitgevaardigd in april 1947, die het recht op arbeid en bestaanszekerheid verzekerde. In weerwil van het geringe enthousiasme van de Japanners (wat onder meer blijkt uit de data van de wetten) zorgde de steun van de Amerikanen voor een uitbarsting van vakbondsactiviteit tijdens de eerste maanden van de bezetting. Gevangen leiders kwamen vrij, bonden werden opgericht en er werd gretig gebruikgemaakt van de verworven vrijheden: stakingen, betogingen, langzaamaanacties, productiecontroles, ... Tegen het einde van 1946 waren er bijna vijf miljoen vakbondsleden. Tegen 1949 waren meer dan 56 percent van de loonarbeiders lid van een vakbond. Werkgevers zagen zich genoopt om de eisen van de vakbonden in te willigen: loonopslag, oprichting van ondernemingsraden,en het intrekken van plannen om arbeiders te ontslaan. In 1947-48 begonnen de Amerikanen zelf te vinden dat sommige van de activiteiten te sterk communistisch gekleurd werden, en zij namen gas terug. Zij verplaatsten hun prioriteit van democratisering naar economisch herstel. De werkgevers grepen deze trendbreuk aan om het initiatief weer naar zich toe te halen en overeenkomsten te sluiten met meer inschikkelijke vakbondsleiders, die voorrang gaven aan harmonie boven conflict.

Een nieuwe grondwet voor Japan

In oktober 1945 werd de Meiji-grondwet door het GH Q onwettig verklaard. Het kabinet Shidehara kreeg opdracht een nieuwe grondwet te ontwerpen in samenwerking met een comité van ambtenaren van de SCAP -administratie. In januari 1946 was het ontwerp klaar en werden voorstellen van politieke partijen en andere burgerlijke verenigingen genoteerd. Toen deze voorstellen al te conservatief bleken, legde het GH Q de zogenaamde ‘MacArthur Note’ voor met drie centrale verplichtingen: −− De keizer mocht geen enkele bevoegdheid hebben. Het in stand houden van een leger en het gebruik van oorlog −− om de wil van de staat op te leggen waren taboe. −− Japan moest grondig worden gedemocratiseerd; bijgevolg dienden alle ‘feodale’ rechten en plichten van individuele burgers afgeschaft te worden. Op 4 februari gelastte MacArthur de Government Section van SCAP om in allerijl zelf een eigen ontwerp van een grondwet te redigeren. Hij deed dit om te vermijden dat de Allied Council for Japan zich ermee zou bemoeien, en dat de zaak op de lange baan geschoven zou worden. Niemand van de stafleden van SCAP had echter enige ervaring met het opstellen van grondwettelijke teksten. Een van de stafleden, de enige vrouw overigens, Beate Sirota Gordon, trok de stad in op zoek naar exemplaren van nationale grondwetten. Ze vond er tien en daarmee ging de staf aan de slag. In zeven dagen tijd slaagden ze erin een tekst gereed te maken. Met geringe wijzigingen werd het voorstel in de lente van 1946 door de Diet goedgekeurd en in november 1946 uitgevaardigd. De nieuwe grondwet werd op 3 mei 1947 van kracht en er is sindsdien nog geen jota aan gewijzigd. Niet alleen inhoudelijk maar ook in het taalgebruik blijkt de belangrijke invloed van de Amerikaanse bezetter in de nieuwe grondwet. De belangrijkste hervormingen waren: −− De soevereiniteit ligt bij het volk. −− Japan ziet voor altijd af van oorlog als middel om internationale geschillen op te lossen. −− De keizer wordt volgens de algemene wil van het volk het symbool van de staat en van de eenheid van het volk, maar heeft geen bevoegdheden. −− De Diet (parlement) is de hoogste instantie waarin de soevereiniteit van het volk tot uiting komt. −− Het Hogerhuis wordt voortaan op basis van algemene verkiezingen samengesteld. −− De eerste minister wordt door het parlement aangesteld. De keizer bekrachtigt zijn aanstelling. −− Fundamentele burgerrechten, zoals vrijheid van meningsuiting, van vergaderen en godsdienst, moeten geëerbiedigd worden. −− De gelijkheid van man en vrouw wordt gewaarborgd en het gezin, in plaats van de clan, wordt als kern van de maatschappij beschermd. −− Aan het Japanse volk werden ook een aantal sociale rechten gegarandeerd: recht op opvoeding in overeenstemming met talent, op een menswaardig bestaan en op werk. −− De grondwet verbood discriminatie op grond van geslacht, ras, geloof, status of afkomst. Vrouwen kregen gelijkheid in huwelijk, scheiding, eigendom en erfenis. Ondanks zijn democratische inslag bestond en bestaat er nogal wat kritiek op de inhoud van de grondwet en op de manier waarop hij tot stand kwam. MacArthur stelde het voor alsof de keizer en de Japanse regering hem aan het Japanse volk schonken. Het werd toen al duidelijk dat de keizer niet vervolgd zou worden wegens oorlogsmisdaden, en zelfs niet tot aftreden gedwongen zou worden. Misleidend was de gewekte indruk dat de Japanse overheid een actieve rol in de totstandkoming van de grondwet gekregen had, wat helemaal niet het geval was. Vrijwel de volledige tekst werd in ‘vertaaljapans’ geschreven en als dusdanig opgedrongen aan de regeringsleiders onder het dreigement dat de Amerikanen hem anders rechtstreeks aan het volk zouden voorleggen. Ook voerden critici aan dat de Amerikanen in feite de geest van het Japanse autoritaire regime bestendigden door de grondwet te laten afkondigen als een geschenk van de keizer en de regeringsleiders aan het volk. Daardoor was Amerika voortaan gebonden aan de persoon van de ‘mensgeworden’ keizer. Het zogenaamde pacifistische artikel 9 (Japan ziet voor altijd af van oorlog als middel om internationale geschillen op te lossen) was en is het meest heikele punt in de nieuwe grondwet. Zodra Japan zijn soevereiniteit herwon, werd het ter discussie gesteld. De hedendaagse realiteit wijkt al behoorlijk af van de grondwettelijke theorie: Japan beschikt sinds de jaren 1950 over professionele strijdkrachten, die geen ‘leger’ maar ‘zelfverdedigingsmacht’ genoemd worden. Zij verschillen inderdaad van een klassiek leger in een aantal opzichten: hun beperkte grootte, de samenstelling van hun bewapening, en hun bewegingsvrijheid (of liever: het gebrek daaraan). In verhouding tot het land, zijn bevolking en zijn economische draagkracht is het aantal manschappen beperkt. Zij beschikken niet over offensieve wapensystemen en het jaarlijkse budget is aan een strikt kader gebonden. Zij mogen alleen het eigen territorium verdedigen en het is hun zelfs verboden om zich in collectieve defensie te engageren. In 2007 heeft het kabinet van Abe Shinzō het eindelijk voor elkaar gekregen dat de Diet het principe aanvaardde dat de grondwet voor herziening vatbaar moet gemaakt worden. Er is echter nog een lange weg te gaan voor hij ook daadwerkelijk herzien wordt. Er moet onder meer nog een referendum aan voorafgaan. Ondanks de kritiek heeft de pacifistische grondwet een groot draagvlak bij de Japanse bevolking en het is maar de vraag of de meerderheid zich in het referendum voor wijziging zal uitspreken. De ervaring met de atoombom heeft Japan er ook van weerhouden om een eigen atoombom te gaan ontwikkelen, hoewel het daartoe zeker de nodige financiële middelen en technologische knowhow bezit. De sociale en wettelijke gelijkheid van de vrouw in de grondwet was grotendeels te danken aan de inbreng van de hogervermelde Beate Sirota Gordon (geb. 1924). Tijdens de jaren dertig had zij als kind samen met haar ouders in Japan gewoond en zij sprak vlot Japans. In 1938 was zij in de Verenigde Staten gaan studeren. Zij was een van de weinige Kaukasische Amerikanen die in 1945 vlot Japans spraken en zij had geen moeite om een baan te vinden als tolk bij SCAP . Zij was de eerste Amerikaanse burger die Japan na de overgave binnenkwam. De naoorlogse praktijk bleef echter ver achter ten opzichte van de grondwettelijke rechten van de vrouw. De dominante positie van mannen in de familie en de samenleving bleef bestaan, maar de basis was gelegd voor een langzame emancipatie van de vrouw, die pas vanaf de jaren tachtig werkelijkheid zou worden.

Het nieuwe burgerlijk wetboek

Het traditionele clan-familiesysteem was patriarchaal. Het clanhoofd, familiehoofd of pater familias (koshu 戸主) had haast absolute zeggenschap in het bestuur van de clan of de meergeneratiefamilie en in alle beslissingen stond het welzijn en de status van de clan of de familie voorop. Als de pater familias stierf of zijn functie niet meer kon vervullen, nam de oudste zoon van het ‘hoofdhuis’ de rol van clanhoofd over. Oudere zonen en jongens in het algemeen hadden een bevoorrechte positie en vrouwen werd bijgebracht hoe zij zich dienden te schikken in hun ondergeschikte positie. Na de oorlog werd het hele systeem formeel en juridisch grondig herzien. Voortaan ging men uit van de gelijke rechten van man en vrouw (danjo dōken 男女同権), ook tussen echtelieden binnen het gezin. Dit had zijn weerslag op het erfenisrecht, dat voortaan naar westers model werd opgesteld (bijvoorbeeld bij overlijden van de man erfde eerst de echtgenote 50 procent, vervolgens de kinderen, ...) Huwelijken konden voortaan alleen plaatsvinden met wederzijdse instemming. Traditioneel en sociaal staat de familie nog steeds in hoger aanzien dan in het Westen, al is dit deels te verklaren door het feit dat de welzijnssector in Japan minder goed uitgebouwd is, en oudere en zwakkere familieleden dus meer op hun familie aangewezen zijn.

Hervormingen van het regionale bestuur

Om de wil van het volk op het lokale politieke niveau vorm te geven, werd de wet op de lokale autonomie (Chihō Jichi Hō 地方自治法) uitgevaardigd, die de bestuursfuncties van regionale autonome raden verkiesbaar maakte en ‘ontzettingsprocedures’ (rikōru-sei リコール制) in het leven riep. De politie werd gedecentraliseerd. Elke regio kreeg eigen verantwoordelijkheid voor een politiecorps, dat eventueel voor de coördinatie kon bijgestaan worden door de nationale politie. Het ging hier om een verregaande decentralisatie, die evenwel na de onafhankelijkheid van Japan door de conservatieven weer ongedaan werd gemaakt. Hoewel de vrees voor de herrijzenis van een vooroorlogs centraal politieapparaat met zijn repressieve imago ongegrond is gebleken, is de organisatie van het huidige Japanse politiecorps weer sterk centraal gecoördineerd.

De economische wederopbouw onder de Amerikaanse bezetting

Voedseltekorten en stagnerende voedselproductie

Vlak na de oorlog werd Japan getroffen door grote voedseltekorten, omwille van de oorlogsschade, de gebrekkige productie en vooral het stopzetten van de import. De gekoloniseerde gebieden weigerden nog iets te leveren aan Japan. In de stedelijke gebieden waren de problemen het grootst. De Japanse overheid dwong de landbouwers hun opgepotte voorraden te verkopen en riep daarnaast de hulp van het GH Q in. De ontevredenheid van het volk steeg en in mei 1946 braken er ernstige rellen uit, bekend onder de naam Kome yokose 米よこせ (’Geef ons rijst’), die de bedeling en de distributie in vraag stelden. Betogingen en petities aan de keizer zagen de Amerikanen met gemengde gevoelens aan, maar toen bleek dat relletjes en stakingen door linkse activisten werden georganiseerd, zagen de bezetters zich helemaal voor een dilemma geplaatst: enerzijds stimuleerden ze vrije vakbonden, anderzijds vreesden ze het communisme. Vanaf dat moment organiseerde het GH Q wel betere rantsoenbedelingen. Ook aan grondstoffen leed Japan een groot tekort. Er heerste een grote crisis in de productie van steenkool, ijzer, elektriciteit, ... Alle sleutelindustrieën waren ingekapseld in de zaibatsu-monopolies, die zelf geen initiatief namen om de crisis op te lossen, officieel omdat de aandeelhouders niet wisten in welke mate de Amerikanen trusts zouden laten voortbestaan, maar in feite omdat ze wilden laten voelen hoe onmisbaar ze waren in het Japanse bestel. De overheid speelde een erg dubieus spel, aangezien ze de zaibatsu miljarden yen uitbetaalde om de geleden oorlogsschade te boven te komen, hun fabrieken herop te bouwen en de productie weer op gang te brengen. De bedrijven gebruikten het geld vooral om structurele verschuivingen voor te bereiden, zuiveringen tegen te houden en zich onmisbaar te maken in de economische wederopbouw van Japan. Het fonds voor de wederopbouw (Fukkō Kin’yū Kinko 復興金融金庫) keerde deze bedragen uit. De staat kwam zo in grote geldnood, wat prijsstijgingen en inflatie veroorzaakte. Deze werden niet doeltreffend bestreden, omdat de conservatieven in Japan wel inzagen dat de economische wederopbouw de Amerikanen nader aan het hart lag dan de hervormingen op sociaal vlak.

Toenemende inflatie

Voor het einde van de oorlog was de inflatie al redelijk hoog, maar het deficit spending waartoe de Japanse overheid na de capitulatie haar toevlucht nam, in een wanhopige poging om de economie te doen heropleven, zorgde voor een monetaire ontsporing. Het eerste jaar na de oorlog verzevenvoudigden de prijzen. Om dat enigszins in te dijken werden in februari 1946 financiële noodmaatregelen (Kin’yū Kinkyū Sochi Rei 金融緊急措置令) getroffen. De burgers werden verplicht te leven van 500 yen per maand, lonen en spaardeposito’s werden geblokkeerd, het in omloop zijnde volume aan yen werd met driekwart gereduceerd, maar het bleef allemaal zonder veel resultaat. Na één jaar was de situatie even erg als in 1946. In de eerste fase lag de uitvoering van het anti-inflatiebeleid in handen van Yoshida Shigeru 吉田茂 (1878- 1967), die als een van de belangrijkste maatregelen de bovengenoemde kredieten voor de wederopbouw introduceerde, met het doel een gerichte economische productie op gang te brengen. Deze maatregelen joegen de inflatie eerder de hoogte in dan soelaas te brengen. Een groot obstakel vormden de financiële kringen. De overheidsmaatregelen waren op zich zinvol: een strikt industrieel beleid gericht op het produceren van de levensnoodzakelijke producten, het verminderen van de overheidsuitgaven om de inflatie te beteugelen, het rantsoeneren van voedsel en andere producten om de import tot het essentiële te beperken en de stadsbevolking te voeden. Alles was erop gericht niet al te zeer afhankelijk te worden van de Amerikanen, iets waar vooral conservatieve kringen zeer beducht voor waren. Zolang de zakenwereld niet zeker was in hoeverre hij aan de oorlogsrepresailles zou kunnen ontkomen, was dit programma moeilijk uitvoerbaar. In de ogen van de bedrijfsleiders hadden investeringen die het risico liepen later onteigend te worden geen zin. Bovendien bleven de concerns de meeste productiemiddelen en voorraden beheren, zolang er geen zuiveringen werden doorgevoerd. Inflatie was voor hen interessant, omdat de waarde van hun stocks en kapitalen erdoor toenam. Bovendien deinsden ze er niet voor terug prijsverhogingen door te voeren waar mogelijk.

