De geschreven pers in Japan (1900-nu)

Uit GeschiedenisJapan

Nergens ter wereld worden er zoveel kranten gelezen als in Japan, een land waar informatie en communicatie niet meer weg te denken is. De Japanse kranten (新聞 ; shinbun), net zoals andere kranten ter wereld, zijn er in alle soorten en maten: van algemene nieuwskranten tot kranten gespecialiseerd in economie, sport, literatuur, handel, etc. Men kan ze verkrijgen doorheen gans Japan, per regio, prefectuur of per stad. Sommige kranten publiceren maar liefst tweemaal per dag – een editie ’s morgens en één ’s avonds – terwijl anderen wekelijks, maandelijks of slechts jaarlijks publiceren. Momenteel zijn de vijf belangrijkste kranten in Japan de Asahi Shinbun (朝日新聞), de Mainichi Shinbun (毎日新聞 ; lett. "De dagelijkse krant), de Yomiuri Shinbun (読売新聞), de Sankei Shinbun (産経新聞) en de Nihon Keizai Shinbun (日本経済新聞 ; De Japanse Economische Tijd). De eerste twee zijn antigouvernementeel, terwijl de anderen de overheid “promoten”.

Inhoud

De groei naar een vrije pers - Geschiedenis van de Japanse krant

Vóór 1850

Yomiuri en Kawaraban

Een kawaraban met sensationele illustratie genaamd shinbun nishiki-e (錦絵 ; lett. "brokaatafbeelding")

Japanse kranten kenden hun begin in de late 17de eeuw[1] als yomiuri (読売 ; lett. “lezen en verkopen”) of kawaraban (瓦版 ; lett. “tegelbedrukking”). Dit waren teksten of afbeeldingen op papier die verkocht werden in de grote steden om grote sociale bijeenkomsten of evenementen te promoten.
De eerste kawaraban werden illegaal gepubliceerd en hoewel men in 1793 lid kon worden van een soort gilde zodat men een goedkeuringszegel kon bemachtigen om de kawaraban te publiceren, deden vele publiceerders dit niet. Het was ook gebruikelijk dat schrijvers en illustrators hun echte naam niet vermeldden bij hun werk.
Om het gewone publiek te boeien, schreef men enkel over sensationele gebeurtenissen. Timing was eveneens belangrijk: teksten over (zelf)moord werden het meest verkocht in de namiddag op drukke plaatsen, terwijl teksten over natuurrampen het goed deden in de voormiddag. Ook horrorverhalen kwamen aan bod, een onderwerp dat nog steeds zeer populair is in het Japan van vandaag. Vaak werden de teksten luidop voorgelezen door de verkopers op de hoeken van de straat. Vanaf het midden van de 19de eeuw begon men het nieuws zelfs te zingen en werden er muziekinstrumenten (Shamisen; 三味線) bij betrokken.[2] Eén van de meest gebruikte openingszinnen was "Sā, taihen da, taihen da."
Ook illustraties werden gebruikt om de kawaraban aantrekkelijker te maken. Vaak waren het sensationele afbeeldingen met felle kleuren die moord, schandalen, bizarre gebeurtenissen etc. uitbeeldden; zelfs engelen in Europese barokstijl werden in de hoofdingen soms gebruikt. Deze illustraties werden shinbun nishiki-e (錦絵 ; lett. "brokaatafbeelding") genoemd.[3]
Hoewel de yomiuri en kawaraban de basis ervan legden, kan men bezwaarlijk al van echte kranten spreken omdat het ging om slechts één vel papier.

1850 - 1900

1861 - De Nagasaki Shipping List and Advertiser & The Japan Herald

Na de opening van de haven van Nagasaki (長崎市) had Groot-Brittannië eindelijk economische banden met Japan, met als gevolg dat vele buitenlanders naar Japan trokken om daar een zaak op te richten en handel te drijven. Deze buitenlanders kregen steeds meer nood aan kranten in hun eigen moedertaal. De eerste die hiervoor zorgde, was de Brit H.W. Hansard. Ook hij was naar Japan gekomen met economische doeleinden, en had er een zaak opgestart die zich specialiseerde in onderdelen van printmachines.
Maar Hansard wou zich niet enkel toeleggen op het technische aspect van het drukken. Doordat hij ervaring had opgedaan in Nieuw Zeeland [4] en hij zich bewust was van de groeiende vraag naar een Engelstalige krant, besloot hij om in Japan ook een krant te publiceren. En zo ontstond de tweewekelijkse Nagasaki Shipping List and Advertiser, die op 22 juli 1861 voor het eerst verdeeld werd onder de buitenlanders. Zoals de naam al vermoedde, ging de krant voor het merendeel over handelsnieuws, maar ook een gelimiteerd aantal artikels over de laatste ontwikkelingen in het Westen kwamen aan bod.
Omdat het aantal inwoners in Yokohama (横浜市 ; Yokohama-shi) enorm steeg na het openen van de havens en ook omdat het praktisch gezien dichtbij de hoofdstad lag, verhuisde Hansard de krant in november 1861 naar deze stad. Daar ontmoette hij de Schot John Reddie Black, die hem zou helpen met de realisatie van de wekelijkse krant The Japan Herald.

