Evolutie op ideologisch vlak

Uit GeschiedenisJapan

Ontwikkelingen in het onderwijs

Het erg breeddenkende decreet op de opvoeding (Kyōiku Rei 教育令) uit 1879 werd reeds in 1880 herzien. Dit was een eerste stap in de richting van een meer nationalistisch georiënteerd onderwijs. Een volgende stap ging uit van de Japanse keizer zelf. Hij keurde de doelstellingen van de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten af, misschien op influisteren van de regering, en gaf zijn privéleraar Motoda Eifu 元田永孚 opdracht het onderwijs te 'herdenken'. Het resultaat van dit denkwerk werd het boek Yōgaku Kōyō 幼学綱要 ('Beginselen voor het basisonderwijs'), dat in 1882 aan alle betrokken ambtenaren en schoolhoofden in lager en hoger onderwijs werd bezorgd. Centraal in zijn pedagogische visie stonden confucianistische waarden als toewijding aan de ouders, de familie, staat en keizer.

In 1886 liet de Minister van Onderwijs Mori Arinori 森有礼 (1847-1889) een reeks schoolwetten (Gakkō rei 学校令) afkondigen. Voor elke categorie van school kwam er een aparte wet. Zo was er een wet op de keizerlijke universiteiten, een op de hogescholen, op het middelbaar onderwijs en het lager onderwijs. Deze wetgeving werd het wettelijke kader voor het Japanse onderwijsnet tot het einde van de Tweede Wereldoorlog. De universiteiten van Tōkyō, Kyōto, Tōhoku en Kyūshū kregen de titel van "keizerlijke universiteit".

In de loop der jaren werden daar nieuwe wetten aan toegevoegd om beroepsonderwijs, privéonderwijs en onderwijs voor meisjes te regelen. Afgezien van de organisatorische aspecten was deze wetgeving geïnspireerd door de gedachte dat de leerlingen een nationaal bewustzijn bijgebracht diende te worden. Toewijding aan keizer en vaderland werd beklemtoond. De wetgeving werkte ook de ongeschreven regel in de hand dat overheidsambtenaren afgestudeerden van een keizerlijke universiteit moesten zijn.

In dezelfde richting ging het Keizerlijk Decreet op het Onderwijs (Kyōiku chokugo 教育勅語), dat in 1887 werd uitgevaardigd. Het werd opgesteld door Inoue Kowashi 井上毅 en Motoda Eifu en legde opnieuw de klemtoon op confucianistische deugden in het onderwijs.

In het kader van de toepassing van de schoolwetten werd een controlesysteem voor leerboeken ingevoerd, dat aanvankelijk alleen voor het lager onderwijs gold, maar vanaf 1903 ook op het hoger onderwijs van toepassing werd.

In 1907 werd de duur van de leerplicht opgetrokken van vier tot zes jaar (volledig lager onderwijs). Dankzij deze wetgeving genoot in 1911 reeds 98 procent van de kinderen onderwijs.

Groeiend nationalisme

Als reactie tegen het soms al te extreme "europeanisme" van onder andere de Rokumeikan, gingen de Japanse filosofen en ideologen op zoek naar de nationale culturele identiteit. Nishimura Shigeki 西村茂樹 (1828-1902), een van de kopstukken van de Meirokusha, gaf een reeks voordrachten aan de Keizerlijke universiteit van Tōkyō, waarin hij de lichtzinnige overname van westerse waarden en zeden bekritiseerde en opriep tot een "typisch Japanse" moraal. Deze was gebaseerd op confucianistische ethische principes, aangevuld met denkbeelden uit het boeddhisme en de westerse filosofie. De notie van 'keizer' diende centraal te staan in de ethische opvoeding. Zijn denkbeelden vatte hij samen in “Een vertoog over de Japanse ethiek” (Nihon dōtoku-ron 日本道徳論), gepubliceerd in 1887.

In 1888 werd het Genootschap voor Politieke Opvoeding (Seikyō-sha 政教社) boven de doopvont gehouden. Het publiceerde het tijdschrift Nihonjin 日本人, dat nationalistische ideeën propageerde. Een jaar later startte een van de grondleggers van het genootschap, Kuga Katsunan 陸羯南(1857-1907), met de uitgave van een dagblad Nihon 日本. Het credo van deze krant was het begrip 'natie' als een organisch geheel met een historische continuïteit en de keizer als focus. Vanuit deze notie van organisch volksnationalisme leverde de krant vaak kritiek op het beleid van de regering, die haar doel, namelijk de uitbouw van een moderne nationale staat, veeleer via sterke centrale instellingen poogde te realiseren. Haar kritische standpunt leverde de krant vaak verschijningsverbod op.