Amerikaanse hulp en aanmaningen

Het jaar 1947 is cruciaal om de verdere uitwerking van het programma van de bezetting te evalueren. We moeten echter verder kijken dan Japan. Op politiek vlak begon zich in Amerika een tegenstelling af te tekenen. Groeperingen met belangen in de Japanse industrie begonnen de hervormingen af te remmen en stilaan kwam het GH Q onder de invloed van deze ’realisten’ in de zakenwereld, die zich distantieerden van het ‘democratisch experiment’ van de militairen en de ambtenaren. Het argument dat de Amerikanen als overwinnaar zich niet om de wederopbouw van Japan hoefden te bekommeren, vond een gewillig gehoor, maar de basisreden van de koerswijziging was politiek. Amerika begon Japan te zien als een voorpost tegen de toenemende invloed van de Sovjet-Unie in het Verre Oosten. Op 12 maart 1947 werd een sterk, welvarend en kapitalistisch Japan in de Trumandoctrine opgenomen. Op 5 juni van hetzelfde jaar herhaalde het marshallplan deze visie. Expliciet werd in deze plannen gesteld dat elk land dat zich door het communisme bedreigd voelde voortaan een beroep kon doen op de financiële en de economische steun van de Verenigde Staten. Er werd zowat $ 400.000.000 ter beschikking gesteld. Deze ommezwaai in het beleid was van geopolitiek belang. Sinds 1823 had de isolationistische Monroedoctrine, ondanks twee wereldoorlogen, de grondslag gevormd van de Amerikaanse buitenlandse politiek. Nu gaf Amerika deze politiek op en concentreerde het zich op het economisch herstel van Europa, Japan en andere landen om de invloed van de Sovjet-Unie in te dijken. In het Engels gebruikt men in dit verband vaak de term ‘containment’ om deze politiek te karakteriseren. Voor Japan bracht de koerswijziging met zich mee dat er twee steunfondsen werden opgericht: Garioa - Senryō Chiiki Kyūsai Shikin ガリオア 占領地域救済資金 (Government Appropriation for Relief of Occupied Areas Fund), hoofdzakelijk bedoeld als steun voor de productie van consumptiegoederen, en Eroa - Senryō Chiiki Keizai Fukkō Shikin エロア 占領地域経済復資金 (Economic Rehabilitation in Occupied Areas Fund), hoofdzakelijk steun voor de industriële wederopbouw. Omdat de Amerikanen rechtstreekse financiële steun gaven, kregen ze ook dadelijk inspraakin de concrete maatregelen die de Japanners moesten nemen om de inflatie te drukken en een gezonde kapitalistische economie op te bouwen. In december 1948 presenteerde het GH Q de Keizai Antei Kyū Gensoku 経済安定九 則 (Nine Point Economic Stabilization Program) aan Yoshida, wiens conservatieve achterban zich gelastte met de rigoureuze uitvoering ervan. Indien Japan verdere hulp wenste te ontvangen, dan moest het: −− overheidsuitgaven saneren e het budget in evenwicht brengen; −− belastingen verhogenn; −− lonen stabiliseren en/of bevriezen; −− de prijzenspiraal doorbreken, het volk tot matigheid dwingen, ... Om het programma te realiseren zond Amerika ‘hakbijl’-specialisten, waaronder de Detroitse bankier Joseph Dodge. Naar hem werd dit beleid de Dodge Line (Dojji Rain ドッジ・ライン) genoemd. Enkele van Dodges voorschriften waren: het verhogen van de transportprijzen van het openbaar vervoer, strikte looncontroles, herziening van de antimonopoliewetten in het voordeel van de zaibatsu, algemeen stakingsverbod, de werklozensteun afschaffen opdat er ijverig naar werk zou gezocht worden, ... Alle zwakke schakels in de Japanse economie werden afgestoten. Een derde van de zowat vier miljoen kleine ondernemingen ging bankroet en Japan geraakte in een diepe economische depressie. De grote zaibatsu kwamen er bovenop, maar investeerden nauwelijks in consumptiegoederen. Kleine ondernemers en arbeiders moesten de lasten torsen. In juni 1950 kon men de resultaten van de Dodge Line aanschouwen. Het budget voor 1949-1950 was in evenwicht, er was een vaste wisselkoers vastgelegd voor dollar en yen (360 yen voor 1 dollar), de economische productie bedroeg slechts een derde van het peil van 1931, er werd maar de helft geïnvesteerd van 1949. Maar in het jaar 1950 brak de oorlog in Korea uit. In een van de vele ironische bochten van de geschiedenis werd dit conflict de reddende hand die naar Japan uitgestoken werd. De Amerikaanse bestellingen voor de interventie in Korea brachten een miraculeuze economische heropbloei op gang, en verbeterden aanzienlijk de relaties tussen Japan en de Verenigde Staten.

Ontwikkeling van de Arbeidersbeweging

De levensstandaard van de bevolking ging schrikwekkend omlaag omwille van de rantsoeneringen en voedseltekorten, de stagnerende productie, de toenemende werkloosheid en de relatieve loonsvermindering in vergelijking met de inflatoire prijzenspiraal. Het GH Q ondersteunde de meeste van deze maatregelen, wat aanleiding gaf tot een grote en radicale frontvorming bij de arbeiders. Omwille van hogergenoemde maatregelen konden de vakbonden zich vrij ontplooien en kregen ze een juridische status. Ze voerden op allerlei manieren actie. De origineelste was wellicht de productiecontrole. In augustus 1946 ontstonden twee nationale vakbonden, de Zen Nihon Sangyōbetsu Rōdō Kumiai Kaigi 全日本産業別労働組合会議 of Sanbetsu Kaigi 産別会議, en de Nihon Rōdō Kumiai Sōdōmei 日本労働組合総同盟 of Sōdōmei 総同盟. Het aantal aangesloten leden bedroeg 6,6 miljoen arbeiders. Ze gingen over tot actie tegen de rigoureuze economische maatregelen. Op 1 februari werd een algemene staking in de overheids- en de privésector gepland om het aftreden van Yoshida te eisen. Dat deze Ni-ichi zenesuto 二・一ゼネスト uiteindelijk niet plaatsvond, was te wijten aan de rechtstreekse tussenkomst van MacArthur, die weliswaar de arbeidersvrijheden niet in het gedrang wou brengen, maar de wederopbouw belangrijker vond. Deze ingreep ten voordele van de conservatieve regering en de zakenwereld was een duidelijk signaal voor de socialistisch en democratisch ingestelde leiders dat het democratiseringsbeleid van de Verenigde Staten afgesloten was. Het kwam later zelfs zo ver dat stakingspiketten met tanks verdreven werden.

Reconstructie van de politieke partijen

Een versnipperd politiek landschap

Te beginnen met de oprichting van de Socialistische Partij van Japan (Nihon Shakai-tō 日本社会党) in november 1945, werden verschillende partijen van socialistische signatuur gesticht door vooroorlogse leiders van arbeiderspartijen en -bewegingen. De belangrijkste was de Socialistische Massapartij (Shakai Taishū-tō), met als eerste voorzitter Katayama Tetsu 片山哲. In 1947 werd ze de grootste partij van Japan en dit leverde Katayama het eersteministerschap op. In 1951 kwam er een tijdelijke scheuring tussen rechtse en linkse elementen, maar de scheuring werd in 1955 bijgelegd, tot in 1960 de Democratische Socialistische Partij (Minshu shakai-tō) definitief een eigen koers ging varen. Aan conservatieve zijde werd de Liberale Partij van Japan (Nihon Jiyū-tō 日本自由党), erfgenaam van de vooroorlogse regeringspartij Seiyū-kai onder het leiderschap van Hatoyama Ichirō 鳩山一郎 (1883-1959), de grootste. Hatoyama werd echter weggezuiverd wegens zijn rol in de Taisei Yokusankai. De Rikken Minsei-tō 立憲民政党 nam een nieuwe start als de Progressieve Partij van Japan (Nihon Shinpo-tō 日本進歩党), die later de naam Democratische Partij van Japan (Nihon Minshu-tō 日本民主党) aannam. De derde conservatieve partij was de Partij voor de Samenwerking van het Volk (Kokumin Kyōdō-tō 国民協同党). Uiterst links van het politieke spectrum bevond zich de Communistische Partij van Japan (Nihon Kyōsan-tō 日本共産党), die dadelijk na de oorlog radicale sociale hervormingen eiste. Dit was de enige partij die nooit enig compromis met de militaristen had gesloten. Alle andere partijen, inclusief de socialistische, hadden zich in mindere of meerdere mate ‘verbrand’. De verkiezingen van 1946 werden gewonnen door de Liberale Partij van Japan (Nihon Jiyū-tō 日本自由党) en haar leider Yoshida Shigeru 吉田茂 (1878-1967) werd in mei 1946 eerste minister. Onder zijn regering werd de nieuwe grondwet uitgevaardigd en in maart 1947 werd het keizerlijk Parlement ontbonden, waarna er nieuwe algemene verkiezingen werden uitgeschreven. Omdat Yoshida niet veel had ondernomen tegen debelabberde sociale toestand, wonnen de socialisten de verkiezingen en kon Katayama Tetsu 片山哲 (1887-1978) met de Democratische Partij van Japan (Nihon Minshu-tō) en de Partij voor de Samenwerking van het Volk (Kokumin Kyōdō-tō 国民協同党) een coalitieregering op de been brengen, waarvan hij in mei 1947 premier werd (zie verder).

De eerste naoorlogse verkiezingen

De verkiezingen van 1946 hadden niet het verhoopte effect van vernieuwing. De voornaamste reden daarvoor was dat in de rangen van de liberalen talloze politici gewoon verderwerkten alsof Japan niet bezet werd. De zuiveringen gebeurden immerslang niet grondig. Vooral op het platteland bleven de oude partijstructuren vrijwel ongemoeid. Ze genoten niet alleen de financiële steun van de zaibatsu maar zelfs de morele steun van de SCAP . De oppositie bevond zich wat dat betreft in een slechter parket. Niet alleen was de partijstructuur tijdens de oorlogsjaren grondig vernield, maar het imago van de socialisten had ook schade geleden door de collaboratie van enkele van haar kopstukken met Tōjō. Alleen de communisten hadden een ongeschonden blazoen, omdat zij consequent het militarisme bestreden hadden. Zij hadden daar echter een zware prijs moeten voor betalen. De repressie had de structuur van de partij vernietigd en haar ervaren activisten uitgeschakeld. Bovendien was de linkse oppositie innerlijk verdeeld. Een gematigde vleugel steunde het behoud van het keizerlijk bestel. Toen het GH Q zijn voorkeur in maart 1946 bekendmaakte, kregen de socialisten het publiek achter zich. Het overgrote deel van het Japanse volk aanvaardde erg dociel de wens van de Amerikaanse bezetter. Vermits de Communistische Partij zich tegen het keizerschap keerde, was er op dit punt geen compromis mogelijk. De conservatieve en de progressieve liberalen haalden, met enkele kleinere partijen, bijna driekwart van de stemmen. Voor de uitvoering van zijn plannen moest de Amerikaanse bezetter voortaan niet meer optornen tegen een bijzonder stroeve bureaucratie, maar kon hij rekenen op de medewerking van conservatieve politieke partijen. Deze partijen hadden echter overduidelijke banden met het leger en met mannen van de oude garde. Bovendien werd het bestrijden van de economische crisis bijzonder moeilijk, omdat de politieke vertegenwoordigers alle maatregelen van het SCAP bleven saboteren, zolang ze niet zeker waren van hun toekomst. De regering Yoshida verviel al vlug in immobilisme, vooral op sociaal gebied. De conservatieve partijen behielden toch talloze voordelen in vergelijking met de linkse partijen. De zuiveringen i −− n hun rangen bleven erg beperkt. −− De maatregelen van het GH Q om de lokale ambtenarij te democratiseren, werden nauwelijks doorgevoerd. −− Allerlei mechanismen van politieke controle waren niet afgeschaft, zodat de conservatieven een sterke controle op het volk behielden. −− Het kiesstelsel werd veranderd in het voordeel van de conservatieven: kiesdistricten werden verkleind volgens grenzen die samenvielen met de conservatieve bastions, en per district werd slechts één vertegenwoordiger gekozen. −− Door zijn anticommunistische uitlatingen via de media leek het wel alsof de SCAP partij koos voor de conservatieven, wat zijn gevolgen had voor de linkse partijen. Samenvattend kunnen we de invloed van de Amerikanen op de Japanse politiek als volgt typeren. Het gemak en de snelheid waarmee de Japanners zich bij de bezetting neergelegd hadden, leidden ertoe dat de Amerkanen de wil van de heersende oligarchie om haar machtsbasis te beschermen onderschatten. De bezetter trad niet voldoende snel en drastisch op om de gevestigde machtsinstanties uit te schakelen en een grondige zuivering van politici, zakenlui en bureaucraten mogelijk te maken. De democratische draagwijdte van de richtlijnen was aanvankelijk onmiskenbaar, maar de beslissing om de uitvoering over te laten aan de bestaande overheidsinstanties had tot gevolg dat niet-weggezuiverde aanhangers van het oude regime de maatregelen konden afzwakken of op de lange baan schuiven. Zij zorgden er wel voor dat ze steeds konden blijven optreden als de wettige vertegenwoordigers van het Japanse volk. Met deze twee troeven in handen kostte het hun weinig moeite om de politieke en economische structuren te blijven beheersen. De Amerikanen waren of naïef of maakten een enorme inschattingsfout toen zij meenden dat zij als gezondenen Gods de democratie konden schenken, en geloofden dat die democratie van de eerste dag naar wens zou functioneren. De inspanningen van het GH Q tijdens de eerste maanden van de bezetting om de democratie ingang te doen vinden, riepen ironisch genoeg een politieke oppositie in het leven, die al snel naar extreem links evolueerde en een doorn werd in het oog van de Amerikanen. Na de verkiezingen van 1946 legde de bezetter het accent al meer op controle dan op het aanmoedigen van democratische tendensen. Deze controle vond plaats via traditionele kanalen en consolideerde de positie van de conservatieven.

Onstabiele kabinetten

Om bovengenoemde redenen bleef de winst van de linkse partijen in de verkiezingen van maart 1947 vrij beperkt en waren ze genoopt een coalitie te sluiten om aan de macht te komen. De coalitievorming liep niet van een leien dakje. Ongeveer een maand lang voerden socialisten, de Democratische Partij van Japan (Nihon Minshutō 日本民主党), de Partij voor de Samenwerking van het Volk (Nihon Kyōdō-tō 日本協同党) en de Liberale Partij van Japan (Jiyū-tō 自由党) onderhandelingen. De communisten werden hardnekkig uit het beraad geweerd. Om in de regering te worden opgenomen moesten de socialisten zich openlijk tegen het communisme uitspreken en hun linkervleugel zuiveren. Dit laatste weigerden ze te doen, maar ze moesten wel ander voorwaarden aanvaarden: hun linkervleugel mocht geen ministers leveren, ze zouden geen extreem linkse verklaringen dulden, ze zouden geen staatsgeheimen laten uitlekken, geen nationaliseringen doorvoeren en geen aanleiding tot sociale onrust geven. Ondanks al die voorwaarden weigerden de liberalen toch nog om in de regering te stappen, zodat Katayama Tetsu moest aantreden aan het hoofd van een driepartijenkabinet. De socialisten kregen de portefeuilles van Onderwijs, Land- en Bosbouw, Justitie, Handel, Nijverheid en het voorzitterschap van de Economische Stabiliseringsraad. Het kabinet werd van bij de aanvang geconfronteerdmet de enorme crisis. Tegen de algemene verwachtingen van het volk in kon het moeilijk anders dan strikte prijsafspraken maken voor voedsel (rijst) en grondstoffen, en tevens loonblokkeringen en een sobere houding aan de arbeiders voorschrijven. Verder werd het, in se onsocialistische, economische beleid van Yoshida voortgezet: de sleutelnijverheden kregen steun en monopolievorming werd gedoogd. Uiteraard leidde dit tot spanningen binnen de Socialistische Partij en Katayama moest vroegtijdig opstappen. Ashida Hitoshi 芦田均 (1887-1959) zette dezelfde driepartijencoalitie verder, maar zijn kabinet liep op de klippen door een corruptieschandaal, waarin meerdere kabinetsleden betrokken waren. Diverse kabinetsleden en een aantal ambtenaren werden ervan beschuldigd van het chemische bedrijf Shōwa Denkō 昭和電工 steekpenningen gekregen te hebben. Op het proces werden alle betichten, behalve één ambtenaar, echter vrijgesproken. Sommigen menen dan ook dat het schandaal in scène gezet werd om de vooruitstrevende, linkse Ashida ten val te brengen. In oktober 1948 kwam Yoshida voor de tweede maal aan de macht. Hij zou dit keer vijf jaar eerste minister blijven van een kabinet van liberale signatuur. De socialisten verloren veld en hun kritiek op de bezetting, onder andere op het Dodge-plan en op de Rode Zuiveringen, klonk steeds luider. In de kwestie van de Rode Zuiveringen bleef hun protest in de grond tweeslachtig. Op de keper beschouwd kwam een uitschakeling van de communisten hen niet ongelegen. Tijdens de volgende verkiezingen wisten de conservatieven het politieke roer in handen te houden.

De naoorlogse cultuur

Wetenschap en techniek

Het vrije onderzoek werd opnieuw beschermd en aangemoedigd, zodat zowel de mens- als de positieve wetenschappen een hoge vlucht namen. Ideologische studies van het socialisme en het communisme konden opnieuw verschijnen. In 1949 kreeg Yukawa Hideki 湯川秀樹 (1907-1981) als eerste Japanner een Nobelprijs, voor fysica. Japan werd al snel opnieuw als een volwaardige collega in de wetenschappelijke wereld aanvaard. In januari 1949 werd de Science Council of Japan (Japanse Raad voor Wetenschappen, Nihon Gakujutsu Kaigi 日本学術会議) opgericht, die ijvert voor een democratische ontwikkeling en organisatie van de wetenschapsbeoefening.