Na het ontstaan van The Japan Herald volgden verschillende soortgelijke kranten. In mei 1863 verscheen The Japan Commercial News, een krant die gepubliceerd werd door de Portugees F. da Roza. Net zoals The Japan Herald bevatte het vier pagina’s met zowel nieuws van het thuisfront als inschepingslijsten en advertenties. de Roza's krant leek zo erg op die van Hansard, dat deze besloot zijn krant aan te passen, wat een succesvolle beslissing bleek te zijn. Na één en half jaar had The Japan Commercial News zoveel aan populariteit verloren, dat de Roza besloot ze stop te zetten.

1865 - Kaigai Shinbun

Een andere buitenlander die een krant publiceerde in Yokohama was Joseph Heco (originele naam: Hamada Hikozō ; 浜田彦蔵). Hij was in Japan geboren en op 14-jarige leeftijd in San Francisco beland. Gedurende zijn verblijf daar leerde hij Engels, kreeg hij de Amerikaanse nationaliteit en zijn christelijke naam. Maar in 1859 keerde hij naar Japan terug. Heco was enorm gefascineerd geraakt door de grote rol die kranten speelden in het dagelijkse leven van de Amerikaan, en daarom wou hij dit moderne medium ook in Japan introduceren. Hij zorgde hier voor een mijlpaal in de geschiedenis van de Japanse pers, want hij was de eerste die een krant publiceerde in de Japanse taal. Deze krant, die hoofdzakelijk uit vertaalde artikels van overzeese kranten bestond, kreeg de naam Kaigai Shinbun.
Doordat hij zijn jeugd in Amerika had doorgebracht, had hij echter nooit de Japanse taal leren lezen of schrijven. Daarom had hij Kishida Ginkō nodig. Ginkō werkte bij de Amerikaanse missionaris-doctor-linguïst James Curtis Hepburn, die op dat ogenblik een Engels-Japans woordenboek aan het samenstellen was. Heco ontmoette Ginkō daar, en al snel ontstond een hechte vriendschap tussen de twee. In juni 1864 ontstond de Shinbunshi, een krant die het volgende jaar de naam Kaigai Shinbun kreeg.
Maar uitgezonderd enkele Japanners die geïnteresseerd geraakt waren in het Westen en hierdoor kranten door buitenlanders gepubliceerd begonnen te lezen, was het gewone Japanse publiek niet echt geneigd om zich met buitenlanders te associëren, ook al ging het maar over een krant. Wat begrijpelijk was, na meer dan twee eeuwen gehoord te hebben van het Bakufu dat buitenlanders barbaren waren.

1863 - Kanpan Batabia Shinbun

Toen het Bakufu besliste om het voorbeeld van de buitenlanders te volgen en hun eigen krant op te richten, volgden ze het model van een Nederlandse krant – de Javasche Courant. De keuze om een Nederlands model te volgen, kan verklaard worden doordat de Nederlanders een belangrijke rol hadden gespeeld tijdens de Meiji-Restauratie en ook omdat het Nederlands de officiële tweede taal was tot aan de laatste dagen van het Bakufu.
De grootste reden om een officiële krant te publiceren, was dat het Tokugawa Bakufu zeer goed wist dat ze dit medium konden gebruiken om een pro-Bakufu (sabaku) propaganda te leiden.
Ze verscheen in de eerste maand van 1863 onder de naam Kanpan Batabia Shinbun en bevatte vertalingen van artikels die, in de ogen van het Bakufu, geschikt waren voor het Japanse publiek. Na de publicatie volgden nog andere publicaties met gelijkaardige namen.
Vervolgens kwamen er kranten van Chinese origine, gepubliceerd door buitenlanders in Hongkong en Shanghai. Deze teksten werden niet naar het Japans vertaald, maar men kopieerde ze en vermeldde er simpelweg de traditionele kunten bij (訓点 ; grammaticale hulpmiddelen om de Chinese karakters zelf naar het Japans om te zetten). Voorbeelden van zulke kranten zijn de Kanpan Chuugai Shinpō en de Kanpan Honkon Shinbun.
Maar net als de Kanpan Batabia Shinbun waren de onderwerpen niet interessant genoeg om het gewone volk te boeien en dus bleef geen enkele publicatie lange tijd bestaan.

1871 - Yokohama Mainichi Shinbun

De eerste Japanse krant die zowel buiten- and binnenlands nieuws bevatte, was de Yokohama Mainichi Shinbun. Deze werd voor het eerst gepubliceerd in 1871.

De effecten van de Eerste en Tweede Persordinantie in 1875 en 1883 waren desastreus voor de kranten van de partijaanhangers. Toch waren het de wetten zélf niet die zorgden voor de drastische daling van het aantal krantenedities. Eerst en vooral speelde de scheiding van de politieke partijen een grote rol. De strenge restrictie op elke vorm van georganiseerde politieke activiteit onder de Wet van de Publieke Bijeenkomst van 1882 had het enorm moeilijk gemaakt om publieke bijeenkomsten nog te kunnen organiseren. Een tweede oorzaak was van economische oorsprong. Tijdens het begin van de jaren '80 had Japan te kampen met een ernstige economische depressie. Doordat bij de kranten van de partijaanhangers handel altijd al de tweede plaats had ingenomen na politiek, kregen ze het nu moeilijk. Voor velen kwam de fatale slag wanneer de overheid een systeem introduceerde waarbij een krant 'garantiegeld' moest betalen om het verlies te compenseren wanneer de krant in kwestie zou zondigen tegen de perswet.