De nationalistisch geïnspireerde intellectuelen leverden vaak kritiek op de overheid, ook al werd deze laatste evenzeer door nationalistische motieven gedreven. De intellectuelen hadden echter een meer romantische visie op het nationalisme, zij wilden het volk hogerop stuwen, en wilden daarom een democratisch bestuur. De overheid wilde een sterke natiestaat, maar wilde haar doel bereiken via autoritaire instellingen. Daar lag dus een groot verschil. In vele gevallen zien we echter hoe na verloop van tijd de nationalistisch geïnspireerde intellectuelen hun kritische houding vaarwel zeggen en zich door het systeem laten coöpteren. Een goed voorbeeld daarvan is Tokutomi Sohō (1863-1957) 徳富蘇峰, die in 1887 de progressieve uitgeverij Min'yū-sha 民友社('De Volksvriend') oprichtte en zowel Kokumin shinbun 国民新聞 ('De Volkskrant')als Kokumin no tomo 国民の友 ('De Volksvriend') publiceerde, waarin hij vanuit democratische inspiratie schreef. Zo publiceerde hij ook het artikel "Rechtvaardiging van de Koreaanse Oorlog" van de maatschappijkritische en pacifistische publicist Uchimura Kanzō. Na de Sino-Japanse Oorlog, en met name door de Drie Landen-Interventie geraakte hij er echter van overtuigd dat Japan een onafhankelijke en compromisloze koers moest varen. In 1897 trad hij in overheidsdienst, wat hem het verwijt opleverde een windhaan te zijn. Vanaf dat moment zou hij zich meer en meer met de Japanse politiek identificeren. Hij werd een verdediger van Katsura Tarō, en stond achter de idee dat Japan een zending in Azië te vervullen heeft. Uiteindelijk zette hij zich in de jaren dertig in voor het militaristische regime. Na de Tweede Wereldoorlog belandde hij zelfs op de lijst van de oorlogsmisdadigers.

De Sino-Japanse Oorlog en zijn gevolgen speelden dus een belangrijke rol in de vorming van de nationalistische denkbeelden. De Russisch-Japanse Oorlog versterkte zeker nog die nationalistische tendens, maar nu maakten ook naturalistische, individualistische en socialistische denkbeelden opgang. Deze oorlog had de economie zwaar op de proef gesteld, en de sociale problemen in de stad en op het platteland verergerd. Het tweede kabinet-Katsura liet daarom het zogenaamde Edict van het jaar Boshin (Boshin shōsho 戊辰詔書 (1908) uitvaardigen, waarin het de bevolking bij monde van de keizer tot eenvoud, zuinigheid, vlijt en zedelijkheid aanspoorde. Het gebruikte dus de keizer om de bevolking ertoe aan te zetten de economische en maatschappelijke problemen voor lief te nemen, en zich niet te laten meeslepen in als bedreigend ervaren ideologische stromingen zoals individualisme en socialisme. Samen met het Edict van de Opvoeding (Kyōiku chokugo 教育勅語) zou dit edict van kracht blijven tot 1948.

Godsdienst en nationaal gevoel

Het aanvankelijk door shintō overvleugelde boeddhisme kon zich herstellen door op de trend van nationalisme in te spelen. Het mocht opnieuw deelnemen aan grote nationale plechtigheden. Het christendom dat als nieuwe religie halfweg de Meiji-periode een niet onaardige verspreiding kende, vooral dankzij het missioneringswerk van buitenlandse priesters en Japanners als Kozaki Hiromichi 小崎弘道, geraakte nu in de verdrukking. Het feit dat Uchimura Kanzō bijvoorbeeld de foto van de keizer niet wou eren, kostte hem zijn baan als leraar, maar bracht ook het christendom in diskrediet. Ook de voorstanders van de Japanse ethiek en de herwaardering van de Japanse culturele identiteit vonden dat dit niet met het christendom te verzoenen viel.