Tendensen in de naoorlogse literatuur

De capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 en de daaropvolgende bezetting van het land confronteerden de Japanners met een ongekende situatie. De bevolking bood tegen de verwachtingen in vrijwel geen weerstand aan de bezetter. Er is al veel gespeculeerd over de reden waarom Japan zich zo goedschiks aan de bezetting onderwierp. De verklaring moet wellicht gezocht worden in een verzameling van meerdere factoren. De grote psychologische schok van een ondenkbaar geachte nederlaag, en het fatalisme dat traditioneel aan de Japanner toegedicht wordt, worden vaak als verklaring ingeroepen. Maar evenzeer kan de verklaring gezocht worden in de ‘verlichte’ bezettingspolitiek van de Amerikanen. Het hoofdkwartier van de bezettingsmacht voerde een consequente politiek van demilitarisering en democratisering. Het literaire leven, dat tijdens de oorlog streng aan banden gelegd was, kon weer heropleven. De vrijheid van meningsuiting, gewaarborgd door de nieuwe grondweten de perscode van 1951, stelde de schrijvers in staat te publiceren wat voorheen verboden was. Tijdschriften die tijdens de oorlog publicatieverbod gekregen hadden, konden weer verschijnen, en vele nieuwe tijdschriften, zoals Bungakukai 文学界, zagen het levenslicht. Thema’s uit de politieke en de seksuele sfeer waren niet langer taboe. Gevestigde auteurs, zoals Nagai Kafū 永井荷風, Masamune Hakuchō 正宗白鳥, Murō Saisei 室生犀星, Satō Haruo 佐藤春夫, Yokomitsu Riichi 横光利一, Kawabata Yasunari 川端康成, Shiga Naoya 志賀直哉 en Tanizaki Jun’ichirō 谷崎潤一郎 publiceren nieuw werk. Dit verschilt echter qua thematiek noch qua stijl veel van hun vooroorlogse productie. De oorlog betekent niet echt een breuk in hun werk. In 1947 krijgt Tanizaki de Mainichi Prize for Publications and Culture voor zijn befaamde roman Sasameyuki 細雪 (in het Engels vertaald als The Makioka Sisters, 1943‑1948). In 1949 krijgt hij ook nog de Asahi Cultural Prize voor deze roman. In hetzelfde jaar ontvangt hij de Imperial Cultural Medal en in 1964 wordt hij verkozen tot erelid van de American Academy and National Institute of Arts and Letters. Kawabata krijgt in 1968 de Nobelprijs voor de Literatuur. Daarnaast treden er een aantal schrijvers naar voren, die we kunnen onderbrengen bij een van de drie volgende groepen: 1) de Nieuwe Burlesken; 2) de democratische literatuur; 3) de sengoha 戦後派 (après-guerre)schrijvers. Hun werken zijn duidelijk het product van een tijd waarin de gevestigde orde ingestort is en er alom verwarring heerst. De Nieuwe Burlesken (Shin-gesaku 新戯作), zoals Sakaguchi Ango 坂口安吾, Dazai Osamu 太宰治, Oda Sakunosuke 織田作之助 en Tanaka Hidemitsu 田中英光, zagen de ineenstorting van de gevestigde orde en de aftakeling van de traditionele waarden weerspiegeld in hun eigen innerlijke desintegratie. Hun hoofdpersonages zijn mislukkelingen, sociaal onaangepasten, die de harmonie met hun omgeving verloren hebben, ofwel omdat zij niet anders kunnen, ofwel omdat ze weigeren zich aan de geldende normen aan te passen. Ze zijn zich pijnlijk van hun vervreemding bewust, maar zijn niet in staat er iets aan te doen. Zij jammeren om hun lot of drijven er de spot mee, en zijn vervuld van verachting voor zichzelf en de maatschappij. De schrijvers die tot de stroming van de democratische literatuur gerekend worden, zagen in de heersende verwarring na de oorlog een unieke gelegenheid om een begin te maken met de socialistische revolutie en de opbouw van een nieuwe maatschappij. Nakano Shigeharu 中野重治 en Miyamoto Yuriko 宮本百合子 verdienen hier vermelding, maar echt grote schrijvers zijn er niet uit voortgekomen. De sengoha vertegenwoordigt de eerste naoorlogse generatie. Het zijn schrijvers als Noma Hiroshi 野間宏, Shiina Rinzō 椎名麟三, Nakamura Shin’ichirō 中村真一郎, Takeda Taijun 武田泰淳, Ōoka Shōhei 大岡昇平, ... Zij hebben de oorlog meegemaakt, het merendeel van hen heeft zelfs meegestreden. Geen wonder dus dat het thema van de oorlog en zijn naweeën een centrale plaats in hun oeuvre bekleedt. Zij zoeken naar het wezen van de mens en de maatschappij, nu de traditionele orde verdwenen is. Velen van hen zijn sterk door het marxisme beïnvloed, of door het existentialisme, waaruit dan een sociaal engagement voortvloeit. Zij tonen weinig belangstelling voor de traditionele Japanse literatuur, vooral dan de ik-roman en de zedenroman. Zij worden gekenmerkt door hun existentialistisch wereldbeeld en door het inbrengen van politiek en seks in de literatuur. Zij wilden romans schrijven die konden vergeleken worden met de grote negentiende-eeuwse romans in Europa. Dit bleek echter een anachronisme te zijn, en hun werken misten spontaneïteit. De eerste jaren na de nederlaag heerste er in Japan een chaos, die creatief stimulerend werkte maar met vele sociale mistoestanden gepaard ging. Er heerste grote inflatie en de zwarte markt tierde welig. Met het uitbreken van de Koude Oorlog, in het bijzonder de Koreaanse Oorlog (1950-1953) kwam daar een einde aan. Dromen over een vreedzame revolutie en een nieuwe maatschappij werden opgeborgen. Er trad een algemene sociale stabilisering in. De bezetter staakte zijn politiek van ondersteuning van de progressieve krachten in de maatschappij. De zuivering van de fascistische elementen werd stilgelegd. De strijd tegen het communistische gevaar kreeg nu voorrang. Japan moest een belangrijke rol spelen als bevoorradingsbasis voor de Amerikaanse oorlogsinspanning in Korea. Daardoor begon de Japanse economie aan een steile opgang. In deze periode van relatieve stabiliteit, die in het begin van de jaren vijftig aanvangt, verschijnen auteurs die men groepeert onder de noemer ’de Derde Nieuwe Generatie’. De meeste onder hen zijn geboren tussen 1916 en 1926, en waren student in een tijd dat de marxistische beweging in Japan over haar hoogtepunt heen was. Hun jeugd valt samen met de oorlog. Zij hebben een instinctief wantrouwen tegen ideologie en politiek, en voelen zich aangetrokken door de artistieke kwaliteiten van de vooroorlogse ik-roman en het masochisme van de Nieuwe Burlesken. De bekendsten onder hen zijn de katholieke auteur Endō Shūsaku 遠藤周作, Yasuoka Shōtarō 安岡章太郎, Yoshiyuki Junnosuke 吉行淳之介, Shōno Junzō 庄野潤三, Miura Shumon 三浦朱門, Agawa Hiroyuki 阿川弘之, ... Halfweg de jaren vijftig doet de ’Zuiver Naoorlogse Groep’ (Junsui sengoha 純粋戦後派) zijn intrede. Hiertoe behoren Ōe Kenzaburō 大江健三郎, Kaikō Takeshi 開高健 en Ishihara Shintarō 石原慎太郎. Zij hadden het niet zo begrepen op de literatuur met biografische inslag die door de ‘Derde Nieuwe Generatie’ geproduceerd werd, omdat die te sterk aanleunde bij de vooroorlogse ik-roman. Zij rebelleren tegen traditionele waarden, moraal en ideeën, en behandelen actuele sociale en politieke problemen. Ze zijn sterk beïnvloed door de après-guerreschrijvers. Hun werk vertoont ook verwantschap met de geschriften van de Angry Young Men, een generatie Engelse schrijvers die in de jaren vijftig wild om zich heen schopten en grote internationale populariteit genoten. Waarschijnlijk dankt deze groep van Britse auteurs haar naam aan het toneelstuk Look Back in Anger van John Osborne. Zij spuien ongezouten kritiek op de maatschappij en alle gevestigde waarden, en provoceren door ongepolijst taalgebruik en cynisch materialisme. Zij hebben geen positieve boodschap, geen recept voor de verbetering van de wereld, maar zijn ontzettend woedend. De verwantschap van de ‘Zuiver Naoorlogse Groep’ met de Angry Young Men mag evenwel niet overdreven worden. Zij hebben de bitsige kritiek op de maatschappij weliswaar met elkaar gemeen, maar blijken meer gedreven te zijn door de wil om de maatschappij in positieve zin te beïnvloeden. De groep kantte zich tegen de verlenging van het Vredesverdrag (ANP O) met de Verenigde Staten, en nam actief deel aan het protest. Ishihara, Ōe en enkele anderen vormden het genootschap ‘Jong Japan’ (Wakai Nihonkai 若い日本会) en debatteerden over de kwestie. Na enige tijd viel het genootschap uiteen; de individuele verschillen waren te groot. Ishihara oogstte een gigantisch succes met zijn roman Taiyō no kisetsu 太陽の季節 (‘Het jaargetijde van de zon’). Het werk werd bekroond met de Akutagawa-prijs en werd een echte bestseller. Meteen werd de auteur, toen nog student aan de universiteit van Hitotsubashi, een cultfiguur, de James Dean van Japan. Later schreef hij nog Chōsen 挑戦 (‘De uitdaging’, 1959-1960), Kōi to shi 行為と死 (‘Actie en dood’, 1964) en Ōkami ikiro, buta wa shine 狼生きろ豚は死ね (‘Wolven leef, varkens sterf’, 1960). In 1968 stapte hij in de politiek en werd hij verkozen als parlementslid van de Liberaal- Democratische Partij. Dankzij zijn populariteit werd hij met het grootste stemmenaantal verkozen. Zijn programma was geïnspireerd door rechts-conservatieve idealen en een hernieuwd nationalisme. In 1989 deed zijn pamflettaire geschrift Het Japan dat nee kan zeggen veel stof opwaaien in de Verenigde Staten. Als jong schrijver zette Ishihara zich wel tegen de gevestigde orde af. Hij beschrijft amorele situaties of extreme toestanden van goed en kwaad. Voor hem wordt het lichaam een doel op zich, en daardoor wordt het een middel om de bestaande orde te negeren. In dezelfde periode debuteerde ook Kaikō Ken. Na enkele stukjes te hebben gepubliceerd in het tijdschrift Kindai Bungaku 近代文学, vestigde hij de aandacht op zich met de roman Panikku パニック (‘Paniek’, 1957). Met Hadaka no ōsama 裸の王様 (‘De naakte koning’, 1957) won hij de Akutagawa-prijs. De meest prominente schrijver van het drietal is Ōe Kenzaburō (geboren in 1935). Ōe zei ooit dat zijn literaire achtergrond de vorm had van een driehoek. De drie hoekpunten waren Jean-Paul Sartre, Norman Mailer en de ‘après-guerre’-schrijvers. Daarnaast hebben ook Rabelais en W.H. Auden zowel filosofisch als qua literaire techniek hun stempel op zijn oeuvre gedrukt. De ‘après-guerre’-groep werd gekenmerkt door een breuk met de vooroorlogse traditie van de ik-roman, door haar existentialistisch wereldbeeld, en het inbrengen van politiek en seks in de literatuur. De invloed van de ‘après-guerre’-groep is vooral te zien in Ōe’s vroegere werken, geschreven tussen 1957 en 1959. Sinds zijn debuut heeft hij een niet-aflatende productiviteit aan de dag gelegd. Hij heeft romans, novellen en essays geschreven. Vooral in zijn essays geeft hij vaak scherpzinnige analyses van de aberraties en modieuze trends in de naoorlogse maatschappij. Zoals uit zijn Hiroshima nōto ヒロシマ・ノート (‘Brieven uit Hiroshima’) blijkt, is Ōe een politiek geëngageerde schrijver. In zijn werken pakt hij steeds hedendaagse problemen aan. Zijn originaliteit ligt vooral in de intensiteit van zijn boodschap, die zowel tot het individu als tot de hele mensheid gericht is. Want, evenzeer als de landing op de maan voor de mensheid een realiteit is, staat voor Ōe de vernietiging van de mensheid door een kernontploffing vast. Hij wordt beschouwd als een woordvoerder van de ‘Nieuw Linkse’-Beweging. Dit is een anti establishmentbeweging, ontstaan circa 1960, in oppositie tegen de gevestigde partijen van linkse signatuur, namelijk de Japanse Socialistische Partij, de Japanse Communistische Partij en de Algemene Raad van Japanse Vakbewegingen (Sōhyō 総評). Nieuw-Links verweet ‘Oud-Links’ zijn immobilisme en opportunisme. Twee grote thema’s beheersen het werk van Ōe. Het jaar 1964 mag men daarbij beschouwen als een soort keerpunt. In de werken voor 1964 beschrijft Ōe vooral de chaos en de ontreddering, die de onvoorwaardelijke overgave van Japan in 1945 heeft veroorzaakt. De vroegste helden van Ōe zijn jonge mensen, zoals hijzelf, die behoren tot de naoorlogse generatie. Ze zijn beroofd van hun zedelijk erfdeel, omdat de waarden die in hun kindertijd van kracht waren, door Hiroshima en de overgave van de keizer werden stukgeslagen. Wat overbleef was een gapende leegte, een zwak afschijnsel van het leven, een angstwekkende afwezigheid van continuïteit. Hierdoor raakten ze het noorden kwijt en werden ze over de grenzen van het oorbare gedreven, naar politiek fanatisme, geweld en seks. Zij worden moderne, grimmige versies van Huckleberry Finn, vluchten de beschaving en gaan op avontuur. Het gevaar schijnt het enige tegengif te zijn tegen de dodelijke leegte thuis, maar meestal vernietigt hetook de avonturier. De protagonisten van Ōe dromen ervan granaten te gooien op de auto van de keizer, te strijden aan de zijde van Nasser, of zich aan te sluiten bij het vreemdelingenlegioen. Maar die ideeën omzetten in daden gaat hun mogelijkheden te boven. Ōe toont zich een meester in het beschrijven van mensen in een opgesloten ruimte. De apathische naoorlogse jeugd bevindt zich in een staat van moratorium, in eenzame opsluiting wacht zij als het ware het moment van haar executie af. Veel toegankelijker voor de jeugd is het seksuele geweld. Vroeg of laat ontdekken de helden van Ōe dat het enige terrein waar ze de leegte van het dagelijkse leven kunnen overwinnen ‘de seksuele perversie’ is. Ōe’s romans krijgen daardoor een taboedoorbrekend karakter. In 1964 wordt hij vader van een mentaal gehandicapte zoon, een ingrijpende gebeurtenis, die hij onder meer verwerkt in de roman Kojinteki na taiken 個人的な体験 (‘Het eigen lot’), door Mishima als een hoogtepunt in de naoorlogse romankunst geprezen. Met dit boek sneed de auteur een nieuw thema in zijn werk aan. Het behandelt de vraag hoe iemand reageert op de geboorte van een abnormaal kind. Na 1964 moet Ōe’s obsessie over de ontreddering van de naoorlogse generatie wijken voor een nieuw thema, namelijk dat van de waanzin: zowel op individueel vlak als op wereldschaal. Wat Ōe intrigeert, is hoe de mens reageert op abnormaliteit. Zijn personages zijn vaak sociale mislukkelingen, marginalen. De waanzin op wereldvlak is voelbaar in de voortdurende bedreiging die uitgaat van een atoomoorlog. We leven in een wereld die op ieder ogenblik kan worden vernietigd door een fatale zondvloed van atoombommen. De kwestie Hiroshima houdt de schrijver sterk bezig. Later monden beide thema’s uit in een bredere en abstractere vraagstelling: die naar de waardigheid van de mens, of liever de ‘onwaardigheid’ waaraan het leven in deze wereld hem blootstelt. In 1994 werd Ōe bekroond met de Nobelprijs voor Literatuur. De tegenpool van Ōe Kenzaburō was de mediagenieke en excentrieke Mishima Yukio 三島由紀夫 (1925-1970). Deze auteur van een dertigtal romans, talloze toneelstukken, essays en pamfletten, was een duizendpoot. Naast zijn schrijfactiviteiten vond hij ook nog de tijd voor kendō, karate, gewichtheffen en bodybuilding. Hij was bovendien ook nog zanger, model, acteur, organiseerde en leidde een privémilitie, ontwierp er de uniformen van en leidde een druk sociaal leven. De roman die Mishima naar de roem katapulteerde was Kamen no kokuhaku 仮面の告白 (‘Bekentenissen van een masker’, 1949), wellicht zijn sterkst biografisch getinte werk. Het is het relaas van de opgroeiende verteller in min of meer chronologische orde. De ik-persoon getuigt van een ontzettend sterk zelfbewustzijn. Zo herinnert hij zich zijn eigen geboorte, zij het vaag. Als kind was hij erg opgewonden door het zien van een vuilnisman, de reuk van soldatenzweet of een afbeelding van Jeanne d’Arc. Dit is in zekere zin al een verwijzing naar de twee hoofdthema’s van het werk: de seksuele inversie van de verteller en zijn relatie met het meisje Sonoko. De eenheid van het werk ligt niet in zijn plot of de rode draad in het verhaal, maar steunt op de eenheid van gevoel: het conflict tussen zijn homoseksuele neigingen en zijn bewuste poging om heteroseksueel te zijn. De bezetenheid met het schone heeft hij op briljante wijze behandeld in Kinkakuji 金閣寺 (‘Tempel van het Gouden Paviljoen’). Het verhaal is gebaseerd op het waargebeurde feit van de Zen-acoliet die in 1950 de Tempel van het Gouden Paviljoen in brand stak. Mishima heeft echter slechts het skelet van die gebeurtenis behouden. De roman peilt naar de motieven van de brandstichting. Hij is geschreven in de eerste persoon. Het blijkt dat de acoliet de tempel in brand heeft gestoken omwill van zijn absolute schoonheid. Het misdrijf was voor hem onvermijdelijk, het was het logische gevolg van zijn eigen logica of ideologie. Hij is eigenlijk een filosoof van de schoonheid, die handelt in overeenstemming met zijn principes. Het is duidelijk hoever Mishima afblijft van het documentaire karakter van zijn oorspronkelijk gegeven. Een van de grondgedachten van de roman is dat schoonheid slechts bestaat binnen de bedreiging van ondergang. Zolang de oorlog woedt, is hij in harmonie met de tempel en is hij erop verliefd. Eenmaal de tempel echter door het herstel van de vrede opnieuw bekleed wordt met een eeuwigheid en de schoonheid haar vergankelijkheid verliest, wordt zijn schoonheid een vijand, een kracht die het leven verstikt. Hij moet dus kiezen tussen de ervaring van het leven of de steriele orde van de levenloze schoonheid. Om aan het dilemma te ontkomen, zal hij de orde vernietigen om het leven te herwinnen. Mishima heeft gesuggereerd dat de roman gaat over een artiest, bezeten door het idee-fixe van schoonheid. In die optiek is het een zeer pessimistische roman. De schrijver is een povere stotteraar, die zijn visie op schoonheid probeert te bevestigen in de externe wereld, maar daar niet in slaagt. Zijn opsluiting in die idee-fixe van schoonheid gaat ten koste van zijn deelname aan het leven. Bovendien valt zijn schoonheid niet samen met die van de objectieve wereld. Zij kunnen niet samen bestaan en de conclusie is dat uiteindelijk alleen de destructieve daad zinvol is. Zijn laatste werk was Hōjō no umi 豊饒の海 (‘De zee der Vruchtbaarheid’). In deze tetralogie bestrijkt hij maar liefst zestig jaar Japanse geschiedenis, en al de thema’s en verlangens en idealen uit zijn vroegere werken. Hij verklaarde aan vele van zijn vrienden dat hij hierin alles wat hij tijdens zijn hele leven had gevoeld en gedacht zou leggen en dat hij het werk zou afmaken op de dag van zijn ‘handeling’. Aldus zou hij de eenheid van geest en daad realiseren. Na het voltooien van het werk zou hij niets meer te zeggen hebben. De laatste regels van het werk schreef hij inderdaad enkele uren voor zijn rituele zelfmoord. In de tetralogie krijgen we uiteenzettingen over reïncarnatie, de vrije wil, het hindoeïsme (o.m. bloedige riten ter ere van Durga), esoterisch boeddhisme, soetra’s, een overzicht van de theorieën van hergeboorte, de diamanten moederschootmandala’s en een uiteenzetting over de aftakeling van engelen. Vaak is het geheel overladen met nutteloze, encyclopedische kennis, zoals in het begin van het vierde boek, waar het werk van de hoofdfiguur Tōru als seiner voor de schepen heel technisch wordt beschreven. Het meest aangrijpende van de thema’s is en blijft harakiri. In het eerste volume reageert Kiyoaki nog tegen het militarisme, hij vertegenwoordigt bun 文 (cultuur, beschaving). In het tweede boek echter is het de adel van harakiri die wordt bezongen. Er is een duidelijk verband met zijn films, drama’s en essays over de code van de samurai. Hij verheerlijkt de heldendood van de kamikaze-piloten en hun loyaliteit. Mishima koesterde een mythe van Japan als een ritueel geordende staat met een samurai-levenswijze, gekarakteriseerd door mannelijke moed en vrouwelijke gratie, en de visie van constante doodsdreiging als het zout van het leven. Zijn nostalgie naar de grootheid van de samurai was een defensieve reflex. Met het zwaard zou hij de onvervreemdbare en bedreigde Japanse cultuur beschermen. Hij had het gevoel dat hij de oorlog ten onrechte overleefd had, dat hij een gevallen kruimel was van de oorlogstafel. Steeds moet hij verlangd hebben naar de dood die hij had moeten sterven tijdens de oorlog, en hij is er zich later meer en meer bewust van geworden dat hij zijn tijd gemist had. Vanaf 1960 begon hij een programma te ontwikkelen dat opriep tot het heraanwakkeren van een constant door de dood bedreigd leven in tegenstelling tot het nonchalante leven in vrede. Mishima’s ideologie heeft uiteindelijk tot zijn eigen zelfmoord geleid. Op 25 november 1970 pleegde hij harakiri.