Koshinbun en ōshinbun

Gedurende deze periode werden kranten onderverdeeld in twee soorten: ōshinbun (lett. “grote kranten”) en koshinbun (lett. “kleine kranten”). Het verschil tussen beiden was goed te zien bij de stafleden. De werknemers bij de ōshinbun waren opgeleiden, politici of advocaten die een interesse in het Westen ontwikkeld hadden. In contrast daartegen stond de koshinbun, waar de stafleden vroegere (toneel)schrijvers waren en minder opgeleid waren.

Het publiek gaf aan de ōshinbun de naam ‘politieke forums’, omdat deze kranten gebonden waren aan de Popular Rights Movement (自由民権運動 ; Jiyū minken undō). Na de officiële aankondiging van de formatie van het Regime werden deze kranten, zoals de Yokohama mainichi shinbun en de Chūgai shinbun, organen van de politieke partijen. De vroegste lezers van sit soort kranten waren meestal afstammelingen van de vorige samoeraiklasse.

Koshinbun, anderzijds, waren de meer toegankelijke, populaire kranten die lokaal nieuws, human interest verhalen en lichte fictie bevatten. Ze kostten slechts de helft van de ōshinbun, en waren in een simpelere taal geschreven. Voorbeelden van koshinbun zijn de Tokyo Nichi Nichi Shinbun, de voorloper van de Mainichi shinbun, de Yomiuri shinbun, en de Asahi shinbun. Zowel de Yomiuri als de Asahi Shinbun konden concurreren met de toenmalige grote kranten qua kwaliteit. Doordat de koshinbun ook politiek georiënteerde artikels begon te publiceren, vervaagde stilaan de verschillen tussen beide soorten. In de periode die volgde na de Eerste Sino-Japanse oorlog (日清戦争 ; Nisshin Sensō; 1884-1895) verdwenen de meeste ōshinbun onder druk van de overheid, en de koshinbun begon meer te neigen naar een moderne, “onpartijdige”[5] krant.

1900 - 1945

Gevolgen van de Russisch-Japanse Oorlog

In tegenstelling tot de Eerste Sino-Japanse oorlog duurde het langer om de beslissing te nemen Rusland al dan niet aan te vallen tijdens de oplopende spanningen met dat land. Dit leidde tot beschuldigingen van de pers dat de overheid "zwak" zou geworden zijn. De pers ging akkoord met zeven professoren van de Keizerlijke Universiteit van Tokyo en zette Katsura Tarō (桂 太郎) ertoe aan oorlog te voeren met Rusland. Wanneer Katsura in juni 1903 echter besliste om akkoord te gaan met een schikking, weigerden de kranten dit voorstel te steunen. De meest noemenswaardige kranten die de pro-oorlogse ideeën steunden, waren de Asahi (zowel van Tokyo als Osaka), de Osaka Mainichi Shinbun en de Jiji.
Toch waren er ook vredelievende kranten, waaronder de Tokyo Nichi Nichi. Maar zodra men voelde dat de oorlog eraan zat te komen, werden ook deze kranten voorstander van de oorlog.
Wanneer Japan akkoord ging met een vredesverdrag nadat men Rusland had verslagen, reageerden de meeste kranten woedend en schreven ze zwaar kritische artikels waarin ze beweerden dat Japan in Portsmouth[6] verloren had wat ze op het slagveld had gewonnen. Het publiek werd zo beïnvloed door de pers, dat op de dag van de ondertekening, 5 september 1905, verschillende protestacties werden gehouden in Tokyo en men overheidsgebouwen in brand stak. De volgende dag werd de nieuwsmedia sterk gecensureerd en verscheidene kranten werden opgeschort voor een bepaalde tijd.

Gevolgen van de zogehete 'Rijstrellen'

Een ander conflict tussen de pers en de overheid nam plaats in 1918 tijdens de zogehete Rijstrellen (米騒動 ; kome sōdō) en gedurende de periode van het Masatake Terauchi-kabinet. Op 17 augustus 1918 eisten 138 afgevaardigden van 53 kranten uit de Kansaistreek (関西地方, Kansai-chihō) het ontslag van het kabinet omdat het de persvrijheid onderdrukte. Een week later gebeurde in Osaka (大阪市) iets dergelijks met 166 afgevaardigden van 68 kranten. Leiders van deze bijeenkomsten waren de Osaka Mainichi Shinbun en de Osaka Asahi.

Gevolgen van het Mantsjoerije-Incident

Met het Mantsjoerije-Incident tijdens de jaren '30 kozen de kranten unaniem de zijde van het Kwantung Leger[7]. De Tokyo Asahi meende dat de actie van het Japanse Leger tegen het Chinese pure zelfverdediging was omdat de Chinezen een deel van de Mantsjoerijnse spoorweg vernietigd hadden, wat eigendom was van Japan. Ook de Tokyo Nichi Nichi Shinbun had een mening over het voorval. Zij beschuldigde China ervan anti-Japanse bedoelingen gehad te hebben en schreef een dankbetuiging aan het Kwantungleger voor het nemen van de juiste maatregelen tegen China.
De campagne van de pers om Japan's Mantsjoerije-invasie te steunen bleef niet beperkt tot het drukken van positieve nieuwsberichten. De Asahi- en Mainichi-kranten sponsorden verschillende tentoonstellingen om aan te tonen dat niet alleen het Incident onvervalst was, maar ook om te laten zien dat het leger dapper aan het vechten was tegen China. Naast de sponsoring zamelden ze ook donaties in om aan de soldaten in kwestie te schenken.
Ondanks alle controverse errond dacht geen enkele Japanse krant eraan om te checken of het Mantsjoerije-Incident wel degelijk gebeurd was. Meer nog, de kranten hielpen het Kwantungleger om het verzonnen incident te verdoezelen door zomaar de officële verklaring te accepteren zonder enige research.