Weer lid van de internationale gemeenschap

De grote tegenstelling die de contouren van de nieuwe wereldorde bepaalde was de Koude Oorlog, die de wereld in twee kampen verdeelde: het vrije Westen en het Oostblok. Her en der ontstonden conflicten en zelfs beperkte oorlogen, die de twee supermachten bij voorkeur door derden lieten voeren. Sommige landen werden evenwel letterlijk in twee gekliefd: Duitsland, Korea en Vietnam. Een sterke drang naar wereldvrede en de dekolonisering zorgden voor een nieuwe politieke mondigheid, zodat er een co-existentie groeide, gebaseerd op een zekere tolerantie en behoud vanhet status-quo. In Japan bleef gedurende deze gehele periode een conservatief liberaal kabinet aan de macht. Zijn beleid was volledig op Amerika afgestemd, wat zorgde voor binnenlandse spanningen en een identiteitscrisis, maar wat Japan anderzijds toch ook een miraculeuze economische bloei bezorgde. Sinds de jaren 1990 is Japans economie door een periode van stagnatie gegaan. Het is pas sinds kort dat zij zich daarvan lijkt te herstellen.

De koude Oorlog

Stichting van de Verenigde Naties

Op basis van onderhandelingen tussen de 54 belangrijkste landen ter wereld, die nog tijdens de oorlog in april 1945 in San Francisco waren gevoerd en die tot het Handvest van de Verenigde Naties (Kokusai rengō kenshō 際連合憲章) hadden geleid, werden de Verenigde Naties als een internationale instelling voor de wereldvrede officieel opgericht in oktober 1945. Het was de bedoeling om lessen te trekken uit de onmacht die bij de Volkenbond gebleken was. De instelling kreeg een eigen troepenmacht met het doel gewapende conflicten te voorkomen of in te dijken. Voorts werd de internationale samenwerking op sociaal, economisch en cultureel gebied in een reeks deelorganisaties, zoals Unesco, Unicef, ... geïnstitutionaliseerd. Het hoofdkwartier werd in New York gevestigd en tot op heden speelt de VN een belangrijkerol in het wereldgebeuren. De Veiligheidsraad, het Internationaal Gerechtshof te Den Haag, het Internationaal Monetair Fonds, de Unesco, de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO), de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO), ... zijn niet meer uit de internationale politiek weg te denken.

Twee machtsblokken

De ideologisch wezenlijk van elkaar verschillende kapitalistische en socialistische wereld hadden tijdens de oorlog een verbond gesloten om het fascisme te verslaan, maar reeds tijdens de oorlog was het wederzijdse wantrouwen gebleken. In een reeks van crisissituaties breidde de Sovjet-Unie haar invloed uit over Oost-Europa, terwijl West-Europa tot de Amerikaanse invloedssfeer behoorde. De spanning tussen beide blokken steeg en het risico op politieke, economische en zelfs militaire conflicten nam overal op de wereldbol toe. Het geheel van deze spanningen en risico’s op conflict is wat wij de ‘Koude Oorlog’ noemen. In maart 1946 beschuldigt Winston Churchill de Russen ervan een ijzeren gordijn te hebben neergelaten tussen Oost- en West-Europa, waarop Stalin repliceert dat Churchill ruzie tracht te stoken tussen twee geallieerde landen. In maart 1947 kondigt de Amerikaanse president Harry Truman de anticommunistische Trumandoctrine af en spreekt de noodzaak uit om de Sovjet-Unie op alle terreinen te isoleren. Het marshallplan (zie hoger) kadert in deze politiek. De Sovjets creëren als reactie daarop in oktober 1947 de Cominform. In juni 1948 snijdt de Sovjet-Unie de bevoorrading van West-Berlijn af. De westerse mogendheden openen een luchtbrug naar de geïsoleerde stad. De spanning stijgt ten top en Amerika voert met tien Europese landen en Canada besprekingen om de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAV O of in het Engels NA TO) op te richten. Op 4 april 1949 houden de ondertekenende landen dit anticommunistische militaire pact boven de doopvont.

Azië en de Koude Oorlog

Voor koloniale mogendheden zoals Groot-Brittannië, Frankrijk en Nederland werd stilaan duidelijk dat hun koloniale imperium op termijn niet houdbaar was. Vrijheidsbewegingen boekten steeds meer succes en de ene kolonie na de andere verwierf haar onafhankelijkheid. Het dekoloniseringsproces raakte echter verstrengeld met de Koude Oorlog. In het noorden van Indochina riepen de Viet Minh na de Japanse overgave de socialistisch geïnspireerde Democratische Republiek Vietnam uit, die de ambitie had heel Vietnam te bevrijden en te verenigen. Na een periode van relatieve kalmte brak eind 1946 de Eerste Indochinese Oorlog uit tussen de Viet Minh en het expeditiecorps van de Franse Unie. Frankrijk raakte verzeild in een uitzichtloze oorlog. Het lot van het expeditiecorps werd bezegeld in de slag van Điện Biên Phủ (1954), die de doodsklok luidde voor het Franse imperium in Indochina. In China brak er een burgeroorlog uit tussen de zeer sterk geworden communisten van Máo Zédōng en de Volksregering van Chiang Kai-shek. Tegen de zomer van 1949 beheersten de communisten het vasteland en op 1 oktober 1949 riepen zij de Volksrepubliek China uit. De nationalistische regering vluchtte naar Taiwan, waar zij onder de hoede van de Verenigde Staten haar wettelijk recht om geheel China te besturen staande bleef houden. Ter hoogte van de 38ste breedtegraad werd Korea in twee gesplitst. In het noorden werd de Volksrepubliek Korea opgericht onder de vleugels van de Sovjet-Unie, en in het zuiden de democratische Koreaanse republiek met de Verenigde Staten als bondgenoot. In de jaren vijftig brak een oorlog in regel uit tussen noord en zuid, en tot op heden blijven de twee Korea’s met getrokken messen tegenover elkaar staan.

Japan herwint zijn soevereiniteit

Japan en de Koreaanse oorlog

De Koude Oorlog zorgde al voor bijsturing van de Amerikaanse prioriteiten, maar de Koreaanse Oorlog leidde tot een totale ommezwaai in de relatie tussen de Verenigde Staten en Japan. Japan werd als het ware opgeëist als een volwaardige bondgenoot van het vrije Westen. Hogerop hebben we al melding gemaakt van het verbieden van de nationale staking in februari 1947, dat als een eerste teken van de heroriëntering van het Amerikaanse bezettingsbeleid gezien kan worden. Toen werd duidelijk hoe ver Amerika wou gaan met de democratische experimenten. De idealistische principes van het bezettingsbeleid kwamen in conflict met de urgentie van het economische herstel van Japan, dat als bondgenoot in de Koude Oorlog moest meedraaien. Japan was een belangrijk geopolitiek steunpunt in Azie. Amerika duwde deze ommezwaai door, tegen de wil van de andere geallieerden in. De Japanse conservatieve elite diende niet gepaaid te worden om zich achter de nieuwe oriëntatie te plaatsen. Een eveneens al vermeld signaal was de herziening van de wet op het openbare ambt, die het stakingsrecht en het recht op collectieve arbeidsonderhandelingen aan ambtenaren in openbare dienst ontzegde. SCAP adviseerde deze herziening medeom de invloed van linkse activisten uit te schakelen en de ambtenarij de kans te geven de Dodge Line uit te voeren. De oppositie trok haar conclusies en hield zich verder gedeisd om de pas bevochten verworvenheden niet kwijt te spelen. Alleen de communisten bleven hier en daar ageren. In vakbondsmiddens en in de partijen ontstond een hevige strijd om de uiteindelijke controle. Toen in 1949-1950 de ‘Rode Zuiveringen’ in de vakbonden begonnen, steunden de Amerikanen de acties, omdat ze ‘de opbouw van vijandiggezinde elementen’ niet konden tolereren. De Dodge-sanering zorgde voor verdere sociale restricties en de ultieme stap werd in 1950 gezet, toen het GH Q voorstelde de Communistische Partij buiten de wet te stellen. Het plan ging niet door maar de leiding van de partij werd opnieuw uitgezuiverd. Tokuda Kyūichi 徳田球一, secretaris-generaal van de Japanse Communistische Partij, vluchtte met andere kaderleden naar de pas opgerichte Chinese Volksrepubliek om van daaruit de partij te leiden. Op 25 juni 1950 brak oorlog uit tussen Noord- en Zuid-Korea. De VN hielp hetzuiden met troepen, vooral bestaande uit Amerikanen, terwijl China Noord-Korea steunde. De Derde Wereldoorlog leek in de maak, maar in juli 1951 kwam er een tijdelijk wapenbestand. Amerika gebruikte Japan als basis en zette de Japanse industrie aan het werk voor oorlogsproductie. De zware nijverheid genoot weldra een bloei die het vooroorlogse niveau overtrof. In Japan pleitten de Amerikanen zelfs voor herbewapening. Ze stelden voor dat Japan een leger van 350.000 man op de been zou brengen om het eigen territorium te verdedigen, en zo de Amerikaanse opdracht te verlichten. Om strategische redenen blokkeerde Japan, in de persoon van premier Yoshida, een voldragen herbewapeningsprogramma. Yoshida deed wel concessies. Hij aanvaardde Amerikaanse bases op Japanse bodem en ging over tot de oprichting van de Keisatsu yobitai 警察予備隊, een kleine politionele defensiemacht, voorloper van de Self Defense Forces, net genoeg om van de Amerikanen de belofte van Japanse onafhankelijkheid en de militaire bescherming door de Verenigde Staten los te krijgen. Conservatieve elementen die door de zuiveringen getroffen waren, kregen gratie en leden van de Communistische Partij werden geweerd uit overheidsinstellingen en belangrijke industrieel-economische concerns.

Het Vredesverdrag van San Francisco

Het uitbreken van de Koreaanse Oorlog bespoedigde de plannen om de vrede met Japan te herstellen. President Truman gaf John Foster Dulles, de latere minister van Buitenlandse Zaken, in 1950 de opdracht om met Japan een vredesverdrag te sluiten. Dulles wist precies wat hij wilde: Japan moest een anticommunistisch bolwerk worden onder de beschermende militaire paraplu van de Verenigde Staten. De Sovjet- Unie en de meeste andere socialistische landen waren gekant tegen de Amerikaanse versie van het Vredesverdrag en eisten een globale benadering van de problematiek. Ze werden hierin gevolgd door de Japanse Socialistische Partij en de overkoepelende organisatie van de vakbonden (Sōhyō 総評), die Japan een neutraal statuut wilden geven en gekant waren tegen herbewapening of het toekennen van basisfaciliteiten om buitenlandse troepen te stationeren. De Japanse regering liet zich aan de tegenkantingen uit diverse hoeken niets gelegen liggen, en Yoshida voerde exclusieve onderhandelingen met de Verenigde Staten. Op 8 september 1951 werd te San Francisco door 49 landen een vredesverdrag ondertekend, officieel ‘Treaty of Peace with Japan’ genoemd. Japan deed afstand van alle territoriale aanspraken buiten de grenzen van 1868. Okinawa bleef onder Amerikaans toezicht staan. Op 28 april 1952 werd het verdrag van kracht en werd Japan door de ondertekenende landen opnieuw als soevereine staat erkend, maar onder andere India, de Sovjet-Unie, en China sloten zich hier niet bij aan. Op dezelfde dag als het Vredesverdrag tekenden Japan en de Verenigde Staten ook een Veiligheidsverdrag, dat Japan verzekerde dat het voor zijn defensie op de Verenigde Staten mocht rekenen (Nichi Bei Anzen Hoshō Jōyaku 日米安全保障条約). De Verenigde Staten mochten troepen stationeren op bases in Japan. Dit zorgde voor grote gramschap bij de Sovjets en andere communistische staten. In de ogen van de Amerikanen en van vele Aziaten moesten de Amerikaanse troepen evenzeer dienen om Japan onder controle te houden als om zijn veiligheid te verzekeren. Ook in Japan zette het Veiligheidsverdrag veel kwaad bloed. De linkse en progressieve elementen vonden het in strijd met de grondwet, en vreesden bovendien dat de Amerikaanse troepen op Japanse bodem een gevaar waren, omdat ze als een rode lap op een stier zouden kunnen werken op Japans vijanden. Conservatieven vonden dan weer dat het Japan permanent onder Amerikaanse voogdij plaatste en blameerden Yoshida daarvoor. Yoshida was er inderdaad steeds rotsvast van overtuigd geweest dat Amerikaanse militaire aanwezigheid en een ondergeschikte plaats in een Pax Americana voor het naoorlogse Japan de meest haalbare kaart waren. Sommigen noemden dit verdrag dan ook een tweede Ongelijk Verdrag.

Dooi in de Koude Oorlog

Wapenbestand in Korea en Indochina

De spanning tussen Oost en West nam enigszins af na de wapenstilstand in Korea, maar een fundamentele oplossing of opbouw van vertrouwen bleven uit. In juli 1951 waren de bestandsbesprekingen gestart, maar pas op 27 juli 1953 konden ze worden bezegeld. In 1954 werd in Genève een conferentie over het Koreavraagstuk en Indochina gehouden. Op de besprekingen speelde China een erg partijdige rol. Het conflict in Indochina werd beëindigd, er werd een demarcatielijn vastgesteld, en verkiezingen werden in het vooruitzicht gesteld voor 1956. Cambodja, Laos en Vietnam werden soevereine staten. Op de conferentie van Bandoeng in april 1955 benadrukten 29 Afrikaanse en Aziatische landen hun ongebonden positie tegenover de twee supermachten. India, Pakistan, Indonesië, Birma en Ceylon nodigden de andere landen uit om afspraken te maken inzake economische en culturele samenwerking en om de strijd tegen het kolonialisme te coördineren.

De topconferentie van Genève

In september 1954 werd de ZOAV O (Zuidoost-Aziatische Verdragsorganisatie, South East Asia Treaty Organisation) opgericht: een losse, defensieve alliantie, om verdere communistische expansie te voorkomen en Amerikaanse invloed in Azië veilig te stellen. Foster Dulles was de voornaamste architect van dit verband van collectieve verdediging. Door de nederlaag van de Fransen bij Điện Biên Phủ was de angst voor verdere communistische expansie acuut geworden. Hoewel de Verenigde Staten de neutraliteitsclausule in de akkoorden van Genève naar de letter eerbiedigden, poogden zij toch Zuid-Vietnam bij dit bondgenootschap te betrekken. In april 1955 erkenden de westerse mogendheden door de opname van West-Duitsland in de NA TO het recht op herbewapening van dit land. Dit was voor de Sovjet-Unie en de Oostblokstaten de aanleiding om het Pact van Warschau (14 mei 1955) te sluiten. Na de dood van Stalin in 1953 was Chroesjtsjov leider van de Sovjet-Unie geworden. Hij streefde naar een vreedzame co-existentie tussen beide machtsblokken. Een vreedzame ontwikkeling zou moeten uitwijzen welke ideologie de beste was. Op de topconferentie van Genève in juli 1955 spraken de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie, Groot-Brittannië en Frankrijk over de beperking van de atoombewapening en over wederzijdse troepenvermindering. Hoewel de conferentie weinig concrete resultaten opleverde, was er toch duidelijk sprake van ontspanning, Al veranderde dit weinig in de internationale politieke verhoudingen. De deelnemers bevestigden het statusquo.

Het herboren Japan

Versteviging van het conservatieve blok

Door het Verdrag van San Francisco herwon Japan zijn soevereiniteit, al bleef het inzake internationale politiek tot op zekere hoogte onder informele voogdij van de Verenigde Staten staan. De Japanse overheid begon een aantal verworvenheden van de Amerikaanse bezetting anders te interpreteren, bijvoorbeeld de wetgeving inzake de openbare orde. Na de ondertekening van het Vredesverdrag kwam het op 1 mei 1952 tot bloedige botsingen tussen betogers en politie op een plein voor het keizerlijk paleis, waar een demonstratieverbod gold. Deze 1 meidemonstratie is de geschiedenis ingegaan als de ‘bloedige meidag’(Chi no Mēdē jiken 血のメーデー事件). Meer dan duizend personen werden voorgeleid en 261 moesten voor de rechter verschijnen. De berechting sleepte aan tot 1972 en eindigde in de vrijspraak van allen behalve zestien personen. Het incident was een welsprekend bewijs van de aversie van de conservatieven voor de linkse oppositie. De reacties tegen het Vredesverdrag en tegen de militaire verdragen leidden tot de afkondiging van repressieve maatregelen, zoals de wet op het verhinderen van destructieve handelingen (Hakai Katsudō Bōshi Hō 破壊活動防止法) en de oprichting van het Kōan Chōsachō 公安調査庁 (bureau voor Controle op de Openbare Orde). Verder werd in 1954 de politiewet herzien en werden de politiestructuren gecentraliseerd, nadat ze een tijdlang door Amerika gedecentraliseerd waren. De stap naar de herbewapening werd schoorvoetend gezet, maar door een herinterpretatie van artikel 9 van de grondwet werd het principe wel aanvaard. In 1952 werd het Secretariaat voor de Openbare Orde opgericht, waarin de Nationale Politiereserve werd ondergebracht, die nu de naam Hoan-tai 保安隊 kreeg. In 1954 sloten Japan en de Verenigde Staten een verdrag voor wederzijdse defensiebijstand (Mutual Defense Assistance Agreement: Nichi Bei Sōgo Bōei Enjo Kyōtei 日米相互防衛援助協定), dat Japan bepaalde plichten inzake verdediging oplegde. Daartoe werd in juni 1954 de ‘Zelfverdedigingsmacht’ (Self Defense Forces: Jieitai 自衛隊) opgericht onder de civiele controle van het Staatssecretariaat voor Defensie (Defense Agency: Bōeichō 防衛庁). De Zelfverdedigingsmacht werd een corps van 250.000 manschappen, met een kleine zeemacht, landmacht en luchtmacht. Om uiteenlopende redenen waren links noch rechts gelukkig met deze evolutie, wat verklaart waarom de Zelfverdedigingsmacht vrij veel civiele opdrachten diende uit te voeren.De Zelfverdedigingsmacht, het Veiligheidsverdrag en de Amerikaanse bases in Japan waren een doorn in het oog van de linkse oppositie. Het geheel druiste in tegen de geest van de grondwet en betekende een toegeving aan Amerikaanse dictaten. Tot op heden blijft de Zelfverdedigingsmacht een gevoelig en controversieel punt. Een belangrijke doelstelling van de conservatieve partijen en een van de redenen voor hun fusie in 1955, was de herziening van de grondwet. De gevolgen van de zuiveringen waren vrijwel volledig tenietgedaan, en nu moest de opgedrongen grondwet gewijzigd worden in een ‘eerbare’ grondwet (onder andere artikel 9 en het statuut van de keizer). Linkse partijen, vakbonden en culturele organisaties en groeperingen verzetten zich heftig in de ‘Nationale Liga voor het Behoud van de Grondwet’ (Kenpō Yōgo Kokumin Rengō 憲法擁護国民連合) en verhinderden dat de regering de nodige tweederdemeerderheid in het parlement kon vergaren. In de volgende jaren verminderde de conservatieve meerderheid, zodat het probleem naar de achtergrond verdween. Anno 2007, onder het kabinet-Abe, stond het echter meer dan ooit in de schijnwerpers.

Wederoptreden op het internationale toneel

In december 1954 werd Yoshida ervan verdacht hoge ambtenaren te beschermen door hen immuniteit te verlenen in een omkoopschandaal bij de scheepswerven. Dit bracht hem ten val, maar er was ook een dieperliggende reden. De Liberale Partij van Yoshida werd met scheuring bedreigd omdat Hatoyama en andere leiders die na de oorlog waren uitgezuiverd nu in ere hersteld werden en omdat Yoshida niet met hen wou samenwerken. In maart 1953 scheurden Hatoyama en zijn volgelingen zich af. Yoshida won zeer nipt de verkiezingen, zodat hij slechts tot december 1954 met een minderheidskabinet in het zadel kon blijven. In februari 1955 werd Hatoyama’s Democratische Partij de grootste. Hatoyama Ichirō bleef trouw aan de overeenkomsten met de Verenigde Staten in zijn buitenlands beleid, maar hij had een voorkeur voor geopolitieke overwegingen die niet altijd de goedkeuring van de Amerikanen wegdroegen. Japan was verplicht geweest om een vredesverdrag met Taiwan (nationalistisch China) af te sluiten, maar Hatoyama streefde naar een verbetering van de relaties met communistisch China en de Sovjet-Unie. De Amerikanen konden dit niet aanvaarden en boden veel tegenkanting, maar toch begon Japan onderhandelingen met de Sovjet-Unie, die voerden tot een gemeenschappelijke verklaring van Japan en de Sovjet-Unie (Soviet-Japanese Joint Declaration: Nis-So Kyōdō Sengen 日ソ共同宣言) in oktober 1956, die een herstel van de diplomatieke relaties mogelijk maakte. Hatoyama hechtte veel belang aan deze relaties, omdat ze Japan niet al te sterk identificeerden met Amerika in de Koude Oorlog en omdat ze internationaal eerherstel voor Japan mogelijk maakten. De onderhandelingen verliepen erg moeizaam. Rusland hield nog veel Japanners krijgsgevangen en, hoewel Japan zijn aanspraken op de Koerilen had opgegeven, bleef het beweren dat de kleine eilanden Shikotan en Habomai deel van Hokkaidō uitmaakten en dat de twee zuidelijkste Koerilen, Kunashiri en Etorofu, toch onmiskenbaar Japans waren. Rusland gaf niet toe, zodat een volwaardig vredesverdrag uitbleef, maar de normalisering van de betrekkingen verschafte Japan toch een hogere status op het internationale toneel. Nadat het in juni 1955 lid van de GA TT was geworden, kon het eind 1956 lid van de VN worden. Zo herwon het voor bijna honderd procent zijn plaats als soevereine staat op het internationale toneel. Op binnenlands vlak is 1955 een scharnierjaar. Het luidde het begin van een politiek tijdperk in dat gekenmerkt werd door een polarisering in twee blokken. De Socialistische Partij vormde opnieuw een hecht blok, na haar verscheurdheid in 1950-1951 over het vredesverdrag met de Verenigde Staten. In de verkiezingen kon ze de twee liberale partijen in het nauw drijven, zodat de Liberale Partij van Japan (Nihon Jiyū-tō 日本自 由党) en de Democratische Partij van Japan (Nihon Minshu-tō 日本民主党) besloten te fuseren tot de Liberaal-Democratische Partij (Jiyū-minshu-tō 自由民主党). Hatoyama Ichirō werd de leider van de nieuwe partij en volgde Yoshida op als premier. De fusie kreeg een duwtje in de rug van de zakenwereld, die beducht was voor de opgang van de Socialistische Partij. Vanaf dat ogenblik begon het zogenaamde ‘regime van 1955’ (Gojūgo-nen taisei 55年体制). Deze term slaat op het sterk vereenvoudigde en gepolariseerde politieke landschap dat toen vorm kreeg. Een conservatief blok stond tegenover een progressief blok, dat bestond uit socialisten en communisten. De conservatieven zouden tussen 1955 en 1993 ononderbroken aan de macht blijven. In deze periode slaagde de Liberaal-Democratische Partij erin om een duurzame samenwerking en vervlechting tot stand te brengen met de zakenwereld en met invloedrijke ambtenaren. De ambtenaren leverden deskundig advies en mankracht aan de partij. Zij schreven de wetten die de partij door de Diet sluisde, en menig ambtenaar nam ontslag om lid van de partij te worden en zich kandidaat te stellen voor een politiek ambt. Sommigen onder hen schopten het zelfs tot premier. Dit hechte en duurzame netwerk van zakenwereld, leidende ambtenaren en de Liberaal-Democratische Partij noemt men de ‘ijzeren driehoek’. De periode van alleenheerschappij van de Liberaal- Democratische Partij wordt ook wel eens als ‘het tijdperk van het eenpartijbewind’ omschreven. Hatoyama Ichirō voerde weliswaar een minder dociele koers tegenover de Verenigde Staten, maar zijn conservatieve, nationalistische opvattingen waren toch duidelijk. Hij streefde naar een herziening van de grondwet en naar het instellenvan een meer gecentraliseerd bestuur. Hatoyama, die zelf een comeback gemaakt had na eerst weggezuiverd te zijn, liet de oorlogsmisdadigers van categorie A die levenslang gekregen hadden voorwaardelijk vrij.

Hoogconjunctuur zonder weerga

Na de oorlog in Korea geraakte de Japanse economie tijdelijk weer in een crisis, die werd overwonnen door het deflatoire beleid van Yoshida, door de invoerbeperkingen en exportgerichte investeringen. Na 1954 kreeg Japan vele buitenlandse leningen en kon het onder meer door licentieovereenkomsten zijn zware nijverheid moderniseren. Van meet af aan was deze exportgericht. De welvaart overtrof vanaf 1955-56 het vooroorlogse niveau. De periode van hoogconjunctuur tussen 1955 en 1957 was zo spectaculair dat de Japanners haar ‘de Jinmu-conjunctuur’ (Jinmu keiki 神武景気) noemden, naar de mythische grondlegger van Japan, keizer Jinmu, die de troon besteeg in 660 voor Christus. De implicatie van de naamgeving was dat Japan door een hoogconjunctuur ging die sedert de legendarische stichting van het keizerrijk haar gelijke niet had. De investeringen bleven toenemen en technische vernieuwingen werden op grote schaal doorgevoerd, vooral in de sleutelsectoren. In 1957 lag de productie van de Japanse industrie driemaal hoger dan voor de oorlog. In 1958 stagneerde de economische groei even door een toename van de import. Van juni 1958 tot december 1961 maakte Japan een hoogconjunctuur van 42 maanden mee, die bekend staat als de ‘Spelonkconjunctuur’ (Iwato keiki 岩戸景気). Het was in de ogen van journalisten met gevoel voor overdrijving de grootste bloeitijd die Japan gekend had sedert de mythische tijd waarin de zonnegodin zich in een spelonk verborgen had. Het herstel en de leidende economische rol die Japan en West-Duitsland gingen spelen, nog geen twee decennia na de totale nederlaag, verrasten de hele wereld. De spectaculaire opgang van Japan was zeker deels toe te schrijven aan de ‘argeloosheid’ van het Westen. Men schoof Japan heel wat geld en technologie toe, zodat Japan aanvankelijk veel kosten voor onderzoek en ontwikkeling kon uitsparen. Bovendien voerde het een weloverwogen beleid van planeconomie binnen het kader van een orthodoxe conservatieve politiek. In de beleidsvisie van Yoshida werd de sociale ontvoogding naar de tweede plaats verwezen.