Gevolgen van het 15 Mei Incident

Nadat jonge ultra-nationalistische militaire officieren het kabinet op 15 mei 1932 en 26 februari 1936 aangevallen hadden, betekende dit de ondergang van het partijcabinet-systeem en nam het leger de besturing van de Japanse overheid over tot ze in 1945 verslagen werd. Het 15 Mei Incident (五・一五事件 ; Goichigo Jiken) werd door de pers gekarakteriseerd als "chaotisch geweld en krankzinnig gedrag" en men uitte indirecte kritiek op de interventie van het leger in politieke affaires.

De Japanse pers had tot hiertoe altijd al geprobeerd een kritische houding tegenover de overheid aan te nemen, maar tijdens deze periode van ultra-nationalisme kwam de pers onder enorme controle te staan door het Inlichtingencomité.[8] Gedurende de oorlog werd de pers getransformeerd in een soort van propagandaorgaan van de overheid en de kritiek die ze vóór de jaren '30 op de Japanse leiders had geuit, werd nu gekanaliseerd naar Engeland en de Verenigde Staten.
Onder invloed van de militaire overheid was de pers enthousiast over het Duitsland van Hitler en het Italië van Mussolini nadat Japan een Pact met beiden had gesloten, en gedurende de Tweede Wereldoorlog - het voorbeeld van de overheid volgend - verkondigden ze valse informatie over het verloop van de oorlog.

na 1945

Nadat Japan verslagen werd in 1945, bleef de strikte censuur van de pers omdat de Amerikaanse bezetters overheidscontrole uitoefenden. Wat nog overbleef van de Japanse massamedia werd gebruikt om een steunende rol te bieden in de uitvoering van het beleid van de bezetter. Als gevolg bleef de Japanse media-industrie één van de Japanse instituties die de oorlog bijna ongedeerd overleefde. Op 27 september 1945 kreeg de Japanse overheid instructies om alle restricties op de pers-, publicatie-, uitzend- en filmindustries te verwijderen. Enkel de persorganen die het meest geassocieerd werden met de oorlogsautoriteiten werden afgeschaft. Er werden verschillende leden van de Japanse media verbannen, maar dit was een erg klein aantal in vergelijking met de rol die de media in de Tweede Wereldoorlog had gespeeld.

De Associatie van de Japanse Nieuwspubliceerders en -redacteurs (日本新聞協会 ; Nihon Shinbun Kyōkai) werd op 23 juli 1946 opgericht en zou vanaf dan richtlijnen uitvaardigen in het voordeel van de Japanse pers, maar die ook nog steeds rekening zou houden met de regelingen van de bezetters. In 1951 echter gaven de Amerikaanse bezetters eindelijk de persvrijheid terug aan Japan en op 28 april 1952 werd de bezetting van Japan beëindigd door het ingaan van het Vredesverdrag. Hiermee verdwenen de beperkingen op de media onder naam van de Perscode, waardoor verschillende linksgezinde kranten opnieuws konden verschijnen. Ook de controle op de distributie van nieuwsdrukken hield op vanaf 1 mei 1951, en dus werd elke krant nu verantwoordelijk voor zijn eigen distributie.
Voor de eerste keer in de geschiedenis had de Japanse krant niet te vrezen voor de overheid, en was ze eindelijk klaar om te evolueren naar een van 's wereld grootste en meest geavanceerde industrieën wat betreft media.

Evolutie van enkele belangrijke Japanse kranten

Mainichi Shinbun

Voorbeeld van de Mainichi Shinbun

De Mainichi Shinbun (毎日新聞 ; lett. "De dagelijkse krant") wordt gepubliceerd door de Kabushiki-gaisha Mainichi Shinbunsha (株式会社毎日新聞社) en is met zijn 135 jaar de oudste krant van Japan. De krant verschijnt tweemaal per dag in verschillende locaties.

De geschiedenis van de Mainichi Shinbun begint in 1872 met de Tokyo Nichi Nichi Shinbun (東京日日新聞 ; lett. "Tokyo Dagelijkse Nieuws"). In 1911 fuseerde deze krant met de Osaka Mainichi Shinbun (大阪毎日新聞) ; lett. "Osaka Dagelijkse Nieuws"), maar de twee bedrijven bleven hun kranten onafhankelijk van elkaar drukken tot 1943. Vanaf dan gingen beide edities verder onder de naam Mainichi Shinbun.
In 1966 werd het kantoor van Yurakucho naar Takebashi (Tokyo) verhuisd, en in 1992 werd het Osaka kantoor van Dojima naar Nishi-Umeda verhuisd.
Vandaag werken bij de Mainichi zo'n 3 200 medewerkers in 364 kantoren over heel Japan en 26 kantoren in het buitenland.
De Mainichi Shinbun is de enige Japanse krant die een Pulitzer Prijs gewonnen heeft[9], en is ook de meest frequente winnaar van allerlei prijzen sinds 1957.