Toenemende politieke bewustwording

Het beleid van austeriteit van de conservatieve regering, de uitbouw van de Zelfverdedigingsmacht, de hernieuwde centralisering van politie en onderwijs, en de geplande grondwetsherziening, riepen heel wat georganiseerd verzet van de linkerzijde op. Reeds in 1952 vonden manifestaties plaats maar het verzet was niet gestructureerd, zodat er een scheuring kwam in de Socialistische Partij. De eerste veiligheidsovereenkomsten leidden tot massaal en erg fanatiek verzet. In het midden van de jaren 1950 ontstond in de Japanse politiek een nieuwe stroming die men later het pluralisme is gaan noemen, een beweging die moeilijk te omschrijven valt als links of rechts, pro- of anti-Amerikaans. Amerikanen en Russen waren immers vanaf 1955 begonnen aan een wedloop in kernbewapening en ze hielden vele kernproeven die in Japan met afgrijzen werden bekeken. In augustus 1955 werd voor de eerste maal in Hiroshima een massameeting georganiseerd die een wereld zonder kernwapens eiste (Gensuibaku kinshi sekai taikai 原水爆禁止世界大会). Dit bracht een beweging op gang, waarvan de invloed tot op heden een constante in de Japanse politiek is gebleven. De omvang ervan dwong de conservatieven toezeggingen te doen in verband met de ontwikkeling van kernenergie, en hield de overheid aan het verbod om kernwapens te installeren op Japanse bodem. In december 1956 trad de bejaarde Hatoyama, die heel wat diplomatieke successen had behaald, af en werd hij opgevolgd door Ishibashi Tanzan, die reeds na twee maanden, omwille van ziekte, het roer uit handen moest geven aan Kishi Nobusuk 岸信介 (1896-1987), een van de merkwaardigste figuren in de geschiedenis van het moderne Japan. Hij was een notoir anticommunist en was als oorlogsmisdadiger veroordeeld. In de jaren dertig was hij een van de topfiguren in het burgerlijk bestuur van Mănzhōuguo. Onder Tōjō Hideki was hij minister van Buitenlandse Zaken en bijgevolg medeondertekenaar van de oorlogsverklaring aan de Verenigde Staten. Hij zat drie jaar in de gevangenis, maar werd gerehabiliteerd in 1952. Hij sloot zich noch bij de factie van Hatoyama noch bij die van Ikeda aan, maar was in feite in beide kampen actief. Zo slaagde hij erin amper vijf jaar na zijn rehabilitatie eerste minister te worden tijdens een van de meest bewogen periodes in de naoorlogse Japanse geschiedenis. In februari 1957 werd Kishi voorzitter van de Liberaal-Democratische Partij en premier. Hij is vooral de geschiedenis ingegaan als de architect van het hernieuwde veiligheidsverdrag met de Verenigde Staten in januari 1960 (Nichi Bei Anzen Hoshō Jōyaku no Kaitei 日米安全保障条約の改定). Hij voerde een vijandig beleid tegenover communistisch China, geheel zoals de Verenigde Staten het wensten en tegen het open bilaterale beleid van Hatoyama in. Op binnenlands vlak stimuleerde hij de economie en trachtte hij de democratische verworvenheden terug te schroeven, waarin hij slechts gedeeltelijk slaagde. Hij slaagde erin op brutale en achterbakse wijze het veiligheidsverdrag in de Diet te laten goedkeuren. Het verdrag stuitte op veel verbaal en parlementair verzet en zelfs binnen de rangen van de Liberaal- Democratische Partij waren de meningen zeer verdeeld. Daar kwam nog bij dat Kishi het verdrag goedgekeurd wou zien voor de komst van president Eisenhower. De goedkeuring kwam er uiteindelijk toch, omdat Kishi enkele honderden politiemannen in het parlementsgebouw posteerde om de oppositie het spreken te beletten. Het voorstel werd meerderheid tegen oppositie aangenomen. Door dit manoeuvre verloor hij wel zijn geloofwaardigheid, zelfs in de financiële kringen. De wekenlange demonstraties van oppositie, studenten, vakbonden, ... kostten hem uiteindelijk het premierschap. Bovendien zegde Eisenhower zijn bezoek wegens de hevige rellen af. Het lijdt geen twijfel dat het verdrag er hoe dan ook gekomen zou zijn, maar de wijze waarop Kishi de parlementaire procedures met de voeten trad, maakte hem persona non grata bij brede lagen van de bevolking. De massale demonstraties tegen het veiligheidsverdrag (Anpo tōsō 安保闘争) en de hoge mate van politieke bewustwording bij grote groepen in de samenleving markeren het jaar 1960 als het roerigste jaar in de Japanse naoorlogse geschiedenis. Het betekende voor Japan wat ‘Parijs 1968’ voor Frankrijk betekende.

De internationale situatie en Japan

De jaren van hoogconjunctuur

Premier Ikeda Hayato

Na het aftreden van Kishi werd Ikeda Hayato 池田勇人 (1899-1965) in juli 1960 eerste minister. Net als zijn voorganger streefde hij een vlotte samenwerking met de Verenigde Staten na en pleegde hij zelfs overleg met president J.F. Kennedy om een zo vruchtbaar mogelijke economische en culturele samenwerking te realiseren. Hij bracht een verbetering van de relaties met Korea tot stand en liet de handel met communistisch China opbloeien door een strikte scheiding van politiek en economie. Op binnenlands vlak maakte hij zich zeer populair met het ‘plan tot verdubbeling van het inkomen’ (Shotoku baizō keikaku 所得倍増計画). In het kielzog van de voortrazende Japanse economie werden heel wat kiezers naar de Liberaal-Democratische Partij gezogen. In zijn beleid volgde hij de Yoshida-doctrine. Het bruto nationaal product steeg, weliswaar middels het bevoordelen van het monopoliekapitaal, de nieuwe metamorfose van de oude zaibatsu. Deze tendens leidde tot de consolidatie van wat men de ‘dubbele structuur van de Japanse economie’ (Nihon keizai no nijū kōzō 日本経済の二重構造) is gaan noemen. De investeringsboom veroorzaakte prijsstijgingen, aangezien de vrije concurrentie niet volledig kon spelen. Voor het eerst na de Tweede Wereldoorlog dook het probleem van de openheid voor buitenlandse producten op. Dit trad in alle duidelijkheid naar voren toen Japan lid werd van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

De regering Satō Eisaku

Heroplevend nationalisme?

Ikeda moest in oktober 1964 om gezondheidsredenen aftreden en opnieuw werd een Yoshida-discipel regeringsleider: Satō Eisaku 佐藤栄作 (1901-1975), nota bene de jongere broer van Kishi Nobusuke. Hij zette de politiek van Ikeda verder, maar was minder diplomatisch. Hij schuwde de ideologische confrontatie met de linkerzijde niet en durfde controversiële besluiten door het parlement te jagen zonder veel consideratie voor de procedures, bijvoorbeeld de verlenging van het Veiligheidsverdrag met de Verenigde Staten in 1970. In 1965 werd een definitief vredesverdrag met Korea gesloten, het zogenaamde ‘Basisverdrag tussen Japan en Korea’ (Nik-Kan kihon jōyaku 日韓基本条約), samen met enkele verdragen over economische samenwerking. Ook hiertegen bestond veel verzet, maar spoeddebatten en het manipuleren van de procedures zorgden ervoor dat voor december 1965 het Korea-probleem van de baan was. Onder zijn legislatuur zag men de eerste tekenen opduiken van wat sommigen een herrijzend nationalisme noemden, getuige het vastleggen van een ‘Dag voor de herdenking van de stichting van de natie’ (Kenkoku kinenbi 建国記念日) in 1966 en de eeuwfeestviering van de Meiji-restauratie (Meiji hyakunensai 明治百年祭) in 1968. De ‘Dag voor de herdenking van de stichting van de natie’ was een heruitgave van het vooroorlogse ‘Feest van de aanvang van de tijdrekening’, de zogenaamde Kigensetsu 紀元節, en dat riep toch wrange herinneringen op. De Japanse natie werd gesticht toen keizer Jinm 神武, de legendarische eerste keizer, de troon besteeg. Volgens de Nihonshoki vond die gebeurtenis plaats op de eerste dag van het nieuwe jaar,en dat was het jaar van de haan. De dag van Jinmu’s troonsbestijging werd in het vijfde jaar van Meiji (1872) afgekondigd als een nationale feestdag. In het daaropvolgende jaar werd de zonnekalender officieel ingevoerd. Tegelijkertijd werd besloten om het jaar van de troonsbestijging in te voeren als het begin van de Japanse tijdrekening. Berekeningen wezen uit dat dit jaar met het jaar 660 voor Christus overeenkwam. Vervolgens berekende het astronomische bureau met welke dag van de zonnekalender nieuwjaarsdag van het jaar 660 voor Christus overeenkwam. Het was de elfde februari. Dat de Meiji-grondwet op 11 februari 1889 werd afgekondigd was dus niet toevallig. De idealen van deze grondwet werden via de opvoeding diep in het bewustzijn van alle burgers geprent. Het Feest van de aanvang van de tijdrekening werd op school gevierd. De schoolkinderen moesten het lied van de stichting van de Japanse natie zingen. Door de enge band tussen dit feest, de Meiji-grondwet en de Meiji-staat, werd het feest een onderdeel van de mythologie van de Japanse staat, die door het militaristische regime in de jaren dertig misbruikt werd om de natie in zijn avontuur op sleeptouw te nemen. Ophefmakend was de grootscheepse viering van de 2600-ste verjaardag van de troonsbestijging van Jinmu in 1940. Wanneer na de Tweede Wereldoorlog de Meiji-grondwet afgeschaft en door een democratische grondwet vervangen werd, werd het Kigensetsu-feest ook geschrapt als nationale feestdag. Na de ondertekening van het Vredesverdrag van San Francisco (1951) gaf de toenmalige Japanse premier Yoshida te kennen dat hij het weer wilde invoeren. Wanneer in 1952 het verdrag van kracht werd, en Japan bijgevolg zijn soevereiniteit herwon, diende de regeringspartij een wetsvoorstel ter zake in. Het genootschap van Japanse geschiedkundigen gaf daarop een communiqué uit, waarin het dubieuze historische karakter van de datum en de verdraaiing van de geschiedenis die daarmee gepaard ging, aan de kaak werden gesteld. De Liberale Partij van Japan, de Vereniging van shintō-heiligdommen (The Association of Shinto Shrines, Jinjahonchō 神社本庁), en patriottische verenigingen waren niet te overtuigen en begonnen steeds harder om de erkenning van het feest als nationale feestdag te roepen. Daartegen kwamen de historici en godsdienstwetenschappers steeds krachtiger in het verweer. Ieder jaar borrelde de polemiek in de maanden januari en februari weer op in kranten en tijdschriften. Keer op keer werd een wetsvoorstel ingediend om het feest weer als nationale feestdag te erkennen, en keer op keer strandde het voorstel op het verzet van de oppositie. Toen het voor de negende maal werd ingediend, bleek het toch haalbaar te zijn. De wet werd aangepast en vanaf 1967 werd het feest weer officieel op de oude datum gevierd. De Japanse bevolking nam de vrije dag die het feest opleverde in dank aan, maar werd voor de rest niet door een patriottische geest aangestoken.

Teruggave van Okinawa

Satō kon in 1969 met de Amerikaanse president Nixon een overeenkomst sluiten, die ertoe strekte om in 1972 Okinawa aan Japan terug te geven, al mochten de Amerikaanse bases er ongehinderd actief blijven, onder andere in de Vietnamoorlog. Reeds vanaf 1955 had de bevolking van Okinawa protestmanifestaties tegen deze bases georganiseerd. Vanaf 1960 verbreedde de beweging haar doelstellingen en ging ze ijveren voor een aansluiting bij het moederland. De overeenkomst tussen Satō en Nixon werd in Japan echter met gemengde gevoelens ontvangen omdat Satō in ruil beloften had gedaan en verklaringen had afgelegd die niet in de Diet besproken waren. Amerikaanse bases zouden niet worden ontmanteld, de Amerikanen moesten niet beloven er geen kernwapens op te slaan en het zag er zelfs naar uit dat zij de toezegging hadden gekregen dat ze kernwapens mochten transporteren over het gehele Japanse grondgebied. Dit was een uitvloeisel van Satō’s stelling dat Japans veiligheid zich voortaan uitstrekte tot wat er gebeurde in Taiwan en Korea. Communistische aanvallen op deze landen zouden als een rechtstreekse bedreiging van de Japanse veiligheid beschouwd worden, met alle gevolgen van dien. Deze verklaringen zorgden voor grote beroering, vooral bij de oppositie, die de rol van de Verenigde Staten in Vietnam scherp bekritiseerde en vreesde dat heel Japan voor de Amerikaanse oorlogsmachine zou opengesteld worden. Omwille van de protesten werd Satō in 1972 tot aftreden gedwongen. In een toespraak in 1967 formuleerde Satō zijn drie nietnucleaire principes (Three Nonnuclear Principles, Hikaku san-gensoku 非核三原則): Japan zal geen kernwapens bezitten of maken, noch kernwapens op zijn territorium toelaten. De Diet nam de principes aan in een parlementaire resolutie in 1971. Hoewel zij nooit in een wet omgezet werden, heeft iedere premier sindsdien in het openbaar deze drie principes bevestigd.


De politieke partijen

Het aantal politieke partijen nam in deze periode toe. In 1960 scheurde de Minshu Shakai-tō 民主社会党 (later Minsha-tō 民社党) zich af van de Socialistische Partij. Deze rechtervleugel van de socialisten was voorstander van het Veiligheidsverdrag met de Verenigde Staten. De scheuring betekende een zware klap voor het socialistische front, dat gehoopt had de meerderheid van de Liberaal-Democratische Partij te breken, maar nu zijn aanhang zag versplinteren. Tot haar ontbinding in 1994 bleef de Minsha-tō meer tot compromissen met de meerderheid bereid dan de beginselvaste Socialistische Partij. In 1964 kalfde de socialistische achterban nog verder af, toen de Kōmei-tō 公明党 werd gevormd, een emanatie van een moderne religieuze beweging, de Sōka Gakkai 創価学会. Dit is een erg succesvolle charismatische beweging die de moderne vertaling van de boeddhistische leer van Nichiren (1222-1282) wil zijn. Haar miljoenen volgelingen dankt de beweging vooral aan de sociale steun die de leden elkaar bieden in een tijd van groeiende anonimiteit en verstedelijking, vooral bij de lagere middenklasse. Dit was precies de groep waaruit ook de socialisten een groot deel van hun aanhang rekruteerden. De Kōmei-tō is de enige echt nieuwe naoorlogse politieke partij. Een andere factor die de politieke waaier verbreedde, was de heropleving van de Communistische Partij van Japan (Nihon Kyōsan-tō 日本共産党). Na jaren van twijfel over het volgen van de Sovjetlijn dan wel de Chinese lijn, besliste ze een eigen koers te volgen, een beslissing die haar opmerkelijke winst van aanzien en belang opleverde. Zij rekruteerde uit de middens van intellectuelen en vrije beroepen, vooral in de steden. In 1972 kreeg ze 10,5 procent en in 1986 8,79 procent van het kiespubliek achter zich. De Japanse communisten hebben het respect in eigen land herwonnen, niet zozeer omwille van hun ideologie maar wel omwille van hun intellectuele bijdrage tot het sociale leven en het publieke debat en hun actieve rol aan de basis, zoals in de milieuproblematiek. In de wetgevende verkiezingen van 2005 wist de partij nog 7,3% van de stemmen binnen te rijven. Dat is verwonderlijk, omdat in de meeste landen de communistische partijen in de jaren 1990 weggedeemsterd zijn. Dit weliswaar relatieve succes schrijven waarnemers toe aan het feit dat de partij nooit aan de macht deelgenomen heeft en dus nooit door corruptie aangetast is en dat zij bovendien een klaar en duidelijk platform heeft. Zij is consequent in haar pacifisme, in haar kritiek op de pogingen tot verdoezelen van het oorlogsverleden, en in het onvermogen van de Japanse overheid om met het oorlogsverleden in het reine te komen. De linkse studentenbeweging speelde ook een niet onaanzienlijke rol in het politieke leven door haar taai verzet tegen de hernieuwing van de veiligheidsverdragen in 1960 en 1970, haar manifestaties tegen de Vietnamoorlog, ... Toen werd ze door vele burgers gesteund, maar naarmate bepaalde groeperingen radicaler en gewelddadiger werden en hun doelstellingen door de versplintering steeds obscuurder werden, verloor de beweging de sympathie van het grote publiek.

Bloeiende economie

In het begin van de jaren zestig draaide de Japanse economie op volle toeren, werden enkele uiterst protectionistische maatregelen versoepeld en begon Japan aan een veroveringstocht van de internationale markten. In 1964 sloot Japan aan bij het Internationaal Monetair Fonds en de OESO. Tevens werden de beurs en het financiewezen geliberaliseerd. De nadruk lag op de groei van sterke, monopolistische sectoren, wat vele kleinere bedrijven in moeilijkheden bracht en een plattelandsvlucht veroorzaakte. De periode van het einde van de Amerikaanse bezetting tot aan het aftreden van Satō kunnen wij in vier fasen onderverdelen: 1950-1955: na de bezetting. De oorlog in Korea betekent 1) een keerpunt. De enorme Amerikaanse aankopen stimuleren de productie en de modernisering. Het beleid werd vooral met twee problemen geconfronteerd: energie en voedselbevoorrading. Met de wet op de globale ontwikkeling van het nationale territorium (Kokudo Sōgō Kaihatsu Hō 国土総合開発法) gaf de overheid prioriteit aan energieproductie en aan de bevordering van landbouw, bosbouw en visserij. 2) 1955-1960: industriële ontwikkeling. Kapitaalkrachtige ondernemingen zochten geschikte investeringsplaatsen. De overheid had uitsluitend oog voor economische factoren. Vrijwel alle vestigingen kwamen aan de oostkust, de kant van de Stille Oceaan te liggen. 3) 1960-1964: Globaal Nationaal Ontwikkelingsplan (Zenkoku Sōgō Kaihatsu Keikaku 全国総合開発計画). Een periode van zeer snelle economische groei, vooral van de zware en de chemische nijverheid. De bedoeling van het plan was om de industrie te spreiden, zodat de regionale ontwikkeling op gang zou komen en de bevolkingskernen wat meer zouden gespreid worden. De nadruk lag ook hier vrijwel uitsluitend op het economische aspect zodat sociale aspecten en milieuproblematiek buiten beschouwing bleven. Schrijnend was dat de meeste plannen gerealiseerd werden met het geld van de kleine spaarders, die niet de minste inspraak hadden, en vaak zelf de kwalijke gevolgen moesten dragen. 4) 1965-1972: Nieuw Globaal Ontwikkelingsplan. Het nieuwe plan van Satō verklaarde dat de tijd gekomen was om de economische winsten rechtvaardiger te verdelen. Het bleef een holle slogan die alleen op het vlak van het milieubeleid enig resultaat had. Algemeen mogen we stellen dat Japan onder Ikeda en Satō een economische basis wist uit te bouwen waarmee het met succes de concurrentie met de rest van de wereld kon aanbinden. Het werd hierbij geholpen door Amerika, dat vooral een sterke bondgenoot in Azië zocht, en politieke motieven liet primeren boven economische.