Asahi Shinbun

De Asahi Shinbun (朝日新聞) heeft, net zoals de Mainichi Shinbun, twee dagelijkse edities. De krant is verbonden met de International Heral Tribune, die op haar beurt aangesloten is bij de New York Times. Tesamen publiceren ze de International Heral Tribune/The Asahi Shinbun als hun Engelstalige editie. Asahi Shinbun is ook partner met de officiële krant van de Communistische Partij van China.

Op 25 januari 1879 werd de Asahi Shinbun voor het eerst gepubliceerd als een kleine krant met slechts vier geïllustreerde pagina's. Noboru Kimura was de eigenaar van de krant, terwijl Ryōhei Murayama president en publiceeder was en Tei Tsuda redacteur.
In 1881 beon de Asahi met een nieuw nieuwsformaat, en werd Rīchi Ueno mede-eigenaar van de krant. Vanaf 1882 kreeg ze financiële bijstand van de overheid en Mitsui.
Op 10 juli 1888 werd de eerste editie van de Tokyo Asahi Shinbun gepubliceerd; dit was het vervolg van drie kleine kranten, nl. de Jiyu no Tomoshibi, de Tomoshibi Shinbun en de Mezamashi Shinbun.
Op 1 april 1907 kreeg de Asahi een belangrijke schrijver bij, de toen 41-jarige Natsume Sōseki.
De Osaka Asahi Shinbun fuseerde met de Tokyo Asahi Shinbun op 1 oktober 1908 om tesamen de Asahi Shinbun Gōshi Kaisha te worden.
Op 1 september 1940 werden de Osaka Asahi Shinbun en de Tokyo Asahi Shinbun bijeengebracht tot de Asahi Shinbun.
De publicatie van de nieuwe Asahi Shinbun werd gestopt door de overheid op 1 januari 1943 omdat de krant een kritisch stuk bevatte door Seihō Nakano.
Op 21 november 1946 gebruikte de krant voor het eerst het moderne kana systeem (仮名遣 ; kanazukai) en op 30 november 1949 begon de Asahi Shinbun met het publiceren van de manga Sazae-san (サザエさん) door Machiko Hasegawa.[10]

Sazae-san door Machiko Hasegawa

Vanaf 2 april 2001 publiceerde men de dagelijkse Engelse krant The International Herald Tribune/The Asahi Shinbun.

Yomiuri Shinbun

De Yomiuri Shinbun (読売新聞) wordt gepubliceerd in Tokyo, Osaka, Fukuoka en andere grote Japanse steden. Van deze krant worden, in vergelijking met de rest van de wereld, dagelijks de meeste edities gedrukt. Net zoals de voorgaande kranten verschijnt de Yomiuri Shinbun tweemaal per dag.

De krant werd voor het eerst gepubliceerd in november 1874 door Koyasu Takashi[11] als een kleine dagelijkse krant. Doorheen de jaren 1880 en 1890 schreven verschillende schrijvers als Ozaki Kōyō artikels voor de Yomiuri, waardoor ze beschouwd werd als een literaire kunstpublicatie.
In 1924 nam Shoriki Matsutaro het beleid over en veranderde het bedrijf aanzienlijk met sensationele nieuwsweergaven, een volledige pagina gewijd aan radioschema's en het opstarten van Japan's eerste professionele baseball team[12]
Langzaamaan werd de Yomiuri het middel om lezers in Tokyo globaal nieuws te verschaffen. In 1942 fuseerde de krant met de Hochi Shinbun door oorlogsomstandigheden en werd toen bekend als de Yomiuri-Hochi.

Persvrijheid en censuur

Voorloper van de eerste perswet

Op 11 april 1868 kwamen de revolutionaire groepen van Satsuma en Chōshū de Tokugawa-vesting binnen in Edo, en werden geconfronteerd met de bloei van een nieuw medium. In de zes jaar sinds de publicatie van de Kanpan Batabia Shinbun was er in de stad een succesvolle pers uitgegroeid. Diegenen die hierin een grote rol speelden, was een kleine groep van geleerden die gedurende de Bakufu-jaren een gemeenschap hadden opgericht genaamd Kaiyakukai. De hoofdoprichter was Yanagawa Shunsan, iemand die in 1867 de Seiyō Zasshi reeds opgericht had, het allereerste Japanse tijdschrift. Deze mannen realiseerden de publicaties van meer dan een dozijn kranten, onder wie de Chūgai Shinbun en de Kōko Shinbun, die enorm leken op de kranten vandaag qua inhoud, layout en manier van distribueren. De meesten onder hen hadden inmiddels een carrière uitgebouwd in de Tokugawa bureaucracie.
De kranten geproduceerd door de Kaiyakukai waren pro-Bakufu. Vaak werden artikels onder titels als ‘De Mening van een zekere Heer’ of ‘Vertalingen van een Buitenlandse Krant’ geschreven, maar in werkelijkheid kwamen ze allemaal van Fukuchi Genichirō, de redacteur van de Kōko Shinbun. Hij was ook de eerste in Japanse geschiedenis om gevangen genomen te worden omdat hij zijn mening had uitgesproken. Drie weken later werd Fukuchi vrijgelaten, maar in die tijd hadden de autoriteiten reeds regulaties aangebracht waaronder kranten zich moesten voegen om een publicatievergunning te krijgen. Door deze regeling, die eigenlijk de voorloper is van de eerste perswet, waren alle kranten in Edo tegen juni uitgeroeid. De enige krant in de regio die nog bestond, was de Moshiogusa, gepubliceerd door de Amerikaan Eugene M. van Reed; dit doordat hij extraterritoriale rechten bezat. Met deze regeling had het Bakufu een laatste poging gewaagd om het tij te doen keren.
In een verbazingwekkend korte periode hadden de kranten te Edo zowel een opmerkelijk niveau van maturiteit en invloed verkregen als weer kwijtgeraakt.