De relaties met de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie en China

Rond 1960 heersten er grote internationale spanningen vooral tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Ten tijde van de Cubacrisis in 1962 bereikte die spanning een hoogtepunt. De Sovjet-Unie rustte Cuba uit met kernwapens, wat de Amerikanen beschouwden als een rechtstreekse bedreiging. Kennedy riep een algemene blokkade van Cuba uit en de Sovjet-Unie zwichtte. De raketten werden ontmanteld. Na deze crisis trad er een zekere dooi in en werden nog andere compromissen bereikt. Het absolute gezag van de Verenigde Staten verminderde in het Westen, zodat de NA TO een moeilijker te besturen geheel werd. Onder De Gaulle trok Frankrijk zich uit de organisatie terug. Europa trachtte zich internationaal sterker te profileren door het stichten van de Europese Economische Gemeenschap (EEG). In het communistische blok ontstond verdeeldheid tussen de Sovjet-Unie en de Volksrepubliek China. China verweet de Sovjet-Unie haar verzoenende houding tegenover de Verenigde Staten. Bovendien vertroebelden enkele grensgeschillen de relaties tussen de twee reuzen. Het kwam tot een breuk in 1962. Máo werd absoluut alleenheerser in China en tijdens de Culturele Revolutie werden dissidente groepen en ideologisch onzuivere personen uit de weg geruimd. In 1966 bereikte de beweging haar hoogtepunt, met hevige anti-Amerikaanse, maar ook virulente anti-Sovjetgevoelens. Nadien kwam er langzaamaan een meer pragmatische koers, die vele westerse landen aanzette tot de erkenning van Máo’s regime. In 1971 werd de Volksrepubliek door de Verenigde Naties erkend als de enige wettelijke vertegenwoordiger van het Chinese volk. Taiwan werd gedwongen de organisatie te verlaten. In 1972 volgde een grote schok. Zelfs de Verenigde Staten, die vroeger Japan hadden verboden toenadering te zoeken tot de Volksrepubliek, erkenden nu op initiatief van president Nixon de Volksrepubliek. Het zorgde voor grote beroering in Japan. Satō Eisaku verzette zich tegen Nixons bezoek aan China en de erkenning van de Chinese Volksrepubliek door de Verenigde Naties. Zijn opvolger premier Tanaka Kakuei bleef echter niet bij de pakken zitten, en in september 1972 slaagde hij erin ook de Chinees-Japanse betrekkingente normaliseren. Na de wapenstilstand van 1954 had het Franse leger zich uit Indochina teruggetrokken. De communisten in het noorden van Vietnam, de Vietcong, streefden naar een hereniging van het verdeelde Vietnam. De Verenigde Staten kozen de zijde van Zuid-Vietnam. Ondanks de 500.000 mariniers die het inzette, kon Amerika geen militair overwicht bereiken. De wijze van oorlogvoering werd in en buiten de Verenigde Staten fel bekritiseerd. Bovendien werd de economische prijs zo hoog dat in 1968 president Nixon onderhandelingen begon in Parijs, die echter pas in 1973 tot resultaat leidden. Op 27 januari 1973 werd in de Franse hoofdstad een overeenkomst ondertekend over het staken van de vijandelijkheden en het herstel van de vrede in Vietnam. De Verenigde Staten erkende de onafhankelijkheid, soevereiniteit, eenheid en territoriale integriteit van Vietnam. Tegen 29 maart 1973 zouden alle Amerikaanse troepen uit Vietnam teruggetrokken worden. De oorlog ging echter door, tussen Noord-Vietnam en het Voorlopige Revolutionaire Bewind aan de ene kant en het door Amerika gesteunde Zuid-Vietnamese regime van Nguyễn Văn Thiệu aan de andere kant. Pas op 29 april 1975 viel met de val van Saigon definitief het doek over het moorddadige en verscheurende conflict. Het herenigde Vietnam werd een volksrepubliek.

Van de oliecrisis tot de jaren 1980

Premier Tanaka Kakuei

Satō verkocht zijn buitenlands beleid op onhandige wijze in Japan zelf, hetgeen Tanaka Kakuei 田中角栄 aan de macht bracht. Hij was zeer populair en had een grote flair voor politieke afspraakjes. Hij bouwde verder op Satō’s voorbereidingen en normaliseerde de relaties met China, bezegeld in de ‘Gemeenschappelijke Chinees- Japanse Verklaring’ (Nit-Chū kyōdō seimei 日中共同声明). Op binnenlands vlak vroeg hij steun voor een economisch beleid op lange termijn (streefdatum 1985). Het plan voorzag in verscheidene regionale centra die door een spin-offeffect een algemene verbetering van de welvaart en een spreiding van de impact op het milieu zouden teweegbrengen. Dit was het geruchtmakende ‘Plan voor een Hervorming van de Japanse Archipel’ Nihonrettō kaizō keikaku 日本列島改造計画 . De uitvoeringvan dit grootse, megalomane plan verzandde in corruptie, politiek gekuip en speculatie. De oliecrisis verergerde de situatie. De prijs van de voornaamste energiebron verviervoudigde en de inflatie flakkerde op. Onmiddellijk stemde Japan zijn buitenlands beleid af op het verbeteren van de olie-import. Tanaka werd in 1974 tot aftreden gedwongen omwille van zijn betrokkenheid in het ophefmakende Lockheedschandaal. Tanaka werd op beschuldiging van omkoperij in 1976 gearresteerd en in 1983 veroordeeld. Niettegenstaande de schuldigverklaring kreeg Tanaka geen gevangenisstraf opgelegd en bleef hij tot ver in de jaren 1980 een belangrijke politieke factor. Gaandeweg werd de politieke cultuur onder Tanaka’s leiderschap geassocieerd met de ‘geldpolitiek’, een verwijzing naar de verkiezingscampagnes die alsmaar duurder werden, en naar de praktijken van de factieleiders, die in hun zoektocht naar campagnefondsen verwikkeld raakten in bedenkelijke financiële constructies. Het dynamische zakenleven had de medewerking van politici en ambtenaren nodig om te kunnen groeien binnen het sterk gereguleerde Japanse economische systeem. Naarmate de zeepbeleconomie in de jaren 1980 uitdijde, vonden aanzienlijke geldstromen hun weg naar de partijkassen. Sommigen riepen op om het systeem te hervormen, maar daar kwam in de praktijk weinig van terecht. Politieke corruptie bleef een endemisch probleem.


Premier Miki Takeo

Miki Takeo 三木武夫 werd in december 1974 premier. Vele fracties van de Liberaal- Democratische Partij boden slechts matige steun. Het Lockheedschandaal diende opgelost zonder de Liberaal-Democratische Partij zelf schade te berokkenen, en verder moest Miki de brokstukken lijmen na de oliecrisis en het mislukken van Tanaka’s economische hervormingen. Hij werd tot aftreden gedwongen wegens de kritiek op zijn beleid. Hij versoepelde de antimonopoliewetgeving, raakte verwikkeld in een diplomatiek incident met Zuid-Korea en onderhandelde over een vredesverdrag met China. In augustus 1973 ontvoerden agenten van de Korean Central Intelligence Agency de Koreaanse oppositieleider Kim Dae-jung 金大中 uit een hotel in Tōkyō. De bedoeling was deze ‘lastpost’ voor het autoritaire regime van Park Chung-hee 朴正熙 uit te schakelen. Snel en sterk protest van Japan en de Verenigde Staten verijdelde het plan. De man werd een week later in Seoul uit de gevangenis vrijgelaten en onder huisarrest geplaatst. Toen hij aantrad wilde Miki verheldering van de omstandigheden van de ontvoering en een verontschuldiging, maar de Zuidkoreaanse overheid bleef zich in stijlzwijgen hullen.

Premier Fukuda Takeo

Fukuda Takeo 福田赳夫 had vooral aandacht voor de economische situatie in Japan. Ondanks de waardevermeerdering van de yen voerde hij een agressief exportbeleid. In augustus 1978 tekende zijn regering met de Chinese het ‘Japans-Chinese Vredes- en Vriendschapsverdrag’ (Nit-Chū heiwa yūkō jōyaku 日中平和友好条約). Hoewel hij het imago had een conservatief te zijn, en een havik inzake buitenlandse politiek, werd hij ‘wereldberoemd’ door zijn coulante behandeling van terroristen. Toen het Japanse Rode Leger eind september 1978 Japan Airlines vlucht 427 kaapte, ging hij in op de eisen van de kapers met de beroemd geworden uitspraak: ‘Mensenlevens wegen meer dan de wereld’. Vanaf 1978 werd Japan internationaal steeds vaker beschuldigd van unfaire handelspraktijken, hetgeen tot de zogenaamde ‘handelsfricties’ (bōeki masatsu 貿易摩擦) leidde. Na het oplossen van de zeepbel en de tien jaren van stagnatie in de jaren 1990 is die kritiek vrijwel geheel verstomd. Nu vormt China een groter gevaar voor het handelsevenwicht in de wereld.

Premier Ōhira Masayoshi

In 1978 moest Fukuda het afleggen tegen zijn rivaal Ōhira Masayoshi 大平正芳, een christen en trouw aanhanger van de buitenlandse politiek van Jimmy Carter, zoals onder meer bewezen door zijn veroordeling van de tussenkomst van de Sovjet- Unie in Afghanistan. De bekoelde relatie met de Sovjet-Unie gaf tegenstanders binnen de Liberaal-Democratische Partij, zoals Fukuda en Miki, de kans Ōhira te dwarsbomen. Ōhira schreef verkiezingen uit om zijn positie te verstevigen. Al verloor de Liberaal-Democratische Partij een zetel, toch kon hij met de steun van Tanaka premier blijven. In 1980 onthielden de fracties van Fukuda en Miki hun steun aan het kabinet na een motie van wantrouwen van de oppositie. Ōhira kwam ten val en overleed tijdens de daaropvolgende verkiezingscampagne. Zijn dood ging gepaard met een enorm rouwbetoon van het volk en een grote verkiezingsoverwinning van de Liberaal-Democratische Partij. De nieuwe compromisfiguur, waarmee Miki en Fukuda vrede konden nemen onder toezicht van Tanaka, was Suzuki Zenkō 鈴木善幸. Hij maakte een begin met administratieve hervormingen, maar moest aftreden omdat hij belastinghervormingen voorstelde en tegenover de Verenigde Staten een tamme houding aannam. Zij eisten namelijk een grotere defensie-inspanning en een vermindering van de export naar het Westen.

De internationale context

Lokale oorlogen

In de jaren zeventig en tachtig bleven regionale conflicten getuigen van de tegenstellingen tussen Oost en West. Het flagrantste voorbeeld is het conflict in Afghanistan, waar Russische troepen zich mengden in de binnenlandse tegenstellingen. Ondanks het heel eigen karakter van de oorlog tussen Iran en Irak, die in 1981 uitbrak, kwamen ook hier de tegengestelde belangen van Oost en West aan het licht. Op vele plaatsen werd de dominantie van de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten steeds meer in vraag gesteld (Chili, Polen, Nicaragua, ...).


De Volksrepubliek China

Het streven naar hereniging van het gehele grondgebied bleef een van de grondtonen van China’s diplomatie. Groot-Brittannië besloot Hongkong aan China terug te geven, een besluit dat in 1997 met veel vertoon werd uitgevoerd. Taiwan bleef afkerig staan tegenover het regime op het vasteland. Na het overlijden van Máo ontstond er een machtsstrijd tussen de nieuwe pragmatici zoals Huà Guófēng 華国鋒 en Dèng Xiǎopíng 鄧小平 en de zogeheten Bende van Vier. De Bende van Vier moest de duimen leggen in de krachtmeting en moest in een ophefmakend proces terechtstaan. De beschuldiging luidde dat zij de echte aanstokers van de Culturele Revolutie waren geweest en dat ze Máo de macht afhandig hadden gemaakt.

Noord-Zuidprobleem

Na de Tweede Wereldoorlog schonk het proces van dekolonisatie het licht aan vele nieuwe landen, vooral in Azië en Afrika. Vele daarvan waren aangewezen op ontwikkelingshulpvan rijke landen waaronder Japan. Er was weinig politieke motivatie om deze landen te helpen, omdat ze ideologischonafhankelijk wilden blijven en weinig politieke stabiliteit kenden. Omdat de noden steeds grotere proporties aannamen en deze landen politiek een belangrijkere rol gingen opeisen, begon de Noord-Zuiddialoog geleidelijk een meer dringende problematiek te worden dan de Oost-Westtegenstelling.

De vredesbeweging

De oorlog om de Falklands (1982) en de druk van de internationale opinie versterkten de roep om ontwapening. Onderhandelingen tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie verliepen hoopvol, maar een vraagteken bleven de ‘onafhankelijke’ kernmachten: China, India, Pakistan, Irak, Zuid-Afrika, Israël, ... Ook het vreedzaam gebruik van kernenergie werd in vraag gesteld sinds de incidenten van Three Mile Island (1979) en Tsjernobyl (1986).

Actuele problemen van Japan

De internationale politieke constellatie

Japan bleef lang genieten van de Amerikaanse militaire hulp, economische steun en samenwerking. De vraag naar een eigen inbreng werd vanaf 1980 steeds groter. Amerika wilde van Japan een belangrijke, sterke bondgenoot tegen de Sovjet-Unie maken. Japans economisch protectionisme kwam steeds meer onder vuur te liggen. De liberalisering en de afschaffing van de invoerbeperkingen ging volgens de rest van de wereld niet snel genoeg. Bleef de vraag of een open Japan de economische relance van de wereld zou kunnen dragen. Van Japan werd meer humanitaire betrokkenheid en een ernstige bijdrage in de ontwikkelingshulp verwacht. Andere problemen waren de bases van de Verenigde Staten op Okinawa, en de niet nagekomen belofte van de Sovjet-Unie uit 1965 om de noordelijke eilanden Kunashiri 国後島 en Etorofu 択捉島 terug te geven.