De eerste perswet

Na 1874 stopte de overheid met financiële steun te verlenen aan de grootste nieuwsbladen, en op 28 juni 1875 ontstond een Persordinantie (Shinbunshi Jōrei) die 16 Artikelen bevatte. Hierin stond dat elke vorm van kritiek tegen de staat, overheid of administratieve instellingen strafbaar was. Men kon tot drie jaar celstraf krijgen en/of een boete van 50 tot 100 yen moeten betalen. Vervolgens konden enkel diegene met een Japanse nationaliteit eigenaar zijn van een krant, ze publiceren of bewerken.
8 dagen na het ingaan van de Persordinantie kwam er nog een extra wet bij (Zanbōritsu), die de waardigheid en privacy van het individu moest beschermen. Maar eigenlijk was deze wet slechts bedoeld om negative kritiek naar de autoriteiten toe te onderdrukken.

De Persordinantie had niet enkel invloed op diegenen die rechtstreeks verbonden waren met de politieke nieuwsbladen maar ook op alle mensen die naar de pers schreven om hun ongenoegen over de overheid te uiten.[13]

De wet werd op 5 juli van hetzelfde jaar nogmaals aangepast, doordat het Ministerie van Binnenlandse Zaken (内務省 ; Naimushō) opschortingen van publicaties of banningen op nieuwsbladen die de nationale veiligheid in gevaar zouden kunnen brengen, versterkte. Doordat de overheid zulke drastische beperkingen oplag, verhinderde ze de vrije meningsuiting van kranten. Men was immers nog niet klaar om te accepteren dat de krant het medium was geworden waar het gewone publiek zijn mening kon geven hoe zij over een ontwikkelde maatschappij dachten.

De tweede perswet

De nieuwse Persordinantie (Shinbunshi Jōrei) in 1883 maakte het onmogelijk voor publieke sprekers om manager of redacteur van een krant of enige andere publicatie te worden. Hetzelfde gold voor allen die geen Japanse burger meer waren of die nog geen 20 jaar waren. Ook moesten topschrijvers vanaf nu telkens hun naam vermelden bij hun artikels en hun persoonlijke informatie werd geregistreerd bij de autoriteiten. Zo kon de overheid meer controle uitoefenen op het onderdrukken van ondermijnende elementen.

Door deze nieuwe wet werden een record aantal mensen gevangengenomen nadat ze hun mening geuit hadden. Maar de wet focuste zich niet enkel op individuen. Steeds meer administratieve organen werden belast met het controleren van de pers en kranten werden onder de jurisdictie van het Ministerie van Defensie en Buitenlandse Zaken gebracht.

De nieuwe banningen van de pers waren veel effectiever dan voorheen doordat het herverschijnen van een voorheen verbannen artikel nu bij wet verboden was.[14] Redacteurs en andere stafleden van een eens opgeschorte of verbannen krant konden niet voor een ander nieuwsblad werken gedurende de opschorting. Hierdoor moesten vele journalisten noodgedwongen hun idealen om te werken voor een pro-mensenrechtendagblad opgeven en op zoek gaan naar een ander beroep.

Al deze drastische maatregelen werden ingeroepen nadat provocerende politieke reviews enorm populair waren geworden in geheel Japan.

De derde (en laatste) perswet

Op 5 mei 1909 ontstond de laatste perswet (Shinbunshi Hō) die zou blijven bestaan tot haar afschaffing door de Amerikaanse bezetters in mei 1949. Ook al had het lang geduurd vooraleer deze wet op poten stond, toch was ze in vele opzichten net hetzelfde als voorafgaande perswetten en deed ze weinig tot niets om de Japanse pers verder te liberaliseren.

Eerst en vooral werd de verantwoordelijkheid voor nieuwsartikels verder uitgebreid naar de uitgevers en zelfs de proeflezers of diegene die de publicatie verzocht hadden. Vervolgens kreeg de Minister van Binnenlandse Zaken opnieuw de macht om de distributie van bepaalde kranten te onderbreken en kon hij artikels die de publieke rust konden verstoren, weigeren. Doordat de drie mannen die Muramatsu en Suzuki - de leden die de taak gekregen hadden om de perswet te herschrijven - hielpen deze wet samen te stellen allen belangrijke pionnen in de krantenwereld waren, kan worden gezegd dat de Japanse pers ditmaal deels zélf verantwoordelijk was voor de nog strengere wetten.

Hier ook veroorzaakte de Shinbunshi Hō meer dan alleen het kwijtspelen van de vrije meningsuiting: meer dan de helft van de nieuwsbladen ging failliet al na het eerste jaar.

Kisha clubs

Inleiding

Ook al worden de meeste kranten en tijdschriften beschouwd als media die een kritische houding aannemen ten opzichte van de overheid, toch wordt de onafhankelijkheid van deze kranten in vraag gesteld door het gebruik van het alomtegenwoordige persclubsysteem. Deze persclubs, kisha clubs genaamd, worden door politici en overheidsagentschappen gebruikt en bevatten 12 tot bijna 300 reporters van verschillende kranten, tijdschriften en broadcast media. Door deze kisha clubs is het onmogelijk om kritisch en onafhankelijk nieuws te kunnen uitbrengen omdat het schrijven van dubieuze artikels kan leiden tot uitsluitsel van de club, en men dan niet meer in staat is informatie te verkrijgen, laat staan erover te schrijven. Verschillende kranten worden ervan beschuldigd een soort kanaal te zijn van de overheid om het gewone publiek te kunnen beïnvloeden, ook al hebben ze vaak een grote rol gespeeld om politieke schandalen aan het licht te brengen.

Definitie van "Kisha club"

Kisha club (記者クラブ, kisha kurabu) komt van het Japanse woord kisha (記者) wat "reporter" betekent. Het is een vereniging van reporters van gespecifieerde nieuwsorganisaties die nieuws verzamelt, en wiens verslagen meestal gecentraliseerd zijn rond een perskamer opgezet door bronnen zoals de officiële residentie van de Eerste Minister, overheidsministeries, lokale authoriteiten, de politie, enzovoort. Instituties met een kisha club limiteren hun persconferenties meestal tot de journalisten van die club. Er bestaan soortgelijke regelingen in alle landen, maar de Japanse vorm van dit soort organisatie is toch wel uniek. Daarom dat de Japanse term 'kisha club' ook vaak in andere talen wordt gebruikt.

Kisha clubs maken vaak afspraken over het uitbrengen van verslagen. Deze worden "(school)bord-afspraken" genoemd, verwijzend naar de (school)borden in de perskamers waarop de afspraken worden geschreven of geprojecteerd. Ze worden gemaakt zodat men onderling minder moet wedijveren tijdens het uitbrengen van verslagen. Afspraken kunnen ook op verzoek van de politie gemaakt worden, bijvoorbeeld om slachtoffers te beschermen.

Ontstaan en evolutie van de kisha clubs

In 1890 werd de eerste kisha club opgericht door een reporter van de Jiji Shinpō (時事新報), die de Regime-correspondenten van alle Tokyo-kranten bijeenriep om een "Groep van Journalisten die het Regime bezoeken" (議会出入記者団, Gikai deiri kishadan) te vormen als antwoord op het verbod voor journalisten om verslag uit te bregen door het eerste Keizerlijke Regime. In oktober van datzelfde jaar fuseerde die groep met krantenbedrijven over heel Japan, en veranderden ze hun naam in de "Geassocieerde Krantenjournalisten Club" (共同新聞記者倶楽部, Kyōdō Shinbun Kisha Kurabu).

In maart 1941 werd er een organisatie opgericht die zich bezighield met het controleren van kranten, genaamd de "Japanse Dagbladunie" (日本新聞連盟, Nihon Shinbun Renmei). Hiermee werd het aantal kisha clubs teruggeschroefd tot één derde en konden ze hun bestuur ook niet meer in eigen handen nemen.

De basisgarantie voor een vrije en onafhankelijke pers werd gegeven door de nieuwe Vredesconstitutie. Onder deze Constitutie werden alle limieten op vrijheid van expressie - en dus ook vrijheid van de pers - die tijdens de Meijiconstitutie gevormd werden, opgeheven. Hier werd de basis gelegd voor een werkelijk vrije pers.
Toch waren er nog een paar probleempunten. Tijdens de lente van 1946 werden een groot aantal artikels in de Yomiuri Shinbun gecensureerd omdat ze de Perscode geschonden hadden. Als gevolg verplichtte op 4 juni de Burgerlijke Informatie- en Educatiesectie de president van de Yomiuri een deel van zijn medewerkers te ontslaan om soortgelijke conflicten in de toekomst te vermijden. Als reactie daarop vroeg hij Suzuki Tōmin en vijf andere stafleden om hun ontslag te geven.
Kort na het einde van de oorlog kwam er veel vraag naar het verder liberaliseren van de persclubs. De Amerikaanse autoriteiten hadden de controversiële rol van de kisha clubs opgemerkt, en op 26 oktober 1949 maakte de Japanse Krantenassociatie officieel de Richtlijnen voor de Persclubs bekend, de Kisha Kurabu ni Kansuru Hōshin. Deze richtlijnen zijn tot op heden nog altijd in gebruik:


a. Persconferenties:
Er zullen geen beperkingen opgelegd worden door persclubs of krantenbedrijven met respect voor krantenjournalisten of editors die nieuws verzamelen tijdens persconferenties.
b. Perskamers:
Daar waar nieuwsbijeenkomsten nodig zijn, zijn publieke instituties verplicht perskamers in te richten, telefoons, tafels, stoelen en materiaal nodig om artikels te kunnen schrijven te voorzien; en alle krantenbedrijven vrije en kostenloze toegang te verlenen.
c. Persclubs:
Als een organisatie voor sociale omgang tussen geïnteresseerde journalisten die werken voor de verschillende publieke instituties, mogen persclubs zich niet bezighouden met het verzamelen van nieuws. (Het is mogelijk dat meerdere persclubs verbonden zijn aan een enkel overheidsbureau). Persclubs mogen wel deels gebruik maken van de perskamer.
d. Klachtenapparaten:
Wanneer klachten in verband met perskamers of persclubs toegevoegd worden aan de Krantenassociatie van Japan, zal er gedelibereerd worden en gezocht worden naar een bemiddeling.[15]


Maar gebeurtenissen die in de toekomst volgden, gaven aan dat de kisha clubs nog steeds het grootste obstakel waren naar een volwassen Japanse pers.