Binnenlandse politieke evolutie

Na de oorlog werd Japan vrijwel doorlopend door een conservatieve regering bestuurd. Vragen naar de rechtvaardigheid van het kiesstelsel en het gebruik van politieke fondsen klonken steeds luider. Een goed lokaal beleid werd belemmerd door het benoemen van veteranen uit het ministerie van Zelfbestuur en door corruptie. De administratieve hervorming onder het motto ‘afslanken van de overheid’ botste op onwil en tegenwerking van de gevestigde belangen en verworven rechten. De Liberaal-Democratische Partij bestendigde haar dominantie over de Japanse politiek tot 1993. Haar populariteit was gestoeld op de succesvolle wijze waarop de partij Japan door de moeilijke jaren van de oliecrisis had geloodst, en op de geslaagde economische omschakeling in de jaren zeventig en tachtig, die de zware industrie verving door hoogtechnologische ondernemingen. Deze overgang bracht welvaart mee voor grote delen van de bevolking. De oppositiepartijen, de socialisten en communisten in het bijzonder, verloren aanhang. De alliantie tussen regering en zakenleven, waar de Liberaal-Democratische Partij de concrete belichaming van was, had haar deugdelijkheid bewezen. Aan het eind van de jaren tachtig en het begin van de jaren negentig kwam er sleet op deze goede verstandhouding tussen bevolking en overheid. De economische groei vertraagde, de inkomensongelijkheid werd groter en het publiek werd gevoeliger voor politieke corruptie. Toch waren er voorheen ook al signalen die nieuwe politieke verhoudingen leken aan te kondigen. Hoewel de Liberaal-Democratische Partij haar greep op het bestuur leek te consolideren, ging het stemmenaandeel van de partij er geleidelijk aan op achteruit. Haalde de Liberaal-Democratische Partij in 1969 nog drie vijfde van de stemmen, in 1983 was het aandeel al tot de helft geslonken, en in 1989 bij de verkiezing van een nieuw Hogerhuis tot minder dan een derde van de stemmen. En hoewel het premierschap stevig in handen van de Liberaal-Democratische Partij bleef, bleek elk kabinet, met uitzondering van het kabinet Nakasone Yasuhiro (reg. 1982-87), van kortstondige duur. In 1989 verloor de Liberaal-Democratische Partij haar Hogerhuismeerderheid aan een coalitie van oppositiepartijen onder leiding van de socialisten, die Doi Takako 土井たか子, de eerste vrouw aan het roer van een grote partij, nomineerden voor het premierschap; een motie die bij stemming in het Lagerhuis evenwel werd verworpen. Het werd enige maanden luw op het politieke front toen in 1988 de ziekte van keizer Hirohito kritiek werd. Met zijn dood op 7 januari 1989 viel het doek over de Shōwa-periode, die met 62 regeringsjaren meteen de langste regering van een Japanse monarch ooit was. Zijn oudste zoon, kroonprins Akihito 明仁, volgde hem op onder het motto Heisei 平成 (gelijkmatige/vreedzame groei). Maar vreedzaamheid was niet direct de eigenschap die debinnen- en buitenlandse politiek van het moment kenschetste. Later in 1989 werd premier Takeshita Noboru竹下登 genoodzaakt af te treden wegens zijn betrokkenheid in een schandaal van manipulatie van de effectenbeurs. Een seksschandaal dwong de volgende premier, Uno Sōsuke 宇野宗佑, reeds na 68 dagen ontslag te nemen. Hij werd opgevolgd door Kaifu Toshiki 海部俊樹, die weliswaar een onberispelijke reputatie had, maar voor het overige op weinig stabiele steun kon rekenen binnen zijn partij. In de aanloop naar de eerste Golfoorlog (1990-91), toonde Kaifu zich besluiteloos in verband met de Amerikaanse vraag naar ondersteuning. Eind 1991 werd hij gedwongen af te treden, toen zijn voorstellen om te voorzien in een wetgeving die Japans niet-strijdende deelname aan de vredesmissies van de Verenigde Naties mogelijk moest maken (aangenomen in 1992) en om anticorruptiemaatregelen te treffen, geen kamermeerderheid haalden. Miyazawa Kiichi 宮沢喜一, die na Kaifu in 1991 aan het hoofd van de regering kwam, behoorde al enige decennia tot de machtige kopstukken van de Liberaal-Democratische Partij. Toen een politiek schandaal andermaal de kop opstak, poogde Miyazawa, als respons op de publieke verontwaardiging, een hervormingswetgeving aan het parlement voor te leggen. Zijn opzet kreeg echter niet de steun van sleutelfiguren binnen de Liberaal-Democratische Partij, en in juni 1993 bracht een door vele dissidenten van de Liberaal-Democratische Partij gesteunde motie van wantrouwen zijn kabinet ten val. Bij verkiezingen de maand daarop verloor de Liberaal-Democratische Partij, die toch met 39,5% van de stemmen 223 zetels in de wacht sleepte, haar kamermeerderheid aan een coalitie van oppositiepartijen: hiermee kwam een einde aan 38 jaar onafgebroken regeringsverantwoordelijkheid. Velen waanden het ‘regime van 1955’ dood en begraven. De publieke opinie wilde hervormingen: decentralisatie, kieshervorming, en een vermindering van de macht van de bureaucratie. Diverse nieuwe partijen, vaak afsplitsingen van de Liberaal-Democratische Partij, namen voor het eerst deel aan de verkiezingen, zo onder meer de neoconservatieve Japan New Party (JNP , Nihon Shintō 日本 新党) en de door Ozawa Ichirō 小沢一郎 geleide New Life Party (Shinsei-tō 新生党). Zij brachten met verscheidene andere oppositiepartijen een zespartijencoalitieregering aan de macht. Het ex-lid van de Liberaal-Democratische Partij Hosokawa Morihiro 細川護煕, de voorzitter van de Japan New Party, werd de nieuwe premier. Premier Hosokawa maakte een voorzichtig begin met politieke hervormingen, inclusief beperkingen op campagnebijdragen aan politieke partijen en een wijziging van het Japanse verkiezingssysteem. Hij boekte matig succes in de beperking van de bijdragen, en slaagde erin het verkiezingsstelsel te herzien. Het werd een combinatie van driehonderd enkelvoudige kiesdistricten en proportionele vertegenwoordiging in elf regionale kieskringen. Verdeeldheid binnen zijn heterogene coalitie omtrent belastinghervorming en beschuldigingen van persoonlijke betrokkenheid bij de schandalen tijdens het Miyazawa-bewind brachten Hosokawa in april 1994 ten val. Zijn opvolger Hata Tsutomu 羽田孜 handhaafde zich amper twee maanden. In het daaropvolgende machtsvacuüm formeerden de socialisten met de overgebleven leden van de Liberaal-Democratische Partij en leden van de centrumlinkse New Party Sakigake (Shintō Sakigake 新党さきがけ) een onwaarschijnlijk kabinet geleid door Murayama Tomiichi 村山富市, Japans eerste socialistische premier sedert 1948. Tijdens Murayama’s premierschap (1994-96) werden in 1995 Kōbe 神戸 en omgeving getroffen door een verwoestende aardbeving die aan meer dan 5.000 mensen het leven kostte. Een terroristische aanval door AUM Shinrikyō オウム真理教, een kleine religieuze sekte, zaaide terreur in het hoofdstedelijke metronet: twaalf mensen verloren het leven en duizenden werden gewond. Hetzelfde jaar nam het Lagerhuis een resolutie aan waarin ‘diepe spijt’ werd uitgedrukt voor de Japanse ‘daden van agressie’ in Azië tijdens de Tweede Wereldoorlog. Japan beloofde ook de antioorlogsclausule, zoals vervat in artikel 9 van de Japanse naoorlogse grondwet, gestand te doen. Murayama bekrachtigde de strekking van de resolutie door als eerste Japanse premier ondubbelzinnig zijn ‘verontschuldigingen’ (owabi 御詫び) aan te bieden. In datzelfde jaar echter leed Murayama’s Sociaal-Democratische Partij (SDP : Shakai Minshu-tō 社会主党, tot 1991 bekend als de Japanse Socialistische Partij – JSP : Nihon Shakai-tō 日本社会党) een reeks verkiezingsnederlagen, en dit leidde begin 1996 tot zijn ontslag. Murayama werd opgevolgd door de voorzitter van de Liberaal-Democratische Partij Hashimoto Ryūtarō, die zich de steun van de Sociaaldemocraten en de kleinere Sakigake-fractie verzekerde. De verkiezingen in oktober 1996 leverden de Liberaal- Democratische Partij 239 van de 500 zetels in het Lagerhuis op, maar bij gebrek aan coalitiepartners kwam Hashimoto aan het hoofd van een minderheidskabinet van de Liberaal-Democratische Partij te staan. De oppositie hergroepeerde zich moeizaam: ter rechterzijde verzamelde Ozawa zijn Shinsei-tō, de Japan New Party, Kōmei-tō en de DSP (Democratisch-Socialistische Partij) in een tot Shinshin-tō omgedoopt blok, terwijl centrumlinks zijn krachten bundelde in de Democratische Partij (Minshu-tō 民主党), de partij van de jonge Turken Kan Naoto 菅直人 en Hatoyama Yukio 鳩山由紀夫. Tegen 1997 zorgde de overstap van enkele parlementsleden naar de fractie Onafhankelijken er echter voor dat de Liberaal-Democratische Partij na onderhandeling over een werkbare meerderheid in het Lagerhuis beschikte. Door de economische recessie leed de regering een groot verlies aan populariteit en in 1998 incasseerde de Liberaal- Democratische Partij een verkiezingsnederlaag. Dit was het einde van het Hashimotokabinet. Premier werd nu Obuchi Keizō 小渕恵三, leider van de grootste factie binnen de Liberaal-Democratische Partij, en nieuwgekozen partijvoorzitter. Aan het hoofd van een coalitieregering die in beide huizen van het parlement de steun genoot van de Liberaal-Democratische Partij, Kōmei-tō en enkele van Shinshin-tō afgesplitste fracties, kon Obuchi een controversiële wetgeving doordrukken: de uitbreiding van de militaire samenwerking met de Verenigde Staten, de wettelijke bescherming in 1999 van omstreden staatssymbolen zoals de vlag (Hinomaru 日の丸の旗) en het volkslied (Kimigayo 君が代), de sanering van het bankwezen en de instelling van economische hervormingen. Zijn politieke carrière kwam op 2 april 2000 abrupt ten einde, toen een fatale beroerte hem in een onherstelbare coma stortte. Een paar weken voor zijn overlijden (14 mei 2000) werd hij na een weinig verheffend gemanoeuvreer onder partijfacties door secretaris-generaal Mori Yoshirō 森喜朗 vervangen. Tijdens verkiezingen in juni verloor de Liberaal-Democratische Partij haar meerderheid en was de partij genoodzaakt een ongewone coalitie aan te gaan met twee kleinere partijen. Mori was een zwak figuur en zijn herhaaldelijke blunders – zo noemde hij Japan ‘een goddelijke natie met de keizer in het centrum’ – deden zijn populariteitscijfer tot het laagste niveau aller tijden zakken voor een zittend premier. In april 2001 kondigde Mori zijn ontslag aan. In de race naar het voorzitterschap van de Liberaal-Democratische Partij liet de hervormingsgezinde kandidaat Koizumi Jun’ichirō 小泉純一郎 alle rivalen achter zich. Hij voerde campagne voor economische herstructurering en belastingmatiging en verzette zich tegen de invloed van facties op het bestuur. Hij werd beëdigd tot de nieuwe Japanse premier. Koizumi genoot grote populariteit, hoewel een aantal van zijn hervormingen tegengewerkt werden door conservatieve krachten binnen zijn eigen partij. Bovendien oogstte hij kritiek met zijn veiligheidsbeleid, dat de Japanse strijdkrachten een grotere taakinvulling toebedeelde dan een louter defensieve opdracht. Zijn jaarlijkse bezoeken aan het Yasukuni-heiligdom 靖国神社 riepen een storm van verontwaardiging op bij bepaalde segmenten van de Japanse maatschappij, en zorgden voor diplomatieke spanningen met de buurlanden, in het bijzonder met Zuid-Korea en de Chinese Volksrepubliek. Deze controverses ten spijt, hield de heropleving van de Liberaal-Democratische Partij aan, en won de partij in november 2003 een comfortabele meerderheid in het Lagerhuis, waardoor voor Koizumi een tweede ambtstermijn was weggelegd. Tijdens zijn tweede kabinetsperiode concentreerde hij zich vooral op de implementatie van de plannen die het Japanse postwezen, met inbegrip van een spaarbank en een verzekeraar, dienden te privatiseren. Hij stuitte daarbij vooral op verzet van krachten die beducht waren voor banenverlies en afslanking van de dienstverlening. Toen in 2005 het Hogerhuis het privatiseringsplan voor de post had weggestemd, schreef Koizumi prompt nieuwe verkiezingen voor het Lagerhuis uit en royeerde hij dissidente leden van de Liberaal- Democratische Partij als lid van de partij. In de verkiezingen van september dat jaar zag Koizumi zijn gok met succes bekroond: de Liberaal-Democratische Partij haalde de absolute meerderheid. Krachtens de partijstatuten die een derde ambtstermijn uitsloten, droeg Koizumi in september 2006 de macht over aan Abe Shinzō 安倍晋三, die na één jaar bewind opgevolgd werd door Fukuda Yasuo.

Economie en maatschappelijk leven

De economische ontwikkeling van Japan tijdens de jaren 1980 was oogverblindend, met zijn computers, industriële robotica, ... Deze spitstechnologie werd geschraagd door een ronduit schitterende infrastructuur (luchthavens, spoorwegen, snelwegen). Deze ontwikkeling was echter bijzonder eenzijdig en op sociaal vlak kampte Japan met enorme problemen: een oplopende werkloosheid, tewerkstelling onder niveau, burakumin 部落民, de milieuvervuiling, plattelandsvlucht, vergrijzing, ontoereikende sociale voorzieningen en verzorgingsfaciliteiten. Zelfs in de productie werden ernstige problemen gesignaleerd. De regionale economie, vooral in onderaannemerschap, kwam in moeilijkheden, de rijstsector werd door enorme subsidies overbeschermd, Japan bleef kampen met een tekort aan eigen energievoorziening en voedselproductie. De niet door scrupules geremde aanleg van spoorwegen en autowegen in dichtbevolkte gebieden vormde een bedreiging voor de levenskwaliteit van talloze burgers. De Japanner lijkt wel het prototype van de moderne mens in de massaconsumptie, die tevens het slachtoffer is van afkalvende morele waarden en van de anonimiteit van de grootstad. Vele hardnekkige problemen lijken onoplosbaar te worden zonder een beroep op ‘hogere levenswaarden’. Dit verklaart het succes van protestgroepen, maar ook het opduiken van gewelddadige gangs, geweld op scholen, zelfmoorden.

Een balans en een perspectief

Na de oorlog groeide in Japan een democratische staat, even goed of even slecht functionerend als de meeste westerse landen. De voornaamste verworvenheid is dat de realisaties van de moderne cultuur, wetenschap en techniek voor iedereen bereikbaar zijn. Wellicht is het aantal Nobelprijzen een goede graadmeter (Japanners gebruiken hem zelf graag): Yukawa Hideki 湯川秀樹 (Natuurkunde, 1949, zie hoger), Tomonaga Shin’ichirō 朝永振一郎 (Natuurkunde, 1965), Kawabata Yasunari 川端康成 (Literatuur, 1968), Esaki Reona 江崎玲於奈 (Natuurkunde, 1973), Satō Eisaku 佐藤栄作 (Vrede, 1974), Fukui Ken’ichi 福井謙一 (Scheikunde, 1981), Tonegawa Susumu 利根川進 (Fysiologie/Geneeskunde, 1987), Ōe Kenzaburō 大江健三郎 (Literatuur, 1994), Shirakawa Hideki 白川英樹 (Scheikunde, 2000), Noyori Ryōji 野依良治 (Scheikunde, 2001), Koshiba Masatoshi 小柴昌俊 (Natuurkunde, 2002) en Tanaka Kōichi 田中耕一 (Scheikunde, 2002). Als economisch leider werd Japan in de jaren 1980 geconfronteerd met de vraag hoe het zich moest integreren in de nieuwe wereldorde. Het is daarin inmiddels niet zonder enige moeite geslaagd. De stagnatie van de jaren 1990 heeft sowieso veel van de scherpe kantjes weggenomen. Andere opkomende economische grootmachten vormen nu grotere bedreigingen voor de economische wereldorde. De Amerikaanse hoogleraar Joseph Nye is de bedenker van het woord ‘soft power’. Het duidt op het vermogen van een staat of andere politieke entiteit, om zijn belangen te bevorderen en het gedrag van andere staten te beïnvloeden met culturele of ideologische middelen. Hoewel men over de bruikbaarheid van de term als theoretisch begrip kan redetwisten, is ‘soft power’ sindsdien populair geworden in het politieke discours, wanneer men het heeft over de subtiele en vreedzame effecten van cultuur, waarden en ideeën op het gedrag van andere mensen en staten, in tegenstelling tot dwingende en repressieve maatregelen door middel van militair geweld (hard power) of economische prikkels. Toen Japan zich op het pad van de modernisering begaf, begon het van lieverlede de aspiratie te koesteren een internationale rol te spelen en een regionale grootmacht te worden. Het najagen van die ambitie door hard power (kolonialisme en expansie) heeft het land tot op de rand van de afgrond gebracht. In 1945 lag die ambitie aan scherven. Door zijn beperkte bevolking, de enge grenzen van zijn territorium, zijn gebrek aan grondstoffen, zijn grondwettelijke beperkingen, zijn oorlogsverleden, heeft het land zijn kans om als hard power een gooi te doen naar de status van grootmacht verkeken. Ook in zijn economische groeimogelijkheden lijkt niet meer de rek te zitten die het land ooit toeliet een groei van 10% en meer per jaar te realiseren. Sinds de jaren 1990 heeft het land zelfs met een zekere stagnatie af te rekenen. Een militaire grootmacht zal Japan dus niet worden, maar de laatste paar decennia lijkt zich een alternatief aan te dienen, namelijk de kans om uit te groeien tot een soft power van regionaal of zelfs wereldniveau. Literatuur, film, manga, anime, de rijke waaier van de Japanse massacultuur lijkt de jongste tijd op spectaculaire wijze de wereldmarkt te veroveren. Zelfs de Chinese jongeren zijn er weg van, in weerwil van de anti-Japanse gevoelens die ze op school en in de media ingelepeld krijgen. Ook de Japanse overheid, die normaliter ‘cultuur’ steeds met een grote C schrijft, heeft er het belang van ingezien. Bovendien lijkt het land zich meer en meer te profileren als een voorloper op vlak van milieuvriendelijke technologie. De naam van de stad Kyōto is dankzij het Kyōto-protocol synoniem geworden met ecologisch beleid en duurzame ontwikkeling. In de tweede helft van de negentiende eeuw wist Japan, een grondstofarme landbouwstaat, zijn handicap te overwinnen en als eerste Aziatische staat de industrialisering met succes af te ronden. Andermaal lijkt het land nu de kans te krijgen om zijn ingebouwde handicap als gevolg van de nederlaag in 1945 om te smeden tot een troef. Door de inherente beperkingen aan zijn status als hard power zal het eerder dan andere landen zijn energie en creativiteit zijn gaan richten op die dingen die in de toekomst alleen maar aan belang zullen winnen: cultuur en milieu. Het is daar dat de toekomst van Japan lijkt te liggen.