In 1956 ontstond de J-Magazine Associatie (日本雑誌協会, Nihon Zasshi Kyokai) dat kisha clubs van Japanse tijdschriften (日本雑誌記者会, nihon zasshi kishakai) en van Japanse fotojournalisten (日本雑誌写真記者会, nihon zasshi shashin kishakai) bevatte. Deze associatie werd opgericht door ledenbedrijven om het uitbrengen van verslagen verwant met tijdschrift-editing te bevorderen.

In december 1997 veranderde de Japanse Associatie van Publiceerders en Redacteurs hun stelling, en kisha clubs werden volgens hen 'uitgangspunten om verslag uit te brengen'. Dit betekende dat vanaf dan informatie door publieke rechtspersonen makkelijker toegankelijk werd.

Voor- en Tegenstanders van kisha clubs

Voorstanders

Door het gebruik van kisha clubs kunnen rechtspersonen zoals overheidsinstellingen officiële bekendmakingen vlugger en makkelijker aan de pers meedelen. Zo kan men bijvoorbeeld het tijdstip van de mededeling vooraf aan de club bekendmaken, zodat alle belangrijke persagentschappen aanwezig zijn en het grote publiek bijgevolg geïnformeerd wordt.

Tegenstanders

Wanneer men bepaalde persagentschappen of televisiestations een monopoliepositie toekennen wat betreft nieuwsberichten, zit het gevaar er in dat de informatie gemanipuleerd wordt. Freelance journalisten, kleinere mediabedrijven en buitenlandse persagentschappen kunnen geen lid worden van de kisha clubs, en worden bijgevolg benadeeld. Daarom komt er op het kisha club-systeem vaak kritiek van zowel binnen- als buitenland.
Een ander hekelpunt is, dat perskamers opgesteld voor kisha clubs vaak betaald worden door middel van belastingen, terwijl ze enkel door de ledenbedrijven gebruikt mogen worden, en dit kan leiden tot corruptie.[16]
Nog een ander onderwerp van kritiek is - volgens sommigen - de laksheid van de journalisten die zich in de perskamer bevinden. Vaak maken ze enkel een samenvatting van wat er besproken werd tijdens de persconferentie zonder research te doen op andere locaties om na te gaan of alles wat er gezegd werd wel staaft met de realiteit. Ook hier is er meer kans op manipulatie en een verkeerde manier om informatie te verschaffen.

Voetnoten

  1. de beginperiode van de Tokugawa shogunaat (徳川幕府)
  2. Deze nieuwsverkondigers werden met hun liederen de voorlopers van de Enka (演歌) zangers in de Meiji en Taishō periode.
  3. De stijl en techniek wordt soms ook Edo-e (江戸絵) genoemd, verwijzend naar de hoofdstad Edo.
  4. Hij publiceerde er een krant genaamd The Southern Cross.
  5. Sommige kranten leken wel banden te hebben met leden van de overheid, maar deze kranten weigerden dit meestal toe te geven.
  6. Hier werd het vredesverdrag ondertekend.
  7. "Kwantung" betekent "Ten oosten van Shanhaiguan" en refereert naar een deel van Qinhuangdao in de Hebei-provincie waar het oostelijke einde van de Chinese Muur gelegen is.
  8. Later werd dit gereorganiseerd tot het Inlichtingenbureau en binnen een kabinet geplaatst.
  9. Pulitzer Prize Special Citations and Awards
  10. Deze manga wordt beschouwd als een soort mijlpaal in Japan's postoorlogse tijd.
  11. Hij had ook de Yokohama Mainichi Shinbun helpen oprichten vier jaar eerder.
  12. Dit baseball team wordt nu de Yomiuri Giants genoemd.[1]
  13. Het was immers zo dat intellectuelen en lezers ook artikels konden schrijven voor de krant, want 'journalist' werd immers nog niet tot een echt beroep gerekend.
  14. In het verleden konden verbannen artikels opnieuw gebruikt worden door ze simpelweg een andere naam te geven.
  15. "A history of Japanese journalism - Japan's Press Club as the last obstacle to a mature press" door William de Lange, p. 177
  16. Als men ook rekening houdt met lokale overheidsinstellingen, kan de jaarlijkse kostprijs oplopen tot 0.6 miljard yen.

Bronvermelding

Literaire bronnen

  • Cooper-Chen, Anne. Mass Communication in Japan, Iowa State University Press, Iowa, 1997
  • De Lange, William. A history of Japanese Journalism - Japan's Press Club as the last obstacle to a mature press, Japan Library, UK, 1998
  • Formanek, Susanne en Linhart, Sepp. Written Texts - Visual Texts; Woodblock-printed Media in Early Modern Japan, Hotei Publishing, Amsterdan, 2005
  • Freeman, Laurie Anne. Closing the Shop - Information cartels and Japan's mass media, Princeton University Press, USA, 2000
  • Huffman, James L.. Politics of the Meiji Press - The life of Fukuchi Genichirō, The University Press of Hawaii, Honolulu, 1980
  • Lee, Jung Bok. The political character of the Japanese Press, Seoul National Universirt Press, Seoul, 1985
  • Vande Walle, Willy. Een geschiedenis van Japan: van samurai tot soft power, Acco, Leuven, 2007
  • Westney, D. Eleanor. Imitation and innovation : the transfer of western organizational patterns to Meiji Japan, Harvard University Press, Cambridge, 1987

Online bronnen

Extra links